Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

Chapter 10

Chapter 103,772 wordsPublic domain

Wat het veemgerecht ter beteugeling van de roofzucht en baldadigheid der ridders deed, zagen we reeds. Eene andere instelling, die betere vruchten in dit opzicht heeft opgeleverd, was het #Hanze-verbond#. De verregaande onveiligheid te lande en ter zee noopte de kooplieden zich te vereenigen ter onderlinge bescherming. Dit deden ook eenige kooplieden te Lubeck en te Hamburg en hunne vereeniging werd het Hanze-verbond genoemd. Weldra kreeg het een grooten en weldadigen invloed. De meeste kooplieden van West-Europa werden leden van dit verbond en vandaar, dat het eene machtige vloot en een weluitgerust leger tot zijnen dienst kreeg, waardoor ontzag aan de zeeroovers en de roofridders werd ingeboezemd.

In de Middeleeuwen merkte men over 't geheel een streven naar vereeniging op. Daardoor ontstonden b. v. ook de #gilden#. Gilden waren vereenigingen van handwerkslieden, die hetzelfde beroep uitoefenden. Zij waakten er ten strengste voor, dat geen onbevoegde zich aanmatigde iets te vervaardigen en te verkoopen. Wilde een gezel zich als meester vestigen, dan moest hij eerst in een proefstuk van zijne bekwaamheid blijken geven (beunhazen). De gilden kregen weldra een grooten invloed op het bestuur der steden, waarin ze gevestigd waren; vooral was dit het geval in de Vlaamsche steden Gent, Brugge en Antwerpen.

Het getal kloosters, zoowel voor monniken als nonnen, nam in de Middeleeuwen verbazend toe. Zij waren dikwijls de schuilplaatsen voor verdrukten en vervolgden en de kweekplaatsen der wetenschappen, die door de edelen zoo verschrikkelijk werden verwaarloosd.

Wanneer we onzen maatschappelijken toestand vergelijken met dien der Middeleeuwen, dan mogen we dankbaar zijn, dat de tijden van ruwheid, barbaarschheid, onderdrukking en vervolging tot het verledene behooren.

37. EEN KEIZER EN EEN PAUS.

(Hendrik IV en Gregorius VII.)

In 't laatst van December 1076 ondernam een klein reisgezelschap eene moeielijke reis langs onbegaanbare wegen over de Alpen. Het bestond uit man, vrouw, kind, een' vriend en een klein getal mannelijke en vrouwelijke bedienden. De winter was buitengewoon streng; de bergen, waarover de tocht plaats had, waren zoozeer met sneeuw en ijs bedekt, dat men, zonder gevaar, noch te voet, noch te paard langs de steile en gladde helling af dalen kon. De reizigers lieten zich daardoor niet afschrikken; zij wilden en moesten in Italië wezen. De mannen kropen nu eens op handen en voeten, leunden dan weder op de schouders der gidsen of lieten zich, wanneer hun voet uitgleed, vallen en rolden verder. De vrouwen werden op ossenhuiden geplaatst en zoo door de gidsen naar beneden getrokken. De paarden werden met samengebonden pooten voortgesleept, en daardoor kwamen de meesten om. Na ongelooflijke moeite en inspanning stonden de reizigers eindelijk op den bodem van Italië. Aan uitrusten konden ze evenwel niet denken. Voort ging het, totdat ze eindelijk den 25 Januari 1077 aankwamen bij het sterke slot Canossa, niet ver van het stadje Reggio gelegen. In dat slot bevond zich op dat oogenblik paus Gregorius VII, een man, die zich als levensdoel gesteld had: de verheffing van de kerk boven den staat. Alle vorsten en koningen moesten hunne macht ontleenen aan den paus. De paus was gelijk de zon, de keizer van Duitschland de maan. Hij was verder een man van een streng-zedelijken levenswandel, die alle krachten inspande om de misbruiken, die in de Christelijke kerk heerschten, uit te roeien.

Daarom ijverde hij tegen de #simonie#, d. i. tegen den koop en verkoop van geestelijke ambten; tegen de #investituur#, d.i. tegen het recht, dat de vorsten tot dusverre hadden uitgeoefend, om priesters met #ring# en #staf#, als teeken hunner waardigheid te bekleeden. Verder dreef hij met ijzeren volharding het #coelibaat# of het ongehuwde leven der geestelijken door. Tot dien strengen, machtigen man nu richtten de reizigers hunne schreden. De voornaamste van hen werd binnen den tweeden ringmuur van het kasteel toegelaten. Hier stond hij drie dagen lang met een wollen hemd bekleed, in de open lucht, blootshoofds en barrevoets, zonder eenige spijs of drank te nuttigen. Die man onderging dit alles, om daardoor den Paus te bewegen den banvloek op te heffen, dien deze over hem had uitgesproken. Eindelijk op den vierden dag liet Gregorius den boeteling voor zich komen en ontsloeg hem van den ban, onder voorwaarde, dat hij naar Duitschland zou gaan en daar de verdere beslissing van zijn lot afwachten.

