Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst
c. Antonius Franciscus Ranshuizen, die van hier als kapelaan naar
Hoorn vertrok den 11 Oct. 1835 en opgevolgd werd door
d. Henricus Theodorus Loninck, die uit dezen plaats den 14 Nov. 1849 als kapelaan vertrok naar Rotterdam en in wiens plaats is gekomen
e. Wilhelmus van Asveldt, die als kapelaan naar Haarlem ging den 4 Junij 1851; zijn opvolger was [193]
f. Fredericus Stephanus Kraaivanger, die van hier als kapelaan naar Leiden vertrok den 24 Mei 1853.
Nog in hetzelfde jaar van het overlijden des eerw. heeren Florus (1852) is alhier als pastoor gezonden Franciscvs Schreurs die als pastoor naar Coevorden ging den 31 Mei 1853 en in
1853 wierd opgevolgd door Alexander Matthias Balthasaar die tot kapelaan had sedert 5 Junij 1853 Stephanus Ignatius Rooters.
De eerw. Heer Balthasaar is van hier vertrokken als pastoor der Mozis en Aaron kerk van Amsterdam in het jaar
1854 als wanneer hij opgevolgd werd als pastoor door den eerw. heer Johannes Henricus Dierhoff, die deze pastorie tot op dezen dag, met zijn kapelaan den eerw. pater Stephanus Ignatius Rooters bedient.
GEESTELIJKEN DER BISSCHOPPELIJKE CLERIZIE DER KERK AAN DE MARKT.
Anno 1700 Johannes Chrysosotimus Vijfhuizen, die alhier in 1729 overleed en opgevolgd werd in
1729 door pastoor Hubertus de Vos, in wiens plaats Ao.
1768 kwam de eerw. heer pastoor Theodorus van Hagenouwe die van hier in 1797 vertrok en na 1814 in Oosterhout is overleden.
In 1797 was pastoor Godefridus Spruyt van Schiedam naar hier gekomen. Achtereenvolgend heeft hij tot kapelanen gehad, de Heer H. de Jong die van hier als pastoor naar Gouda vertrok en P. van Wijk die van hier ging om de pastorie van Hilversum te bedienen (die beiden daar nog in bediening zijn.)
Pastoor Spruyt van zijne pastorie afstand gedaan hebbende, is elders gaan wonen, en in
1813 opgevolgd door Franciscus Johannes Guddee, die van Hilversum naar hier is gekomen en overleden is den 3 Augustus 1854 na 41 jaren in zijne gemeente te hebben geleeraard [194]. Tijdens zijne ziekte is als noodhulp alhier geweest de eerw. heer C. A. Harderwijk die nu pastoor van Culenborg is.
1854. De eerw. heer Henricus Theodorus Verhoeff, bedient sedert het voorschreven jaartal nu de kerk aan de markt.
De oude kerk der Roomsch Catholijken.
Volgens de Heer van Kinschot was dit kerkje der beschouwing van binnen waardig.--Uit een zekere bron weten wij echter, dat het buiten meer gelijkenis met op een schuur dan op een kerk gehad heeft.--Hoewel deze kerk insgelijks zooals nog de tegenwoordige aan het Heilig leven stond, was hare standplaats echter niet zoo digt aan de Kapelstraat als de tegenwoordige:
De tegenwoordige kerk der Roomsch Catholijken.
Zij heeft even als de twee vorige zeer weinig aanzien, dat voor een kerk-dicteert, twee ingangen verschaffen den gemeentenaren toegang in dezelve, de eene van uit de Kapelstraat de andere langs het Heilig leven; haar van de laatste zijde naderende, kan men in den gevel het volgende in hardsteen uitgehouwen opschrift bemerken
HAEC DOMUS DOMINI AEDIFICATA Ao. MDCCCIII
dat is:
Dit huis Gods, is gebouwd Ao. 1803.
Bij het binnentreden bemerken wij dadelijk, een zonderlinge constructie, zelfs zoo, dat niet het minst bij de bouwing aan symboliek schijnt gedacht te zijn, gothiek is er trouwens geen stip aanwezig. In deze kerk bevind zich 1 altaar, dat niet oostwaarts gerigt is, doch op fraaiheid aanspraak mag maken, de communiebank wordt als een meesterstuk van beeldhouwkunst geroemd; zij bestaat echter slechts uit gedeelten van de communiebank uit eene kerk van IJsselstein. Zijn wij wel onderrigt, dan heeft men die eertijds aldaar publiek geveild en bij die gelegenheid welligt voor spotprijs alhier aangekocht. Het orgel heeft een clavier is zonder pedaal en onaangenaam van toon. Het jaartal van zijn bouw, alsmede de vervaardiger zal men er niet op vinden.
Om in de behoeften der steeds grooter wordende gemeente te voorzien, heeft men voor eenige jaren de kerk vergroot, zoodat er zich nu een groot getal gemeentenaren in kunnen vereenigen. De harmonie in het gebouw toen nog aanwezig, heeft echter zeer veel door dien herbouw geleden.
De kerk der Bisschoppelijke Clerezie.
Dit kerkje, dat zich nog in wel onderhouden toestand bevindt, is zijn beziens van binnen om zijn fraaiheid niet onwaardig, het heeft echter eveneens slechts een altaar, het orgel heeft slechts een clavier en bezit geen pedaal, het is zwak, en niet zeer aangenaam van toon terwijl vervaardiger noch jaartal op hetzelve uitgedrukt staan. De oudste patroon van deze kerk is St. Michiel; doch door de opheffing der gemeente van Polsbroek in 1842 toen ook de bezittingen der kerk aldaar aan die onzer beschrijving gekomen zijn, is St. Johannes den Dooper, die patroon van de kerk in Polsbroek was, als tweede patroon alhier aangenomen.
Van buiten zou men bezwaarlijk eene kerk in dit gebouw herkennen, ware het niet, dat aan haren ingang, een houten kruis was aangebragt, waarop het volgende te lezen staat:
IN HOC SIGNO VINCES
dat is:
Door dit teeken zult gij overwinnen.
Om op eenige volledigheid te kunnen aanspraak maken, mogen wij niet onvermeld laten, dat wij nog ten vorige jare een locaal in zeker huis hebben bezigtigd, staande op de have niet ver van de markt [195] waarin, naar ons werd medegedeeld, eertijds--eveneens ter sluiks--de Mennonieten bijeenkwamen om hunne eerdienst uit te oefenen.--De zekerheid, dat het Mennonieten waren durven wij echter niet uitmaken, doch bepaald, konden wij aan eenige versieringen nog bemerken, dat er eerdienst in uitgeoefend is.
De christelijk afscheidenen in deze plaats woonachtig, vergaderen tot het uitoefenen hunner godsdienst, in zeker woonhuis [196] op het Roodzand, dewijl de gemeente hier niet zoo vele leden telt, dat er eene kerk gesticht worde en een predikant aangesteld om haar geregeld te bedienen.
De Israeliten die hier gedomicilieerd zijn, bezitten--eveneens om hun gering aantal--geen Synagoge, daarom vergaderen zij in plaats daarvan sedert een aantal jaren in een woonhuis [197] staande op de Korte donkere Gaard. Hun aantal is zelfs zoo gering alhier, dat zij bij sommige gelegenheden genoodzaakt zijn, Israelieten van eene andere plaats te ontbieden, om naar eisch hun feest te kunnen vieren en uitoefenen.
En hiermede mijne lezers is de beschrijving van de reeks kerkelijke gebouwen ten einde, wij noodigen u nu eerst, met ons weder eenige eeuwen terug te gaan, daar de beschrijving der geestelijke gestichten die hier eertijds in zoo ruime getale aanwezig waren, ons toeft.
Bij die beschrijving, zullen wij ons ten regel stellen, eerst de geestelijke gebouwen enz. te beschrijven, om daarna tot de gestichten over te gaan, die ontstonden, uit bijzondere en algemeene kosten tot liefdadig doel.
Het voormalige klooster der zusteren van Sinte Lijsbeth of van St. Agnes in Oudewater.
AANKOMST EN EERSTE BIJZONDERHEDEN DEZER ZUSTEREN ALHIER. LIGGING VAN HET KLOOSTER.
»Wij hebben" zegt de heer van Kinschot, op bladzijde 58 zijner beschrijving van Oudewater, »met zekerheid ontdekt, dat hier een klooster van de zusteren van Sint Lijsbeth van de derde orde, even als in 's Gravenhage geweest is; doch, geen het minste overblijfsel daar meer van overig zijnde, kunnen wij alleen ten bewijs aanhalen, den voorrechtsbrief, door Hertog Philips, als Graaf van Holland op het verzoek van eenige geordende geestelijken, op den 17den van Lentemaand des jaars 1452 aan dezelve gegund, waarnaar zij zich voegen, schikken en gedragen moesten."
Genoemde schrijver is al zeer karig met het mededeelen van bijzonderheden, omtrent dit convent, en het »bewijs" van derzelver bestaan in Oudewater door hem aangevoerd, mogen mijne lezers niet als zoodanig aannemen, aangezien deze zusters in 1452 niet meer in deze plaats aanwezig waren; doch loopen wij onzen tijd niet vooruit, wij zullen deze zaak later van zelf opgelost zien.
In de beschrijving van het naburige Schoonhoven door H. van Berkum, vindt men de aankomst der zusteren alhier, aan het hoofd dezes aangeduid, vermeld. De oorzaak, dat zulks in de beschrijving van Schoonhoven te vinden is, ligt hierin, doordien voornoemde conventualen van Schoonhoven naar Oudewater zijn gekomen. Zien wij dus, wat van Berkum daaromtrent heeft geboekstaafd.
»Van het klooster [198] van sinte Lijsbeth, en van de Beggijnen of Sustern, op de oude Haven, moet men geen twee kloosters maken, gelijk ik ergens gevonden hebbe, het was er maar een, onder deze verscheidene namen bekend.
»Het regte jaar van deszelfs stichting is mij onbekend; in het jaar 1375, was er niet, als één klooster te Schoonhoven dat der Carmelieten; het is zeker, dat in het jaar 1399, er al twee woningen voor geestelijke vrouwspersonen waren, die van de susters op de oude Haven, en die van St. Agnes in de koestraat, waaruit in dit voornoemde jaer (1399) susters gestuurd werden naar Oudewater.
Het zal mijne lezers nu welligt duidelijk zijn, waarom wij hiervoren ter neder stelden, dat de geestelijke dochters, òf zusters van St. Lijsbeth, òf van St. Agnes zullen zijn genoemd geweest, eene verwarring hoogst waarschijnlijk ontstaande, doordien haar klooster of beter hare orde naar St. Lijsbeth was, en hare bidkapel aan St. Agnes gewijd geweest zijn zal, of omgekeerd. Deze zelfde verwarring verbeterde reeds hiervoren de Heer van Berkum in Schoonhoven, en daarbij weten wij immers zeker, dat het St. Ursala convent in Oudewater, waarover wij later breedvoerig zullen schrijven, eveneens zijn naam verschuldigd is, aan de patrones van de kapel der conventualen, die naar den derden regel van St. Franciscus leefden. [199]
Als aanleidende oorzaak nu, waarom deze zusters uit Schoonhoven naar Oudewater weken, vinden wij in de oudheden van Rijnland vermeld, dat zij om de oorlogen, (de Hoeksche en Cabellaauwsche twisten) die het platteland onveilig maakten naar Oudewater trokken. [200]
En nu mijne lezers zullen wij eenige bijzonderheden vermelden, omtrent het hoe en waar, van deze hare vestiging in Oudewater.
Hiervoor staat ons ten dienste de copij van een handschrift, medegedeeld in de oudheden van Rijnland bladz. 457, 458 en 459, en uit het klooster Marienpoel bij Leijden van oorsprong.
»In 't jaer ons Heeren 1399 doe sende Heer Vrederik die Biechter der susteren van Scoenhoven op de oude haven, en de Heer Claes, Biechter der susteren van Sint Agnieten te Schoonhoven in die koestraat die eerste zusteren wt horen huse, daer onse susteren voert wt gesproten zijn, ende alre eerst vergaderdese int heilige leven te Oudewater ende daer na vergaderdese bij Pieter Aven zoen over de sluse. [201]
Daerna int jaer ons Heeren 1412. doe coft suster Clemens Gelis dr. onse eerste mater in die derde oerde, gheboren van eerbaren ouders van Scoonhoven, die Husinghe, die den Heer van Vliet toehoorde, die stont in de capelstraat daer hi ons goedertierenheit in bewijsde om der wil zijnre vrouwen, die hoor suster Ariaen Jans dr. in onse Cloester brocht. In corte jaren daerna scoet Jan Melisz. husinge boven wt, dattet op onse werf vallen woude, dat men met balken onderscoerde, ende dese husinge coften wi, ende van dat voerhuis ande straat wort ons capel ghemaekt [202] ende after daeran onse butenhuus. After teghen de stede muer [203] langhes onse werf lieten wi een steenen huus timmeren, daer wi inweefden, bacten ende brouden, en de torfden en de verpenscot. [204] Daer voer dat huus stont enen sconen put di wi lieten graven, daert water in ende wt vloeide ende ebbede, door een zijl [205] wt d ijssel. Bisiden den put hadden wi enen sconen viver laten graven, daer wi visch in hielden. Andie ander zijde van onse werf coften wi Heer Bertelmeus [206] husinge, ouse cureit, dat was ons priesters husinge, onse reventer [207] ende sieccamer ende koken. Oec coften we Ouwerogs husinghe met enen bergh, daer susteren in woonden die den beesten en de tsuvel bewaerden, die door een poort met een slot in quamen eten, noch coften we 2 husinge, dat voorhuus stont an de Capelstraat, ende dat after huus stont an onse werf, met een berch."
Uitgenomen de voornoemde bijzonderheden staan in het gemelde stuk nog de volgende giften aan het klooster vermeld:
»In 't jaer ons Heeren 1413 sterf Peter Ave soen, op Sint Lambrechtsavond, die onse susteren eerst versamende, behalve menigherlei goedicheit die hi ons dee, so gaf hi ons 25 nobel ende 5 pont tsjaers ewighe rente, 15 groot voer een pont."
Ziet hier mijne lezers, u met onze beste pogingen op de hoogte gebragt omtrent den oorsprong van dit convent in Oudewater. Uit een en ander hebben wij gezien, op wat een aanzienlijke hoogte deze zusteren het in korte jaren gebragt hebben, immers wij zagen het klooster reeds de aanmerkelijke ruimte beslaan, van de westzijde der kapelstraat bij het heilig leven tot aan het tegenwoordig zoogenaamde klooster, bij de oude vestingmuur der stad. Achter al deze huizen was eene aanzienlijke ruimte, zoodat zij te over gelegenheid hadden, die bedrijven uit te oefenen, door ons hiervoren uit het stuk van de oudheden van Rijnland gecopierd.
Zij die in Oudewater bekend zijn, en iets van zijn geschiedenis weten, zullen mij welligt tegen voeren: al deze bijzonderheden daar vermeld, omtrent de ligging van het klooster enz. hebben betrekking op het verblijf van de zusters naar den 3 regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk naar het kapelletje, dat aan Sint Ursula gewijd was, het St. Ursula convent geheeten. Het is zoo mijn lezer, gij hebt gelijk, doch ook mijne mededeelingen zijn juist. Laat ons het duidelijk maken.
Nadat de zusteren van St. Lijsbeth of van Sint Agnes, van het jaar harer komst in Oudewater onder denzelfden naam, en onder dezelfde orde als in Schoonhoven, ten minste hoogst waarschijnlijk, daar heen leefden, was het in Anno 1414, dat Hertog Willem, Graaf van Holland toestond, dat genoemde zusters, uit de kapelstraat, »die leefden in een' woning en Hofstadt die Heeren Jans van den Vliete plachte wesen, ien besloten Cloester en convent van Sint Franciscus oerden, geheten van penitentien sullen mogen funderen, timmeren, enz.
Het is dus nu duidelijk geworden: de zusters uit Schoonhoven van St. Lijsbeth of St. Agnes, werden ten onzent in 1414 zusters naar den derden regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk zooals wij reeds opmerkten, bekend onder den naam van het St. Ursula Convent.
Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie.
Nadat wij den oorsprong der zusters alhier uit Schoonhoven nagingen, is de geleidelijkste overgang voor het beschrijven van het St. Ursala convent, onzes inziens de mededeeling van de inhoud des briefs, waarbij Hertog Willem het aannemen en de stichting van dit convent naar de orde van St. Franciscus, oorlooft en consenteert, en al dadelijk gaan wij dus hiertoe over:
»Willem by der Genaden Gods Palsgrave op den Rijn Hertoch van Beyeren, van Henegoën, van Holland, van Zeeland ende Heer van Vriesland dan cont allen leuden, dat wy om Godts wille aangesien zelicheit onser en onser ouderen ziele, en om den dienst Godts allerwegen te meerren geoorloft en geconsenteert hebben, verloven en consenteren met desen brief, dat de vrouwe persoenen by de maegeden en weduwen in onser steede van Oudewater in de Capellestraet in een woninge en hofstadt, die heeren Jans van der Vliete placht wesen een besloten cloester en convent van Sint Franciscus Oerden geheten van penitentien sullen mogen funderen, timmeren en volbrengen in der woningen voorsz. en hem daarin laeten besluiten na manieren en de ordonnantien des voorz. oerden, als daartoe behoort, ende nemen dit voorsz. clooster en convent met haren goederen en personen daartoe behoorende in onser hoede en bescherminge, gelikerwijs en in alre manieren als wy anderen cloesteren ende Godtshuisen in onsen lande liggende genomen hebben, en omdat wy dit vaste en gestade gehouden willen hebben, voer ons en voer onse nacomelingen, so hebben wy desen besegelt met onsen segele, gegeven in den Hage op ten eersten dach in Septembre Ao MCCCC en vierthien."
Dit klooster, stond onder het opzigt van het kapittel en de bisschoppen van Utrecht, terwijl de broeders van het gemeene leven, doorgaans minderbroeders genaamd er het bestuur over hadden. [208]
Stil en vreedzaam, leefden deze zusters eenigen tijd in het nederige Oudewater voort, en wij mogen vooronderstellen, dat hunne inkomsten in korten tijd aanmerkelijk vermeerderden, zeer gezind als men in die tijden was, giften aan dergelijke gestichten te schenken, ten minste in meergemeld handschrift uit het klooster Marienpoel vinden wij nog vermeld: »Leye Wittender sterf in 't jaer ons Heeren 1418 op Sint Katrinedach, si gaf ons (het convent van Oudewater) in aelmissen 18 engelsche nobel."
Niet lang echter mogten zij zich op deze ruste beroemen; donkere wolken van onrust en woeling betrokken den politieken en kerkelijken horizont van Holland en Utrecht en... de zusters van het St. Ursala convent moesten vlugten uit Oudewater. Om dit echter duidelijk te maken, is het noodig, dat ik den vriendelijken lezer verzoek, met mij de aandacht eene wijle te bepalen op zaken en gebeurtenissen, die wel niet in Oudewater voorvielen, doch den grootsten invloed op het convent moesten hebben.
Na den dood [209] van den Bisschop Frederik van Utrecht in October 1423, [210] werd het kapittel in de daaraanvolgende maand bijeengeroepen tot het verkiezen van een anderen bisschop, waartoe zich dan ook verscheidene mededingers opdeden. Rudolphus van Diephout kanunnik te Keulen en Walravus van Meurs, kwamen onder allen het meest in aanmerking--Rudolph bekwam de meeste stemmen en werd alzoo tot bisschop gekozen. [211] Beide zonden echter gezanten naar Rome om de bevestiging van den man hunner keuze van Paus Martinus de V te erlangen. Aan geen der beide partijen mogt dit echter gelukken en dientengevolge droeg kort daarna de paus het bisdom van Utrecht op, aan Raban, Bisschop van Spiers. [212] Toen deze echter vernam, dat het Sticht in hevige partijschappen verdeeld was, liet hij zich gemakkelijk bewegen, om zijn regt over te staan, aan Zwederus van Kuilenburg, die hem daarvoor zijn domproostdij opdroeg. Ook de paus nam hierin genoegen en Zwederus werd bevestigd als bisschop van Utrecht. Dan, hierop volgde een openbare scheuring in het Sticht. De geestelijkheid der stad Utrecht onderwierp zich aan 's pausen besluit en erkende Zwederus voor bisschop. [213] Doch het overige gedeelte van het Sticht bleef Rudolf aanhangen.--De paus aldus in zijn bediening gekrenkt, verbood alle kerkelijke diensten, in zulke plaatsen des bisdoms, daar Zweder niet erkend werd, en sommigen eerbiedigden dit bevel uit ontzag voor den paus, terwijl anderen de dienst bleven waarnemen. [214]
Zweder intusschen, had zich meester gemaakt van het slot ter Horst, en noodzaakte eerlang de steden Amersfoort en Rhenen en ten laatste ook de stad Utrecht hem als Bisschop binnen zijne muren te nemen, zooals hij dan ook in Augustus 1425 zijnen intogt in laatstgenoemde stad deed en er gedurende tien maanden verbleef. Daarna verbond Zwederus zich met de Kabellaauwsche partij in Holland inzonderheid met zijne nabestaanden: Jan en Willem van Egmond en sedert ook met Philips, hertog van Bourgondie, die terstond pogingen aanwendde, om den aanhang van Rudolph en de vrienden der Hoekschen in het Sticht, met geweld aan te tasten. Door een en ander, maakte Zweder zich binnen kort zoo gehaat in Utrecht, dat men een toeleg smeedde, om hem uit de stad te houden, en Rudolphus in den bisschoppelijken zetel te herstellen, dat in den zomer van 1426, door beleid van Jan van Renesse van Rijnouwen gelukte. [215] Rudolph werd eerst door de Ridderschap en de stad Utrecht en door de Ridderschap en de steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid, tot postulaat, Ruwaard en Beschermer van het bisdom aangenomen [216] en Zweder alle Regtsgebied ontzegd. De laatste vestigde sedert elders den stoel des bisdoms en werd in het algemeen, door den Kabellaauwschen aanhang, voor wettigen bisschop erkend. [217]
Rudolph, die nu in het Over en Nedersticht volkomen meester was, verbond zich met vrouwe Jacoba en de Hoekschen [218] en haalde zich hierdoor den haat van hertog Philips op den hals.
Tot zoover mijne lezers heb ik u moeten brengen, om het vertrek der zusters in 1428 uit het St. Ursala convent van Oudewater, wel te kunnen begrijpen.
Oudewater toch erkende immers nog een laatstgenoemd jaar vrouwe Jacoba als gravin, doch deze was zooals wij zagen de partij van Rudolph van Diephout toegedaan, en Diephout met zijne aanhangers was door paus Martinus de V tot den geestelijken ban veroordeeld. [219]
Wat moesten onze conventualen nu doen? Ongehoorzaam zijn aan den paus wilden zij niet, en in Oudewater blijven, en een anderen bisschop erkennen als de gravin die haren scepter nog over Oudewater zwaaide, konden zij niet. Zij werden dus genoodzaakt om te vlugten, doch waarheen? Natuurlijk naar het gebied van Hertog Philips van Bourgondie, die den bisschop aanhing, die zij erkenden, Zwederus van Kuilenburg. [220]
Nu leefde er in dien tijd in Leiden een zeer vroom en edel man, Boudewijn van Zwieten genaamd, en de mare van zijn weldoen, had zich tot in het nederige Oudewater verspreid. Ook deze was het met den Hertog en Zwederus eens, en het was dus niet te verwonderen, dat de vlugtende zusters uit het convent van Oudewater, naar hem de wijk namen en hem smeekten, medelijden te hebben met haren toestand. De echtgenoot van Heer van Zwieten voegde ook haar verzoek, bij dat der nonnen en van Zwieten besloot hierop de zusters voorloopig huisvesting te geven. [221] Hare aankomst te Leiden had plaats op 20 Maart 1428. [222]
Onze kloosterlingen hebben ons nu reeds zoo veel belang ingeboezemd, dat wij niet kunnen nalaten, haar nog eenigen tijd elders te volgen.
