Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

Chapter 1

Chapter 13,669 wordsPublic domain

Produced by Jeroen van Luin, Peter Klumper and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

OUDHEID EN MIDDELEEUWEN.

VERHALEN EN SCHETSEN

VOOR DE

HOOGSTE KLASSE DER VOLKSSCHOOL,

DOOR

A. NUIVER en O. J. REINDERS,

Hoofdonderwijzers te Groningen en te Nieuwe Schans.

TWEEDE DRUK.

DE GRONINGEN, BIJ J. B. WOLTERS, 1875.

Gedrukt bij M. de Waal te Groningen.

#VOORBERICHT#.

_Slechts met enkele woorden willen we dit boekje bij het publiek inleiden. Met deze "Oudheid en Middeleeuwen" is de reeks van schoolboeken over de geschiedenis gesloten, die we in het voorbericht der "Nieuwe Geschiedenis" beloofden. We verwijzen voorts ieder naar dat voorbericht, die iets van onze denkbeelden over het onderwijs in de geschiedenis op de lagereschool wenscht te weten._

_Ten einde dit hoekje meer te doen beantwoorden aan den aard onzer lagereschool, hebben we de opstellen over 't geheel wat kleiner van omvang gemaakt, dan het geval is in de "Nieuwe Geschiedenis." We hopen dat dit boekje een even gunstig onthaal vinde als de vorige._

18 April '73.

_Bij den tweeden druk hebben we enkel te melden, dat we dit werkje zooveel mogelijk van misstellingen hebben gezuiverd._

8 Nov. '74.

#INLEIDING#.

Door Algemeene Geschiedenis verstaat men een aaneengeschakeld verhaal van de belangrijkste gebeurtenissen, die er op aarde sedert de vroegste tijden hebben plaats gehad.

Eene gebeurtenis noemt men _belangrijk_, wanneer zij een grooten invloed uitoefent op de ontwikkeling en beschaving der menschen.

Wijl het veld der Algemeene Geschiedenis verbazend uitgebreid is, heeft men het in #drie# (soms ook #vier#) hoofddeelen en deze ieder afzonderlijk weder in tijdvakken verdeeld. Die hoofddeelen zijn:

1. de _Oude Geschiedenis_. Zij begint met de geschiedenis van de vroegste tijden en loopt tot den ondergang van het West-Romeinsche rijk (476 n. C.). In deze geschiedenis is sprake van de zoogenoemde Oostersche volken, (Perzen, Phoeniciërs, Israëlieten, Aegyptenaren enz.) van de Grieken en de Romeinen.

2. de _Middeleeuwen_. Deze loopen van den ondergang van 't W. Romeinsche rijk tot de ontdekking van Amerika of tot de Hervorming. (476 tot 1492 of 1517). De Germaansche volken spelen in de Middeleeuwen de hoofdrol, evenals in

3. de _Nieuwe Geschiedenis_. Zij bevat het verhaal van de gebeurtenissen, die sedert de ontdekking van Amerika tot op onzen tijd hebben plaats gehad. (1492 tot heden).

De Oude Geschiedenis wordt door sommigen weer verdeeld in de volgende 4 tijdvakken:

_a._ van de vroegste tijden tot Cyrus of tot ± 550 v. C.

_b._ van Cyrus tot Alexander den Grooten (550 v. C. tot ± 330 v. C.).

_c._ van Alexander tot Augustus (330 v. C. tot ± 30 v. C.).

_d._ van Augustus tot den ondergang van 't Romeinsche rijk in 't Westen (30 v. C. tot 476 n. C.).

De Middeleeuwen verdeelt men ook in 4 tijdvakken:

_a._ van den ondergang van 't West-Romeinsche rijk tot het verdrag van Verdun (476 n. C. tot 843).

_b._ van 't verdrag van Verdun tot het begin der kruistochten (843 tot 1096).

_c._ van 't begin tot 't einde der kruistochten (1096 tot 1291).