Wie was die man, vraagt ge, die zich zulk eene vernedering moest laten welgevallen? Die man was de koning van Duitschland, #Hendrik# IV. Waarom hij zich zoo moest vernederen, zullen we u verhalen.

Hendrik IV had het ongeluk zijn' vader reeds te verliezen, toen hij nog maar zes jaren oud was. Eerst was een zekere Hanno, aartsbisschop van Keulen, een streng man, zijn opvoeder en later bisschop Adalbert van Bremen, die hem in alles zijn' zin gaf en daardoor in den grond bedierf. Ook boezemde deze hem een grooten haat in tegen de Saksen, en juist deze haat maakte hem wreed en onrechtvaardig.

Nauwelijks had hij de regeering aanvaard, of hij toonde den Saksen, wat ze van hem te wachten hadden. Hij liet in hun land sterke kasteelen bouwen en daarin soldaten leggen, die het land afstroopten en de bewoners uitplunderden. De Saksische edelen smeekten den Koning, dat hij die geweldenarij zou laten ophouden, maar hij verhoorde hunne beden niet. Nu was hun geduld uitgeput; met een leger van 60000 man brachten ze Hendrik zoo in 't nauw, dat hij Saksen in allerijl verlaten moest. De kasteelen werden omvergehaald, en thans nog ziet men hier en daar in den Harts er de ruïnes van. Hendrik begaf zich naar Worms (1075) en verzamelde er een leger, waarmee hij zijne vijanden overwon. Zwaar had het ongelukkige Saksen het nu te verantwoorden. Het land werd verwoest, de bewoners van vrijheid of leven beroofd. Door den nood gedwongen, wendden de Saksen zich tot den Paus en smeekten hem om hulp.

Deze hoorde bereidwillig hunne klachten aan en vermaande Hendrik zijne onderdanen beter te behandelen.

Toen dit niet baatte, kwamen er pauselijke afgezanten, die hem bevalen binnen 60 dagen te Rome voor eene geestelijke rechtbank te verschijnen. Wanneer hij niet kwam, zou de banvloek over hem worden uitgesproken. Hendrik was woedend, toen hij dit hoorde. De pauselijke gezanten joeg hij met spot en schimp uit het land, maar Gregorius liet zich niet vervaard maken: hij sprak den banvloek over Hendrik uit. Daarbij werden de Christenen ontslagen van alle eeden, die ze den Koning hadden gezworen; geen onderdaan of dienaar mocht hem meer gehoorzamen, geen priester hem de heilige sacramenten toedienen; ieder moest hem schuwen als de pest.

In 't eerst lachte Hendrik wat om den ban; maar toen hij bemerkte, dat de Duitsche vorsten er niet zoo over dachten, ja zelfs een besluit namen om een anderen koning te verkiezen, wanneer hij niet binnen 't jaar van den ban ontslagen was, besloot hij zich voor den Paus te vernederen. Vandaar, dat we hem als een ellendigen boeteling bij Canossa zagen. De boete, Hendrik opgelegd, was in de oogen van vele zijner onderdanen veel te streng geweest. Het medelijden werd daardoor opgewekt, en het gelukte hem een groot leger op de been te brengen, waarmede hij eerst zijne vijanden in Duitschland ten onder bracht en daarna naar Italië toog om zich op den Paus te wreken. Rome werd twee jaar belegerd en in het derde jaar veroverd. Hendrik wilde zich met den Paus verzoenen, wanneer deze hem als keizer wilde kronen. Dit aanbod wees Gregorius met verontwaardiging van de hand. Daarop liet Hendrik Clemens III als paus verkiezen, en deze zette hem de keizerskroon op het hoofd. Gregorius ontkwam de gevangenschap door de vlucht naar Salerno, waar hij den 25 Mei 1085 stierf. Zijne laatste woorden waren: "Ik heb de gerechtigheid liefgehad en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik hier in ballingschap."