Nadat de nonnen bij Van Zwieten huisvesting hadden bekomen, peinsde hij ernstig na over de toekomst der conventualen, eenmaal onder zijn bescherming staande. Al spoedig was zijn plan een ander klooster voor deze zusters te stichten, tot zoodanigen graad van rijpheid gekomen, dat hij na verlof van den pastoor van Oegstgeest en bevestiging van dit verlof, door den bisschop van Utrecht, in 1431 reeds een zoodanig gebouw onder Oegstgeest had laten bouwen, en deze bouwing was reeds in het volgend jaar harer ontvlugting, in 1429 begonnen.
De eigenlijke plaats waar het klooster gesticht werd heette toen Paddenpoel--Moerassig als de grond was, denkt men in de oudheden van Rijnland, dat deze plaats dus genoemd werd, naar deze amphibien, die doorgaans op zulke moerassige plaatsen in menigte gevonden worden;--hoe het echter zij, stellig weten wij, dat de Heer Van Zwieten na de stichting van het klooster aldaar, deze weinig aestetische naam heeft laten veranderen, in Sinte Marienpoel of onzer Liever Vrouwenpoel en wel op bevel van Zwederus in 1429.
Aan dit klooster werd deze wet voorgeschreven, dat het getal der geprofesside nonnen niet grooter dan veertig zoude zijn, en, dat er niet meer dan tien leeken of buiten zusters zouden aangenomen worden, ten waar, dat het algemeen kapittel, en hij (Van Zwieten) het bij zijn leven ook anders mogten verstaan. Ook moesten de nonnen, die zoo als wij weten in Schoonhoven en Oudewater tot in Ao. 1414 zusters van St. Lijsbeth of Sint Agnes heetten en nader in Oudewater leefden naar den derden regel van St. Franciscus, daar sedert de gelofte doen, te leven als Reguliere kanonnikessen naar den regel en de instelling van St. Augustinus. [223]
De stichtingbrief was door den Heer Van Zwieten bezegeld, en op dat deze brief te grooter kracht zoude hebben, heeft hij Willem Klinkaert, prior in het klooster den Hem buiten Schoonhoven en Herman Jansz. prior van het klooster te Stein bij Haastrecht die tot bezigtigers van dit klooster aangesteld waren, verzocht, hun zegel ook aan dezen brief te hangen. Dit alles heeft van Zwieten dus gedaan, op het feest van Vrouwen Lichtmis in het jaar 1431.
Uit dezen merkwaardigen brief, die wij om zijne uitgebreidheid niet in zijn geheel mogen overnemen [224] ziet men tevens, dat de reden van deze stichting was eene groote Godsdienstzin, dat hij nog »28 merghen lants, luttel min of meer" enz. met het klooster, het convent in eigendom schonk en de voorwaarden waarop dit plaats greep, dat hij in het klooster eenmaal wilde begraven zijn, en wat men voor de ruste zijner ziel en die zijner familie aldaar zoude bidden, doch wij zien er uit een zekere zinsnede ook tevens, hoe groot de nood was toen de conventualen vloden uit Oudewater.
Daarna volgt in meergemelde Rijnlandsche Oudheden een breedvoerige brief van de vermelding der landerijen en inkomsten, die hij aan dit klooster bewezen heeft. [225]
Voorts bleek het den schrijver uit een ander stuk, dat Boudewijns zonen de stichting van hunnen vader bevestigd hebben.
Ook Philips, Hertog van Bourgondie en Graaf van Holland heeft niet alleen gemelde stichting in 1445 binnen de Haag bevestigd; doch er zelfs nog eenige gunsten aan toegevoegd, waarvan de voornaamsten eveneens aldaar genoemd worden.
In 1516 deed Keizer Karel als Graaf van Holland hetzelfde als Philips in 1445--en zóó steeg dit klooster in luister, dat toen meester Coenraad Pietersz. 's konings gezworen Landmeter in het jaar 1570 op het verzoek van den pater de grootte der landerijen opnam, hij bevond, dat dezelve 275 morgen 87 roeden was.
Dit convent heeft, zoo als uit een doodboek daaraan behoorende, bleek, onder zijne nonnen mogen hebben, dames uit de edelste geslachten van Holland zoo als uit de Duivenvoorden, Poelgeesten, Alkemaden, Boekhorsten, IJsselsteins, Wassenaars en eene menigte anderen. [226]
Zie daar mijne lezers, u in breede trekken geschetst, hoe dit convent uit Schoonhoven en Oudewater gesproten, opkwam en in luister steeg, ook nadat de vlugtende nonnen uit Oudewater er het eerst haren intrek namen.
Het wordt echter tijd, dat wij ons spoeden van Marienpoel naar het in 1428 verlaten klooster in Oudewater.
In het zelfde handschrift waarvan de inhoud door ons op bladz. 227-229 hier voren is medegedeeld, en die zooals wij daar zien kunnen, betrekking had omtrent het hoe en waar, van het verblijf der zusteren in Oudewater vóór derzelver vlugt naar Leiden, vinden wij het volgende vermeld:
»Int jaer ons Heeren 1430, coften die susteren van Over Issel al deze voersz. husen metten erfrenten daer wise mede ghecoft hadden en de mitten lijfrenten die wi daer op vercoft hadden." [227]
Hieruit ziet men dus, dat ons convent uiterlijk ongeveer 2 jaren tijds zonder kloosterlingen zal geweest zijn, daar de ontruiming in 1428 plaats had, en de verkoop aan de zusters van Over IJssel in 1430 geschiedde: immers, dat die zusters een convent zullen hebben gekocht en het niet, nog in hetzelfde jaar zullen betrokken hebben is slecht te vooronderstellen.--Wij worden te meer genoopt, dit aan te nemen, indien wij de gebeurtenissen nagaan, in 's lands historie bladen.
Vroeger toch hebben wij reeds opgemerkt, dat toen Jacoba met Rudolph een partij uitmaakten zij zich hierdoor den haat van Hertog Philips op den hals haalde, doch nadat de Cabellaauwschen veeltijds met groot geluk streden, werd volgens sommigen, [228] de vrede tusschen Hertog Philips en Rudolph van Diephout [229] in den winter van het jaar 1428 getroffen; doch men sloot toen en nader, meermalen slechts een bestand. [230] Uit het oorspronkelijk verdrag [231] toch, ziet met zekerheid, dat de vrede niet voor Ao. 1430 geteekend werd.--Alzoo hetzelfde jaar, dat de zusteren van Overijssel het klooster van Oudewater kochten.
Neemt men nu echter in aanmerking, dat de strijd tusschen Van Kuilenburg en Van Diephout in voornoemd jaar echter nog niet ten einde was [232], en dat Van Diephout reeds vroeger door de Ridderschap en steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid tot postulaat, Ruwaard en beschermer van het Bisdom aangenomen werd, en Zweder alle regtsgebied ontzegd, dan zou men bijna tot gevolgtrekking mogen komen, dat deze pas aangekomen conventualen, de partij van Rudolphus van Diephout waren toegedaan.
Langzamerhand echter geraakte eenige jaren daarna er een einde aan deze kerkelijke twisten (zie de noot hier beneden) en reeds in 1446 was het klooster ook in Oudewater tot zoodanigen trap van aanzienlijkheid gestegen, dat Philips Hertog van Bourgondie als Graaf van Holland toen de volgende ordonnantie rigtte, tot wering der erfenissen van de geordende personen te Oudewater.
Genoemd stuk, had echter volgens den Heer van Kinschot wel het meest betrekking op de geordende naar St. Franciscus, dus op het St. Ursula convent.
Philips &c. want binnen onse voorschreve Landen binnen corten jaeren gefondeert, gemaeckt, ende begrepen sijn soo veel kloosteren, ende vergaderingen van Regulieren, ende Regulierissen, ende van broederen, ende susteren van Sinte Franciscus Orde, dat veel te veel is nae grootheyt van onze voorschreve Landen, ende noch dagelyx meer van den selven begrepen worden; in welcken cloosteren, huyzen, vergaderingen die persoonen van den selven soo wel Vrouwen, als Mannen, meest alte neringen, ende ambachten doen dat onbehoorlyk is ende hoe wel sy aldus geoirde, ende begeven luyden syn, off wesen souden, sy hebben hem tot deser tyt toe willen bewinden erve te nemen van haeren ouderen, ende dat erfelyk te gehouden, sonder weder uyt te erven, ende indien dat dat alsoo lange staen soude, sonder voersienicheyt daar op te hebben, sy waeren geschepen, mits dat soo veel syn, binnen korten jaeren gemaeckt, alle die landen te getoigen, daer by dat wy, ende onse nacomelingen onse diensten verliesen mochten, ende oock onse arme gemeynte, ende ondersaten neringloos worden souden, soo wel binnen Steden als daer buyten, Ende om hier in te voorsien van behoorlyke remedie, soo waeren bij onsen gemeenen Rade, Ridderschap, ende Steden onser voorschreve Lande, van Hollandt van Zeelandt ende van Vryeslandt geordineert seeckere commissarise, die welcke alle den staet van den voorschreven georden, ende geestelyken personen oversien souden, ende dair nae te ordineren op dat getal, ende grootheyt van den huysen ende vergaderinge van dien, ende oock te oversien haer richeyt, ende renten, ende daer nae te voegen, hoe ryk sy souden wesen om hoeren staet eerlyk, ende redelyk te houden, ende oock goede redelyke ordonnantien met hem te maken ende te overdragen, hoe, ende in wat schyn sy voortaen erven souden, innemen, ende uytgeven ende oock by testamente, op dat in toecomenden tyden tusschen hem, ende onsen waerlycken ondersaeten, niet meerder geschils, noch ongevals gebueren en soude, die welcke commissarissen hadden begonnen voor hem te doen comen, ende ombieden die overste van sommighen van den voorschreven cloosteren, ende vergaderinghen hem op doende die manieren van den voorscreven ordonnantien maer alsoo 't scheen, soo en hebben sy hem in geenre manieren willen ontdecken den staet van hoeren cloosteren, noch goeden, meynende altoos te blyven in hoeren opsette, om erve te nemen, ende alsoo alle die landen, renten, ende erven van onsen voorschreven landen te rapen ende onder te slaen ende oock met haeren neringen, ende ambachten onse waerlycke ondersaeten neringlois te maecken ende den arbeyt, ende ambachten te ontrecken, 't welcke ons om der redene wille vooschreven, ende oock om andere waerachtige, ende merckelyke redene daertoe dienende in geenrewys langher te lyden en staet, Ende hebben daerom gheordineert, overdraegen, ende gesloten, dat voortaen geen gheoirde luyden, van wat orde dat sy syn, in onsen Landen van Hollandt, van Zeelandt ende van Vrieslandt erve nemen en sullen van haeren ouderen maeghen noch vryenden in eenigher manieren, noch oock niet meer lande, noch erve en sullen koopen noch vercrygen bij testament, noch anders in onse voorschreve landen binnen Steden, noch daer buyten, tot der tyt toe dat die voorsz. gheoirde luyden, by den Commissarisen daer toe gheordineert geweest, off haeren gemachticht ghesent hebben sullen om met hem een overdrachte, ende ordinantie te helpen ordineeren, hoe, ende in wat schyn zy voortaen erven, ende hem hebben sullen in den punten voor verclaert, Ende op dat dit eenen yegelyken kondich wesen mach, Soo ist, dat wy ombieden, ende beveelen allen onsen Baenridsen, Ridderen, Knapen, Steden, Bailjuwen, Drossaten. Officieren, ende ondersaeten over al in onse voorschreve landen van Hollandt, van zeelandt, ende van Vrieslandt binnen Steden, ende buyten daer desen onsen bryeff gethoont sal worden, dat sy den selven onsen bryeff openbaerlyck doen kondigen, ende ghebieden op dat een yegelyck hem daer nae mach weten te rechten, ende dat sy niet en gehengen dat eenige geoirde luyde voortaen erve nemen, noch eenighe lande, noch erve meer en copen, noch en nemen by testamente off anders, want dat onse eyntlycke meyninge, ende welle is, In Oirconde &c. Gegeven op den acht en twintichsten dach in Octobri, Anno ses en veertich. (1446.)
Op dezen brief, die wij uit van Kinschot overnemen, volgt eene andere ordonnantie van Philips die den 17 Maart 1452 aan de zusters van St. Lysbeth in 's Gravenhage gerigt werd, waarin verzachtende omstandigheden op den vorigen brief in voorkomen en zij geinstrueerd worden, hoe zich omtrent het uitoefenen harer bedrijven te gedragen en hoeveel bezittingen zij mogen hebben--achter de originele brief stond geschreven:
De zusteren tot Oudewater hebben eenen brief van Woorden tot Woorden als der zusteren brief van Sint Lysbethen zusterhuis in den Haghe ende desen brief van der zusteren tot Oudewater is van der dato veerthien daghe in Maert Anno XIIIJc.--LXVJ. na den loip 's Hoefs.
En dezen brief nu haalt van Kinschot aan, om te bevestigen, dat in Oudewater zusteren van St. Lysbeth geweest zijn--hij kan er echter volstrekt geen betrekking op hebben, daar wij immers zagen, dat de nonnen van St. Lysbeth of van St. Agnes reeds in 1414 deze orde verlieten, voor die van den derden regel van St. Franciscus.--De oorzaak zijner dwaling is onzes inziens gemakkelijk te begrijpen; hij heeft zich laten verleiden, door dat de zusters van St. Lysbeth uit 's Gravenhage zoodanigen brief kregen en de zusteren van Oudewater 4 jaren later een zelfden--er wordt daarin echter kortweg van zusteren gesproken, zonder vermelding der orde waartoe zij behoorden; men beschouwe alzoo dezen brief als gerigt, tot de zusters van het Ursula convent, dat wij in dit hoofdstuk beschrijven.
Het aantal conventualen, zal aanmerkelijk toegenomen zijn, immers wij moeten het bijna hieruit opmaken, door dien er in Ao. 1572 een groot gedeelte van dit convent naar Utrecht ging. De stadsrekening van dat jaar toch, vermeldt eenige onkosten voor dezelver onderhoud aldaar betaald; echter belettede deze delogering niet, dat er in het jaar 1575 een aanzienlijk aantal zusters in het klooster waren.
Op het gemeente-archief is aanwezig, een register van boekhouding van, en aanteekeningen omtrent de landerijen en erfpachten en renten van dit convent, over de jaren 1538-1559 en van 1578 tot 1579. De inzage dezer stukken doet ons zien, dat die bezittingen zeer aanzienlijk waren.
Volgens resolutie der Staten van Holland dd. 23 Mei 1577 moesten de goederen van dergelijke gestichten, aan iedere stad daar dezelve gevonden werden, in eigendom komen. Men heeft echter alhier niet zeer spoedig gevolg aan de uitvoering dezer resolutie gegeven, immers eerst den 10 Junij 1582 (dus na een tijdsverloop van ruim 5 jaren) werd door de regering van Oudewater en de conventualen, eene conventie ten deze gesloten, waarbij aan de laatsten, voortaan een bepaald jaarlijksch inkomen zoude worden uitgekeerd, dat tot dezen tijd toe, niet geregeld was geschied. Bij deze overeenkomst werd de ouderdom tot grondslag genomen en tevens bepaald, dat bij overlijden van eene der zusters, dit eene verhooging van inkomsten voor de overblijvenden zouden ten gevolge hebben. (Zie hier achter.)
Eene echter, was er in het convent, die met zeer veel onderscheiding bejegend werd, namelijk de procuraetster Emmetje Goossensdochter,--en geen wonder: toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden en innamen, was zij het voornamelijk, die troost bood waar troost te bieden was, en smarte lenigde waar smarte te lenigen was, en o wij weten het uit de historiebladen, de nood was er zoo hevig en de angste was er zoo groot!
Deze Emmetje Goossensdr., wordt dan ook inzonderheid in diverse resolutien van den magistraat geroemd, om de getrouwe diensten door haar bij den overval bewezen en haar pensioen is uit dien hoofde meermalen verhoogd geworden, als anderen deze onderscheiding niet te beurt mogt vallen.
De bezittingen van het convent werden »apart" geadministreerd en de pater, mater, procuraatster en leden (hierna te noemen) bleven den 25 Augustus 1584 borg bij de regering, voor hunnen rentmeester Jan Jansen Coppert. Beide originele stukken: het laatste door al de conventialen onderteekend, berusten ter secretarie.
Bij de opheffing dan van dit St. Ursala-convent, vinden wij vermeld, dat er in waren de navolgende conventualen:
Pater. Jan van Alerdinck. Mater. Marrigje Willemsdochter de Lange, oud 52 jaren. Procuraetster. Emmigje Goossensdochter, » 52 » Zusters. Tryntje Thonisdochter, » 83 » » Geertje Jansdochter, » 60 » » Tryntje Simonsdochter, » 34 » » Heiltje Willemsdochter, » 48 » » Anna Pietersdochter, » 56 » » Pietertje Pietersdochter, » 31 » » Marritje Gysbertsdochter, » 36 » » Machteld Gysbertsdochter, » 31 » » Marretje Ariensdochter, » 52 » » Jannetje Thonisdochter, » 33 » » Marrichje Cornelisdochter, » 60 » » Urseltje de Caesaris, » 73 »
Was innoncent, en werd voor rekening van het convent, in het gasthuis te Gouda onderhouden.
» Marrigje Dirksdochter, oud 72 jaren. » Pyn Jansdochter, » 60 » » Lysbeth Jacobsdochter, » 32 » » Tryntje Hillebrandsdochter, » 61 » » Cornelia Joostensdochter, » Bregje, kort daarna overleden.
De basis des ouderdoms nu, die gevolgd werd omtrent het pensioen der conventualen, ingevolge het besluit van 1582 was als volgt:
Die van 60 jaren en daarboven oud waren 's jaarlijks f 60,-- » » 50 » tot beneden de 60 jaren » » 50,-- » » 40 » » » » 50 » » » 42,-- En die beneden de 40 » » » 36,--
In vier driemaandelijksche termijnen moest deze jaarwedde worden betaald. Ook was het conditie, dat, als de jongste der conventualen, met ter tijd kwamen tot een ouderdom van 40, 50 of 60 jaar hun pensioen alsdan zoude worden verhoogd, en zoo het gebeuren mogt, dat zij door hoogen ouderdom, of langdurige ziekte, van hunne jaarwedde niet konden leven, er dan in alle billijkheid in zou worden voorzien, en dat hunne woning voor rekening van de stad in een »ordentelijken" staat zoude worden onderhouden.
Zooals in het verdrag bepaald was, konden zij dus in alle stilte in het klooster haar leven eindigen, en St. Jacob 1582, was voor de conventualen de beslissende dag, dat hare jaarwedde op genoemde conditien begon.
Emmigje Goossensdochter werd, hoezeer slechts 62 jaren oud zijnde, gerekend boven den 60 jaar te zijn, voor haar weldoen voor en na den moord altoos gedaan.
Cornelia Joostensdochter, wier ouderdom niet vermeld is, was gesteld op half geld, haar jaarlijksch pensioen was niet meer dan f 23; mogelijk was zij slechts eene werkzuster.
Dat evenwel de goederen van dit convent, niet dadelijk, maar langzaam onder het bestuur der regering of van den rentmeester gekomen zijn, schijnt ons toe te blijken uit de vermeerdering van inkomsten, aangeduid in eenige nog aanwezig zijnde rekeningen van de bezittingen van dit convent, [233] na dien tijd.
Den 14 Januarij 1613 requesteerde de conventspater Jan van Alerdinck, wiens pensioen even als dat der andere conventualen reeds meermalen verhoogd was, om eene vermeerdering zijner jaarlijksche toelage van f 100. Hierop werd echter geapostuleerd, dat, »soo wanneer de supplt. de brieven van 't incomen van 't oude convent volgens belofte bevorens gedaan, zal hebben overgelegd, alsdan zijne alimentatie zal worden verhoocht zooals behooren sal" en eenigen tijd daarna werd zijn pensioen op 200 Gulden ook bepaald.
De laatste verhooging der jaarlijksche toelage aan de twee laatst overgeblevene zusters--Marrigje Gijsbdr., en Jannigje Thonisdr., die steeds zijn blijven voortgaan met zieken op te passen enz., is volgens resolutie van den magistraat in 1631 gebragt tot 200 Gulden.
Na het overlijden van allen, is de rekening dier goederen bij die der stad gevoegd, onder den naam van rekening der stad en het St. Ursula convent.
Na de omwenteling van 1795 is het laatste vervallen, en de bezittingen, met uitzondering van eenige kleine renten, voor de helft der 18. eeuw, allen verkocht.
Wij mogen onze schets niet eindigen, zonder aan het kloostergebouw zelve nog kortelijk de aandacht te bepalen. Beziet men het klooster op Stoops schilderij in 1775, dan ontwaart men langs de zuidzijde, of daarnaar haren naam dragende straat het klooster, een vrij aanzienlijk gebouw, waarvan in onzen tijd echter geen spoor meer overig is, daar het reeds lang voor den sloopenden tand des tijds viel; maar toch... wij zijn eenigzints onjuist, immers, wat gewaagt men nog dikwijls bij vergravingen van een onderaardschen gang, die naar de kapel leidde, wat spreekt men nog veel van de menigte kelders, van het groot aantal fondamenten en van de duizendtallen steenen, die men uit den historischen bodem opgraaft, als ook van het ontdekken der put »daar wi visch in hielden in het water in vloeide ende ebbede," die in 1827 ontdekt werd! en immers ook de convents-kapel, het zoogenaamde »kerkje" doet ons nog dikwijls aan het St. Ursula convent denken. Alzoo van dit gebouwtje, dat nog bestaat, zal men nog wel het een en ander van zijne verschillende bestemmingen enz. kunnen opduiken.
Reeds in 1578 vinden wij gewag gemaakt, dat het klokje, dat in het torentje der kapel hing, publiek verkocht werd voor XIIJ Gulden XVIIJ st., en nog in hetzelfde jaar werd het kapelletje, ten minste zeker een gedeelte daarvan tot eene school ingerigt; men heeft toen tevens den leidekker aanbesteed het dak te repareren.
De beoefenaars der uiterlijke welsprekendheid hielden daar ook oudtijds (schrijft de Heer van Kinschot in 1747) hunne bijeenkomsten en tevens werd het »kerkje", zooals nog in onze dagen, als locaal gebruikt tot uitdeelingen van verschillenden aart aan de behoeftigen.
Nog in 1747 weten wij stellig, dat het »kerkje" tot stads school gebruikt werd, de laatste is sedert echter meer achterwaarts uitgebouwd en de kapel werd ingerigt tot woonhuis! waarschijnlijk is dit geschied in 1785, daar wij aangeteekend vinden, dat het in laatstgenoemd jaar aanmerkelijke vertimmeringen onderging. Voor eenige jaren vergaderde in het gebouwtje onzer beschrijving het muziekgezelschap Amicitia et Harmonia, en tegenwoordig wordt hetzelve tweemalen 's weeks gebruikt, tot repetitie-plaats van eene liedertafel, Crescendo genaamd.