_d._ van 't einde der kruistochten tot de ontdekking van Amerika (1291 tot 1492).

De Nieuwe Geschiedenis wordt in de 3 volgende tijdvakken verdeeld:

_a._ van de ontdekking van Amerika tot den Westphaalschen vrede (1492 tot 1648).

_b._ van den Westphaalschen vrede tot de Fransche revolutie (1648 tot 1789).

_c._ van de Fransche revolutie tot heden (1789 tot 1875).

Tot recht verstand van de gebeurtenissen dient men niet alleen te weten, _dat_ en _hoe_ ze hebben plaats gehad, maar ook _wanneer_ en _waar_ ze zijn voorgevallen. Vandaar heeft de geschiedenis twee hulpwetenschappen in de _aardrijkskunde_ (geografie) en de _tijdrekenkunde_ (chronologie).

De beschaafde volken van onzen tijd tellen hunne jaren _vóór_ en _na_ Christus, den stichter der Christelijke Kerk.

De oudste geschiedenis der volken is zeer onzeker en fabelachtig; men kende toen de schrijfkunst nog niet, en in plaats van _zekere_ berichten had men slechts de _overlevering_ of het verhaal van mond tot mond. Vandaar komt het ook, dat wij van de eerste menschen weinig of geene berichten bezitten.

1. EEN MERKWAARDIG VOLK.

Gaat eens voor een oogenblik heel, heel ver met mij in den tijd terug. Zoo'n 4000 à 5000 jaren ongeveer; 't komt niet op een honderd jaar aan. Laat uwe verbeelding nu nog eene koene vlucht nemen over de Middellandsche zee naar den Noordoostelijken hoek van Afrika, en we zijn waar we wezen willen n.l. in Aegypte. Een wonderlijk schouwspel vertoont zich aan ons oog. We zien geen land maar eene groote zee, waarboven zich talrijke steden, dorpen en alleenstaande gebouwen verheffen. We zijn al dadelijk geneigd, 't land en voornamelijk de inwoners te beklagen, die zooveel van 't water hebben te lijden. Ons medelijden is echter misplaatst. Wat wij een ramp achten, wordt hier als een zegen beschouwd en met verlangen tegemoet gezien. Dit wordt ons duidelijk, wanneer we slechts geduld hebben. Zie, 't water zakt, wel langzaam maar toch merkbaar. Steeds meer land wordt er zichtbaar en eindelijk ontwaren wij een uitgestrekt dal, waardoor eene breede en majestueuse rivier hare wateren stuwt, met tal van steden en dorpen aan hare oevers.

Eene dikke laag slib heeft de rivier overal, waar zij buiten hare oevers is getreden, achtergelaten. Daarin wordt nu het zaaizaad geworpen, en in ongelooflijk korten tijd zien we het ontkiemen, tot rijpheid komen en een oogst leveren, waarvan we in onze streken geen denkbeeld hebben.

't Behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de Aegyptenaren den zegenbrengenden Nijl (zoo heet de rivier), als het beeld der vruchtbaarheid, goddelijke eer bewijzen!

Nu zijn we ook in staat volk en land beter te kunnen waarnemen, en we merken dadelijk, dat beiden al even merkwaardig zijn. 't Volk moet het in kunsten en wetenschappen al vrij ver gebracht hebben. Dat getuigen de dijken en kanalen, aangelegd en gegraven om van de vruchtbaarmakende overstrooming, die jaarlijks van 't einde van Juli tot het laatst van October duurt, zooveel mogelijk partij te trekken.

Dat zeggen ons de prachtige en groote steden als Memphis en Thebe, dat ook de menigte groote gebouwen en beeldhouwwerken, dat de uitmuntende wijze, waarop het land bebouwd wordt. Onder de bouwwerken vallen ons dadelijk steenbrokken in 't oog, die den vorm hebben van eene kolossale vierzijdige pyramide. Maar wat een gevaarte! De dom van Straatsburg met toren en al, benevens nog eenige kleine kerken, zouden er met gemak in geborgen kunnen worden.