Hendrik had een jammerlijk uiteinde. Door zijne vroegere vrienden verlaten, ja zelfs door zijne eigene zonen, Koenraad en Hendrik, bedrogen en verraden, stierf hij in het jaar 1106 te Luik; juist toen hij toebereidselen maakte om zijn ontaarden zoon Hendrik te beoorlogen. Waarlijk, wij gevoelen innig medelijden met den man, die zich door eigen schuld zooveel ongeluk en lijden op den hals haalde. Hij sprak waarheid, toen hij eens uitriep: "Ik lijd voor de zonden mijner jeugd, zooals nog geen vorst geleden heeft."

38. EEN KLUIZENAAR EN EEN RIDDER.

Palaestina, het land waar Jezus geleefd en geleden had, waar hij in nederigheid geboren en, door zijne vijanden gesmaad, aan 't kruis gestorven was, trok ten allen tijde de aandacht der Christenen tot zich. Men geloofde in de Middeleeuwen, dat een gebed, op eene der heilige plaatsen van dat land tot God opgezonden, eerder verhoord werd dan ergens anders. Daarom ondernamen vele geloovigen de verre reis naar het Heilige Land om daar te bidden en zich te verootmoedigen voor den Heer. Zulke menschen noemde men bedevaartgangers. Zoo lang Palaestina tot het Grieksche keizerrijk behoorde, werden de bedevaartgangers niet gestoord, ja, nadat de Arabieren het hadden veroverd, konden ze zelfs ongehinderd hunne godsdienstplichten vervullen. De Arabieren waren te verdraagzaam of te onverschillig, dan dat ze menschen van eene andere godsdienstige overtuiging wilden hinderen. Anders werd het, toen de dweepzieke Turken meester werden van 't Heilige Land. Nu werden de bedevaartgangers niet alleen in hunne vrome overpeinzingen gestoord, maar ook vervolgd, in de gevangenis geworpen en gekweld. 't Was natuurlijk, dat door deze handelingen de verontwaardiging der Christenen werd opgewekt.

In het jaar 1094 verscheen in Italië en Frankrijk een man, blootshoofds en barrevoets, rijdende op een' ezel. Hij heette #Peter# en was afkomstig van #Amiëns# in Frankrijk. Een lang pelgrimskleed, om de middel door een ruw touw bijeengebonden, omgaf zijne magere leden. In zijne ontvleesde handen hield hij een crucifix. Zijne groote, zwarte oogen lagen diep in het hoofd en gloeiden van geestdrift. Wanneer hij eene stad of een dorp bezocht, liepen ouden en jongen samen om den vreemden, huiveringwekkenden man te zien en naar zijne woorden te luisteren. Die man kwam uit het Heilige Land. Met gloeiende verven schilderde hij de ellenden en jammeren, die een pelgrim daar moest verduren en toonde in zijn eigen lichaam de striemen en wonden, hem door de Turken geslagen. Vervolgens wekte hij zijne toehoorders op, om het zwaard aan te gorden en het land, dat voor de Christenen de hoogste waarde had, het schoone land, waar, behalve zoovele geloofshelden, de Verlosser der wereld had geleefd, te ontrukken aan de handen der ongeloovigen. Zijne bezielende woorden brachten een ongelooflijken indruk te weeg.

Paus Urbanus II riep twee groote kerkvergaderingen bijeen, de laatste te Clermont in Frankrijk, waar hij de Christenen aanspoorde tot den heiligen strijd. "God wil het! God wil het!" klonk het uit duizenden kelen. Vorsten, ridders, vrije mannen en lijfeigenen hechtten zich een rood kruis op de schouders ten teeken, dat ze het voornemen hadden naar Palaestina te trekken.

Terwijl de ridders zich gereed maakten, begaven zich reeds in het voorjaar van 1096 twee benden kruisvaarders, bestaande uit het schuim van allerlei natiën, naar Palaestina op weg. Ze voerden niets uit; honger, ziekte en het zwaard der Turken maaiden hen bij hoopen weg, voor ze het Heilige Land hadden bereikt.

