Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

Chapter 11

Chapter 112,887 wordsPublic domain

Door verschillende oorzaken, maar bovenal door de gezegende werking van het Christendom namen de Europeërs toe in beschaving; hunne zeden werden zachter en beter. Dit ging evenwel niet eensklaps, maar langzamerhand; het goede toch wordt door de menschen niet zoo spoedig opgenomen als het booze en onreine.

De Christelijke kerk was in de Middeleeuwen niet in alles zoo, als ze wezen moest. Sommige menschen merkten er verkeerdheden en gebreken in op en poogden die op de eene of andere wijze te verbeteren; gewoonlijk zonder goed gevolg. Dit beproefden onder anderen de Waldenzen, zoo genoemd naar een' koopman uit Lyon, Petrus Waldus. Wijl ze zich met de toenmalige kerkleer niet konden vereenigen, werden ze #ketters# genoemd en vreeselijk vervolgd.

Omstreeks het jaar 1460 tastte een professor aan de hoogeschool te Oxford, #Johannes Wiklef#, de gebreken in de kerk aan; vooral ijverde hij zeer tegen sommige monnikenorden. De geschriften van dezen man werden naar Duitschland gebracht en daar gelezen door #Johannes Huss#, hoogleeraar aan de toen beroemde hoogeschool te Praag.

Deze kwam daardoor tot dezelfde inzichten en sprak toen openlijk uit, wat naar zijne meening in de kerk niet deugde.

Daarom werd hij voor eene aanzienlijke kerkvergadering gedaagd, die van 1414 tot 1418 in de stad Constanz werd gehouden. Huss, die niets goeds van dit concilie verwachtte, weigerde eerst te verschijnen, doch werd daartoe overgehaald door keizer Sigismund, die hem vrijgeleide beloofde. Daarop vertrouwende, verscheen hij dan ook voor de rechtbank der aanzienlijke geestelijken en vorsten. Dewijl hij niet kon en wilde herroepen, wat hij vroeger geleerd en geschreven had, wisten zijne vijanden te bewerken, dat Sigismund hem aan zijn lot overliet. Dat lot was vreeslijk genoeg; hij werd tot den brandstapel veroordeeld en onderging in 1415 dit wreede vonnis. Zijne aanhangers in Boheme, woedend over de lafhartigheid en trouweloosheid van Sigismund, grepen naar de wapens, en zoo ontstond de zoogenoemde Hussietenoorlog, (1419-1436) die den Bohemers veel bloed en tranen heeft gekost.

Behalve de zaak van Huss, moest het concilie te Constanz maatregelen beramen om eene groote scheuring, die er in de Latijnsche kerk was ontstaan, te doen ophouden en eene hervorming in #hoofd# en #leden# te bewerken.

Omstreeks dezen tijd waren er toch niet minder dan drie mannen, welke elkander den pauselijken zetel betwistten. De kerkvergadering zette 2 pausen af, haalde den derden over te bedanken en benoemde in 1417 een nieuwen paus, Martinus V genaamd.

Hoe meer het einde der Middeleeuwen naderde, des te meer pogingen werden er òf door enkele mannen, òf door vereenigingen aangewend om de Christelijke kerk te zuiveren van hare gebreken. Ons vaderland mag ook roem dragen op zulke mannen. Wij noemen slechts: #Rudolf Agrikola#, geboren te Baflo, een dorp in de provincie Groningen, #Wessel Gansfort#, een Groninger van geboorte, #Desiderius Erasmus# van Rotterdam, en niet het minst #Geert Groote#, de edele stichter van de #Broederschap des gemeenen Levens#.

41. DE MAAGD VAN ORLEANS.

Tot het jaar 987 regeerden de nakomelingen van Karel den Grooten over Frankrijk. Toen kwam met Hugo Capet het #Capetingische# koningsgeslacht op den troon, dat tot 1328 aan het bewind was. In het laatstgenoemde jaar verving het huis van #Valois# dat van Capet.