Aan die groote dáár hebben dan ook 100,000 menschen niet minder dan 40 jaren lang gearbeid. Waartoe ze dienen die geweldige steenmassa's? Ja, ge zoudt het misschien niet willen gelooven en toch is het zoo--tot begraafplaatsen voor de koningen. 't Is trouwens alles kolossaal, wat we hier zien. Kolossaal zijn de tempels, die zalen hebben, waarin eene vrij groote kerk met gemak zoude geplaatst kunnen worden. Kolossaal zijn de paleizen, waaronder één (het Labyrinth) niet minder dan 3000 zalen heeft. Kolossaal zijn de obelisken, hooge, slanke, vierzijdige zuilen van boven spits toeloopende, meest uit een stuk graniet gehouwen. Kolossaal zijn de sphinxen, steenen beelden, het lichaam van een' leeuw met het hoofd eener vrouw voorstellende.

Op al die bouwwerken bemerken wij eene menigte zonderlinge figuren. Dat is het schrift der Aegyptenaren; het bestaat niet uit letters maar uit teekens. 't Is ons onmogelijk dit hiëroglypenschrift (zoo heet het) te ontcijferen. Knappe menschen is het echter na zeer veel inspanning gelukt, en nu zij ons daardoor veel merkwaardigs over de zeden en gewoonten, over den godsdienst en de geschiedenis der Aegyptenaars kunnen mededeelen, willen wij onze denkbeeldige reis staken en liever van hen vernemen, wat zij al door dat schrift en door de verhalen der Grieksche schrijvers zijn gewaar geworden.

De oude Aegyptenaren waren een ernstig, godsdienstig volk, slaafs onderdanig aan hun' koning of Pharao (zoon der zon), dien zij bijna als een god vereerden. 't Volk was in kasten verdeeld, waaronder de #priesterkaste# de voornaamste was. Deze laatste bevatte niet alleen die lieden, welke den godsdienst regelden, maar ook de geneesheeren, de sterrenwichelaars, de bouwmeesters, kortom, alles wat maar geleerd mocht heeten. Naast deze was de aanzienlijkste kaste die der #krijgslieden#. Uit deze werd de koning gekozen, maar bij de aanvaarding zijner regeering moest hij ook in de priesterkaste worden opgenomen. Overigens had men nog de kaste der #landbouwers#, die der #kooplieden#, der #schippers# en der #herders#; de laagste en meest verachte was die der #zwijnenhoeders#. Dit kastenstelsel belemmerde alle vrije ontwikkeling, daar de zoon in de kaste zijns vaders moest blijven.