In den herfst van hetzelfde jaar trok een weluitgerust en geoefend leger, bestaande uit meer dan 100,000 geharnaste ruiters en 200,000 man voetvolk, onder den edelen #Godfried van Bouillon# naar Palaestina. Tweemaal werden de Turken geslagen. Antiochië werd na eene maandenlange belegering stormenderhand ingenomen. Eerst na drie moeitevolle jaren bereikten de kruisvaarders Jeruzalem. Van het groote leger begroetten slechts 30000 man de heilige stad; de overigen waren òf door honger, hitte en het verraad der Grieken gevallen òf hadden zich eigendunkelijk van het hoofdleger gescheiden. Bij het gezicht van Jeruzalem waren alle moeiten vergeten; een ongekende ontroering maakte zich van de kruisvaarders meester; zij omhelsden elkander, kusten den heiligen grond en schreiden tranen van vreugde. De verovering der stad was evenwel niet gemakkelijk; 60000 Mohammedanen verdedigden haar met beleid en moed. Men trachtte haar te bestormen; tevergeefs: de Turken sloegen elken aanval zegevierend af. Weken lang werd de stad belegerd. Een brandende dorst kwelde de belegeraars, daar de Turken uren in het rond het water der bronnen ondrinkbaar gemaakt hadden. Mijlen ver moest het hout voor de belegeringswerktuigen gehaald worden. Eindelijk worden er toebereidselen tot een nieuwen storm gemaakt. Ladders, belegeringswerktuigen en torens worden getimmerd. Vooraf gaan de belegeraars, met de priesters aan het hoofd, een plechtigen optocht doen om de stad. Den 14 Juli 1099 naderen zij hare muren. Een hagelbui van steenen en werpspiesen begroet de Christenen; zij echter schrijden voorwaarts over bergen van lijken. De oorlogswerktuigen worden bij de muren gebracht. Reeds jubelt het leger der Christenen. De nacht, die voorloopig een einde maakt aan den strijd, daalt te spoedig naar den zin der kruisvaarders. Nauwelijks daagt de morgen of de strijd begint opnieuw. De Turken strijden met de grootste verbittering. Brandende pekkransen, steenen, balken, zelfs lijken worden de belegeraars naar het hoofd geslingerd.

Zij wijken; de Turken jubelen over de overwinning, maar--te voorbarig. Daar bemerkt Godfried van Bouillon op den Olijfberg eene ridderlijke gestalte in witte wapenrusting, die een helderstralend schild omhoog houdt. "Zie daar," roept hij "een cherub met vlammend zwaard, dien God ons ter hulpe zendt." "God wil het! God wil het!" dondert het door de gelederen en in wilde haast dringen ze voorwaarts. Godfried beklimt het eerst den muur. De zijnen volgen; schaar op schaar dringt naar boven en--Jeruzalem is veroverd. Een verschrikkelijk moordtooneel biedt de stad nu weldra aan. Mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen worden zonder mededoogen om het leven gebracht. De moord huist in de ongelukkige stad. Binnen de ruime en sterke muren des tempels zoeken duizenden redding; tevergeefs: de tempel wordt stormenderhand genomen en de ongelukkigen verslagen. Beken bloeds stroomen door de straten; 10000 vijanden zijn gedood en nog is er geen einde aan het moorden. Slechts Godfried bezoedelt zijne handen niet met bloed. Barrevoets, zonder helm en harnas, spoedt hij zich naar de kerk van het Heilige Graf om den Heer te danken voor de overwinning. Eerst na drie dagen zijn de krijgers het bloedvergieten moede. Nu worden de straten gereinigd; de overwinnaars wasschen het bloed van hunne handen en in witte kleederen gehuld, gaan ze in plechtigen optocht naar het Heilige Graf. De geestelijkheid komt hen te gemoet met hoogopgestoken kruisen en vrome liederen zingend, en vol eerbied knielt de schare ter neder. Godfried werd tot koning van Jeruzalem verkozen. De edele ridder weigerde. Hij wilde geen gouden kroon dragen, waar Jezus gebloed had onder eene doornenkroon; hij vergenoegde zich met den titel van beschermer des Heiligen Grafs.

Een jaar daarna blies hij den laatsten adem uit; zijn lijk werd in de kerk van het Heilige Graf begraven.

Vele kruistochten werden in lateren tijd ondernomen; meer dan 7 millioen Christenen namen daaraan deel; doch slechts het kleinste deel daarvan zag het vaderland weder. Het doel van deze reusachtige ondernemingen werd niet bereikt; Palaestina kwam wel tijdelijk, maar niet bestendig in de macht der Christenen. In het jaar 1291 viel de stad Ptolemais, het laatste overblijfsel van het koninkrijk Jeruzalem, in handen der Turken. Toch zijn de kruistochten niet onvruchtbaar geweest voor de beschaving der wereld. Ten gevolge van deze tochten herleefde de #handel#, die vooral de Italiaansche steden: Genua, Venetië en Pisa tot grooten bloei bracht en nam de #beschaving# toe onder de volken van West-Europa. Kunsten en wetenschappen werden sedert dien tijd vlijtiger beoefend, en--wat wel het belangrijkste gevolg was--uit de verachte en versmade lijfeigenen kwam de vrije stand der burgers te voorschijn.