In het jaar 1857 werd het reeds vroeger van zijn klokje beroofde torentje, publiek geveild en verkocht voor eene som van f 81--, en wij schrijven het noode ter neder, het griefde ons toen wij den slooper het breekijzer zagen stooten in het torentje, dat zich zoo lief van buiten en binnen de stad voordeed; toch, wij minnen het gebouwtje nog, o, het herinnert ons zooveel; somtijds gebeurt het, dat wij ons alleen daarin bevinden en dan, als wij zonder stoornis van anderen, onze gedachten den vrijen teugel kunnen vieren, dan verdwijnen soms in den geest de weinige kamermeubels, voor de nederige bidstoeltjes der nonnen, het tegenwoordige prosaïsche winkeltje maakt plaats voor het St. Ursula altaar; dan zien wij den geurigen wierrookwalm ronddwarlen om den zwartgedoschten nonnenstoet, en wij hooren de orgeltoonen ruisschen en de nonnen het Ave aanheffen, en het geluid wordt ernstig en plegtig teruggekaatst door het gothische koorgewelf; maar dan, als de verbeelding heeft plaats gemaakt voor de werkelijkheid, dan is de bidkapel weer ledig en de toonklank van het orgel vergaan, en het gezang der zusters wordt niet meer gehoord; toch zoo denken wij dan, schijnt het, dat er iets hemels, iets schoons, het gebouwtje bleef en blijft omzweven: immers onderrigting en beschaving der jeugd, uitoefening der liefdadigheid, beoefening der redekunst en poezij, later de repetitien van de edele toonkunst, niet waar? dit alles regtigt ons met de meeste billijkheid, te zeggen: de kapel van het St. Ursula convent, speelde ook na hare suppressie eene verhevene en aestetische rol in mijne vaderstad!
De tegenwoordige huizinge voor zusters naar den derden regel van St. Franciscus orde te Oudewater.
Nadat gedurende ruim twee eeuwen, de zusters op de hiervoren aangeduide wijze in deze plaats waren verdwenen, scheen men er binnen eenige jaren bijzonder aan te denken, weder een convent van nonnen naar den derden regel van St. Franciscus van penitentie te Oudewater op te rigten. Voor het jaar 1857 was het bestemd aan deze gedachten uitvoering te kunnen geven. Immers reeds op den 29 Maart van gezegd jaar, werd er uit Rotterdam verzoek gedaan, tot het voorschreven doeleinde een huis op de korte Have, onder No. 53 aangeduid te koopen, en eenigen tijd daarna, werd door den Heer Johannes Putman, als lasthebbende, dit perceel dan ook aangekocht voor eene som, met de daaronder begrepen onkosten over de f 5000--beloopende.
Dit van buiten en binnen vrij aanzienlijk huis, was weldra, door de noodige veranderingen, tot eene geschikte nonnenwoning geconstrueerd, zoo dat nog in hetzelfde jaar 1857 eenige zusters uit een Rotterdamsch zustershuis, in deze plaats zich met ter woon vestigden.
Deze zusters staan onder het opzigt van den Bisschop van Haarlem, terwijl aan het hoofd dier orde gesteld is, eene zoogenaamde algemeene overste der religieuse recollectinen penitenten, van de orde van den H. Franciscus te Rotterdam.
Voornamelijk maken deze nonnen ook hare bezigheid van het opvoeden en onderwijzen van kinderen, waardoor zij tevens in hare dagelijksche behoeften moeten voorzien.--Dat zij daarin vrij wel naar wensch geslaagd zijn, schijnt ons toe uit de nadere inrigting van eene schuur tot schoollocaal, die de zusters kunnen genaken, door den tuin harer huizinge, waaraan deze school, die aan de Achter of Wijngaardstraat gelegen is, grenst.
Het voormalige Cellebroers en Zustershuis te Oudewater.
»In de oudheden van Hugo van Heussen," zoo vermeldt Kinschot, »wordt ook vermeld van een cellebroers en een cellezusterenhuis, wier laatsten, haar werk maakten om de zieken te bedienen en op te passen, even als de eersten, om de dooden te begraven; doch ons is bij streng onderzoek geen meerdere stof ter beschrijvinge van derzelver gesteltenis, gewoonten enz. voorgekomen." [234]
Hier doet zich dus de ernstige vraag op, zijn er wezenlijk in Oudewater de Cellebroers geweest? Niet een document op het gemeente archief pleit voor hun daarzijn in vroeger tijd; niettemin, wij mogen van Heussen niet regtstreeks tegen spreken, hij zal bij het beweeren, dat zij hier gewoond hebben, wel zijn reden gehad hebben. Cellezusters echter, zijn hier zeker geweest. Immers ook de overgeblevene van deze corporatie werden ingelijks, mits voortgaande met hunne Christelijke werkzaamheden, een gelijk pensioen als die van het St. Ursula convent toegelegd. [235]
Bij resolutie van den magistraat dd. 3 April 1594 werden van Anna Gerritsdr. »de brieven" geeischt, met ontslag van den eed niet meer voor de zieken te gaan. Zuster Anna Dirksdr. de papieren van dit gesticht overgelegd hebbende, is de laatste van wie wij eenig berigt vonden. [236]
Alleenlijk rest ons dus hiervan nog te vermelden, dat het gebouw, waarin deze geestelijke personen woonden, gehouden wordt voor het tegenwoordig nog zoogenaamde ziekenhuis, waarvan ter gelegener tijd zal worden gesproken. [237]
Sedert lang zijn ook de cellebroers te Oudewater, indien zij er ooit geweest zijn, den weg van alle vleesch gegaan, zij rusten dan reeds lange ter plaatse, waar zij eertijds hunne natuurgenooten zoo dikwijls heen bragten, in den zwarten schoot der aarde.
Opmerkelijk is echter, met deze cellebroers het navolgende eenigsins in verband te brengen.
De plegtigheid en stille ernst, zoo zeer passende aan eene begrafenis, liet voor eenige jaren te Oudewater, soms nog al iets voor den behoeftigen stand, te wenschen over. Om deze en alligt meerdere redenen, kwam de eerw. pater Rooters op eene gelukkige gedachte.
Hij noodigde namelijk een 26tal jongelingen, allen van den fatsoenlijken burgerstand uit, om de lijken van minvermogenden van beiderlei kunne en zonder onderscheid van ouderdom steeds »de laatste eer" eene plegtige begrafenis te verschaffen en tot veler blijdschap gelukte deze poging naar wensch. Op den 23 Januarij 1857, werd den eerwaarden oprigter van wege het parochiaal armbestuur, in zijne toen gehouden vergadering berigt, dat deze vereeniging de belangstelling der gemeentenaren in hooge mate had opgewekt, en tevens werd door genoemd bestuur den wensch uitgedrukt, dat het nageslacht er nog die vruchten van mogte inoogsten, die men nu reeds van die vereeniging zoo ruimschoots genoot.
En inderdaad, het is plegtig te zien, hoe deftig en ernstig de begrafenis van een behoeftigen medemensch door deze jongelingen geschied.
Behoudens onze vroegere aanmerking, zeggen wij gerustelijk: er bestaat wezenlijk eenige overeenkomst, tusschen de cellebroers van vroeger en de zich noemende parochiale dragers in onzen tijd. [238]
Het voormalige riddermatig verblijf der St. Jans Ridders te Oudewater.
Nog ééne geestelijke orde, die te Oudewater eertijds bestond, dient vermeld te worden; ik bedoel de St. Jans Ridders wier commanderie onder het landcommandeurschap van Utrecht stond.
Wij gaan dadelijk bewijzen, dat zij te Oudewater zoodanige riddermatige huizinge gehad hebben, uit de navolgende.
Ordonnantie, roerende Tieleman Batenburch en het St. Jans Huis te Oudewater.
Wi Willem, grave enz. maken cont etc., dat Tieleman Batenburch van Oudewater quam voer ons ende droech op en vrey eigen onsen lieven ende getrouwe Heeren Jacob Bisschop van Suden sine woninge die hy liggende hevet binnen onser porte van Oudewater mid erve ende met visschery en alsoe groet alse Tiedeman voorschreve daer liggende hevet, ende belegen hevet an die nortside Dierc Rapneys, ende an die suutsyde Pieter Cesepeirmit, welcke wooninge voorschreve Hais Jacob Bisschop van Suden voorschreve verliede Tiedeman Batenburch toet sinen leve, ende na siene doet weder te comen op den Bisschop van Suden ende op Sinte Jans huse te Oudewater der oerden van Sinte Jans erfliken te bliven, in oerconde hier off, soe hebben wi dezen brief besegelt met onsen segele. Gegeven in de Hage des dinsendages na Sinte Jansdach uitgaende biechte, int jaer ons Heeren duisent drie hondert vijf en twintigh.
Per episcopum Sudenum et Synomen de Butim. [239]
Duidelijker bewijs voor hun bestaan te Oudewater is wel niet aan te voeren, zoodat het geschrevene daarvoor reeds genoeg zoude zijn. Wij zijn echter nog in de gelegenheid er meerder van te schrijven.
Zij moeten naar onze meening in genoemd jaar 1325 reeds in vrij groote getale hier aanwezig zijn geweest, daar in 1326 des vrijdags voor St. Bartholomeus dag door gemelden Graaf Willem aan de broeders van het St. Jans huis te Oudewater in eigendom werd gegeven, een hofstede naast hun kapel gelegen, om een kerkhof te maken. Voorts bestaat er onder de oude keuren van Oudewater eene van St. Bartholomeus dach in jaer ons Heeren Duisent vier Hondert vijf en vijftig, waarvan het einde [240] aldus luidt: »ende oock mede het Broederschap van St. Jans van hare renten, mogen mede in bieden als voorsz. is."
Van deze Malthezer of St. Jans Ridders, waarvan het capittel steeds te Utrecht gevestigd was, vindt men vermeld, dat hun commandeur van Oudewater in 1559 prior van die orde was, en dat hij sterk doleerde tegen het onregt, dat Philips II, koning van Spanje bij de invoering der Bisdommen, die orde aandeed. [241]
Wat er van de goederen dezer orde nader gewierd, is bekend. Onder de negen commandeurs echter, die de staten van Utrecht in 1651 nog aanstelden, wordt die van Oudewater de tweede genoemd. [242]
De vele pogingen sedert het laatst der 16de eeuw aangewend, om van den commandeur van St. Jans orde alhier, terwille van de behoeftigen behoorlijke alimentatie te mogen hebben, uit de goederen van den commandeur, of dat hij alhier met ter woon zal mogen komen en uitdeeling aan de minvermogenden te doen naar ouder herkomen, den 16 October 1583, bij de magistraat der stad besloten, aan Willem I, prins van Oranje te verzoeken, zijn vruchteloos geweest; zoo ook alle latere pogingen hiertoe aangewend. [243]
Het huis der St. Jans Ridders is hoogst waarschijnlijk gelegen geweest, voor zoover men uit oude transporten en andere stukken kan opmaken, aan het einde van de St. Jansstraat, die voorheen een aantal huizen bevattede en ook haren naam wel van die orde bekomen zal hebben: alzoo aan de oostzijde der stad nabij de Wijngaard of Achterstraat, en de nu geamoveerde Waardpoort.
Het Weeshuis.
Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, dit gebouw van liefdadigheid.
De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve toedacht.
Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, leest men:
Bedenckt de arme weesen 1613.
Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer." Hier valt het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder" een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.
Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog dit versje:
De weesen deser stad In haere jonge jaeren, Ontbloot van oudersgunst, Opvoeding en bewaeren, Genieten in dit Huis Lyf- en Zielsonderhout, Dies syn sy schuldig, God te danken menigfout."
Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de weezen in 1651 alhier kleedden--eene bijzonderheid, die naar onze meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.
Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst van penseelbehandeling is.
Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.
Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van Velzen, en het derde--zijnde een vrouwenportret--van Jannigje Joostens, hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.--Deze drie personen, hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan te rigten.
Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone wijze gevierd.
Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.
Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en Schepenen twee goede vreedzame personen, meer dan dertig jaren oud zijnde, tot Weesmeesters.
De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebben over, en kennis te nemen, van al de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen en aan hunne zorg werden toevertrouwd.
Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren. [244]
»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, en voorts alles doen, 't geen goede ende getrouwe weesmeesteren, naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen."
Uitgenomen de nu besproken Weesmeesters, werden er nog ieder jaar op Vrouwe Lichtmissedag (2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, drie personen tot Weesvaders gekozen, waaruit een tot boekhouder enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het gesticht.
Deze Weesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne bediening achtervolgd worden, zoo als genoemde magistraten te rade kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eed bij het aanvaarden van de betrekking als Weesvader aan Burgemeesters te doen was als volgt: [245]
»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, of in gewigtige zaken [246], van de vroedschappen dezer stede. Dat zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective diensten, schuldig is, en behoort te doen:
Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, als bij de keuren gesteld is.
Terwijl over de meer directe behoeften der weezen, (verzorging, spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader" en eene »binnenmoeder."
En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen ook geene weesvaderen door Burgemeesters en Schepenen meer benoemd; terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, het weeshuis tot huisvesting van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.
Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna uitsluitend, zoodat eene oud binnenmoeder bewoond wordt.
De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd door eenige regenten. [247]
Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en het Weeshuis gedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.
De bibliotheek van het departement tot nut van 't algemeen, afdeeling Oudewater is berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.
Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
voormalig Arm of Ziekenhuis
te berigten.
Dit gebouw is gelegen bij het Weeshuis, ten zuiden der straat genaamd het Klooster en ongeveer aan de Vestingwal van dàt gedeelte der stad, waar eertijds de Waardpoort zijne spitsen verhief. Schrijvende over de Cellezusteren, (zie bladz. 251) hebben wij reeds opgemerkt, dat de laatsten eertijds hoogstwaarschijnlijk daarin haar verblijf zullen gehad hebben, en wij stipten daarbij tevens aan, dat het later tot gevangenis eenigen tijd gebruikt werd.
Het tijdvak evenwel juist te bepalen, dat dit huis tot gevangenis diende, is ons niet gelukt te ontdekken, zeker echter is het, dat het in 1747 gebruikt werd tot Arm of Ziekenhuis, dat men er toen »berooide en gebrekkige ingezetenen" in voedde en oppaste, en dat deze zorg was toevertrouwd aan het opzigt enz. van een binnenvader en eene binnenmoeder. [248]
Sedert Julij 1829 werd het Weeshuis als zoodanig echter gebruikt, en het Ziekenhuis dus onnoodig geworden zijnde, werd dit den 10 November 1829, door de regering der stad publiek verkocht.
De bestemming van het gebouw is sedert verdwenen, daar er tegenwoordig eene boerderij in uitgeoefend wordt, doch vrij algemeen, draagt het gebouw nog den naam »het Ziekhuis."
Het voormalige Gast- en Proveniershuis.
Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, eenigzins noordelijk gedeelte der stad, de steeg voerende van de markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, en wordt om deze reden nog de Gasthuissteeg genaamd.
Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer Van Kinschot [249] dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden."
De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de stichter was heer Egbert Speijers, pastoor te Berkenwoude Oudewatersche van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.
Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.
In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen werden dan provenieren genoemd, en tengevolge van dien, droeg het Gasthuis ook wel sedert dien tijd, den naam van Proveniershuis.
De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 kenbaar gemaakt [250].
Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke plaatse, van zal geschreven kunnen worden.
Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte van uit een liefdadig gesticht in een artillerie magazijn. Het is daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, mogen als sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in aanmerking komen.
Uitgenomen 4 hoofdpoorten, had Oudewater eertijds nog 2 kleine poorten, die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der Oude Huigensteeg.
In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op Stoop's schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne gedaante en gelegenheid.
Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
de voormalige IJssel of Veerpoort.
Eigenlijk zijn er twee IJsselpoorten geweest, die echter beiden gelegen waren, in het zuidwestelijk gedeelte der stad, bij de rivier de IJssel, waarom zij IJsselpoort genoemd werden.
De oudste IJsselpoort, stond ten zuidwesten der Romeinbrug, naast de nu geamoveerde Romeintoren. Hare standplaats, was alzoo van uit de stad aan de binnenzijde van den IJssel.
Langs deze zijde der stad, was Oudewater dus niet zoo groot als tegenwoordig, want de IJssel, die nu door de kom der gemeente aan twee zijden begrensd wordt, was toen ter tijde de natuurlijke grens van Oudewater ten Oosten en zekere streek genaamd het veer of IJsselveer ten Westen; van daar, dat men haar ook de Veerpoort noemde.
Deze streek genaamd het Veer, kwam echter bij octrooi der staten van Holland dd. 2 November 1585 [251] onder het regtsgebied van Oudewater, werd later binnen de stadswallen getrokken en van dien tijd moest de tweede IJsselpoort, dus gebouwd worden, van uit de stad, aan de buitenzijde van den IJssel.
Deze poort, waarin de bezetting de hoofdwacht hield, was aan de stadzijde, naar de Dorische orde gebouwd, terwijl de gevel voorzien was, met de wapenen der steden Delft, Oudewater en Alkmaar.
Ten jare 1779 werd deze poort afgebroken en weder opgebouwd, doch de hoofdwacht werd sedert verlegd, in een daarnevens geplaatst gebouw, waarvan wij ter behoorlijke plaatse zullen schrijven.
De IJsselpoort, zoo als wij schreven in het laatst der voorgaande eeuw gebouwd, was echter reeds in 1815 bouwvallig geworden, van daar, dat men in laatstgenoemd jaar het bovengedeelte afbrak, en men van toen alleen als IJsselpoort, twee ongewelfde steenen muren door een hek gesloten, te beschouwen had.
Wederom ter oorzake van bouwvalligheid, besloot men in 1856 dit gedeelte der poort te verkoopen, waarop nog in het zelfde jaar de afbraak volgde; alleen twee net bijgepleisterde steenen muurtjes, waarvoor nog altijd twee kanonnen geplaatst staan, roepen als nog: hier verhief zich eenmaal de Veer of IJsselpoort.
De voormalige Broekerpoort.
Zij lag aan de noord westzijde der stad, insgelijks kort aan den IJssel. Haar uittredende, voert de weg u naar de boerenbuurt Diemerbroek en ongetwijfeld is zij haren naam daaraan verschuldigd, zoo ook de Broekerstraat nabij deze poort gelegen.
De binnen en buitengevel van dit gebouw, waren eertijds versierd met fraaije hardsteenen kantelingen; later zijn deze weggenomen, en de vier zijden met een Italiaansch dak toegekapt.
Deze poort deelde Ao 1856 in hetzelfde lot van hare zuster de IJsselpoort; ook zij werd publiek verkocht en tengevolge van dien gesloopt. Voor zoover wij konden nagaan, vindt men niet aangeteekend, noch bij eenig schrijver noch in eenig stuk op het gemeente archief, van wàt jaar deze poort dagteekende en dewijl er ook op het gebouw zelf, zich in onze dagen geen jaartal vertoonde, is deze poort gevallen, zonder den naneef te bevredigen, als hij vraagt, in wat jaar verrees aan de noord westzijde van Oudewater de Broekerpoort?
De voormalige Linschoterpoort.
De Linschoterpoort stond aan de noordoostelijke zijde van Oudewater en verschafte den uitgang naar de boerenbuurten, de heerlijkheid, en het dorp Linschoten waarnaar zij dus genoemd werd.
Zij werd veranderd van een slot tot poort, in het jaar 1672, zooals ten duidelijkste bleek uit het volgende opschrift in de architraaf van het gebouw aan de stadzijde uitgehouwen, en door ons vóór de amovering nageschreven:
DEN EERSTEN (STEEN) VAN DESE POORT HEEFT GELEYT CORNELIUS AMELIUS, SONE VAN MR. JOHAN DE KONINCK OP DEN 6 APRIL Ao. 1672.
Zij was gebouwd naar de Dorische orde, voorzien met drie kruisboogen waarin de hameije even als in al de overige poorten niet ontbrak, en had ruim 47 voeten lengte.
Vooral aan de buitenzijde, was het een allerschilderachtigtst poortje met zijne gaanderij en vier bevallige boogen of openingen, die een riant vergezigt over het omliggende landschap aanboden, en haar vriendelijk voorkomen werd niet weinig verhoogd, door de met vijf boogen voorziene brug, die er vóór lag. Zóó vertoonde zich een en ander tot in 1857, als wanneer in Augustus des laatstgenoemden jaars deze poort en die brug, publiek werden geveild en verkocht, de poort voor 660 en de brug voor 110 Gulden [252].
De voormalige Waard of Utrechtsche poort.
Deze is de laatste der vier hoofdpoorten, die ons nog ter beschrijving rest. Zij stond aan het zuidoostelijk gedeelte der stad, voerende naar de buurt Snelrewaard en naar de stad Utrecht en hierdoor is ons hare naamreden dus niet twijfelachtig.
Dit gebouw had eene lengte van 11 1/2 bij een breedte van 6 1/2 Ned. el terwijl haar verwulfsel met drie kruisboogen gemetseld was. Ook deze poort kon op fraaiheid aanspraak maken. Aan de binnenzijde zag men in den gevel in het midden, het wapen van Oudewater, aan de regterzijde dat van Delft en ter linker, dat der stede Alkmaar net in Bentheimersteen uitgehouwen met het jaartal 1607, terwijl aan de buitenzijde der poort, de hollandsche leeuw was aangebragt, met het onderschrift Hollandia en insgelijks met voornoemd jaarcijfer, dat het tijdstip der stichting dezer poort aanduidde.
Later zullen wij trachten te ontvouwen, waarom men de wapens dezer drie voornoemde steden, zoowel op de twee reeds genoemde poorten, als op andere openbare gebouwen in Oudewater en in de twee andere steden aantreft; doch mij dunkt die hollandsche Leeuw daar buiten, aan de Waardpoort hij had zoo zeer zijne beteekenis, Oudewater had, zoo dikwijls met het trotsche Sticht in onmin gelegen, en de Stichtschen zij hadden het ook menigmaal met groot verlies ondervonden, als zij met die van Oudewater streden! mij dunkt die Leeuw met zijn opgeheven klaauw, stond daar zoo tergend voor die van Utrecht juist aan die zijde van het gebouw, dat bij andere poorten, dat voor--of tegen--had, dat zij meest uitsluitend naar de provincie Utrecht voerde! [253]
Nog ten tijde van den Heer Van Kinschot (Ao. 1746) was deze poort ter linkerzijde van uit de stad, voorzien met een spits torentje, deze spits is er van echter reeds ten jare 1784 weggebroken.
In het jaar 1607, dat van den bouw der poort, werd ook de nu sedert lang gedempte brug met 5 boogen, die er eertijds vóór lag gebouwd. [254] Ook hiervoor is in de plaats gekomen, eene kleine brug voor de communicatie te water in de stadsgrachten.
Niet onvermeld mogen wij laten, dat deze poort min of meer langen tijd, tot gevangenis voor militairen is gebruikt geweest.
Maar in Augustus 1857, werd ook deze poort in publieke veiling gebragt en verkocht voor f 760,00 en eenigen tijd daarna werd slooping bewerkstelligd [255].
Oudewater in anno 1265 tot een stad gemaakt [256] was in 1858 veranderd in een soort van vlek!
Deze vier poorten, behoorden, toen de vesting in welstand was [257] aan den staat, zoodat dan ook van Landswege in 1815 de IJsselpoort gesloopt werd. Spoedig zou het ook toen reeds, de beurt aan de drie anderen geweest zijn, waren zij niet ten jare 1821 door de stad van de domeinen gekocht, alleenlijk om het amoveren derzelve te voorkomen. Men is later ook van stadswege tot andere gedachten gekomen, want wij hebben het einde van al de poorten gezien!
Het is dikwijls voor ons een strijd, tusschen oudheidgevoel en belang voor onzen tijd, als wij een fraai monument zien verbreken, dat voorheen zijn nut had, doch door de verandering van tijden, tegenwoordig tot niets meer dient. Zoo ook ondervonden wij dat gevoel, toen de drie laatste schilderachtige poortjes onder den moker des sloopers vielen.