De godsdienst speelde bij de oude Aegyptenaren eene groote rol. Daaraan was al hun denken en werken gewijd. De Aegyptenaren hadden een' natuurgodsdienst. Zij vereerden de weldoende krachten der natuur, het vuur, het licht, het water, de zon, den hemel enz. Deze alle stelden zij in den vorm van personen of dieren voor, welke in verschillende streken des lands ook verschillende namen droegen. Vele dieren werden door de Aegyptenaren als heilig beschouwd. Daartoe behoorde in de eerste plaats de stier #Apis#, die geheel zwart moest zijn, behalve eene witte plek van bepaalden vorm op den rug. Zulk een beest genoot eene buitengewone vereering: algemeene rouw gedurende 70 dagen, wanneer hij stierf; algemeene vreugdefeesten, wanneer men zoo gelukkig was weder zulk een zeldzaam exemplaar machtig te worden. Ook de ibis, de hond, de kat, ja zelfs de hoogst gevaarlijke krokodil werden voor heilig gehouden en als godheden vereerd. Wee dengene, die het waagde, een dezer dieren te dooden of te beleedigen. Bijzonder veel zorg wijdden de Aegyptenaars aan hunne dooden. Zij begroeven ze niet, zooals wij onze lijken doen, maar balsemden ze, en dat zóó kunstig, dat ze honderden, ja duizenden jaren bewaard konden blijven, voor ze tot verrotting overgingen. Zoo heeft men in verschillende museums van oudheden nog goed bewaarde mummiën der Aegyptenaren. Waren de lijken gebalsemd, dan werden ze in steenen kisten gelegd en in de onderaardsche gangen der doodenstad bijgezet. Eens (zoo meenden de Aegyptenaren) zou de ziel, na in verschillende dieren gehuisd te hebben, zijn voormalig stoffelijk hulsel weder betrekken. Vandaar die buitengewone zorg. De koningen kregen als heel bijzondere wezens, ook bijzondere begraafplaatsen. Eene dikwijls 600 tot 700 voet hooge pyramide diende hun tot grafzerk. Toch was het niet iedereen gegund, eene plechtige begrafenis te erlangen. Wanneer iemand stierf, kwamen de doodenrechters te zamen en hielden gericht over den doode. Was er nu meer goeds dan kwaads van den gestorvene te zeggen, dan werd hem eene eervolle begrafenis toegekend, zoo niet, dan werd die geweigerd. En hiervan was niemand uitgesloten--zelfs de koning niet.

Langen tijd was dit merkwaardig land bijna ontoegankelijk voor vreemdelingen, totdat een zeker koning, #Psammetichus#, zijn rijk voor de Grieken openzette.

We willen ons niet verdiepen in de dikwijls vrij wat fabelachtige en onzekere geschiedenis van Aegypte. Alleen stippen we aan, dat het rijk, na een zeer langdurig bestaan, waarin het dan eens tot groote macht kwam, dan weer de prooi van roofzuchtige horden werd, eerst een deel werd van het Perzische rijk, daarna veroverd werd door Alexander den Grooten en eindelijk in de macht kwam van de Romeinen.

2. EEN BEZOEK TE BABYLON.

In oude tijden lag aan de oevers van den Euphraat eene zeer merkwaardige, groote stad, Babylon genaamd. Deze stad is reeds lang van de aarde verdwenen, maar toch is er ons door oude schrijvers en geleerde mannen, die de opschriften van de bouwvallen met veel moeite hebben ontcijferd, zooveel verhaald, dat wij ons wel eenigszins kunnen voorstellen, hoe zij er vroeger moet uitgezien hebben, en hoe de bewoners leefden en werkten. Daarom willen we maar weer de stoute schoenen aantrekken, met onze gedachten een paar duizend jaar teruggaan en ons in Babylon verplaatsen.

We treffen in de omstreken dezer stad eenen vruchtbaren bodem aan; de rivier de Euphraat is hier even als de Nijl in Aegypte, de groote zegenaanbrenger. We staan dan ook verbaasd over de weelderige gewassen, de heerlijke granen, de prachtige palmbosschen. En dat de bewoners die vruchtbaarheid tot hun voordeel weten aan te wenden, bewijzen de met zorg bewerkte akkers, de zware dijken, de afwateringskanalen en sluizen.

Blijkt uit dit alles, dat de inwoners met vlijt den landbouw beoefenen; wij merken tevens, dat de handel hier tot een hoogen trap van bloei gestegen is.

Eene menigte groote en kleine rijkgeladene schepen zien we toch koers zetten naar de wereldstad, terwijl weder andere de voortbrengselen van de Babylonische nijverheid naar andere oorden vervoeren. Karavanen, die de schatten van 't verre Indië met zich voeren, trekken voortdurend de wereldstad binnen. Maar 't wordt tijd, dat we de stad zelve eens nader bekijken. Al dadelijk valt ons haar ontzaggelijke omvang in het oog, een omvang, welke die onzer grootste steden verre overtreft.

De stad vormt een regelmatig vierkant, waarvan iedere zijde bijna 4 uren lang is.