39. FREDERIK BARBAROSSA, KEIZER VAN DUITSCHLAND.

(1152-1190).

In het tegenwoordige koninkrijk Wurtemburg, ten o. van Stuttgart, verheft zich een bergtop, tot de "rauhe Alp" behoorende, die den naam draagt van de hooge Staufen. Op dezen berg stond eens het stamslot van een beroemd Duitsch keizersgeslacht, dat naar den berg den naam van Hohenstaufen ontving. Een der beroemdste vorsten van dit geslacht was Frederik I, die wegens zijn rosachtigen baard van de Italianen den bijnaam "Barbarossa" ontving.

Frederik I was een schoon en krachtig gebouwd man, met een waardig en ontzagwekkend voorkomen, waardoor hij allen, die in zijne omgeving waren, eerbied inboezemde. Zijn oog was vurig en zijne gelaatstrekken drukten welwillendheid en vriendelijkheid uit. Daarbij had de Keizer een edelen, rijken geest, die hem verhief boven de meeste zijner tijdgenooten.

Toen hij tot de keizerlijke waardigheid werd geroepen, had hij den ouderdom van 31 jaren bereikt. Zijn eerste streven bestond daarin, de keizerlijke macht, die onder zijne voorgangers vrij wat verminderd was, te herstellen. Hij deed den machtige hertogen, die naar geheele onafhankelijkheid streefden, gevoelen, dat hij hun heer en meester was. De burchten der roofridders werden gesloopt en weldra heerschten in Duitschland alom weder recht en billijkheid. Wat wonder, dat de Duitsche burgers hem eerden en lief hadden! Ook buiten het rijk eerde men hem als het hoofd der Christenheid; de koningen van Frankrijk, Engeland en Spanje zonden gezanten, om den Keizer de verzekering te geven van hunne vriendschap.

Jammer was het, dat de Keizer, inplaats van met Duitschland tevreden te zijn, zich mengde in de Italiaansche zaken. Gedurende de onrustige regeering zijner voorgangers was de keizerlijke macht in Italië bijna geheel vernietigd. De steden van het vruchtbare Lombardije, en onder deze vooral Milaan, stonden telkens tegen de Duitschers op. Ten einde zijn gezag in Italië te doen gelden, deed hij zes tochten naar dit land. In het jaar 1158 trok hij aan het hoofd van 100,000 man voetvolk en 15000 ruiters over de Alpen om het trotsche Milaan te onderwerpen. Vol schrik onderwierpen zich de steden van Boven-Italië, Milaan uitgezonderd. De stad werd belegerd; de inwoners verdedigden zich dapper, tot de honger hen tot de overgave noodzaakte. Toen de nood tot eene vreeselijke hoogte was geklommen, begaven de voornaamste Milaneezen zich naar 's Keizers legerplaats. Eerst verschenen de aartsbisschop met de overige geestelijken, barrevoets en met gescheurde kleederen; daarna de burgemeester en de adel, allen barrevoets, met ontblooten hoofde, in lompen gekleed en een bloot zwaard om den hals; eindelijk de geheele bevolking, in honderd scharen afgedeeld, barrevoets, met een eind touw om den hals en asch op het hoofd.

Uren lang liet de Keizer de smeekelingen wachten. Eindelijk verscheen hij, maar hun smeeken kon alleen dit uitwerken, dat het leven hun gegund werd. Milaan zelve werd verwoest en de inwoners in de naburige dorpen verstrooid; evenzoo handelde de Keizer met andere oproerige steden.

De willekeurige handelwijze der overwinnaars en de onderdrukking, die de Italianen moesten verduren, spoorden de steden van Lombardije, ook Milaan aan, zich tot een verbond te vereenigen. De muren van Milaan werden weder opgebouwd; smaadschriften tegen den Keizer en zijne gemalin werden op de poorten aangeplakt.

In allerijl werd eene sterke vesting gebouwd, die ter eere van paus Alexander, Frederiks grootsten vijand, Alessandria werd genoemd. In het jaar 1174 verscheen de Keizer voor de vijfde maal in Italië. Dewijl de machtige hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Leeuw, weigerde den Keizer met krijgslieden bij te staan, was Frederik niet tegen de Lombarden opgewassen en werd hij in 1176 bij #Legnano# geheel geslagen. Het gevolg daarvan was, dat alle vroeger behaalde voordeelen verloren gingen.