Dewijl de koningen van Engeland evenveel aanspraak meenden te hebben op den Franschen troon als het geslacht van Valois, ontstond er tusschen de Franschen en Engelschen een oorlog, die met kleinere en grootere tusschenpoozen meer dan honderd jaren heeft geduurd. Die oorlog bracht soms groote ellende over Frankrijk. Vooral was dit het geval tijdens de regeering van koning Karel VII, die van 1422 tot 1461 Frankrijk bestuurde. Het geheele noorden des rijks tot aan de Loire was in de macht van den Engelschen koning; de schatkist was ledig en het leger van geene beteekenis. Ongelukkig was Karel een onbeduidend en zwak man, die niets durfde ondernemen en het bijna lijdelijk toezag, dat de schoonste provinciën des rijks hem werden ontrukt. Hij was een man, die geen geestdrift wist in te boezemen in de harten zijner soldaten.

Wat de Koning niet durfde of kon, dat vermocht eene zwakke vrouw, of liever een meisje, pas de kinderschoenen ontwassen.

In den jare 1429 verscheen op een kasteel, aan den zuidelijken oever der Loire gelegen, waar de Koning toen zijn verblijf hield, een eenvoudig 17jarig meisje, #Jeanne Darc# genaamd, de dochter van een' landman uit Domremi. Ze verlangde bij den Koning te worden toegelaten. Toen haar dit eindelijk gelukt was, deelde zij hem mede, dat eene goddelijke verschijning haar den last had opgedragen Orleans te ontzetten en den Koning naar Rheims te voeren. In het eerst wilden Karel en zijne hovelingen haar niet gelooven. 't Was voor de edele ridders ook wat al te vernederend, dat eene #vrouw# zou volbrengen, wat zij niet durfden te onderstaan.

Het van heilige geestdrift blakende meisje overtuigde evenwel spoedig zelfs de grootste twijfelaars van de waarheid harer woorden, en de Koning besloot haar het opperbevel over het leger toe te vertrouwen. In ridderlijke wapenrusting gedost, met de witte lelievaan in de hand, reed zij weldra op een vurig strijdros aan het hoofd van het leger den vijand te gemoet. Het gezicht van de fiere jonkvrouw, die zoo vast geloofde aan de goddelijkheid harer zending, ontstak de Franschen in geestdrift.

Onder hare leiding waren ze in waarheid onverwinnelijk. Waar zij hare witte banier liet wapperen, weken de Engelschen.

Den 29 April van hetzelfde jaar was ze voor de poorten van Orleans, dat door den vijand werd belegerd.

De stad werd ontzet; de Engelschen werden op de vlucht geslagen en Johanna door duizenden als redster begroet. Dit eerste gelukkige wapenfeit verhoogde den moed der strijders. Thans kreeg zelfs de zwakke Karel moed; hij stelde zich aan het hoofd van het leger en trok op naar Rheims, waar hij gekroond moest worden.

De maagd van Orleans, zoo werd Jeanne thans genoemd, was overal, waar het gevecht het hevigst was.

Wat de wereld eene onmogelijkheid had geacht, geschiedde. De Franschen trokken dwars door het Engelsche leger heen, dat overal het onderspit moest delven. Den 17 Juli trok de Koning de stad Rheims binnen en werd er plechtig gekroond en gezalfd. De maagd van Orleans stond gedurende deze plechtigheid in volle wapenrusting aan zijne zijde, met de lelievaan in de hand. Welk eene heerlijke voldoening voor het edele meisje! Door duizenden werd zij geprezen als de beschermengel van Frankrijk. Maar juist de lof, haar toegezwaaid, verwekte haar vele vijanden onder de hovelingen. Die vijandschap was oorzaak, dat Johanna haar doel om n.l. den laatsten vijand van Frankrijks bodem te verjagen, niet kon bereiken. Na de kroning te Rheims werd zij veel minder dan vroeger ondersteund, te meer, daar de lafhartige Karel het krijgsgewoel reeds lang moede was en verlangde naar de genietingen van het hofleven. Nu kwam er een voorgevoel van een naderend leed op in het hart der maagd, en maar al te spoedig kwam dat leed. In Mei van het jaar 1430 waagde zij met hare mannen een' uitval uit de stad Compiègne, die door de bondgenooten der Engelschen, de Bourgondiërs, belegerd werd. Die uitval mislukte; Jeanne waagde zich te stoutmoedig en werd door de Bourgondiërs gegrepen, die haar aan de Engelschen verkochten. Dezen veroordeelden het edele meisje tot den brandstapel als schuldig aan tooverij. Kalm en gelaten onderging zij te Rouaan deze vreeselijke straf (1431). Koning Karel, die haar zooveel was verplicht, wendde geene enkele poging aan om haar te redden uit de handen harer doodvijanden.