Als oudheidminnaar, kon het niet anders, of het moest ons pijnlijk aandoen, deze grijze sleutelen der stad, die de stomme getuigen waren van zoo veel lief en leed der burgers die zij omsloten, door den slooper te zien vallen. Zij worden vermoord, dachten wij, niet door het geschut des vijands maar door hare eigene burgers!
En dan als zoon der 19 eeuw, kwam daar eene stemme tegen, en ik moest zeggen en beamen met onzen tijdgenoot, zoowel voor deze als zoo vele onnut geworden poorten: valt, gij steengevaarten aan onze steden, gij belemmert ons het uitzigt naar Gods vrije natuur. Valt, gij zijt noodeloos in onzen tijd, de burgers van Nederland behoeven niet meer, al is het ook bij nacht, uit de veste gesloten te worden, zij mogen geen schatting meer opgelegd worden, als zij niet aan de uitnoodiging van het luiden der »poortklok" gehoorzamen [258]. Valt nietige gebouwen, de hechtste vestingen, door de natuur en de kunst te zamen gevormd en volmaakt, zijn niet bestand tegen eene tegenwoordige hardnekkige belegering, ook gij dus niet zwakke monumenten van vroeger tijd! valt, de 19 eeuw, die spoorwegen en telegraphen heeft, die de landen en landen als een maken, en de afstand van werelddeelen en werelddeelen als doen verdwijnen, zij gedoogt niet langer, dat de burgers van een vrije staat, niet ten allen tijde bijeen kunnen komen, waar de communicatie naar den vreemde, ook in ons Nederland op zoo groote schale van toepassing gebragt is.
Valt dus poorten valt, als onnut in onzen tijd, valt overal waar gij u bevindt aan opgeheven vestingen, want door u in stand te houden, bezwaart men de gemeentenaren met noodelooze schattingen voor uw onderhoud benoodigd!
De poorten beschrijvende, hebben wij onwillekeurig gewag moeten maken van den Romeintoren, het slot of kasteel en de hoofdwacht, en aangezien allen in deze rubriek ter beschrijving voegen, willen wij het eerst iets vermelden van
de voormalige Romein of Gevangentoren.
De Romein of Gevangentoren, was gelegen ten zuiden der Romeinbrug aan de IJsselsluis bij den mond der stadshaven.--Het was een zeer oud gebouw, had een vierkante gedaante, en was nog in 1746 met een plat overwulfd, van waar men een ongewoon fraai gezigt, zoowel naar de stad als over den IJssel had. Later echter, heeft men dit gebouw, met een kap of dak van blaauwe pannen voorzien.
De éénige deur, die in het gebouw van buiten was aangebragt, bevond zich aan de oostzijde; deze doorgaande, geleidden u eenige treden opwaarts weder aan eene deur, die de toegang tot het eigenlijke interieur van dezen toren was.
Men verwonderde zich, wanneer men van buiten den vrij aanmerkelijken omtrek van het gebouw had gadegeslagen, over de geringe ruimte van binnen, doch als men dan in aanmerking nam, dat zijne muren eene meer dan Ned. el dikte hadden, dan verdween spoedig deze twijfel. Dit gedeelte van het gebouw was slechts met een lucht, dat tevens lichtgat was, voorzien, en mogt dus reeds op een geschikte gevangenis aanspraak maken; doch was de misdaad groot, en de persoon gevaarlijk, dan werd het luik geopend, dat zich in dit locaal bevond, en een vochtige kelder, bewaarde alsdan den misdadiger zeker en streng. Bij hoogen waterstand van den IJssel moest de ongelukkige de wijk op een zich daar bevindende ladder nemen, ten einde het binnendringende IJsselwater, aan wiens voet het gebouw aan de noordzijde gebouwd was, te ontvlugten.
De naam Gevangen Toren, komt dus wel niemand meer onduidelijk in zijnen oorsprong voor.
Zijne benaming van Romeintoren, is niet zoo zeker op te lossen.
De Heer van Kinschot meldt op bladz. 50 zijner beschrijving van Oudewater aldus: »Zij is van ongemeene groote steenen opgemetseld, en men meent op goede gronden, dat deze ten tijde der Romeinen gebouwd, en alsdan een Wachttoren geweest zij, die vervolgens ook tot een tolhuis, als te dien tijde gelegen ter zijde der IJsselpoort op en aan de Rivier de IJssel zoude gedient hebben."
De mogelijkheid, dat het voor tolhuis gediend heeft, willen wij niet ontkennen alhoewel wij het nog niet aannemen, doch te betreuren is het, dat de heer Van Kinschot t. a. p. zijn »goede gronden" niet aanhaalt, waarop hij meent, dat deze door de Romeinen gebouwd zou zijn, en hun tot een wachttoren gediend zou hebben.
Wij voor ons, meenen zelfs goede gronden te kunnen aanvoeren, om te beweren, dat het gebouw onzer beschrijving, niet door de Romeinen gebouwd is, doch van uit de middeneeuwen en niet ouder dagteekent, en dat het een verdedigingstoren, een wachthuis en gevangenis in of bij »der stede muer" geweest zij.
Uitgenomen nog de vooronderstelling voor een verdedigingstoren uit de middeneeuwen, mij ook mondeling door den zeer bekwamen archeoloog Dr. Jansen, Conservator van het museum van Oudheden, te Leiden medegedeeld, schijnt onze meening bevestigd te worden, uit den stevigen bouw van het voorwerp onzer beschrijving--muren toch van meer dan een Ned. el dikte, hebben nog al iets kunnen wederstaan.
De muren van dezen toren, waren van groote roode steenen opgetrokken, en de Romeinen bouwden in ons land immers meestal van Duifsteen, gelijk wij reeds vroeger hebben opgemerkt.
De Romeintoren [259] stond eertijds in, zeker echter aan der stedemuur, en dit zet onze bewering niet weinig klem bij. Laat ons die stedemuur eens zoo wel mogelijk volgen van de Linschoter tot aan de IJsselpoort [260] ten tijde, dat de laatste, toen nog bij de Romeintoren stond, dan zal over een en ander nog meer licht gespreid worden, indien wij het aantal torens in der »stedemuur" vermelden, in 1542 nog in dezelve aanwezig [261]
1 Linschoeten poort. 2 Toerentge aft adriae goessesz. 3 Toerentge aft 'tgastuys. 4 Nyeuwe toern. 5 Toerentge after Meeus Huygesz. 6 Dat outaer. 7 De Weerdenpoort. 8 Doode luydentoern. 9 Koentgestoern. 10 IJsselpoort.
De Romeintoren nu, stond zoo als wij reeds meermalen opmerkten, in of bij de stadsmuur [262] aan de IJsselpoort. Van veel gewigt als deze plaats was, uit een oogpunt van verdediging, zoowel om de poort zelve, als de vereeniging van IJssel en haven, moest dáár vooral de toren hecht en sterk van bouw zijn.
De meening, dat zij van Romeinschen oorsprong zou zijn, wordt dus naar onze bescheiden meening door een en ander ontzenuwd. De naam Romeintoren, gaf aanleiding tot deze vooronderstelling, doch al werd in oude bescheiden, de nevens liggende brug niet dikwijls Remijnsbrug geheeten, dat toch weinig van Romeinbrug heeft, dan nog zou de naam Romeintoren, met eenig regt kunnen voorondersteld worden zijn oorsprong te hebben, van eenig persoon die Romein of Remijn heette. Dat dit toch geen zeldzaamheid was, zag men duidelijk hiervoren aan de benamingen, toerentge aft' adriae goessesz en toerentge after Meeus Huygesz.
Wij hebben uit een en ander nu kunnen nagaan, dat de meening, dat dit gebouw uit de middeneeuwen en niet ouder heugt, [263] en gediend heeft ter verdediging, tot wachtplaats en gevangenis, naar ons oordeel vrij voldoende gebleken is, 1. uit zijne gelegenheid, 2. uit zijne constructie en ten 3. uit de materialen waarvan het gebouw was opgetrokken. [264]
Toen nu in later tijden, met de verandering der stedemuur in wallen, al de torens, die zich van afstand tot afstand in de vesting bevonden, verbroken werden, omdat men in de latere vestingplannen deze menigte torens als onnoodig beschouwde, is het echter gemakkelijk te begrijpen, dat de Gevangentoren gespaard bleef. De streek genaamd IJsselveere werd, zooals bekend is, aan de vesting getrokken, alzoo kon er geen sprake zijn, dat deze toren, om de aan te leggen vestingwallen moest wijken, daar de laatsten nu langs deze zijde ongeveer 80 Ned. ellen uitgelegd werden. Daarbij was hij immers hoogstwaarschijnlijk toen reeds, gelijk nog in onze dagen, tot gevangenis bestemd, waarvoor zeer pleitte, de donkere ronde kelder die wij reeds hiervoor beschreven en ten tijde van zijnen opbouw daarin was aangebragt, zooals met het grootste gemak was op te merken. Alzoo dan, nemen wij aan, dat zij gespaard bleef tot in onzen tijd, èn omdat zij bij de uitlegging der veste kon blijven staan, èn omdat men eene gevangenis steeds noodig had.
Zóó bleef dan dit gebouw gedurende eeuwen achtereen in wezen en juist daardoor was zijn ontstaan achter de graauwe tijdnevelen zoo duister verborgen. Nogtans wij hebben gepoogd het twijfelachtige van »wanneer" op te lossen in het bevestigende »toen"! Mogte het ons gelukt zijn! de lezer oordeele.
Doch, de tijden veranderen, en de menschen met hen; nadat het gebouw den sloopenden tand des tijds gedurende zooveel eeuwen had wederstand geboden, moest ook hij vallen onder het vernielende staal des sloopers.
Te gelijk met het torentje van het St. Ursula convent en de Linschoter en Waardpoorten werd in Augustus 1857 de Romeintoren tot afbraak verkocht, en wel voor de som van 230,00 Gulden.
Reeds den 20 Augustus deszelfden jaars sloeg men den moker aan het grijze monument. [265]--Weken en weken, heeft men op zijne breede hechte muren moeten breken voor men aan den grondslag van het gebouw genaderd was, als gedacht hij het doel zijner stichting, en, als tergde hij zijne sloopers met vasten wil en fieren hoogmoed, gelijk zoovele strijdlustige poorters uit het tijdvak van zijne geboorte, zich voornamen en ten uitvoer bragten het leven zoo lang mogelijk te rekken, doch ook zoo duur mogelijk te verkoopen.
de Hoofdwacht.
Zooals wij reeds opgemerkt hebben, bevond zich hoogst waarschijnlijk eertijds de hoofdwacht in de bij de IJsselpoort liggende Romeintoren.
Stellig echter weten wij, dat zij aanwezig is geweest in de tweede IJsselpoort, die later op het oude IJsselveer gebouwd is. [266] Toen deze laatste echter in 1779 werd verbroken--hoewel later weder opgebouwd--bouwde men in het zelfde jaar ten zuidoosten der IJsselpoort, een uitsluitend tot hoofdwacht bestemd gebouw.
Dit net gebouwtje, dat nu aan de gemeente behoort, werd natuurlijk als hoofdwacht nutteloos, toen Oudewater ophield, onder de rei der vestingen te behooren.
Tegenwoordig wordt het door een stadsagent bewoond en er tevens eene kleine nering in uitgeoefend.
Het voormalig Casteel of Slot.
»Dat alhier een kasteel of slot geweest is," schrijft de heer Van Kinschot op bladz. 24, »getuigen vele schrijvers, en is ook zeker, doch de tijd, wanneer en door wien het gebouwd werd, wordt nergens gevonden."
Ook wij nemen zulks aan, doch brengen met dit bedoelde kasteel niet in verband, gelijk voornoemde schrijver, de regelen van den vaderlandschen historicus Matthijs van der Houven die gewaagt, »dat in 't kasteleinschap van Oudewater op den IJssel het oude kasteel plag te liggen, doch, dat het in zijn tijd niet meer in [267] wezen was." [268] Deze regelen toch hebben betrekking op het kasteel te Vliet in Roozendaal bij Oudewater dat op den IJssel ligt, en waarvan de ruïne nog bestaat. [269]
Wij begrijpen te minder, hoe van Kinschot deze regelen van Van der Houven op het Slot van Oudewater kon toepassen, daar hij reeds op de volgende bladzijde (25) weder omtrent hare ligging--en nu teregt--schrijft:
Dit Slot heeft eertyds gestaan aan de Noort-Oostzyde van de Stad, by en omtrent dezelfde plaats, alwaar nu de Linschoter-Poort is gelegen. De Regeering verzogt zyne Keyzerlyke Majesteit, als Graaf van Holland, in het jaar 1533, om dit Slot tot eene Poort te maaken, het geen zy verwierven, onder deze verbintenisse, van dat zy ten allen tyden op de eerste aanmaning van zyn Keyzerlyke Majesteit of zyne nakomelingen Graaven van Holland, die Poort van Linschoten op haare kosten weder tot een Slot herstellen zoude, waarvan de verbindenis Luidt, als volgt:
»Wy Burgemeesteren, Schepenen, ende Raiden der Steede van Oudewater, doen te weeten, ende bekennen mits deezen onsen Brieve, Dat Alsoe die Keys: Majt. belieft heeft tot onsen ernstigen vervolghe ende Sollicitacie te accordeeren. Dat die Poorte van Linschoten, in voir tyden gemaict tot een Stercte of Slot, weder toegemaect sal worden tot een Poirte van de voirsz: Steede, gelyk die in voertyden plach te syne, mits dat wy 't selve becostighen souden, ende aan syn Majt. reserveerende 't Logys van dezelve Poorte voir syne officier off andertsins, ende mits oick, dat syne Majt. die voirsz: Poirte weder sal mogen maken tot een stercte als 't zyne Majt. of zyne nakomelingen Graaven van Hollandt believen sall, ende van als: geve onse behoirlicke brieven, wy dancken zyne Majt. van desen voirsz: Consente ende Gracie, hebben nair voorgaande Communicatie gehouden mitten Rycdom ende Vroetschap derzelver Steede, beloeft hebben ende beloeven mits deesen, dat wy der voirsz: Poirte sullen doen repareeren ende maken mit dueren, valle bruggen, ameyden ende anders ter ordonnantie van mynen Heere, Heeren Anthonis van Lalaing, Grave van Hoochstraaten heer van Montigm: en Stadthouder Gnrael: der voirsz. Landen van Hollandt of zyne E: Gecommitteerde als van nooden weesen sal ome: daar duer vuyt en: in der voirsz: Stede te ryden en passeeren: behouden den Keys: majt. 't Logys van den voirsz, Poirte tot zyne Majt. beliefte, ende diezelve Poirte zyn, Keys: Majt. of Nakomelingen te laten volgen, ome: dair van een Stercte weder gemaict te werden als wy dair toe van syne Majt. of syne Erffgenaamen wegen vermaant sullen worden, sonder daar tegens te doen in eenigerleie manieren.
»Des 't oerconden, hebben Wij Burgemeesteren, scepenen en Raeden der Voersz. steede, onser steede zegel hier aangehangen den achtsten dach van April in 't jaer ons Heeren duijsend vijf honderd drie en dertich na scrijven der kerk van Utrecht ende ons voorsz. steede, ende stonde onder geteekend
R. X. Speijert."
Men zou wanen, dat het vermaken van het kasteel tot poort, ingevolge deze verbindtenis, spoedig zal hebben plaats gehad, wij kunnen dit echter met zekerheid tegen schrijven. Immers ziet men dit ten duidelijkste, in de resolutien van den magistraat en »uit zekere oude lijst van gedane bekendmakingen, ter secretare van Oudewater berustende," [270] waaruit blijkt, dat de Baljuw den 14 April des jaars 1585, eerst heeft doen bekend maken, dat hij des anderen daegs ten thien uuren voor de middag wilde besteden het afbreken van 't kasteel bij de Linschoter poort bij perseelen, baecken om de derden steen ofte andersints, alles achtervolgende de Conditien en Voorwaerden, die men alsdan opleesen soude, met bijvoeging, dat dengenen, die in eenig werk gading had, ten voorsz. tijde koomen soude bij de Linschoter poort ende bedingen goed loon.
Alzoo eerst 52 jaren na de meergemelde verbindtenis werd dit kasteel geamoveerd [271].
Zooals reeds werd beschreven, ontbreken zoowel de naam van den stichter als de tijdsaanduiding van de stichting van dit kasteel; een geloofwaardig persoon verzekerde ons echter, dat hij ergens had aangetroffen, dat er in zeer oude tijden alhier woonachtig geweest waren de vrijheeren van Oudewater dat nu zoo zijnde, zou er ten minste over den naam des stichters eenig meerder licht verspreid worden. Hoe het echter zij, ten jare 1527 vinden wij vermeld [272] dat kastelein van Oudewater was Jonkheer Jan van Vliet, schildknape die als »Castelein van het sloth van Oudewater aangesteld werd den 3 November 1519 by Kaerle, by der Gratiën Godts koninck van Castilien van Leons etc. volgens Commissie geregistreerd, en te vinden, in 't blaauwe ruige register [273] fol. 34 en in 1555 wordt als zoodanig gewag gemaakt, van Jonkheer Pieter van Cats, maarschalk van Montfoort. Aangezien nu beiden tevens bailluwen etc. van Oudewater waren, en beiden in hetzelve zijn woonachtig geweest [274] zoo komt het ons voor, dat het geslacht der vrijheeren van Oudewater uitgestorven zijnde, later het slot van Oudewater tot woning zal aangewezen zijn, voor de Baljuwen van Oudewater die toen tevens aangesteld werden als Castelein. [275]
Later toen ook de Linschoter poort in 1857 werd verbroken, die zooals wij weten van slot tot poort werd gemaakt, ja toen viel het ook aan de zigtbaar geworden zware muren en de groote roode steenen, waarvan die waren opgetrokken, gemakkelijk te bepalen, dat de sloopers daar te doen hadden, met muren van het oude slot of kasteel!
Het voormalig Arsenaal te Oudewater.
Het gast- en proveniershuis beschrijvende, zagen wij dat dit gebouw door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht zijnde, omstreeks 1780 verbroken en in 1786 aangelegd werd, tot een Artillerie plein waarop een zeer schoon Arsenaal of bergplaats voor ammunitie in hetzelfde jaar 1786 getimmerd is. Niet langer dan 28 jaren heeft dit Arsenaal in aanzijn mogen wezen, daar het ten jare 1814 verbroken werd en men het terrein Anno 1817 tot plantage heeft aangelegd. In 1822 dit plein aan de stad gekomen zijnde, heeft men dezen grond in 1856 in erfpacht gegeven, waarna later spoedig, daarop een aantal huizen voor min gegoeden gebouwd zijn.
's Lands voormalig Magazijn van Oorlog.
Dit fraai gebouw, stond eertijds aan de zuidzijde van de stad, in de straat genaamd het klooster bij het weeshuis. Het had eene lengte van 138 bij een breedte van 22 voeten [276].
Wanneer hetzelve gebouwd werd, kunnen wij niet met zekerheid bepalen. Omtrent zijne slooping echter verkeeren wij niet in het onzekere, deze had in 1820 plaats.
Het voormalig Kruidhuis.
De kruidtoren was gelegen, in een »halve maan" der vestingwerken in het noordwestelijk gedeelte der stad. De heer Van Kinschot schrijft in 1746, »dat het binnen weinige jaren gebouwd is."
De amovering van het kruidhuis geschiedde ten jare 1820, als wanneer het even als het magazijn van oorlog, door de administratie van 's lands domeinen werd verkocht.
De Barak of Caserne.
De Caserne, gelegen aan de westzijde van den IJssel was 168 voeten lang en 30 voeten breed, terwijl dezelve in 24 vertrekken verdeeld was. Zij werd voor stads rekening gebouwd, en bij aanbesteding aangenomen voor eene som van f 14,200; deze gelden zijn voor het grootste gedeelte, door de burgerij vrijwillig, tegen eene interest van 4% gefourneerd.
De eerste steenen aan dit gebouw werden gelegd, op den 29 Mei 1798 door A. M. Montijn, Jan de Keiser Jz. en W. Putman, zoo als op een steen in den voorgevel aangebragt, te zien is.
Sedert het jaar 1811 wordt dit gebouw, door particulieren bewoond, terwijl het in 1856 in het openbaar werd verkocht, en het gebouw dus nu eigendom van particulieren geworden is.
De schuttersdoele.