Met wrok en toorn in het hart keerde Frederik naar Duitschland terug; voor alles moest Hendrik de Leeuw vernederd worden. Weldra vond hij daarvoor eene gelegenheid. Door zijn trotsch en heerschzuchtig gedrag had Hendrik zich vele vijanden op den hals gehaald, die hem bij den Keizer aanklaagden. Deze daagde hem voor het rijksgericht en daar hij niet verscheen, werd hij in den rijksban gedaan. Twee jaren verzette hij zich nog tegen Frederik, maar moest toen om genade smeeken. Hendrik behield van zijne bezittingen alleen Brunswijk en Luneburg; zijne overige erflanden werden in kleine leenen verbrokkeld.

Als 70jarig grijsaard nam Frederik deel aan den #derden# kruistocht (1189-1192). Onder de vorsten en ridders, die hem op dezen tocht vergezelden, behoorde ook Floris III, graaf van Holland. Na talrijke moeilijkheden overwonnen te hebben, bereikte Frederik, onder bestendige gevechten met de Turken, het riviertje #Selef# in Klein-Azië. Wijl het leger slechts langzaam over de smalle brug, die men over dit riviertje geslagen had, kon voorttrekken, sprong de Keizer, het talmen moe, met zijn paard in den vloed om hem over te zwemmen. De grijsaard had echter meer jeugdigen moed dan jeugdige kracht; de golven sleepten hem mede, en toen men hem eindelijk te hulp kwam en aan land bracht, was hij reeds een lijk. (10 Juni 1190).

Groot was de ontzetting en nog grooter de smart over den dood van den beroemden vorst; de kruisvaarders weenden over zijn verlies, en in Duitschland wilde men langen tijd niet gelooven, dat de beschermer des rijks, de beminde Barbarossa, gestorven was. Thans nog verhaalt men in Duitschland elkander de legende, dat Frederik niet gestorven is, maar slaapt in den Kyffhauserherg in Thuringen. Daar zit hij, volgens het verhaal, met zijne helden in eene grot, rondom eene marmeren tafel. Allen zijn in diepen slaap gevallen. De kostbare wijn staat onaangeroerd in steenen vaten. Om de honderd jaren ontwaakt de Keizer en vraagt zijn' schildknaap, of de raven nog om de rots vliegen. Zoolang deze gezien worden, blijft de Keizer waar hij is; wanneer een adelaar de zwarte vogels verdrijft, zal hij te voorschijn komen en het Duitsche rijk in eere en macht herstellen.

40. IETS OVER DE CHRISTELIJKE KERK IN DE MIDDELEEUWEN.

Langzamerhand breidde het Christendom zich uit onder de volken van Europa. Vooral was dit het werk van edele mannen, die als zendelingen hun leven waagden onder de ruwe heidenen. Onder deze zendelingen hebben vooral #Willebrordus#, #Winfried# of #Bonifacius#, #Ludger# en #Ansgar# uitgemunt. De eerste, dien men den #apostel der Nederlanders# mag noemen, stierf omstreeks 739. De tweede, ook bekend onder den naam van #apostel der Duitschers#, werd in 755 door de heidensche Friezen bij Dokkum vermoord. Ludger, een Friesch edelman, die tijdens Karel den Grooten leefde, predikte met goed gevolg het Christendom in Friesland, Groningen en het n.w. deel van Duitschland. Ansgar eindelijk, die het Christendom bracht tot de Denen en Zweden, noemt men wel den apostel #van het Noorden#. Hij overleed in het jaar 865. Het laatst van alle Europeesche volken (omstreeks het jaar 1000) namen de Russen het Christendom aan.

Behalve dit volk en de Grieken erkenden de overige volken den bisschop van Rome, die later uitsluitend den naam van #paus# (papa, vader) ontving, als het opperhoofd der kerk. Beide eerstgenoemde volken vereerden als zoodanig den patriarch van Constantinopel.

Ten gevolge van den naijver tusschen beide kerkvorsten werd in het jaar 1054 de Katholieke kerk verdeeld in de #Latijnsche# met Rome en de #Grieksche# met Constantinopel tot hoofdstad.

Gedurende de Middeleeuwen was er dikwijls strijd tusschen den paus en den keizer van Duitschland, daar beiden streefden naar de oppermacht. Vroeger hebben we dit reeds opgemerkt, toen we spraken over keizer Hendrik IV.