42. VEROVERING VAN CONSTANTINOPEL.

(1453).

Vroeger hebben we reeds gezien, dat in 476 n. C. het West-Romeinsche rijk werd vernietigd. Het Oost-Romeinsche of Grieksche rijk kon zich in een langer bestaan verheugen. Over 'tgeheel had het met groote moeielijkheden te kampen, niet alleen veroorzaakt door hevige aanvallen van Perzen, Arabieren en Turken, maar ook door binnenlandsche oneenigheden en twisten, die ontstonden ten gevolge van de troonsopvolging en van het verschil in denkwijze over vraagstukken van godsdienstigen aard. Wanneer men zien wil, hoe een volk zich zelf in het ongeluk kan storten, dan leze men de treurige geschiedenis van dit rijk.

Onder keizer #Justinianus#, die van 527 tot 565 regeerde, genoot het Grieksche rijk een kortstondig tijdperk van uitwendigen bloei. Zijne beroemde veldheeren #Belisarius# en #Narses# behaalden groote overwinningen. De eerste veroverde het rijk der Vandalen in Noord-Afrika en gaf een gevoeligen stoot aan de macht der Oost-Gothen in Italië, die door Narses geheel werden overwonnen. Italië werd toen voor korten tijd eene provincie van het Grieksche rijk onder den naam van #Exarchaat#. Onder zijne opvolgers ging die bloei spoedig voorbij. De Arabieren, door Mohammed tot zijn' godsdienst bekeerd, veroverden het grootste deel van de bezittingen des rijks in Azië en Afrika en belegerden zelfs van 669 tot 676 de hoofdstad Constantinopel, die evenwel door hare sterke ligging en het Grieksche vuur behouden bleef.

Tijdens de kruistochten was er over 't geheel eene zeer slechte verhouding tusschen de kruisvaarders en de Grieken. In het jaar 1204 veroverden de eersten zelfs, geholpen door de vloot der Venetianen, de stad Constantinopel en maakten zich meester van het rijk. Graaf Boudewijn van Vlaanderen was de eerste keizer van het zoogenoemde #Latijnsche keizerrijk#, dat zich slechts tot het jaar 1261 kon staande houden. In dat jaar herstelde een griek Michaël Palaeologus het Grieksche keizerrijk. Het herstelde rijk kwam evenwel niet tot rust, vooral omdat het gekweld werd door hevige aanvallen der #Osmannische Turken#, die er zich sedert het jaar 1303 al meer en meer in nestelden en het eindelijk geheel in hunne macht kregen, behalve de hoofdstad en hare omstreken. Constantinopel was op den duur niet bestand tegen de Turken; in 1453 werd het door sultan Mohammed II stormenderhand veroverd. De laatste keizer, #Constantijn Palaeologus# geheeten, sneuvelde als een dapper held. Van het merkwaardige beleg willen we enkele bijzonderheden meedeelen.

Sultan Mohammed wilde niet rusten, voor Constantinopel in zijne macht was. In den winter van 1452 op 1453 maakte hij geduchte toebereidselen tot de belegering. Reeds had hij vroeger eene sterke vesting in de nabijheid van Constantinopel aan den Bosporus laten bouwen. De gezanten van den Keizer, die hem van den verderen bouw trachtten af te brengen, werden smadelijk afgewezen. Toen Constantijn zag, dat het den Sultan ernst was, bracht hij zijne hoofdstad in geduchten staat van tegen weer. 't Was jammer, dat de dappere man bijna alleen het gevaar inzag en bijna de eenigste was, die moed en vaderlandsliefde genoeg had om zich zelven voor het behoud der stad op te offeren.