Midden er door heen stroomt de Euphraat, waarover eene prachtige brug gebouwd is. Om de stad bevindt zich een muur van 140 meters hoogte en van zulk eene verbazende breedte, dat daarop twee vierspannen nevens elkander kunnen rijden. Tweehonderd en vijftig torens moeten dienen om dien muur te verdedigen, terwijl honderd poorten met metalen deuren van vijftig el hoogte toegang tot de stad verleenen.

't Is echter eene geheel andere stad, dan onze hedendaagsche steden. Voor en na worden de vrij regelmatige straten afgewisseld met weilanden, waar kudden grazen, met bouwlanden, waar koren groeit, zoodat men zich nu eens in de stad, dan weder op het veld verbeeldt te zijn.

Babylon wordt de stad der paleizen genoemd en te recht. De huizen zijn meest drie of vier verdiepingen hoog en ontzaggelijk ruim en uitgestrekt. Ze zijn meest opgetrokken van tichelsteenen, terwijl het verbindende cement uit asphalt bestaat. Bovendien zijn de muren met eene gipslaag bedekt, waarop eene menigte beelden en spijkerschrift zijn aangebracht.

Twee gebouwen vallen ons echter bijzonder in het oog: de reusachtige koninklijke burcht en de tempel van Bel met zijnen kolossalen toren.

Twee geweldige muren (de buitenste is meer dan twee uren in omtrek) omringen de trotsche burcht, waaraan niets gespaard is, wat rijkdom en kunst kunnen aanbrengen.

Tusschen de muren en het eigenlijke paleis heeft men prachtige tuinen aangelegd, die terrasvormig oploopen en daarom hangende tuinen genoemd worden.

Nog meer indruk maakt echter op ons de tempel van Bel (de god des lichts). Hij bestaat voornamelijk uit eenen zeszijdigen toren van 8 verdiepingen. Zijne hoogte bedraagt 200 el, terwijl ieder der zes zijden ook 200 el lang is. Dat is nog een andere toren, dan die te Straatsburg of te Utrecht, niet waar?

Maar niet alleen de hoogte des torens en zijne reusachtige afmetingen, ook de overvloed van gouden sieraden en beeldhouwwerken verwekt onze bewondering.

In wijde kringen slingert zich eene verbazende trap gelijk eene monsterslang naar de spits van den toren.

Hier en daar vindt men rustbanken, waardoor men in staat is, de reuzenstad in al hare uitgestrektheid te overzien.

Op de bovenste verdieping bevindt zich een groot bed, benevens eene gouden tafel. Op dat bed, zou volgens de priesters, eenmaal de god Bel komen slapen.

Er is hier dus wel wat bijzonders en moois te zien.

Gaan we echter eens het volk na in zijn doen en handelen, dan worden we niet zoo aangenaam aangedaan.

Slaafsche onderworpenheid van het volk ten opzichte van zijn' vorst, die als een god wordt vereerd. Groote zedeloosheid in alle standen; een godsdienst, die bestaat in de walgelijkste en wreedste plechtigheden; bijgeloovigheid in de hoogste mate. Ziedaar wat wij overal aantreffen.

Niet waar, we achten ons gelukkig in ons lieve vaderland en wenschen in geen Babylon te wonen, al is het er nog zoo mooi.

3. EEN GROOT MAN EN EEN ONHANDELBAAR VOLK.

In een klein land, aan de Middellandsche zee gelegen, door de rivier de Jordaan doorstroomd, woonde een volk, dat zich noch door kunstzin onderscheidde, zooals de Babyloniërs, noch groote werken uitvoerde, zooals de Aegyptenaren, noch door veroveringen zich een naam maakte in de wereld. Toch was dat volk merkwaardig, omdat het een zuiverder godsbegrip had dan de andere Oostersche volken. Hadden dezen dikwijls eene groote menigte afgoden, aan wie zij allerlei menschelijke deugden en ondeugden toeschreven: bij de Israëlieten (want dit volk hebben wij op 't oog) bleef het denkbeeld van een eenig, heilig God (Jehova) althans bij het beste deel der natie bewaard.