Reeds in het jaar 1501 vinden wij gewag gemaakt van het volgende octrooi voor de »voetbooghschutters van St. Joris Gilde" te Oudewater. Uit dit octrooi bekomen wij echter de verzekering, dat zij reeds lang vóór genoemd jaar zich te dezer plaatse bevonden en hun aantal op het genoemde tijdstip niet minder dan 80 tot 90 bedroeg. Wij laten dit octrooi nu volgen:
Philips, by der Gracie Goids, Eertshertoge van Oistenryck &c. onsen lieven en getrouwen Raedt ende Tresor. Gnerl: van allen onsen Domeynen ende Finan: Jeronimus Lauwerin; Saluyt ende Dilectie. Wy hebben ontfaan die oidmoedige Supplicae. van onsen welgheminden die Burchers der stede van Oudewater over ende in den naame van de Handboech-Schutters van den Ghilde van St. Joris der voirsz: Stede, inhoudende, hoe deselve gelegen is op tie Frontiren van onsen Lande van Holld. strekkende aan den Gestichte van Utrecht ende Lande van Gelre, dewelke na den overlyden van wylen onsen lieven Heer ende Grootevader Hertoge Karel van Bourgn. Zaliger gedagten, veel groote sware lasten en costen gehad ende geleeden hebben van diverse Oirloogen, niet alleen van den Oorloge van Utrecht, maar alle andre die geweest zyn in onse voirsz. Lande ende Graaflicheyt van Holland als oick in de voirsz. Lande van Gelre, Ende hebben de voirsz: Suppliante tot seekerheyd van der voirsz: Stede van Oudewater opgesteld 't voirsz. Ghilde van St. Joris van den Voetboech Schutters, tot in den getale van tagtigh of tnegentigh persoenen, om welke ghilde ende gezelschap 't onderhouden by Hertoge Philips ende andre onse Voorvaderen, die voorsz. Supplianten verleend ende gegeven hebben geweest Vyff ende Twintig Cliuts 't s'Jaars tot XXX Gron. 't stuk, dewelke sy den voirsz. Supplianten beweesen hebben gehad te ontfaan by handen van den Rentmeester 't s'Lands van Woerden, ende hebben 't selve alsoe gebruyckt tot in den Jaar toe van LXXVIIJ. Dat die geroyeerd zyn geweest by gebrek van nyeuwe brieven van gfirmatien van wylen onse lieve Vrouwe ende Moeder die Eertshertoginne Saliger gedagten. Ende in den Jaar van LXXXVIJ. soe zyn die voirsz. XXV. Cliuts s'Jaars den voirn. Schutters weederome beweesen geweest op den Rentmeester van den Beede in Holland, als doe wesen uyt kragte van nyeuwe brieven van Confirmacien van mynen Genadigen Heer ende Vader myn Heer den Coninck, sedert welk tyt tot in den Jaar toe van XCIIJ. de voirsz. Schutters niet meer betaald en syn geweest, mits datter gheen Beede in Holland ende Vriesland daar en binnen loop gehad en heeft, ende hoewel dat seedert den voirsz. Jaar XCIIJ. diversche Beeden in Hollandt loop gehad hebben ende nog doen, nochtans en hebben die voirn. Schutteren van den voirsz: XXV. schilden binnen derselver tyd niet ontfaan, overmits dat sy van huer voirsz. ghifte tot nu toe gheen gfirmacie verkreegen en hebben. Twelke hem compt ende keert, tot grooten hinder schade en achterdeele, ende meer sal er werde hen by ons hier op niet voirsien van onse gracie ende behoorlick provisie alsoo zy seggen, Ons zeer oidmoedelick daar ome biddende, SOE IS 'T dat wy die saken voirsz. overgemerct, ende daar op gehad 't advys, eerst van onsen lieven ende getruwen, die Luyden van onse Reekn. in den Hage, ende daer na van u, wy hebben den voirn. Schutters van St. Joris Gilde, in onze voirsz. Stede van Oudewater, genegen wesende ter Beede ende begeerte van de voorn. Supplianten, ende ten eynde dat sy te bat gehert mogen syn te verstaan tot bewaaringe ende seekerheyt van de selver onser Stede van Oudewater daer veel belancx in leyd die Brieven van Gifte ende Octroye van de voirsz. vyff ende Twintich Scilden 'tsjaars, henl. gegonnen ende verleend by onsen voirsz. Voirders als voirsz. is, geconfirmeerd, gevesticht ende belieft, ende vuyt onsen rechten wetentheyt ende zonderlinge gracie, confirmeeren, vestigen ende believen, mits desen onzen Brieve, Ende op dat s'noot sy, hebben hen die selve XXV. scilden 's jaars van nieuws gegonnen ende verleend, gonnen en verleenen mits deesen onsen voirsz. Brieve, om die van nu voortaan Jaarlicx te hebben, ontfangen ende gebruyken van de Penn. comende van onsen Beden die in onsen voirsz. Landen van Holland en Vriesland loop hebben sullen, ende by handen van onsen Rentmeester van denselven Beden in den quartier van Noort-Holland jeegenswoerdich ende toecomende soe lange als 't ons gelieven sal, ontbieden u daar ome ende beveelen dat by u doende die voirsz. Schutters gebruyken van onse voirsz. Gracie, Confirmacie ende nieuwe Ghifte, ghy hen doet van nu voortaan Jaerlicx uytryken ende betalen of 't huren sekeren Bode voor hen de voirsz. XXV. scilden 's jaars by handen van onsen Rentmeester van Holland in 't Quartier van Noortholland voirsz. jegenswoerdich ende toecomende, ende van de Penningen van synen ontfange comende van onser Beede aldaar, soo lange als 't ons gelieven sal, als voirsz. is. Denwelken onzen Rentmeester jegewoerdich ende toecomende wy selve beveelen mits deesen dat alsoe te doene, ende mits overbreyngende desen onsen jegenwoerdigen Brieff Vidimus ofte Copye Auctentyk van dien, mitsgaders van de andere Brieven van Ghiften ende Confirmatien boven geroerd, voor een ende d'eerste ryse en soe menich werff als 't van nooden weesen sal, deuchdelick genieten van de voirn. Schutters van de voirsz. XXV. scilden 'tsjaars, alleenlick wy willen dat al 't geene des hen daar aff gegeeven ende betaald sal worden geleeden ende gepasseerd zy in 't uytgeven der Reekeningen van onsen voirsz. Rentmeester van onsen Beden van Holland in den Quartier van Noortholland voirsz. jeegenwoordich ende toekomende, die 't betaald sal hebben, by den voirsz. Luyden van onsen Rekeningen in den Hage, denwelken wy oock bevelen by desen, dat alsoe te doene, sonder eenighe zwaricheid ofte wederseggen ter contrarien, want ons alsoe geliefd, niet jegenstaande eenige Ordonnantien, Restrinctien, geboden oft verboden ter contrarien, Gegeeven in onser Steede van Brugge, den lesten dach van April in 't Jaar ons Heeren Duysent vyff honderd ende een, Aldus geteykend by mynen Heer den Eertshertoge Jeronimus Lauwerin Tresorier Generaal van de Finan: ende andre jegenwoerdich, Hanneton. Ende op ten rugge van deesen Brieve staat gescreven dat hier naar volcht. De Tresorier Generaal van de Domeynen ende Finantien myns Genaden Heer des Eertshertoge van Oistenryck, Hertoge van Bourgondien, Jeronimus Lauwerin consenteerd alsoe verre als in hem is dat 't inhouden in 't Witte van desen jegewoordigen volcomen zy naar zyne vorme ende inhouden, alsoe ende by der manieren dat deselve myne Geduchtegen Heer wil ende beveeld gedaan 't fyne by deselve, Geschreven onder 't handteyken van den voirsz. Tresorier General den tweesten dach van Meye in 't Jaar Duysent Vyff Honderd ende Een.
Aldus geteykent, LAUWERIN.
Vervolgens berust er op het gemeente archief een ordonnantie voor de schutters van den »edelen Cruysboog" dd. 26 Augustus 1597, die wij echter om hare uitgebreidheid niet mogen overnemen. Voorts wordt nog in verscheiden keuren van deze schutters gewag gemaakt.
Op het stadhuis wordt nog een fraaije vlinder bewaard, die men denkt, als insigne van de voetboogschutters van St. Joris Gilde gebruikt te zijn.
Omtrent de schuttersdoelen vinden wij vermeld [277] in 1746.
»De Doele staande in de Kapelstraat is een oud gebouw, 't geen groote ruimte heeft en zeer bekwaam ter Herberging van reizende en andere lieden. Zij komt de schutterij, die nu in twee quartieren en vaandels verdeeld is, in eigendom toe, die ook aldaar hare vergadering houdt."
In den voorgevel van dit gebouw, die in Anno 1787 zeer verfraaid werd, ziet men den ridder St. Joris den draak bestrijdende in steen uitgehouwen.
Na de vernietiging der stedelijke schutterij, is de Doele ter voldoening van der stad's pretentien in 1798 aan de gemeente gekomen en als eigendom getransporteerd.--De stad heeft dezelve in 1799 voor de som van f 3300 aan een ingezetene dezer plaats verkocht.
De naam van het Logement de St. Jorisdoele, herinnert in onze dagen nog aan de oude schutters van Oudewater.
En hiermede is ook de reeks gebouwen ten einde, die hun ontstaan verschuldigd waren uit een beginsel van verdediging, bij eene mogelijke belegering der plaats. Toen echter Oudewater uit de rei der vestingen verdween, zijn de meeste dezer gebouwen natuurlijk van onnut geworden, en wij zagen dan ook de vernietiging van bijna allen. Nu resten ons nog eenige gebouwen te beschrijven, die wij noch onder de kerken, noch onder de geestelijke of liefdadige gestichten, noch onder de gebouwen ter verdediging van stad en land konden rangschikken, en toch tot de monumenten der stad behoorden of nog behooren.
Wij beginnen met
de voormalige latijnsche school.
Nog tot in het laatst der 17 eeuw [278] mogt Oudewater zich beroemen, binnen zijne muren eene Latijnsche school te hebben, hetgeen voor een plaatsje als dit, zeer pleiten kon voor de welgesteldheid der ingezetenen.--Aangezien deze laatsten echter van tijd tot tijd verminderden, en men dientengevolge geen genoegzaam getal leerlingen op dezelve aanbragt, moest dezelve noodwendig vervallen.--Volgens resolutie der staten van Holland dd. 25 Februarij Ao. 1600, bekwam Oudewater het regt, op zijne beurt eene »beurssaal" te zenden in het Theologisch Collegie van Holland binnen de stad Leiden. Deze beurten moesten echter verwisseld worden tusschen deze plaats in het naburige Woerden zoodat ten allen tijde een dezer twee steden een student in voornoemd collegie had, achtervolgens besluit van hunne Ed. Groot. Mog. in derzelver hooge vergadering genomen, waar omtrent wij verwijzen, naar de resolutien van Holland dd. 25 Junij 1666.
Deze resolutien en dit regt, werden echter ten jare 1797 vervallen verklaard en de herinnering, dat Oudewater eertijds een Latijnsche school bezat, bleef alleen in de geschiedrollen bestaan!
Lombarden.
Reeds in het jaar 1319, drie weken na St. Maarten in den Winter, vindt men gewag gemaakt, dat het Lombardhuis te Oudewater ter bewoning gegeven werd aan Vranke Oudekijns, tot 's Graven wederopzeggens toe. Kort daarop moeten echter de Lombaarden uit Oudewater getogen zijn, [279] daar men vermeld vindt, dat in het jaar 1323. Dirk Batenburg verleid werd met het Lombaarthuis te Oudewater, mits het zelve weder opgevende by de terugkomste van de Lombaarden, &c:
Ziet hier de inhoud van het bedoelde stuk. [280]
Wi Willaem Graue &c: maken cont allen luden, dat wy Dirc Batenburg van Oudewater gegeven hebben onse huys, dat ons ane gecomen es van de Lombaerts binnen onse Poirte van Oudewater in rechten liene van ons te houden in der maniere, wair dat saeke dat die Lombairts weder quamen ende wise in dat huys voirsz. weder setten mitter woone, soo souden wi Dirc voirsz. sinen cost en sinen scade, dien hi aen den huse gedaen hadde, gelden, ende dair meede waer die manscap quite. In oirconde &c: Gegeven tote Scoenhove op Sinte Martynsdach in de Somer in 't jaar ons Heeren MCCC drie en twintich.
Daarna werd ten zelfde jare het volgende bevel aan den Magistraat gegeven, om de nagenoemde Lombaarden in deze Stad te ontvangen en Burger-regt te laten genieten.
Wi Willaem Gratie &c: onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen, ende Raed van onser Poirte van Oudewater, saluyt ende onse goede jongste; Wi doen u te weten, dat wi in onse beschermte en geleyde genomen hebben, en nemen dese Lombairden, die hier na geschreven staan, dat es te wetene, Dammaes en Philips Asinier, broeders, en de Hore Maysinden om te wonene en te blivene in onser Poirte van Oudewater van onser Vrouwe dage in den Mairte die naestcomet, twaalf jaer daer na volgende, ende sullen coipmanscip driven ande hoir oirbair doen mit haren gelde, geliken onse andere Lombarden die wonen ende bliven in onse goede Poirten van Hollant; En ombieden ju naerenstelicken, dat ghi se ontfaet over uwe Poerters ende hem helpet, vordert en starket in alle hore rechten, gelike juwe Poerters die jairscarende durende voirsz. ende des en laet niet. Gegeven in die Hage op den Jairsdach in 't Jaer ons Heeren M. CCC. en drie en twintich.
In het jaar 1595 werd van wege de regering van Oudewater aan Jaques de Causa Michielsz., een piemontees, octrooi verleend tot het houden van de »tafel van leeninge" binnen Oudewater. Aan ieder die omtrent de aanstelling van zoodanigen tafelhouder, de voorwaarden waarop de verpanding en bij niet lossing, den verkoop der panden plaats greep, iets meer weten wil, verwijzen wij naar de beschrijving van Oudewater door G. R. van Kinschot bladz. 439-450.
Nog omstreeks de helft der voorgaande eeuw, vindt men vermeld, dat de Bank van leening, met het daarbij van ouds behoorende woonhuis, onder de accijnsen der stad, voor zekere jaren verpacht werd.
Uit een en ander zien wij, dat Oudewater nevens alle andere steden in Holland en West Vriesland geprivilegieerd was, zoodanige bank te mogen hebben en verpachten, met uitsluiting van alle andere plaatsen in het platte land [281] zijnde zelfs ingevolge deze volmagt, de steden niet gehouden, eenige tafelen toe te laten, al hadden zij ook eertijds octrooijen daarvoor verkregen [282]. Volgens resolutie der staten van Holland 3-12 Maart 1594 mogt door den Lombardhouder van de zes gulden, een halve stuiver in de week geheven worden.
Het laatste Lombardhuis te Oudewater bevond zich op de Donkere Gaard en is tegenwoordig bekend onder nummer 491. Sedert een groot aantal jaren, werd dit huis verkocht, en wordt het door particulieren bewoond.
Alleen het stadswapen met het bijschrift:
SAUVE GARDE Ao. 1756
doen den opmerkzamen voorbijganger alligt vermoeden, dat hij zich bij het oude Lombardhuis bevindt. Tegenwoordig bestaat er te Oudewater slechts een hulp Lombard en wel onder opzigt en contrôle van den Lombard uit het naburig Woerden.
De Waag, ook gezegd de Heksenwaag.
Dit stadsgebouw, bevindt zich aan de markt, op den hoek der Gasthuissteeg, en werd waarschijnlijk in het jaar 1595 gebouwd, aangezien dit jaartal in den voorgevel van dit gebouw wordt aangetroffen.--Reeds lang vóór genoemd jaar, bezat Oudewater echter reeds eene Waag, immers reeds ten jare 1547, werd door Zijne Keizerlijke Majesteit een bevel uitgevaardigd, waarbij hij gelastte, dat het gewigt der stad Gouda in de Waag der stad Oudewater overgebragt zoude worden, en tegen het gewigt uit laatstgenoemde plaats in gelijke stukken, ten overstaan van zijn gecommitteerden gewogen zoude worden.
Wij laten den inhoud van dat stuk hier volgen:
»Op Huyden den anderen dach Marcy Ao. XVc, XLVII. Stilo Trajectense zoe zyn Adriaen Louwerisz., Jacob Gerytsz. Moen, Burgemeysters en Schepenen desz. stede van Oudewater alsook Frederick Jansz. Muntere en Jan Jansz. en Pieter Speyert, Secretaris derselver stede, geweest in de voorsz. stede Waech, ende aldaar gewoogen der stede Wicht van der Goude gebrocht by Dirck Cornz., Tollenaar ende Rentmr derzelver stede, van wegen der K. Majt tegens de wicht derzelver stede van Oudewater in gelijke stucken, ende is bevonden mitten zelfe te accorderen. Geschiet op ten dach, jaer en de maent als boven, (onder stond): geëxtraheert uit het voorsz. stedeboeck en accordeert daer naede by my onderteykent.
P. Speyert." [283]
Zooals iedere andere Waag, werd dezelve gebouwd, tot het wegen van verschillende koopmanschappen, en wel voornamelijk hier, voor, kaas, hennip en verschillende soorten van touw, allen producten en waren, waarvan in en om Oudewater veel in den handel wordt omgezet.
Doch, uitgenomen deze artikelen, werd er eertijds nog een artikel opgewogen, waardoor deze Waag zich bij alle andere Wagen onderscheidde, een artikel, dat haar een ongekenden naam in de geschiedrollen bezorgde, en de Waag deed worden »een weldaad voor het menschdom." Aldus toch, wordt onze Waag genoemd, in de »Almanach tot Nut van 't Algemeen," jaargang 1792, bladz. 95. Het artikel, dat wij bedoelen, waren.... menschen, die van tooverij beschuldigd waren, en heksen genoemd werden.
Wij willen de aanleiding tot het wegen van deze menschen, een weinig breeder uiteenzetten en moeten daarvoor in dit hoofdstuk de onderafdeeling:
BIJGELOOF VOORHEEN EN LATER
daartusschen lasschen.
Het is slecht, of eigenlijk in het geheel niet te bepalen, wàt bijgeloof is, indien wij de tegenstelling niet vermelden van geloof en ongeloof.
Het geloof zelve wordt nog in veel soorten verdeeld.
Immers in het dagelijksch leven, verwart men gelooven meestentijds met meenen, met iets voor waar houden, waarvoor men geene gronden kan bijbrengen.
In het stoffelijke, gelooft men, wat men met de zintuigen bemerkt, wanneer geen zinbedrog ons misleidt, en
In het geestelijke eindelijk, is het aan iedere gezindte bekend, wat door geloof verstaan wordt.--Bij de Christenen behoort dit geloof, dit aannemen van iets, wat men niet ziet, tot hunne Godsdienst, en wel in die mate, dat hunne Godsdienst veelal hun geloof genoemd wordt.
Het ongeloof staat natuurlijk tegenover geloof; zoowel in het geestelijke als in het stoffelijke nu, heerscht ongeloof.--Zoo is b. v. in het stoffelijke, hij ongeloovig, wanneer hij niet aanneemt, dat het zoo is, en het toch wezenlijk bestaat, zonder het met zijne zintuigen te hebben bemerkt.
Bijgeloof is het geloovig, het met volle overtuiging aannemen van hetgeen wezenlijk niet is. Bijgeloof is meestal eene nog sterkere overtuiging, dan een waar geloof, doch het is en blijft altijd een wangeloof, een onjuist geloof, een geloof, waarbij de mensch zich zelven bedriegt [284].--Wij zullen wel niet behoeven aan te toonen, dat men ook hier weder in het stoffelijke en in het onstoffelijke bijgeloovige kan zijn.
Het voornaamste bijgeloof van lateren en zelfs nog van onzen tijd, is een overblijfsel, van de mythologie onzer voorvaderen, waarover hiervoren breedvoerig geschreven is.
Toen wij de aandacht onzer lezers op de mythologische daadzaken in het heidendom bepaalden, maakten wij bijna ook op iedere bladzijde, de schaduw daarvan nog in onze dagen aanwezig, bekend.
Eigenlijk gezegd, was de mythologie onzer vaderen voor hen nog geen bijgeloof, het was eene natuurleer, een wangeloof--doch het voortbestaan in het Christendom van de onwaarheden, die hunne mythologie bevattede, dàt werd voor den Christen natuurlijk bijgeloof.
Teregt vinden wij dan ook vermeld [285]. Onze voorouders hadden, als alle volkeren van den Indisch-Germaanschen stam, een duister Godsdienstig geloof aan een goed en een kwaad beginsel; doch, gelijk het in de kindsheid der barbaarsche volken gaat, waar het geloof aan een eenig God is verduisterd, stelde men zich die beginselen voor als krachten, als persoonlijke krachten, als krachten van bovennatuurlijke wezens, waarvoor de zwakke mensch moest bukken.--In hunne sagen werd gesproken, van de helden, van het voorgeslacht; en de verbeelding verhief die voorouders tot goden.--Hetgeen men waarnam en niet kon verklaren, werd aan de werking dezer Azen toegeschreven.--Bij iedere aanraking, van den eenen volksstam met den anderen, vermeerderde allengskens het bijgeloof; maar toch te midden van dat bijgeloof, bleef er nog eenig geloof over, aan een magtigsten God. Wij hebben u dien God reeds als Wodan doen kennen, en Wodan was het, die in het laatst der dagen, alle goden aan zich zou onderwerpen. De goden der wereld, en de aardgeesten voerden wel strijd, tegen den God des hemels, eindelijk zouden zij echter toch het onderspit moeten delven.
In één woord, alles hetgeen door de menschen gedaan en verkregen werd, werd door het volksgeloof aan de inwerking der Goden, toegeschreven.
Toen het heidendom voor het Christendom moest wijken, bleven echter de toovenaars en heksen bestaan. Toovenaars waren de menschen, die met de booze geesten of goden in verbinding stonden en die als overblijfselen van de heidensche priesters konden worden beschouwd, terwijl de heksen, die vrouwen waren, doen denken aan de wigchelaarsters in de mythologie. Deze heksen nu hadden het vermogen, de menschen op velerlei manieren te kwellen en nadeel toe te brengen, geen wonder dus, dat de jonge Christenen, door oppervlakkigen Godsdienstijver gedreven, met groote woede en toorn, somtijds tegen die gewaande toovenaars en heksen vervuld werden, wanneer er aardsche rampen voorvielen, die zij aan de toovenaars en heksen, en hunne verbinding met de booze geesten toeschreven.
Toen de Noord-Duitschers en Denen pas tot het Christendom bekeerd waren, hadden booze wraakoefeningen tegen zoogenaamde heksen meermalen plaats, weshalve paus Gregorius VII (die regeerde van Ao. 1073-1085) zeer ernstig aan zijne geestelijken in Denemarken schreef, dat zij dat volksbijgeloof toch zouden tegenwerken, enz.
In de middeneeuwen, nam zelfs het geloof aan hekserij ontzaggelijk toe, en geen wonder! de steeds toenemende beschaving en de meer en meer aangroeijende ondereenmenging van verschillende volken bragt te weeg, dat er onderscheidene kunsten en uitvindingen werden ontdekt; de drukpers nu was er nog niet, om de volken het geheim dier uitvindingen kenbaar te maken, en wat het volk niet begreep, was een wonder of tooverij en de uitvinder eener nuttige zaak, werd niet zelden vervolgd als heks en toovenaar.
Het zou ons verbazend wijdloopig doen worden, de duizendtallen voorbeelden aan te halen, van de slagtoffers om tooverij en hekserij.--De vervolging was weldra tot eene ongekende hoogte gestegen.--Meest alle rampen en plagen werden aan tooverij toegeschreven, en de beschuldiging van tooverij ging zelfs zóó ver, dat vorsten en geestelijken, de beschuldigingen van hekserij niet konden ontgaan!
Ontelbaar zijn dan ook de menschen geweest, die hunne beschuldiging met het leven moesten boeten. Een paar voorbeelden, slechts. In het kleine bisdom Bamberg werden in vijf jaren tijds 600 menschen om tooverij ter dood veroordeeld, meest verbrand, en in hetzelfde tijdsverloop telde het niet veel grootere bisdom Würzburg 900 offers [286].
Maar, vraagt mij welligt iemand, werd dan iedereen, die van tooverij beschuldigd was, zonder vorm van proces veroordeeld, werden er geene pogingen aangewend, de ongelukkige beschuldigden van den dood te redden?
Ja mijne lezers er werden pogingen daarvoor in het werk gesteld, doch hoedanig waren zij? Ach zij bragten zoo zelden redding voor de beklaagden aan! Ja de pijnbank was er, en die dan van tooverij en hekserij beschuldigd of verdacht waren, werden op die pijnbank gebragt. Onder de smartelijkste folteringen werden zij ondervraagd. De pijniging hield meestal aan, totdat zij tot de bekentenis waren gebragt, en daar eene bekentenis genoegzaam werd geacht, wanneer zij op de vragen slechts een toestemmend antwoord hadden gegeven, is het daaruit gemakkelijk te begrijpen, hoevele duizenden onder de felste folteringen het »Ja" hebben uitgeroepen, om eenigen tijd verligting te erlangen, op de vragen, of zij op bezemstokken door de lucht hadden gereden, of zij katten waren geweest, enz. enz. [287]."
Ja er waren nog andere proeven, zooals het ordal, de vuur-, de water- en naalden-proef, doch het behoorde bij al deze tot de hooge zeldzaamheden, indien zij ten gunste der beklaagden uitvielen. Geen wonder! men vergde in deze, bijna altijd wonderen van de Godheid, en na de wreedste pijnen reeds in de »proef" doorstaan te hebben, werden zij meestentijds naar den houtstapel geleid en verbrand! O de proeven ter bevrijding der ongelukkigen, zij waren zoo slecht gekozen!
Van tijd tot tijd echter stonden er groote mannen op, die het durfden wagen openlijk hunne stem te verheffen, ter bestrijding van het venijnig serpent, dat men tooverij en hekserij noemde. Durfden wagen? Ja voorzeker er behoorde moed toe, tegen dit bijgeloof met open vizier te velde te trekken, in dien tijd, toen bijna ieder onder de magt van het ellendig gedrocht zich bewoog.
De eerst bekende groote man, die het bijgeloof heeft bestreden, was voor zoover wij weten, paus Gregorius de VII in de elfde eeuw.--Ofschoon het wel degelijk te vooronderstellen is, dat in de drie volgende eeuwen dit niet zonder tegenspraak van velen heeft geheerscht, zoo vinden wij echter eerst kort na de uitvinding der boekdrukkunst, en de daardoor veroorzaakte meerdere bekendheid van gevoelens, onderscheidene personen, die het geloof aan hekserij en tooverij bestreden.