In de reusachtige stad waren slechts 7000 weerbare mannen te vinden, die hem wilden bijstaan in de verdediging. De overigen lieten dit liever aan vreemdelingen over en hielden zich bij het dreigende gevaar nog bezig met het twisten over godsdienstige vraagstukken. In de lente van 1453 had de Sultan alles voor den aanval gereed. Met een leger van minstens 258,000 man sloot hij de stad van de landzijde in; van de zeezijde werd zij bedreigd door eene talrijke, hoewel weinig geoefende vloot. De haven der stad, door eene zware keten afgesloten, was moeilijk voor den vijand te genaken. Met uitstekend beleid en zeldzame dapperheid verdedigde Constantijn zich tegen zijne talrijke aanvallers, en de Sultan merkte spoedig, dat hij weinig zou vorderen, wanneer niet de haven in zijne macht was. Maar--hoe haar te vermeesteren! De keten stuk te zeilen? dat was niet mogelijk. Hij bedacht een schrander middel. Van zijne vesting tot de haven liet hij eene reusachtige houten brug leggen, twee uren lang, en de planken met vet besmeren. 's Nachts werden door zijne soldaten 70 à 80 schepen langs deze baan gesleept en zoo over de keten in de haven gebracht. De belegerden vernamen daarvan niets; ten minste ze waren 's morgens erg verschrikt, toen ze zoovele Turksche schepen in hunne haven zagen. Wel poogden zij ze in brand te steken, doch de toeleg mislukte. Den 29 Mei besloot Mohammed eene algemeene bestorming te wagen. De Keizer en zijn klein leger verdedigden zich 2 uren met den moed der wanhoop. Vele aanvallers vonden den dood, doch telkens werden er nieuwe scharen naar den muur gedreven.

De zwakke bezetting was eindelijk uitgeput en toen nu een der dapperste aanvoerders wanhopig op de vlucht ging, werden de Turken weldra meester van de stad. Door eene bres trokken de Muzelmannen de stad binnen; de poort was gevuld met lijken. De dappere Keizer wilde de verovering der stad niet overleven; met weinige getrouwen wierp hij zich te midden der binnendringende vijanden en vond eindelijk, wat hij wenschte: den dood voor het vaderland.

Europa had nu nieuwe bewoners gekregen, en de Turken zorgden eenige eeuwen achtereen door hunne plundertochten, dat ze niet werden vergeten. Vele beroemde Grieksche geleerden, bevreesd voor het wapengekletter, verlieten hun vaderland en ontstaken met hunne wetenschap een helder licht aan vele pas opgerichte hoogescholen in Westelijk Europa. De ondergang van het Grieksche rijk werd alzoo ten zegen voor de Christenen in het Westen.

43. UITVINDINGEN.

Onder de oorzaken, waardoor de beschaving der nieuwere tijden krachtig werd voorbereid en in 't leven geroepen, rekenen wij, behalve de verovering van Constantinopel, de ontdekking van Amerika en het vinden van een beteren zeeweg naar Indië, #het gebruik van het kompas# bij de #zeevaart#, dat #van het buskruit# bij het oorlogvoeren en de #uitvinding der boekdrukkunst#. Wie het kompas heeft uitgevonden, is niet met zekerheid te zeggen. Zeker schijnt het, dat een zekere #Flavio Gioja# te Amalfi in Italië de eerste was, die het bij de zeevaart in gebruik bracht. Tot dusverre durfden de zeelieden zich nooit ver van de kusten wagen uit vrees, dat ze den weg niet weer zouden kunnen vinden. Door het gebruik van het kompas kwam daarin groote verandering; men begon nu de opene zee te bevaren en kwam daardoor langzamerhand tot de ontdekking van tot dusverre geheel onbekende deelen der aarde. De landhandel werd nu zeehandel. De uitvinding van het buskruit schreef men vroeger algemeen toe aan een Duitschen monnik, #Barthold Schwarz#. (1354). Volgens latere onderzoekingen zou het reeds veel vroeger aan Chineezen, Indiërs en Arabieren bekend zijn geweest. Wat hiervan zij, dit is zeker, dat men het buskruit omstreeks het midden der 14de eeuw bij het schietgeweer in toepassing bracht. Gewichtig waren daarvan de gevolgen. Het strijden van man tegen man met zwaard of lans hield op; door het schietgeweer kon men nu in de verte elkander dooden. Tengevolge daarvan kon een gemeene voetknecht meer uitrichten dan de dapperste ridder, en zoo kwam het, dat de ridders en edelen langzamerhand alle vroegere macht verloren; het vuistrecht werd eene onmogelijkheid. In de plaats van den machtigen adel begon nu de burgerstand zijn' invloed te toonen. Van den #heerban#, of de oproeping ten strijde door den vorst aan zijne leenmannen, was voortaan geen sprake meer tengevolge van de nu in gebruik komende #staande legers#, samengesteld uit geoefende huurlingen.