Van geen volk zijn ons meer berichten geworden dan van dit; het O. T. kan men voor een groot gedeelte eene geschiedenis van het Israëlitische volk noemen. De Israëlieten noemen als hun' stamvader Abraham, een herdersvorst uit het land der Chaldaeën, die van daar vertrok en zich in het tegenwoordige Palestina nederzette. Zijn kleinzoon Jakob (Israël) trok met zijne talrijke familie, door een' hongersnood gedrongen, naar Aegypte, waar zijn zoon Jozef door hoogst merkwaardige en zonderlinge lotgevallen tot onderkoning was verheven.

De gastvrijheid, die Jakob's familie eerst mocht ondervinden, veranderde weldra in eene drukkende slavernij, waaruit zij eindelijk verlost werd door een' man, die in aanleg en ontwikkeling verre boven zijn volk stond, en door zijne wetten den allergrootsten invloed, ook in het vervolg, op de Israëlieten heeft uitgeoefend.

Volgens den Bijbel werd #Mozes#, in zijne jeugd op wonderbare wijze gered, aan het hof van den Aegyptischen koning opgevoed en in alle wijsheid der Aegyptenaren onderwezen. In weerwil van zijne opvoeding en leefwijze onder de verdrukkers zijner stamgenooten, bleef hij toch met eene vurige liefde voor dezen bezield. Het mocht hem eindelijk gelukken, zijn volk te voeren uit het land der dienstbaarheid, hoewel niet dan na den hardnekkigen tegenstand van den Aegyptischen koning.

Het lievelingsdenkbeeld der Israëlieten, n.l. de in bezitneming van het Beloofde Land, het land, weleer door de aartsvaders bewoond, bleek echter niet zoo gemakkelijk verwezenlijkt te kunnen worden.

De Israëlieten waren door de voortdurende verdrukking een slaafsch, wispelturig en onhandelbaar volk geworden. Bij den minsten tegenspoed morde het, werd oproerig en verlangde naar de vleeschpotten der Aegyptenaren. Ook in den dienst van den eenigen waarachtigen God bleken zij niet standvastig te zijn; zij hadden maar al te veel geneigdheid om de afgoden te dienen, die zij in Aegypte hadden leeren kennen. Alleen een man als Mozes was in staat zulk een volk in toom te houden en te leiden naar zijn' wil. Toch zag Mozes zeer wel in, dat een volk, zoo weinig aan krijgstucht en volharding gewoon en met zulk eenen slaafschen geest bezield, niet in staat was een land te veroveren, dat door krijgshaftige stammen werd bewoond.

Een nieuw geslacht, aan vermoeienissen en ontberingen gewoon, aan krijgstucht gewend en bezield met een vrijeren geest, moest in de woestijn opgroeien, eer Palaestina aan de krijgshaftige Kanaänieten kon worden ontrukt. Eerst na eene veertigjarige omzwerving kon Jozua, Mozes opvolger, het groote plan volvoeren. De edele Mozes zelf mocht het doel van zijn werken niet beleven. In 't gezicht van het Beloofde Land stierf hij. Vooraf echter had hij iets gedaan, waardoor hij ook in 't vervolg den allergrootsten invloed op zijn volk kon uitoefenen.

Hij vervaardigde n.l. eene menigte wijze wetten, waarbij de staatsregeling en de godsdienst geregeld werden. Bovendien bevatten zij vele nuttige voorschriften, betreffende de gezondheid, de bebouwing van den grond, de verdeeling van het veroverde land enz.

De wet van Mozes gaf aan den priesterstand, of liever aan de priesterkaste, het bestuur des lands in handen.