De beroemde regtsgeleerde Alciatus, leerde reeds, »dat het beter was, de heksen nieskruid te geven, dan haar ten vure te doemen" daarmede zoo het schijnt doelende, op zijne overtuiging, dat zij, die zich verbeelden onder de magt van booze kwellingen te staan, meestal krank naar ligchaam en ziel waren.
Onze groote Rotterdammer Desiderius Erasmus, stelde de geheele zaak der tooverij in een bespottelijk daglicht [288].
In 1512 verscheen er te Gent een boekje in het licht, bevattende 2 kluchtspelen nl. de klucht van Homulus en Hanske van der Schilde. Dit boekje had een morele strekking, het bestrijden der tooverij; een ander boekje heeft tot titel: tooveren, wat dat voor een werk is, beschreven door Jacob Vallick, pastoor te Grossen 1559. Het bijgeloof, wordt daarin bestreden, op gronden van Godsdienst en Zedekunde. Johannes Wier, in 1515 te Grave geboren, later lijfmedicus van den Hertog van Cleef en Berg, was echter de eerste, die volledig de vooroordeelen in deze bestreed. Hij had op zijne reizen onderscheidene executien van zoogenaamde heksen gezien. De edele man had het voornemen opgevat, de vooroordeelen van zijnen tijd grondig te wederleggen. Hij schreef eene verhandeling over de giftmengers en de toovenaars, waarin hij bewees, dat die twee zaken wel degelijk vaneen gescheiden moesten worden, en toonde aan, dat de regters van zijnen tijd, dit niet deden.
Vele regters erkenden hunne dwaling, en betuigden hem hunne dankbaarheid, voor zijn uitmuntend betoog. Hierdoor aangemoedigd, schreef hij nog tot aan het laatst van zijn leven, ter verdediging der zoogenaamde heksen.
Cornelis Loos van Gouda werd aangezocht een zeker boek van Wier te wederleggen, doch door het lezen van zijn geschrift overtuigd wordende, werd zijn geschrijf een eere schrift op zijn boek. Men weigerde te Keulen het manuscript te drukken, en Loos werd gedwongen onderscheidene stellingen te herroepen en niet zonder vele pogingen ontkwam hij eene vervolging [289].
Bij al deze gunstige geschriften ter bestrijding van het bijgeloof, schreef zekere Martinus del Rio het groote boek: Onderzoek naar de tooverij, dat in 1599 uitkwam, en waarin het bestaan van toovenaars verdedigd werd. Del Rio ging zelfs zoo ver, dat hij beweerde, dat de verlichte Wier zelf een toovenaar was, en hij hen daarom in zijn geschrijf verdedigd had.
In Reijnald Scott een verlicht engelschman, vond del Rio echter een geduchten bestrijder, doch het bijgeloof woedde echter nog steeds met hevigheid voort. In Engeland vatte een Jacobus I de pen op, om de voorstanders der verlichting Wier en Scott te wederleggen en in Duitschland werd de heksengeschiedenis, door het gezag van den regtsgeleerden Carpzovius in wezen gehouden.
Op het laatst der 17de eeuw, begonnen de regeringen de vervolgingen wegens tooverij, wel meer na te laten, doch het volk bleef niet minder bijgeloovig dan vroeger, ofschoon het weder krachtige en bekwame strijders vond in Adam Tanner en Frederik Spee. De laatste had als Jezuit, menige veroordeelde heks, in hare laatste levensuren moeten bijstaan. Getroffen door hetgeen hij gezien en gehoord had, schreef hij zijn boekje: Waerborg om geen quaat halsgeregt te doen, een lief boekje, dat door onzen bekenden Amsterdamschen predikant Balthazar Bekker hoog geroemd en geprezen werd. Het geschrift van den Jezuit Spee, werd in onze taal overgebragt, door N. B. A., zijnde N. Borremans, Remonstrantsch predikant te Oudewater.
Doch, wat werden die edele menschenvrienden, in hunne pogingen om de waarheid te verkondigen, gedaan? Frederick Spee zond zijn boekje om zich voor vervolging te behoeden, naamloos in het licht. Borremans, vertaalde het onder de letters N. B. A. en Balthazar Bekker, die in zijne betooverde wereld, het bijgeloof aanrandde, werd in 1692 van zijn predikantsplaats ontzet, als onregtzinnig [290].
Ik verzoek den lezer nog eens kortelijk met mij eenigen tijd terug te gaan, tot naar het midden der 16e eeuw en daar nog eens het bijgeloof en hare gevolgen kortelijk herhalen. Het ligt echter niet in ons plan, dat bijgeloof stap voor stap te volgen, immers dit onderwerp zou een ruimte beslaan, als voor deze geheele plaatsbeschrijving bestemd is.
Wij voeren u dus in gedachten terug tot in het regeringstijdvak van Karel de Vijfden, waarin wij de ter doodbrenging van eene heks zullen schilderen.
Allerwege ontwaart men brandstapels, die de ongelukkige toeven, die van tooverij beschuldigd zijn. Zie daar nadert men met zoodanig een slagtoffer den houtmijt! Ach het is eene vrouw en zij is echtgenoot en moeder, want hij, die zich onder den stoet bevindt, hij met dien zonderling wreede trek op het gelaat, met van woede glinsterende oogen, die dreigend staren op de leiders van de zoogenaamde heks, hij prevelt verwenschingen, voor de beschuldigers zijner »liefdevolle gade." Is zij ook moeder? Ja, ja, zie naast de veroordeelde draagt een andere vrouw een schreijende zuigeling, en geleidt een achtjarige knaap, en terwijl de vlottende menigte nu langzaam voortgolft naar de plaats waar het doodvonnis zal voltrokken worden, ontwaakt de ongelukkige »heks" met aan razernij grenzende wanhoop uit den stillen waanzin, waarin zij gedompeld was! want zij ziet de houtmijt vóór zich, die weldra met hare assche een vormloos zaamgestorte massa zal uitmaken! Mijne kinderen gilt zij, groote God, mijne kinderen! de zuigeling en de knaap omvattende, o uwe moeder omklemt u nu voor het laatst, zij drukt u na dezen immermeer de vurige kussen op uwe wangen. Zij zal haren lieven zoon niet meer ter schole leiden, hare zuigeling niet meer voeden met het moederlijk voedsel! en gij echtgenoot, kermt zij, ach, zie niet zoo dreigend in deze bange ure, wij zien ons weder, dáár, waar wij niet meer aldus gescheiden zullen worden, zorg voor onze kleinen, voor de telgen van onzen gelukkigen echt, omhels mij zoo als ik hen omhels.--God! God! ik moet van u en hen scheiden......
Hier zonk de ongelukkige bewusteloos ineen, door smartgevoel overstelpt. In dezen toestand wordt zij op den brandstapel geplaatst, aan den paal gebonden, men brengt het vuur met de drooge twijgen in aanraking, en weldra kronkelen zich de woeste vlammen, om de in onmagt zijnde vrouw! Het vuur wekt echter spoedig de ongelukkige uit hare bezwijming, en wanhopend wringt zij zich op den brandstapel, door ligchaamspijn en boezemwee overstelpt--toch zoekt zij nog naar de plaats vanwaar zij hoort kermen, gade dierbare gade, vaarwel tot wederzien bij God in den hemel! vanwaar zij hoort smeken, moeder, lieve moeder, o kom bij mij!
O deze smartvolle ontboezemingen wat verschilden zij van de uitroepingen der volksmenigte. Voort, voort met de heks, want zij heeft met bezemstokken door de lucht gereden, wij hebben haar in de gedaante eener kat gezien, zij heeft onweders en ziekten verwekt, en de kinderen betooverd, zóó zóó, verbrand haar, verbrand haar!
Weldra waren de laatste levensvonken van de ongelukkige echtgenoot en moeder uitgebluscht, en.... het bijgeloof had een offer meer geëischt en genomen!!
Zulke treurige executien, hadden in de tijden waarvan wij schrijven menigmaal plaats, op honderde manieren gevarieerd, zonder onderscheid van kunne of ouderdom. Geen wonder ook, wij hebben het reeds aangetoond, de proeven aangewend tot bevrijding eener aangeklaagde »heks," zij gelukten bijna nooit in het voordeel der laatsten.
Maar eindelijk daagde er toch lichte aan den horizont: er werd eene proef ontdekt, die altijd de vrijspraak voor de beschuldigden van tooverij moest ten gevolge hebben, eene proef, die ook geen pijn veroorzaakte, eene proef even onschuldig als zeker, de heksen moesten zich namelijk laten wegen op de stadswaag te Oudewater.
Waarom vraagt ons welligt iemand moesten de heksen gewogen worden, waarom moesten zij te Oudewater gewogen worden en wie is de uitvinder, de bedenker van deze proef, die zooveel invloed op het bestrijden van het bijgeloof ten gevolge moet hebben gehad? Wij zullen een en ander zoo beknopt en duidelijk mogelijk ter neder schrijven.
De heksen, die in het volksbijgeloof door de lucht konden rijden, hadden volgens gevoelen van hare beschuldigers en vervolgers geene ligchaamszwaarte, somtijds meende men zelfs, »dat zij nog minder dan niets wogen." Werden zij dus ter schale geleid, en bevond men, dat zij zoo zwaar wogen, dat het met de natuurlijke proportie haars ligchaams overeen kwam, en dat kon nimmer missen, dan werd aan dezulken te Oudewater een certificaat gegeven, dat haar bij de minste beschuldiging van tooverij vrijwaarde, tegen alle mogelijke vervolging.
Waarom zij nu te Oudewater moesten gewogen worden en wie de bedenker dezer weegproef was, hiervan kunnen wij het volgende berigten:
Van oudsher had de waag te Oudewater een bijzonder goeden naam om hare juistheid in het wegen; maar bovenal ook om het juiste en eerlijke gewigt in deze waag aanwezig zijnde en gebruikt wordende. Immers, ten bewijze strekke hiervoor, de ordonnantie van keizer Karel de V, waarbij hij ten jare 1547 aan die van Gouda gelastte, hun gewigt met dat van Oudewater te laten »ijken" zouden wij in onze dagen zeggen. [291] Hieruit blijkt dus, dat die vorst voor deze waag reeds eenige voorliefde had, en men houdt dan ook algemeen den keizer, voor den bedenker van deze weegkuur, ofschoon het echter niet met zekerheid te bepalen is, ten minste onder de oude geschriften ter gemeente secretarie berustende, vinde ik dienaangaande geen licht verspreid. Het is echter bijna zeker, dat Karel de V wel de bedoelde persoon zal zijn, die dat gebruik ingevoerd heeft, en het ontbreekt dan ook niet aan schrijvers, die dat zonder eenige bedenking aannemen.
Laat ons nu overgaan, meerdere bijzonderheden omtrent de aloude weegkuur te Oudewater zooveel mogelijk uit oude stukken aan te voeren.
Wij hebben hiervoren reeds gemeld, dat er in het tijdvak dezer heksenbeschuldigingen, door den pater jesuit Spee, een werkje ter bestrijding van het bijgeloof geschreven was, ten titel voerende: Waerborg om geen quaat halsrecht te doen, en dat dit boekje in onze taal werd overgebragt door N. B. A., zijnde N. Borremans, eertijds Remonstrantsch predikant te Oudewater.
In de voorrede van deze vertaling, vermeldt de heer Borremans eenige gissingen, omtrent den oorsprong van dit weegregt alhier, en deelt daarin tevens de volgende bijzonderheden mede, door een der burgemeesteren van Oudewater dier eeuw, aan Borremans zelf geschreven, die zijn verzoek aan dezen magistraats-persoon omtrent eenige bijzonderheden van de waag en de gewogen wordende, in zekere vragen had doen geworden.
Na vermeld te hebben, dat er vele zoogenaamde heksen van de stiften Keulen, Munster en Padeborn sedert keizer Karels tijd, reeds gewogen waren en nog werden, vinden wij daarop t. a. p. aangeteekend:
»Dat daar noit ymand uit een van die plaatsen gekomen was, of zy hebben alle eenstemmig verklaart, dat zy in hun land t' onregten van Tovery beschuldigt wierden: en zoo zy geen bewys bekomen konden, van dat ze in de Stads Waege t' Oudewater gewogen waren, en hun gewigte met de gelegentheid hunnes Lichaems overeen quam, dat zy gevaer liepen van in hun Land om lyf en goed te raaken: 'T zeggen van die luyden was doorgaans, dat die in hun Land voor Tovenaers gehouden wierden, welken minder woegen. De overleden Secretaris de Hoy hadde hem verhaalt, dat in zynen tyd zeker persoon, uit de bovendeelen in 't Land daar hy woonde, door eenen, daar hy mede in geschil geraakt was, in 't geruchte was gebragt, van een Tovenaar te zyn, en dat hy geraden wiert, om zich van de gezeyde laster te suyveren, naer Oudewater in Holland te reysen, en hem aldaar in de Stads Schale te laeten wegen, en dat hy daar gekomen, het zy door bottigheyd, het zy door vreeze, of door quade onderrigtinge, wederom gekeert was na zyn Landt, zonder gewoogen te zyn, maar dat hy in zyn Vaderland komende, en niet konnende toonen, dat hy gewogen was (zulx vermoedelyk voor bewys van schuldigheid genomen zynde, als of hy te licht bevonden waare) zoo is 't gerugt voort geslagen tot den Regter van de plaats, die gezogt had deze Persoon in hegtenis te nemen, maar hy gewaerschouwt was 't ontvlugt. Daer na in 't Land, daar hy gevlucht was, geraakt zynde by een persoon, die te vooren hier ook met eenen anderen in zodanige gelegentheid geweest was, heeft den selven bevoolen met hem herwaarts aan te reysen, gelyk hy ook t' Oudewater gekomen, en in de Stads wage, op die reyze en wyze als verhaelt is, gewogen zynde, weder was na huys gekeert, en in zyn Vaderland, daar hy van daan gevlugt was, het bescheyt van aldaer gewogen te zyn vertoont hebbende, was hy weder in zyn geheel en in de volle bezittinge zyner goederen, die by den Regter al waren aengeslagen, hersteld geworden.
»Op de 2de Vrage seit de Burgemeester, dat geen seker gewichte gestelt is, wat iemand wegen moet, maar dat het daarop aan kwam, dat het gewicht met de natuurlyke geschapentheid des lichaams overeenkomt.
»Op de 3de Vrage, van waar dit zyn oorsprong heeft, seyt hy, dat hem zulks onbekent zy, maer dat egter blykt, dat hunne Stads wage in die buiten landen zulken aanzien hadde, also 't verscheide malen gebeurt was, dat die geenen, welken verzochten gewogen te worden, met bysondere Voorschryvens hunner Stad of plaats gekomen zyn.
»Echter word daarby gezegt, dat Keyzer Karel zulk Voorregt aan de Stad Oudewater, uit oorzaak van hunne beproefde Oprechtigheid in desen, en van seker bedrog, in een nabuurig dorp ontdekt, geschonken heeft, immers dat zulks het algemeen zeggen is."
Teregt merkt Ds. Kits van Heyningen, dan ook dien ten gevolge op: [292] »Men ziet uit bovenstaand berigt, dat de waag te Oudewater niet alleen veel bekendheid had, en voor officieel getuigenis diende, maar, dat ook de proef zeer onschuldig was. Had men een bepaald gewigt gesteld, dat iemand op zekeren leeftijd wegen moest, terwijl een ligter zijn, dan zoodanig gesteld gewigt voor bewijs van schuld gold, de proef ware wel niet pijnlijk, maar toch gevaarlijk geweest. Nu daarentegen, was 't genoeg, wanneer het gewigt, met de gewone gesteldheid des ligchaams in overeenstemming was. Men grondde die bepaling zeker op het volksgeloof, dat onder andere meeningen ook deze koesterde, dat een heks of toovenaar geen gewigt had."
»Intusschen was het voorregt aan de waag gegeven, den waagmeester zelven niet geheel onverschillig. Wie gewogen werd, betaalde natuurlijk het waaggeld en schoon de som zoo groot niet was, bij de meerdere waarde, die het geld in dien tijd had, was zij toch een emolument geweest, dat bij zijn post gerekend werd, indien zij niet, omdat een ieder er iets van hebben moest,--en dat is sinds dien tijd nog weinig veranderd,--zoo versplinterd was geworden. Men leze de volgende authentieke bepaling van:
»Leges te betalen bij die geene, die in der Stede Waach, uit beschuldiging van Tovery gewoogen worden."
Schepenen G 1 : -- 16 : -- / -- Secretaris G 2 : -- 18 : -- / -- Bode G 0 : -- 12 : -- / -- Waachmeester G 0 : -- 12 : -- / -- Vroedvrouw G 0 : -- 12 : -- / -- Samen G 6 : -- 10 : -- / --
Wat er de laatste bij deed, wier vermelding op de rekening eenige bevreemding wekken kan, zal worden opgehelderd uit de volgende extracten uyt de Registers van de Judiceele en Dagelyksche Acten der Stede Oudewater.
Alvorens echter daartoe over te gaan, zij het ons vergund mede te deelen de
NAAMLIJST,
voor zoover die op te sporen was, van personen, die ter zake van toverij beschuldigd werden, en zich van tijd tot tijd in de Waag van Oudewater hebben laten wegen. [293]
»Maria Konings, Dochter van Gerard Hesseling, anders genaamt Konings, en Anneke ter Brugge, woonende te Konings in Zurik in den Kaspel van Boekholdt, in den Gestichte van Munster, gewoogen den 24 Februarij Ao. 1644. [294]
Leentje Willems, Huysvrouw van Jan Aertsz., woonende in de Lange Linschoten, onder de Parochie van Oudewater, gewogen Ao. 1647.
Jacobye Paulus, Huysvrouw van Steven Willems, woonende in de Boerschap van Wapenveld, onder het Schout-ampt van Heerde, gelegen in de Provintie van Gelderlandt, gewoogen den 2 Mey Ao. 1677.
Marritje Cornelis, Huysvrouw van Thomas Bastiaansz. woonende over Lecq in Langeracq, gewoogen den 13 January Ao. 1681.
Sybilla Essers, Dochter van Jacob Essers en Geertruyd Weyers, woonende in den Dorpe van Kleinenbroek, onder Zutphen, omtrent twee uuren van Nuits, gewoogen den 23 Mey Ao. 1694.
Aaltje Brouwers, Huysvrouw van Frans Fransz., geboortich uit de Heerlykheid Borculô, Vlekke Heybergen, gewoogen den 25 September Ao. 1694.
Maasje Faessen, Huysvrouw van Jan Aartsz., geboore in 't Waal, omtrent een half uur van de Vaart, over Vianen, gewoogen den 17 September Ao. 1710.
Geertruyd Hendriksz. van Beek, Weduwe van Christoffel Klads, woonende op 't Zandt te Utrecht, gewoogen den 23 Maart Ao. 1711.
Lysbet Jans van Wout, Weduwe van Pieter Ariensz. Vosmeer, woonende binnen Montfoort, gewoogen den 15 Mey Ao. 1713.
Neeltje Paulus Pols, geboortich van Bergh-ambacht, woonende in Honkop, gewoogen den 31 Mey Ao. 1728.
Klaas Ariensz. van den Dool, gebooren te Noordelois, en Neeltje Ariensz. Kersbergen, geboortich van Lakerveld, Man en Vrouw, woonachtich op den Dool onder Meerkerk, gewoogen den 21 Juny Ao. 1729. [295]
EXTRACTEN uit de Registers van Judiciële en Dagelijksche Acten der Stede Oudewater.
»Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater in Hollandt, doen kont en certificeeren eenen yegelyken mits dezen, ten versoeke van Maria Konings, oudt, zoo sy seydt, omtrent zes en twintig Jaren, dochter van Geeraerdt Hesseling, anders meede genaemt Geeraerdt Konings, ende Anneken ter Brugge, wonende by Barendt Konings haren Broeder, te Koninkx in Surik in den Kaspel van Boekholdt, in den Gestichte van Munster, op een Hofsteede toebehoorende zyn Hoogheydt, den Heere Prince van Orangien, weesende van deylbaren stature, met een vrattjen aan de rechter zyde van hare kinne, ons voorgestelt by Johan Duyst, Burgemeester der voorschreeve stadt Boekholdt, volgens zyn acte van Certificatie van Burgemeesteren en Schepenen van Boekholdt, ons vertoont ende gebleeken; dat op huyden voor ons Compareerden de E. Willem Pietersz. Tromper en Johan van Rodenburg, beyde Oudt-Burgemeesteren, en jegenwoordig Schepenen in dienste, mitsgaders Cornelis Gysbertsz. Bodegrave, gesworen bedienaar van deser Stads Wage, dewelke ter instantie en versoeke van de voorschreven Maria Konings verklaarden, hoe waar is, dat de voornoemde Cornelis Gysbertz. Bodegrave de voorschreven Maria Konings ten haren ernstigen versoeke en requisitie, in tegenwoordigheydt van hun Comparanten ende meer andere personen, na dat zy by Jannetje Barents ordinaris Vroed-Vrouwe deser Stede, met voorgaande Ondersoek, verklaert was dat de gemelde Maria Konings tot hare Onderkleederen ontkleedt, ende de schoenen uyt-getogen, niet van eenige zwaerte off gewichte by haar was hebbende, met de balance in de Ordinaris wage deser stede Oudewater gewogen, ende dat hun Comparanten en allen evidentelyken gebleken is, dat de voornoemde Maria Konings, alleenlyk gekleedt en ondersogt zynde als voren, was wegende hondert vier en dertig ponden zodanige oprechte [296] Troysche wichte als men ordinaris in de voorschreven Wage is gebruykende, zulks dat wy mede by dezen certificeeren, dat deselve Wichte met de naturelyke proportie hares lichaems wel is accorderende. Ende alzoo de voorschreven Maria Konings aen ons versogt onse opene Brieven van certificatie van de voorgenoemde Verclaringe, om haar daar mede te dienen in tydt en wylen, daer ende wanneer haar zulks noodig en te raden wesen zal, ende men gehouden is de waarheydt te getuygen, in zonderheyd daar toe versocht zynde: Zoo hebben Wy haer 't zelve versoek niet kunnen nog willen weygeren, zonder bedrog: des 't oirconde hebben wy deser Stede Zegel hier onder aengehangen, ende by onsen Secretaris doen onderteykenen. In den Jare onses Heeren ende Zaligmakers Duyzent Zes hondert Vier ende Veertig, op den XXIIIJ. February. (Onderstondt.) Ter ordonantie van de Heeren voornoemt geteekent.
(Was getekent) H. de Hoy.