De uitvinding der boekdrukkunst schreef men vroeger algemeen toe aan onzen landgenoot #Laurens Janszoon Coster# te Haarlem. Latere onderzoekingen maken dit twijfelachtig, en met meer recht schijnt de Duitscher #Johan Guttenberg# van Mainz die eer te verdienen. In de laatste helft der 15de eeuw waren er in vele steden van Europa reeds boekdrukkerijen. De boekdrukkunst heeft krachtig de beschaving in de hand gewerkt. Wetenschap en kennis, die vroeger eene schuilplaats moesten zoeken in eene eenzame kloostercel, werden door deze uitvinding tot het geheele volk gebracht. 't Geen vroeger, toen de boeken werden geschreven en ze tengevolge daarvan hoogst zeldzaam en duur waren, slechts aan enkelen gegund was, kon nu een voorrecht worden van allen. Jong en oud, rijk en arm, de geringste burger zoowel als de rijkste edelman konden door de boekdrukkunst bekend worden met de uitvindingen, de denkbeelden en de wijsheid van het voorgeslacht en van beroemde tijdgenooten. Mocht men haar vroeger, wegens hare wondervolle gevolgen, de zwarte kunst noemen: wij eeren haar als eene kunst, die het menschdom groote zegeningen heeft aangebracht.

INHOUD.

Bladz.

Inleiding. 5

1. Een merkwaardig volk. 7

2. Een bezoek te Babylon. 11

3. Een groot man en een onhandelbaar volk. 13

4. Een handelsvolk. 16

5. Croesus en Cyrus. 19

6. Belegering en verovering van Troje. 22

7. Een feest te Olympia. 25

8. Twee wetgevers (Lycurgus en Solon). 28

9. Miltiades. 32

10. Een ongelijke strijd (Leonidas). 34

11. Een welgeslaagde list (Themistocles). 35

12. Athene's grootsten bloei (Pericles). 38

13. Socrates. 41

14. Alcibiades (Peloponnesische oorlog). 44

15. Een gevaarlijk helper (Philippus). 46

16. Alexander de Groote. 47

17. De stichting van Rome. 52

18. Een vriend van zijn vaderland (Brutus). 54

19. Twisten tusschen Patriciërs en Plebejers. 58

20. Het heldentijdvak der Romeinsche republiek. 61

21. Een man van zijn woord (Regulus). 63

22. Het Romeinsche rijk in gevaar (Hannibal). 65

23. Twee vrienden des volks (de Gracchen). 67

24. De eerste burgeroorlog (Marius en Sulla). 69

25. De tweede burgeroorlog (Caesar). 71

26. Augustus. 74

27. Een dapper Germaan (Herman). 76

28. Drie Romeinsche keizers. 77

29. Een verdrukte secte tot eer verheven. 81

30. Een woest volk op het wereldtooneel. 83

Vervolg. 86

31. Mohammed. 89

32. Spanje in de middeleeuwen. 92

33. Karel de Groote. 95

34. Twee Engelsche koningen. 99

35. Hendrik I en Otto I. 103

36. Kijkje in de middeleeuwsche maatschappij. 107

37. Een keizer en een paus. 115

38. Een kluizenaar en een ridder. 118

39. Frederik Barbarossa, keizer van Duitschland. 122

40. Iets over de christelijke kerk in de middeleeuwen. 125

41. De maagd van Orleans. 128

42. Verovering van Constantinopel. 130

43. Uitvindingen. 133