Aan 't hoofd van den staat stond de hoogepriester, een telg uit het geslacht van Mozes broeder Aäron; de priesters, allen uit den stam van Levi, bekleedden verder even als in Aegypte de aanzienlijkste ambten.

De geschiedenis der Israëlieten na hunnen intocht en de verovering van het Beloofde Land (Kanaän) is eene aanschakeling van oorlogen met hunne krijgshaftige naburen (Philistijnen, Moabieten, Ammonieten), waarbij zij dikwijls in dappere mannen, #Richteren# genaamd, moedige en ondernemende aanvoerders hadden, die hen ook in vredestijd wel een tijd lang regeerden (Gideon, Jeptha, Simson, Samuel).

Uit ijdelheid verwisselde het wispelturige volk dezen vrijzinnigen regeeringsvorm niet het koningschap.

Onder zijne koningen #David# en #Salomo# beleefde het een korten, glansrijken tijd. Onder #Rehabeam#, Salomo's zoon, werd Israël verdeeld in twee rijken: dat van #Juda# met #Jeruzalem# en dat van #Israël# met #Sichem# (later #Samaria#) tot hoofdstad (986). Beide beoorloogden elkander dikwijls en hadden bovendien veel van de aanvallen der uit Midden-Azië komende veroveraars te lijden.

Het eerst bezweek het rijk Israël, welks bewoners door zedeloosheid zeer waren verzwakt. De laatste koning, #Hosea#, werd in 721 v. C. door #Salmanasser#, koning van Assyrië, overwonnen. Het rijk Juda bleef langer bestaan, maar verloor toch ook in 586 v. C. zijne onafhankelijkheid; de laatste koning #Zedekia# werd door Nebucadnezar overwonnen.

Wel verrees later door de gunst van den Perzischen koning Cyrus een nieuw Joodsch rijk, maar om weldra het lot te deelen van het Perzische rijk, n.l. een deel te worden van het Grieksche rijk, door Alexander den Grooten gesticht. Nog een enkele maal wisten de Joden onder de dappere Maccabaeën hunne vrijheid te bevechten (167). 't Was slechts een korte flikkering van macht. De alles overwinnende Romeinen maakten eenige jaren voor Christus ook van Palaestina een wingewest, en toen de natie zich tegen het Romeinsche juk poogde te verzetten, veroverden de Romeinen de hoofdstad Jeruzalem en de Joden hielden op als natie te bestaan (Titus, 70 j. n. C.)

4. EEN HANDELSVOLK.

Wanneer onze zeelieden tegenwoordig vreemde landen gaan bezoeken, zijn zij voorzien van goede kaarten, kompassen en zeevaartkundige werktuigen, en waar zij komen, vinden zij een gul onthaal. In ouden tijd was dit echter geheel anders.

Kaarten, kompassen en dergelijke zaken waren onbekend; de landen, die men bezocht, waren door ruwe, vijandelijk gezinde menschen bewoond.

Wij moeten dus wel bewondering gevoelen voor een volk, dat alleen met de zon des daags en de poolster des nachts tot gids, niet alleen alle landen aan de Middellandsche zee durfde bezoeken, maar zich door de zuilen van Hercules (Straat van Gibraltar) een' weg baande naar de tineilanden (Scilly-eilanden) bij Engeland, ja, dat zelfs volgens de overlevering, niet schroomde, de Baltische zee te bezoeken en geheel Afrika om te zeilen.

Dat onversaagde volk was het Phoenicische. Het woonde in een smal, vochtig en ongezond, maar vruchtbaar kustland, tusschen den Libanon en de Middellandsche zee gelegen, dat door de Grieken Phoenicië (Palmenland) genoemd werd. De ligging van hun land aan eene zee, die toen het meest bevaren werd en aan den Libanon, wiens cederbosschen heerlijke en overvloedige bouwstoffen voor de schepen leverden, bracht de Phoeniciërs er als van zelve toe hun geluk op zee te beproeven.