(Onderstont)
»'T voorschreven ge-ëxtraheerde by my ondergeschreven Secretaris der Stede Oudewater accorderende bevonden, met de vordere Verclaringe: dat in mynen voorschreven dienste veele persoonen invoegen voorseydt in de Wage alhier zyn gewogen, met gelyke Verclaringe mutatis mutandis als vooren: en specialyken noch in den lest voorleden Jare 1647, drie verscheyden persoonen; onder anderen eene Leentjen Willems, Huysvrouwe van Jan Aertsz., wonende in de Lange Linschoten onder de Parochie van Oudewater, 't Oirkonde geteekent dezen VII. January 1648 (en was geteekent:)
H. De Hoy.
»Wij Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater, in Holland; doen cont ende Certificeeren mits dezen, ter requisitie van Jacobye Paulus, huisvrouwe van Steven Willems, wonende in de Boerschap van Wapenvelt, onder 't Schoutampt van Heerde, gelegen in de Provintie van Gelderlandt, oudt, zoo zy seyde, omtrent 40 Jaren, wesende kortagtigh van Persoon, bruin van hair, en blaauw van oogen, langwerpigh van aangezigt, en onder aan haer Rechterwang een rood vlakje, Dat op huyden voor Ons gecomen en gecompareert zyn, de E. Gysbert Isulsteyn, en Jacob de Gyselaar, Schepenen deser Stede, mitsgaders Adriaen Munter, geswooren Bedienaar van deze Stede Wage, dewelke ter instantie, ende naerder versoeken van de voorn. Jacobye Paulus, verklaerden waer en waerachtig te wezen, dat de voorn. Adriaen Munter, de genoemde Jacobye Paulus op haer speciael en ernstige versoeken, ende in de praesentie en tegenwoordigheid van de voorn. Schepenen, Waagmeester, en andere Notabele Personen, na dat by Niesken Gerrits, Ordinaris Vroedvrouwe alhier publicquelyk verklaerd was, dat de meergemelde Jacobye Paulus, blootshooft, schoenen en hoosen uytgetogen, gekleet met een onderrokje over haar hembd, geenige wichte ofte swaarte by haer hadde, met de Ordinaris balance in de Waag alhier gewogen heeft Een hondert en een pont, sodanige oprechte Troyaense wichte, als men ordinaris in deser Stede Waag is gebruykende, zulx dat wy by desen Certificeeren, dat de voorsz. gewigte met de Natuurlyke proportie haeres Lichaems wel is accordeerende; Ende alzoo zy daer van versogte onse opene brieven van Certificatie, omme deselve haar te dienen daer, en zoo zulx behoort, hebben wy haer 't zelve, niet konnen nog willen weygeren, zonder bedroch, en tot meerdere verzeeckeringe deses, hebben wy den zelven mettet stede Zegel ende ondertekeninge van onsen Secretaris bekragtigt, op den 2 Mey 1677.
»Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater in Hollant doen Condt en Certificeeren mits deesen ter requisitie van Geertruyd Hendriks van Beek, weduwe van Christoffel Clads, woonende tot Utregt op 't Zant, out, zoo zy seyde, omtrent twee en seventig jaren, lang van persoon, mager van wesen, hoog blaauw van oogen en grys van haar, dat op huyden voor ons gecompareert zyn de Heeren Jan van Lexmont ende Jacob Bakker, Schepenen dezer Stede, mitsgaders Cornelis van Eynthoven (by absentie van zyn vader Dirk van Eynthoven) beëdigde Waagmeester van deze voorzs. Stede Waag, by ons ten deese geauthoriseert, dewelke ter instantie en verder versoek van de voorn. Geertruyd van Beek, verklaarde waar ende waaragtigh te zyn, dat den voorn. Cornelis van Eynthoven de genoemde Geertruyt van Beek op haar speciaal en ernstig versoek, in presentie en tegenwoordigheyt van de voorn. Schepenen, geauthoriseerde waagmeester ende andere notable persoonen, na dat by Jacomyntje Aertz Dekker ordinaris Stads Vroetvrouw alhier publiequelyk was verklaart, dat de meergemelde Geertruyt van Beek bloots hoofts, schoenen ende kousen uytgetoogen, alleen met haar hemdt over haar bloote lichaam, bedekt met een Faly off sluyer, en genige gewigten off swaarte by haar hadde, met de ordinaris balance in de Waagh alhier gewoogen heeft een hondert ende twee ponden, soodanige opregte Troyaansche gewigten, als men ordinaris in deser Stede Waagh is gebruykende, zulks dat wy by deesen Certificeeren, dat de voorsz: gewigte met de naturelyke proportie haares lichaams wel is accorderende, ende alsoo zy daar van verzogte onse opene brieven van Certificatie, om de selve haar te dienen, daar het nodigh weesen sal, hebben wy haar 't selve niet kunnen nogh willen weygeren, sonder bedrog: ende tot meerder sekeringe deeses, hebben wy deselve met het Stede Zegel ende ondertekeninge van onse Secretaris bekragtigt, op den drie en twintigste Maart, seventien hondert en elff.
»Wy Burgemeesteren, Schepenen ende Raden der Stede Oudewater in Holland, doen Cond en Certificeeren mits deezen, ten verzoeke van Claas Ariensz. van den Dool, geboortig te Noordeloos, oud ontrent 37 Jaren, kortagtig en eenigsins spitsig van Ligchaam, hebbende blaauwe oogen, hoog bruyn van vel en hair, en Neeltje Ariens Kersbergen, geboortig van Lakerveld, oud omtrent 31 Jaaren, matig van postuur en hoog Zwanger, bruyn van vel, blaauwe oogen, Man en Vrouw, woonagtig op den Dool onder Meerkerk, dat op huyden voor ons verscheenen zyn d'Heeren Dirk van der Lee, en Gerrit Ingen van Liesveld, Schepenen dezer Stede, mitsgaders Jan Racaute, geswooren Waagmeester, dewelke ten verzoeke van de Requiranten verklaarden waar en waarachtig te zyn, dat door den voorn. Waagmeester Jan Racaute op ernstige instantien van de Requiranten, in presentie van de voorn. Heeren Schepenen en andere notabele persoonen, op Huyden den voorsz. Klaas Ariensz. van den Dool in dese Stede Wage met de ordinaire balance en opregte Troyaansche wigte, gelyk men altoos in deeze Stede Waag gebruykt, is gewoogen, na dat Philip vander Werff Geregts-bode dezer Stad had verklaard, dat denselve Klaas Ariensz. vanden Dool, door hem was ontkleed, schoenen en koussen mitsgaders andere kleederen uytgetoogen, en zulks alleen in zyn hembd, zonder dat hy eenige zwaarte van gewigten by zig had, en is denzelven persoon bevonden zwaar te weezen een honderd twee en twintig ponden, der voorsz. Troyaansche wigte; wyders is de voorn. Neeltje Ariens Kersbergen invoegen voorsz. meede gewoogen, en naar dat door Jacomyntje Aertz Dekker Stads Vroedvrouw alhier meede verklaard was, dat de meergem. Neeltje Ariens Kersbergen door haar was ontkleedt schoenen en koussen uitgetoogen, en zulks alleen bedekt met haar hembd en zwarte falie over haar bloote Lighaam, hangende het hair los by het hoofd, zonder datse eenige zwaarte of gewigte by haar hadde, en is dezelve persoone bevonden zwaar te weezen een honderd en tien ponden voorsz. Troyaansche wigte: certificeeren vervolgens wy dat de voorsz. gewigte met de natuurlyke proportie des lichaams van de requiranten beyde zeer wel is accorderende bevonden, en alsoo zy daar van verzogten onze opene brieven van certificatie om dezelve te dienen, daar en zoo zulks behoord, hebben wy haarlieden 't zelve niet kunnen nog willen weygeren, dit alles zonder bedrog; en in bewys van waarheyd hebben wy deze met onze Stede Zeegel en ondertekeninge van onzen Secretaris bekragtigt op den 21 Juny 1729."
In 1729 vinden wij alzoo van de laatste heksenweging gewag gemaakt, en in dit jaar reeds zoo na grenzende aan onze verlichtende 19de eeuw, zien wij ingevolge de laatste acte, deze weegkuur nog met de meest mogelijke juistheid, met inachtneming van alle gebruikelijke vormen ten uitvoer gelegd! Het was de laatste en gelukkig de laatste weeggeschiedenis met de zoogenaamde heksen op de Waag, want, door het meer en meer verstandelijk ontwikkelde menschdom, moest ook deze laatste proef, al was zij onschuldig, in onbruik geraken! Maar waren daarom de heksen-geschiedenissen, het beschuldigen van menschen als toovenaars, en het geloof aan heksen, ook met de in onbruik geraakte proef op de waag te gelijk verdwenen? Neen mijn lezers, neen, het bijgeloof bleef voortsluipen tot in de 19de eeuw, het sluipt nog voort in onze dagen. Waar het zich op vele plaatsen niet meer openlijk vertoont, daar schuifelt het gelijk een venijnig serpent onder het spigtig gras, en treft met zijn schadelijk gift, dat het met zich omvoert, soms nog vrij zeker. Immers hoe dikwijls berigten ons de dagbladen nog van heksen en beheksten, hoe menigmaal hoort men, vooral onder de geringere volksklasse nog gewagen van personen, die »meer kunnen dan menig ander."
Doch gelukkig wij zijn vooruitgegaan, en met rassche schreden vooruitgegaan, en wie weet het hoe spoedig welligt, dat het bijgeloof nog alleen bij name zal blijven voortbestaan! O moge die tijd spoedig aanbreken.
Nog mijne lezers bevindt zich deze waag waarin men heksen woog te Oudewater, nu echter de »heksen" er niet meer opkomen, dient zij weer bijna uitsluitend tot het wegen van koopmansartikelen, levend vee, touwwerk, kaas, [297] enz. terwijl het regt tot dit wegen van stadswege van tijd tot tijd in het openbaar verpacht wordt.
Wanneer Oudewater door vreemdelingen bezocht wordt, dan vragen zij natuurlijk alligt hen de heksenwaag te vertoonen, [298] en onwillekeurig hoort men hen den uitroep ontsnappen: hé, wat eenvoudig gebouw is die waag, heeft deze nu eene zoo groote rol in de heksen-geschiedenissen gespeeld, wierd daarin zoo menig mensch van het doemvonnis verlost, hen door het bijgeloovige menschdom aangewreven, en ja zoo was het, dáár hielden de harten op angstig te kloppen, dáár klonken voor slechts G. 6.50 den beschuldigde de bemoedigende woorden tegen, ga, gij zijt vrij! wij hebben u gewogen en ....... niet te ligt bevonden.
Geboortehuis van Jacobus Arminius.
Naast de stadswaag, of meer juist, door de Gasthuissteeg gescheiden, bevindt zich het geboortehuis van Jacobus Arminius. Het is een fraai huis, de voorgevel is naar de Ionische orde gebouwd, met vele versieringen voorzien, en is getooid met het symbool der fortuin, waarin sommige menschen verkeerdelijk het standbeeld van den eersten remonstrant meenen te zien. Niettemin gelooven wij, dat het opschrift van een marmeren steen, eertijds onder het beeld der fortuin aanwezig, wel eenige betrekking op onzen lateren Leidschen hoogleeraar mag gehad hebben; deze steen met dit opschrift, zijn echter uit den gevel verwijderd, en welligt verloren geraakt, daar men ons verhaalde, dat niemand het opschrift van dien steen kon ontraadselen. Wij moeten echter opmerken, dat het huis niet meer in dien toestand is, als toen Arminius daarin werd geboren, daar wij het jaartal 1601 in den voorgevel vinden, en zijne geboorte reeds in 1560 plaats had. Stellig echter is het huis weder op dezelfde plaats herbouwd, zoodat wij nog met gerustheid mogen zeggen: zie dat is het huis, daar is de plek, daar de groote Arminius het eerste licht heeft aanschouwd.
Voor eenige jaren (in 1854,) werden in het voorhuis, eenige veranderingen aangebragt, waarbij tevens het volgende vers verwijderd werd, dat men tot dusver het huis binnentredende met fraai geschilderde gothische letters, daarin had opgemerkt:
Jammer, ellende en grooten nood Is der regtvaardigen dagelyksch brood, Die tot het eeuwige leven zyn verkoren Steken veel distels ende doornen Nog zal de Heer ten allen tyden De vromen verlossen en verblyden.
Ps. 34.
Over Arminius zelve zal te gelegener tijd worden geschreven--alleenlijk vermelden wij nog, dat in het huis zijner geboorte, nu eene grutterij wordt uitgeoefend.
Het Stadhuis.
Het Stadhuis bevindt zich op het fraaiste gedeelte van Oudewater, het is gelegen aan het begin der Kapelstraat en maakt met zijne bevallige voorpui front naar het aangrenzende plein der Vischmarkt.--Lief toch vertoont zich het Stadhuis van buiten aan ieder, die eenigen bouwkundigen smaak bezit, immers, de voorgevel die naar de Ionische orde gebouwd, en versierd is met het beeld, dat de geregtigheid voorstelt, de voorgevel getooid met de wapenschilden der steden Delft, Oudewater en Alkmaar naast elkander, die weder beheerscht worden door den leeuw, die op het hoogste gedeelte des voorgevels is aangebragt, en weder het wapenschild van Oudewater tusschen zijn gespierde pooten houdt, dit alles maakt met de welaangebragte kleuren, die een en ander bedekken, een aangenaam effect, dat nog verhoogd wordt, door de sierlijke voorpui, die uit vitruvius gebouwd, en daarenboven getooid is met vier zittende leeuwen, met wapenschilden boven de hoofdstukken der pijlaren aangebragt, en het wapen van Holland in het midden vertoont.
Dit gebouw dagteekent van het jaar 1588, zoo als wij insgelijks nog in den voorgevel uit eenige ijzeren ankers die dit jaartal vormen, kunnen opmaken, het werd echter in genoemd jaar slechts vernieuwd, op de oude grondslagen, boogen en muren, en met een leijen dak gedekt. Uit dit dak rijst een fraai torentje, dat met eene daar inhangende klok voorzien is, die ten tijde des Heeren van Kinschot [299], onderanderen diende, ter bekendmaking der regtdagen, en der gewoonlijke vergaderingen, alsmede het sluiten en openen der poorten--zooals het tegenwoordig onder meer, voornamelijk gebezigd wordt, tot bijeenroeping van den volke, indien er iets van de puije des raadhuizen van lands- of stadswege wordt verkondigd.
Het Stadhuis is gebouwd op 4 boogen of verwulfsels: een dezer, aan de voorzijde aanwezig, dient de nachtwacht, tot punt van bijeenkomst en schuilplaats bij ongunstig weder, terwijl het tevens na afbraak der Romein of Gevangentoren tot tijdelijke bewaarplaats voor misdadigers is ingerigt, de overige drie »holen" zooals men ze noemt, worden van stadswege tot bergplaats verhuurd.
Bezien wij nu vlugtig het stadhuis ook nog van binnen.
De trappen die wij tot dat einde moeten beklimmen, waren zoo als Kinschot getuigt, van blaauwe Naamsche steen, en gemaakt door Duiliaan Vlamingh, eertijds Mr. Steenhouwer te Delft, doch indien het uwe belangstelling waardig is, zoo vermelden wij u, dat men in het jaar 1816 daarvoor andere heeft gelegd. Treden wij echter binnen--Al dadelijk bevindt men zich op eene ruime voorzaal, aan wier einde eertijds de vierschaar was. Op deze voorzaal werd sedert Ao. 1798 de ringvergadering gehouden, waarvan Oudewater toen de hoofdplaats was, waardoor ook alstoen de vierschaar vernietigd werd [300].
Regts aan den ingang dezer voorzaal bevindt zich de bodeskamer in 1857 daargesteld, terwijl aan het achtergedeelte, dáár ongeveer, waar vroeger de vierschaar was, eenige wapenen,--overblijfselen van den moord in 1575--tot eene trofée geschikt, deze voorzaal versieren [301].
Ter regterzijde verschaft eene deur toegang tot de Secretarie die aldaar ten jare 1859 getimmerd is, deze doorgaande, komt men van ouds in de weeskamer, die tot in dit jaar nog de Secretarie was, doch in laatstgenoemd jaar tot burgemeesterskamer werd ingerigt; ter linkerzijde, zien wij in dit laatste apartement eene deur in den muur aangebragt; wij nemen de vrijheid deze te openen, en geleiden u de raadkamer binnen, waarin eertijds ook het geregt zijne vergadering hield. Reeds in 1834 en 1835 werd deze raadkamer veel verbeterd en verfraaid, en ook nog in 1859 is veel tot versiering en tot gerief hierin aangebragt, zoodat een en ander zich nu in zeer netten toestand bevindt. Aan den wand, ontwaart men de portretten van de beroemde mannen Jacobus Arminius, in der tijd hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Leiden, en Mr. A. Van Stipriaan Luiscius, eertijds Med. Doct. et Chem. Lect. te Delft, beide te Oudewater geboren.
Wat wij echter op deze raadzaal nog meer opmerken, is het groote beroemde schilderij van den Utrechtschen schilder D. Stoop, voorstellende den moord der Spanjaarden in 1575 te Oudewater gepleegd, zoo als nog daarenboven uit het volgende originele opschrift blijkt.
Oudewater onder Philip II, Koning van Hisp. door beleit van Hierges belegert 19 Julij, is nae dapperlyk beschieten, ende grouwlyk gevegt stormenderhand ingenomen; Soldaten, Burgers, Vrouwen en Kinderen wreedlyk vermoord ende de Stad verbrand, op den 7 Augusti 1575.
Behoeven wij het wel te zeggen, dat waar een Stoop zoodanig tafereel vervaardigd heeft, het niet mankeert aan fiks coloriet, stoute figuren, en bevallig uitgevoerde groepen, dat iedere groep eene fraaije ordonnantie op zich zelve is, zonder dat de bekwame schilder door deze détails het geheel, hierdoor uit het oog heeft verloren? Behoeven wij aan te stippen, dat het stadsgezigt uit dien tijd met veel historische trouw is vervaardigd? [302]
Teregt stroomen er dan ook nog ieder jaar op den gedenkdag des moords, honderden menschen naar het Raadhuis, om dit schilderij te bewonderen, en zich te verplaatsen naar de tijden van den bloedigen oorlog met Spanje.
Wij verzoeken den lezer het gebouw met ons te verlaten, daar de gijzeling, die zich nog boven deze apartementen bevindt, weinig aanlokkends ter bezigtiging kan aanbieden, en hiermede sluiten wij dan ook de beschrijving onzer reeks publieke en merkwaardige gebouwen van Oudewater. Wij hebben de gebouwen ondervraagd en zij hebben tot ons ten deele door de historie-bladen en oude bescheiden gesproken. Wij hebben gezien, dat het waarheid was, toen wij in ons motto den heer Rose nazeiden: »De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene, omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren van vroegere handelingen. De monumenten verschaffen ons eene geschiedenis op eene andere wijze, namelijk in vormen, die een geheele reeks van waarheden en denkbeelden in zich sluiten en bij ons opwekken. Zij verhalen ons juist niet al het gebeurde, maar zij leeren ons kennen, hoe het voorgeslacht leefde, dacht en gevoelde, en dat heeft voor het meest even zoo veel waarde, als de vermelding van een reeks gebeurtenissen." De waarheid van dit motto, zal nog nader uit het volgende hoofdstuk blijken.
ONDERZOEK NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN DELFT, OUDEWATER EN ALKMAAR IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN ALDAAR GEVONDEN WORDEN.
Bij de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen binnen Oudewater, heeft men gelegenheid gehad, op te merken, dat de wapens der steden Delft, Oudewater en Alkmaar aanwezig zijn, geweest aan de gevels der geamoveerde IJssel- en Waardpoorten en nog zigtbaar zijn, aan het Raadhuis dezer gemeente; daarenboven, bevatten eenige gebindten in de kerk der hervormden, eertijds insgelijks deze wapenschilden, terwijl uit zeker huis [303] gelegen aan de markt dezer plaats ten jare 1856 bij herbouw nog het wapen van Delft werd verwijderd.
In Delft waren de drie voormelde stedenwapens aangebracht, aan den toren van het raadhuis, aan de Kameretten of het oude Lombardhuis en aan den binnengevel van de Waterslootsche of St. Jorispoort.
Terwijl men dezelve te Alkmaar aan de Stadswaag en in het gewelfsel van de Consistorie der groote kerk kon opmerken.
Teregt moeten er dus gewigtige redenen hebben bestaan, waarom dit drietal wapens nevens malkander worden aangetroffen, doch wat de eigenlijke redenen zijn, dit is niet meer met zekerheid te bepalen: zoo hiervoor het echte bescheid bestaan heeft, dan is het zekerlijk verloren geraakt, en niettegenstaande vele aangewende pogingen, hiervan eenig oorspronkelijk document op te duiken, zijn zij vruchteloos gebleven. Het ontbreekt echter niet--zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, aan een aantal gissingen daaromtrent, en die willen ook wij dan vermelden, daar eenige er van, hoogst waarschijnlijk de voldoende oplossing op deze vraag geven.
Onder de menigte schrijvers, die hunne aandacht op de aanwezigheid en de redenen, waarom deze wapens op voornoemde plaatsen aangebragt zijn, bepaalden, willen wij bij voorkeur raadplegen de heer Bleiswijk in zijne beschrijving van Delft, Eiklenberg in die van Alkmaar en Kinschot over Oudewater en daarbij onze meeningen invoegen.
Alhoewel het in oude tijden vrij gebruikelijk was, dat door de eene stad aan de andere, bij het daarstellen van openbare gebouwen, geschenken gegeven werden, en men ter gedachtenis daarvan, het wapen van die stad, ter herinnering aan zoodanig gunstbewijs, daarin aanbragt, zoo hebben eenigen gemeend, dat men dáárom deze wapens in de vermelde reeks gebouwen, in deze drie steden had aangebragt; doch hier maken wij van Kinschots gevoelen gaarne tot het onze, namelijk, dat zulks niet waarschijnlijk is, aangezien in de Besluit-boeken dier steden hieromtrent niets aangeteekend staat.
Wij voegen hier nog bij de facta, dat er op ons vrij wel geinventariseerd gemeente archief, bestaat, eene missive van de regering der stad Alkmaar, dato den 25 Mei 1588, »ten geleide van 't conterfeitsel van 't wapen dier stad, om dit nevens het wapen van Oudewater en Delft voor 't nieuwe raadhuis alhier te stellen, als een gedenkteeken en onderhouding van het oude verbond onderling gemaakt."
Hier wordt dus van geen geschenk der stad Alkmaar, doch van een verbond gesproken.
Voorts hebben wij vermeld, dat ten jare 1856 uit zeker huis aan de markt alhier, het wapen van Delft werd gebroken, en dewijl voor zoover ons bekend is, deze woning nooit een openbaar gebouw van Oudewater geweest is, kon Delft hiermede ook in geen betrekking staan en zal laatstgenoemde plaats, dan ook geen geschenk tot daarstelling van dat huis hebben verstrekt. Beneden zullen wij onze meening ook voor de reden, dat voornoemd wapen, dáár aanwezig was aanvoeren; echter is deze eerste gissing, naar ons oordeel behoorlijk ontzenuwd.
Ten 2e, willen anderen de reden van het feit hierin opgelost zien, dat de steden Delft, Alkmaar en Oudewater in oude tijden, en mogelijk wel in den Hoekschen en Kabeljaauwschen oorlog in onderling verbond zouden gestaan hebben, en onder ééne banier ten oorlog uitgetrokken zijn, doch hierop merkt van Kinschot [304] weder teregt aan, dat iedere stad hare eigene banier gehad heeft [305] en hem dit geheel onwaarschijnlijk voorkomt. Wij verwerpen met van Kinschot eveneens deze meening, immers, dat die van iedere stad, zich onder hare bijzondere banier ten oorlog schaarden, vonden wij ook bij Dr. D. J. Veegens, in zijne »Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd" bevestigd, alwaar wij onder de »vertelling" het ontzet van Haarlem op bladzijden 108-109 de volgende zinsnede aantreffen, die ook deze tweede gissing met grond doet verwerpen:
»Door de stofwolken heen, die de ruiters van Jacobas leger uit het drooge zand deden opgaan, blonken de banieren van hare getrouwe steden Schoonhoven, Gouda en Oudewater in de middagzon."
Laten wij ons echter niet langer ophouden, het aantal gevoelens van zoovelen mede te deelen en te wederleggen, doch trachten wij liever, er de ware oorzaak van op te sporen.
Wij hebben hiervoren op bladz. 321, reeds de zekerheid erlangd, uit de missive der stad Alkmaar van 25 Mei 1588, bij de geleide der afbeelding van het wapen dier stad, om dat nevens het wapen van Oudewater en Delft voor het nieuwe stadhuis alhier te stellen, dat dit tot een gedenkteeken en onderhouding moest dienen, van het oude verbond onderling gemaakt.
Nu komen wij op weg--er was tusschen deze drie plaatsen een verbond gemaakt, dat verbond was ten jare 1588 reeds een oud verbond en dat verbond was in laatstgenoemd jaar nog tot geene verkrachting gekomen, want die van Alkmaar schreven, dat de plaatsing van het wapen hunner stad aan het stadhuis, dienen moest, tot onderhouding van het verbond.
Wat nu de bijzonderheden omtrent dit verbond waren, hiervan ontbreekt het rechte bescheid, doch wij zullen trachten te bewijzen, dat de overeenkomst bestond:
1o. dat de poorters van Delft en Oudewater volgens onderling verdrag, vrij waren het regt van uitgang (exue) te betalen.
2o. dat die van Oudewater en welligt ook van Alkmaar, weleer met hunne vonnissen in zwaarwigtige en twijfelachtige gevallen bij die van Delft mogten te rade gaan.
3o. dat bij jaarmarkten in eene dezer drie steden, eerst de poorters van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan de twee overige plaatsen, het regt van voorrang in standplaatsen op de markt mogten hebben.
4o. dat de drie steden voornoemd, waren overeengekomen, dat hare poorters een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad hare eigen poorters toestond, bij verhuizing zouden genieten, en ten
5o. dat het onderschrift van het wapen van Delft op eene onderlinge overeenkomst van poorteren doelt.
I. Het eerst hebben wij ons voorgenomen te bewijzen, dat de poorters van Delft en Oudewater vrij waren, het regt van uitgang (exue) te betalen. Het zal echter vooraf velen onzer lezers niet onaangenaam zijn te vernemen, wat dit voor een regt was,
Aan vele steden [306] in Holland was het eertijds bij Handvest vergund en in andere steden was het reeds lang een oud gebruik, dat alle buiten lieden, die in eene stad, bij uitersten wil of versterfregt kwamen te erven, van deze hunne erfenis, een tienden penning, ten behoeve van die stad moesten betalen, voor en aleer zij hun geërfd goed, uit die gemeente mogten vervoeren.
Dit regt strekte zich ook uit, tot die burgers of poorters, die weigerachtig waren, aan de hen opgelegde stadsdiensten en lasten of anderzins, en zonder bewilliging uit de stad met hunne goederen vertrokken--en zoodanig regt nu, was men gewoon te noemen, het regt van exue, exuwe of Issue. [307]
Nu gebeurde het dikwijls, dat deze heffing onder steden, die gelijk regt hadden, onderling werd opgelost, zoodat de zoodanige plaatsen, dit regt van malkander niet invorderden. Verscheidene overeenkomsten immers bestonden daarvan--zoo vinden wij vermeld, in de handvesten van Amsterdam (1613 pag. 36) dat men daar met de stad Groningen zoodanig verbond gesloten had, op St. Jans Baptisten avond 1553 en nog vinden wij aangeteekend, dat tusschen de steden Haarlem en Amsterdam een accoord in dezer voege aangegaan was, op den 17 April 1464.
»Een octrooi om exue te heffen was al zeer vroeg mede verleent geweest aan de stad Delft, doch dit is in den brand van den jare 1536 verongelukt, zooals te zien is in het nader octrooi bij keizer Karel den 27 Maart 1545 aan laatstgenoemde stad verleend, waarbij vernieuwing van het oude octrooi werd gegund, als: »voorregt van exuw te mogen heffen, opbeuren en omvangen, de twintigsten penning van alle goederen succedeerende, of andersins gaande buyten de stede van Delf mitsgaders ook so veel te mogen nemen, en omvangen van den Inwoonders, of goeden uit derselver stede gaande in andre plaatsen, als de wethouders aldaar nemen van de inwoonders van Delf hetzij de tienden, twaalfden, of vijftienden penning." [308]
Zooals wij nu reeds gemeld hebben, hebben die van Oudewater met de Delftenaars insgelijks een overeenkomst gesloten, dat zij ter wederzijden vrij zouden zijn, van dit exue regt te betalen en wel reeds op den 4 Maart 1427, waarbij die van Oudewater aan Delft beloofden:
»Dat sy tot genen dagen aan erfenissen, nog aan besterfenissen, die hare poorteren en inwoonderen in het regtsgebied van Oudewater mogten aanbesterven, belasten, nog beswaren en sullen, met enig pond geld van hen te eijssen, of te nemen, ten waar dat ter de Burgemeesters van der stede wegen van Delft voor en eerst van haar poorteren van Oudewater eysschede en namen."
Dit eerste vrienschapsbetoon van Oudewater en Delft is, dunkt ons, hiermede behoorlijk gebleken.
II. Het tweede punt, dat wij te bewijzen hebben is, dat die van Oudewater bij uitspraak van hunne gewigtige en twijfelachtige gevallen in geregtszaken bij die van Delft mogten te rade gaan.
De voor zijne eeuw zeer kundige Mr. Simon van Leeuwen getuigt, dat meerdere steden gewoon waren onderling in dergelijke gevallen te rade te gaan. Zoo raadpleegde de stad Woerden, die [309] van Gouda even als de laatste zulks weer deed [310] bij die van Leiden, Weesp deed het [311] te Amsterdam, terwijl Oudewater bij [312] die van Delft te rade ging, en Delft wederom [313] advys inwon te 's Hertogenhosch.
De Heer van Kinschot heeft in zijne beschrijving van Oudewater twee zoodanige advyzen van bladz. 62 tot en met bladz. 66 medegedeeld. Het laatste was een advys van de heeren magistraten der stad Delft, dato den 13 September 1610, en de eerste was van den 2 Februarij 1595 en kortheidswille schrijven wij alleen de laatste over--het luidt aldus:
Eersame Discrete Voersienighen Heeren ende goede Bontghenoten:
»Wy hebben gevisiteert het processie voor uwer l. wtstaande tusschen Baert Jacobsz eyscher, op ende tegens Pieter Harmensz. van Cendenoort gedn., in welcke zaecke wy bevinden het poinct daer inne te bestaen, off Adriaan Goossensz. des verweerders ofte gedaegdes huysfrouse Grootevader zoo wy verstaen in den jare XVc. Liiij. by titule van Coope vercreghen hebbende van Pieter Cornelisz. Burgher tot Dordrecht, de vyertel lants die by den gedn. an den eysscher vercoft is, In deselve Coope mede gehadt heeft de werff alhier in questie, want indien Adriaen Goossensz. in deselve coope van de vyertel lants mede gehadt soude hebben de werff in questie, soo soude ons advys zyn, dat dezelve werff den Eyscher behoort geadiuceert te worden met Condemnatie van Costen, en mette Intreste ofte schade van 't ontberen van dyen vanden dach vande Coop aff, ontseggen hem zynen vorderen eysch van alle 't gundt daer op geplantet is, Maer indien beuonde wordt, dat Adriaen Gossensz. Dselve werff vercreeghen heeft nyet wt Crachte van de Coop van de vyertel lants, maardat sy ofte eenighe andere, van des gedes. voorsaeten, ofte de gedn. seluer by andere titule de voorsz. werff vercregen soude hebben, soo soude ons advys zyn, dat men den eyscher zynen Eisch en Conclusie behoort te ontsegghe ook met Condemnatie van Costen.
hier mede
»Eersaeme Wyse Discreten Voorsienighe heeren ende goede bondtgenoten beuelen wy uwer E: in de bescherminge Gods des heeren Al machtich geschreven tot Delft den ij february Ao. XVc. XCV.
(Lager stond:)
Die alle uwer E. goede Vrunden en bondtghenooten Schoudt, Burgemren: Schepenen en: Raeden der Stad Delff en ter Ordonnan. van henluyden geteyckent by my,
(was getekend) J: GROENHOUT.
1595.
(de superscriptie was)
Eersaeme, Wyse Discreten seer voorsienighen heeren ende bondtghenoten
De Bailliu, Schepenen ende Gerechte de Stede van
OUDEWAETER.
Uit dit aangevoerde en de gebezigde woorden »goede bontgenooten," is ook de waarheid van dit tweede betoog aangetoond.
III. Op de jaarmarkten in de steden Delft, Oudewater en Alkmaar hadden eerst de burgers van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan die der twee andere steden het regt van voorrang bij alle andere buitenlieden, terwijl deze laatsten om hunne standplaatsen moesten loten. [314]
IV. De oorzaak tot al het onderlinge vriendschapsbetoon in I, II en III aangetoond, had hare aanleidende oorzaak hoogst waarschijnlijk dáárin, dat er in zeer oude tijden volgens veler meening (en wel volgens sage in het jaar 1421) een verdrag tusschen de drie gemelde steden zoude getroffen zijn, waarbij aan de poorters dier steden, een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad genoot, zoude toegestaan en geschonken zijn, immers schrijft de heer van Kinschot in 1746, dat de drie genoemde steden, dat poortersregt nog steeds genieten. [315]
Nu is het dan ons ook duidelijk geworden, waarom men het Delftsche wapen aantrof in den voorgevel van het huis gemerkt N 371 aan de markt, dat er Anno 1856 werd uit weggebroken--een ingezetene van Delft had zich--wie twijfelt er nog aan?--hier met ter woon gevestigd, en tot gedachtenis aan zijne stad, haar wapen in zijn huis aangebragt--voegen wij aan dit betoog nog de daadzaak, dat er in de lijsten van aangenomen poorters te Delft geene van Oudewater en Alkmaar voorkomen, dan is er aan de waarheid niet meer te twijfelen. [316]
V. Neemt men nu ten slotte bij al het aangevoerde nog in aanmerking, dat [317] het oude wapen der stad Delft in de kamer van Burgemeesteren aldaar berustende, met zeer oude letters het omschrift bevatte:
Sigillum Communitatis Oppidanorum de Delf beteekenende: Het zegel van de gemeenschap der poorteren van Delf, dan moeten ook wij zeggen, dit moet niet zonder bijzondere redenen, maar met diep inzigt en wisse voorbedachtzaamheid alzoo verkregen zijn. Deze zinsnede: gemeenschap der poorteren van Delft moet ongetwijfeld doelen op »het oude verbond" van de steden Delft, Oudewater en Alkmaar.
Het Wapen van Oudewater.
Wij hebben ons in het voorgaande hoofdstuk onder anderen bezig gehouden, met het wapen dezer plaats, zonder dat de goedgunstige lezer nog eenige nadere omschrijving van dat wapen had, het is daarom, dat wij die nu dadelijk gaan maken.
Het stadswapen dan, vertoont een zilver veld, waarop zich een burg bevindt, wiens omloop met schietgaten en wiens poorten met hameijen voorzien zijn, van boven uit dezen burg verheft zich een klimmende leeuw, alles van rood of keel, zooals men dit in de heraldiek noemt, de leeuw echter is getongd en geklaauwd van hemelsblaauw (lazuur). Dit zilver schild nu, is gedekt met een kroon met drie fleurons van goud terwijl het wapenschild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen, in hunne natuurlijke verwen.
Kinschot denkt, dat het sijmbool van dit wapen is, aldus:
Oudewater ligt op de uiterste grenzen van Holland tegen de grenzen van het Sticht en dus naar die zijden bloot, voor den eersten aanstoot der wapens wanneer het Sticht overweldigd is; vandaar, dat hij Oudewater dan ook noemt »een Burch en Bolwerk voor het gewest van Holland." Deze burg en dit bolwerk zouden dan naar alle waarschijnlijkheid, een van Hollands graven op de gedachte gebragt hebben, deze gelegenheid der stad, in haar wapen te doen vertegenwoordigen door den burg, waarboven de leeuw als staat te waken, tegen iederen onverhoedschen overval van eenen vijand.
In het jaar 1816 werd van wege den koning, o. a. »de hooge raad van adel" gemagtigd eenige of een aantal wapens te wettigen, ingevolge besluit van den 20 Februarij 1816, en het was in laatstgenoemd jaar, dat de gemeente van Oudewater ingevolge het door haar gedaan verzoek door haar bevestigd werd, in het bezit van het hiervoren omschreven wapen, zoo als blijkt uit het onderschrift van het wapen dezer stad, dat op het stadhuis in de raadkamer hangt:
Gedaan in 's Gravenhage den 24 Julij 1816.
(was geteekent) enz. [318]
Regeringsvorm en Regeringslieden.
In een privilegie van graaf Willem, Anno 1322, waarbij de poorters van Oudewater niet arrestabel worden verklaard, wordt gewag gemaakt, dat alstoen hier aan der stede regering waren: »seven scepenen, twee Raatsmannen en een Bailju." [319]
Voorts bestaat er een bevel van »Willem Grave etc." aan de magistraat van Oudewater van het jaar 1323 namelijk om de Lombaarden in hare stad te ontvangen en burgerrecht te laten genieten, waarin de regeringslieden aldus werden genoemd.
Wi Willem Grave etc. onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen ende Raed van onser poorteren van Oudewater saluyt enz. [320]
Terwijl graaf Albrecht de magistraat dezer plaats in 1395 vermeld, onder de woorden »Scout, Borghe Meesters, scepenen en Rade." [321]
Tot op 1401 echter, zijn wij niet in het bezit van eenig stuk, hoe de aanstelling van den magistraat geschiedde, als wanneer in laatstgenoemd jaar Hertog Aalbrecht van Beijeren op den St. Matthijs aposteldag, aan de stad Oudewater een handvest [322] verleende, waarin onder anderen geregeld werd, het aanstellen van schepenen en achten [323] het verkiezen van Burgemeesters enz. en wel in dezer voege:
De Bailluw van Rijnland zou ieder jaar op meiavond zetten of doen zetten, zeven schepenen, die niet te zeer onderling vermaagschapt zouden zijn. Wanneer nu een van deze schepenen gedurende zijn schependom kwam te overlijden, dan zou de Bailluw van Rijnland nadat hem van stadswege daarvan was onderrigt, binnen verloop van veertien dagen een anderen schepen verkiezen.--Voor en aleer de schepenen van het stadhuis zich verwijderden, moesten echter tenzelfden dage, de Achten of acht raadsmannen gekozen worden. Voorts bepaalde hertog Aalbrecht nog, dat de schout, schepenen, klerk en de gezworen Raadsmannen ieder jaar op St. Simon en Judas avond, uit ieder vierendeel der voornoemde stad, staande ten halven schoten, zouden kiezen twee Burgemeesters met deze bepaling, dat zij die binnen de laatste drie jaren Burgemeesters geweest waren, niet verkiesbaar waren, en dat, zoo er een van dezulken in zijne dienst »aflijvig" werd, men alsdan een anderen binnen de drie dagen kiezen zoude, dat de Burgemeesters niet te na in de familie mogten zijn, en vijf en dertig jaren of daarboven moesten oud zijn, enz. enz.
Hertog Aalbrecht, bepaalde in dit zijn handvest, zooals toen veelal gebruikelijk was, dat al de daarin vermelde »poincten" en ieder in het »bijzonder vast ende gestade" gehouden moesten worden, zooals er verder stond, »voor ons en onse nacomelingen ten eeuwigen dagen" waarom hij dan ook dezen brief had laten »besegelen met synen segele." Deze eeuwigheid duurde echter slechts een tijdsverloop van 184 jaren (van 1401 tot in 1585) als wanneer Holland ziende de gelegenheid en de stand van zaken in deze stad, ten gevolge des moords in 1575, goedvond, eenige verandering in de uitvoering van meergemeld stuk van Graaf Aalbrecht aan te brengen, weshalve de staten voor den tijd van drie jaren bevolen, dat een van de Burgemeesters en sommige van de schepenen, niet op den vroeger bepaalden tijd behoefden af te treden, »wel verstaande, dat daartoe vercoren sullen worden, de bequaamste ende nutste personen uyt het geheele corpus van de gemeente, zonder reguard te nemen op de quartieren, schoten ofte loten, ofte ook dat deselve in voorlede jaren zullen gedient hebben, zullen de verkiezingen en de advysen diesaangeande vrij zijn, als in andere steden van Holland ende dit alleenlijk voor den tijd van drie eerstcomende jaren, als voorseyt is; te eynden, dat de staten voornoemt verhopende, dat de steede wederomme gecomen sal wesen tot haren ouden fleur, hebben belooft ende beloven mits dezen die van Oudewater voornoemd, wederom te laten genieten, het voornoemde privilegie naar zijnen form ende inhouden. [324]"
Het is mij niet gebleken, of na verloop van deze drie jaren, de verkiezing weder op den ouden voet van 1401 plaats had, stellig echter moet het gebleken zijn, dat dit octrooi niet langer haltbaar was, daar wij in het jaar 1591 gewag gemaakt vinden van de volgende nieuwe octrooijen voor Oudewater, rakende de verkiezing van Burgemeesters, schepenen en vroedschappen der stad.
De Ridderschap, Edelen ende Steeden van Holland en Westvriesland, Representeerende de Staten van denselven Lande, doen te weten, Alsoo tot dienste der Steede van Oudewater, ende ten eynde de ingezetenen van dien in goede ordre ende gerustheid mogen gehouden, ende onder het gebied ende Respect van de Magistraaten wederom tot welvaren gebragt werde, ende Regt ende Justitie aldaar gebruyckt ende onderhouden als naar behoren nodig bevonden is te voorsien, aangaande het stellen van de Burgermeesteren, Schepenen ende Vroedschappen aldaar, naar jegenwoordige gelegentheid der selver Steeden, ende sonder de præjudicien van de Privilegien van dien, Zoo is 't, dat wy hier op gesien hebbende de Privilegien ofte Octrooi van Hartog Albrecht van Beijeren H. Gl. die van Oudewater voornoemd verleend, in den Jaare 1401, uyt onse regte weetenschap den voorn. van Oudewater gegund, geconsenteerd, ende geoctroyeerd hebben, Gunnen, Consenteeren, ende Octroyeeren by deesen, dat aldaar geëligeerd ende gesteld sullen worden by syn Exellentie als Gouverneur van de Lande van Holland, &c. Vier en Twintig Personen tot Vroedschappen der voorsz. Steede van Oudewater, uit alle sulke meerder getal van de bequaamste, rijkste en vreedsaamste derselver Steede als bij de voorsz. Magistraaten syn Exellentie sal worden gepræsenteerd ende dat voor de eerste Reyse, ende soo wanneer eenige derselver Vroedschappen sullen koomen te overlyden, of uyt de voorsz. Steede metter Woone te vertrekken, ofte dezelve om eenige andere oorsaaken, soude mogen verlaaten werden, dat in de plaatse van deselve by de Burgermeesteren in der tyd, ende de andere Vroedschappen aldaar eenen anderen meede van de Rykste, gequalificeerdste, vreedsamigste verkooren en by de Borgermeesteren geëed sal worden. Item dat den Bailliuw, Borgermeesteren, ende Vroedschappen alle Jaars op den 25 April nomineeren sullen Vier Persoonen uyt de Scheepenen in diensten synde, ende Tien Persoonen uyt de voorsz. Vroedschappen ofte andere van de rykste gequalificeerdste Burgerye ende dezelve aan zynen Exellentie by eenen, die de voorsz. Borgermeesteren ende Vroedschappen daartoe sullen Committeeren, ofte in syn absentie aan den President ende Raden Provinciaal van Holland oversenden, omme uyt de vier Twee gecontinueerd ende uyt de Tien vyff Persoonen gekooren te werden, voor een jaar tot Schepenen der voorsz. Steede, die by den Bailliuw van Oudewater van wegen de hoge Overigheid ge-eed in officien gesteld sullen worden; Dat voorts den Bailliuw, Burgermeesteren, Schepenen, Vroedschappen ende Clerq der voorsz. Steede alle Jaars op den 28 Octobris sullen Eligeeren Twee van de Rykste, gequalificeerdste enne vreedsamigste Persoonen derselver Steede het zy uyt de Vroedschap ofte Burgerye tot Borgermeesteren, mits dat zyl. een van de Borgemeesteren van den voorleedene Jaaren sullen mogen Continueeren indien henl. het selve goed dunken zal, Dies en sal men niemand als Borgermeester verkiesen uyt Scheepenen dienende in den tijd van de voorsz. Electie, innegaande deselvde Continuatie den 28 Octobris XVc. twee en negentig, ende die twee Jaaren als Burgermeester gediend sal hebben, en sal na de Expiratie van dien, in de twee eerstkomende Jaaren daar aan volgende niet weder als Borgermeester geeligeerd mogen werden.
Ende en sullen in de voorsz. Vroedschappe niet mogen weesen Vader en Zoon, nogte Schoonzoon, nogte Twee Gebroeders, nogte insgelyks als Burgermren, nogte Schepenen gelyk op eenen tyd niet mogen dienen, die malkanderen in Consanguiniteit en adfiniteit als voren syn bestaande, nogte ook Zusters kinderen, ende dit alles voor den tyd van tien Jaaren eerstcomende, ende onverminderd de Privilegien ende Geregtigheeden der voorsz. Steede ende ten eynde deese onse jegenwoordige Brieven van Octroy mogen worden agtervolgd ende onderhouden; ordonneeren wy dat deselve in de Griffie van de voorn. Hove sullen worden geregistreerd ende dat voorts een ygelyc hem daar na sal hebben te Regaleeren.
Gegeeven in den Hage onder onse Groote Zeegelen hier aan gehangen, den naastlesten Augusty in 't Jaar onzes Heeren 1591.
ORDONNANTIE van de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland en Westvriesland voor de Regering van Oudewater, omme te Eligeeren twee Persoonen tot Burgemeesteren derselve Steede.
De Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland ende Westvrieslandt, gesien hebbende 't inhoude van den Octroye by den Heeren Staaten, die van Oudewater den Naastlesten Augusti lestleden verleend, hebben verklaard, ende geordonneerd, verklaren ende ordonneren by deesen, Dat den Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen, Vroedschap, ende Clercq der voorsz. Stede, den XXVIIJen. Octobris toekomende sullen Eligeeren twee van de Rycxste, Gequalificeerdste, ende Vreedsamichste Persoonen derselver stede, 't zy van de Vroedschap, ofte Burgerye, tot Burgemeesteren sonder dat syl. ouyt den Burgemeesteren ende Schepenen jegenwoirdelick dienende, agtervolgen denzelven Octroye yemand sullen mogen kiezen.
Gedaan in den Hage den XXIIIJen. Octobris XVc. Een en 't Neegentich.
(Onder stond)
Ter Ordonnantie van Gecommitteerde Raden van Staten voornoemd.
(Was geteekent) C. DE RECHTERE.
In het jaar 1600 toen de tijd van toepassing van dit octrooi verloopen was, werd op het verzoek van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen der stad Oudewater, om voortaan te mogen blijven bij het octrooi dato den 29 Augustus 1591, omtrent het stellen van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschap aldaar, hen dit niet toegestaan, doch hetzelve werd bij resolutie der Staten van Holland, dato den 13 September 1600 nog met tien jaren dus tot Ao 1611 verlengd.
Toen die tijd echter wederom verstreken was, en de Magistraat van Oudewater zich bij die volmagtiging wel bevond, zoo hebben de Staten, deze stad op den 8 September in het jaar 1611 daarin bevestigd tot wederopzeggings toe. [325]
In zoodanigen staat bleef de electie van de magistraatspersonen tot den tijd toe, dat de Burgemeesters en Vroedschappen zich genoopt zagen, om door het afsterven van vele der aanzienlijkste, en tot de regering bekwaamste personen, met opzigt tot het getal der Vroedschappen aan de Staten te verzoeken, dat dezelve van vier-en-twintig tot op achttien mogten uitsterven,--dit werd dan ook door de Staten toegestaan op den 10 Februarij 1671, mits de aanstelling van de andere Magistraatspersonen, in gevolge de privilegien en vorige octrooijen in zijn geheel bleef.
Van voornoemd jaar 1671, werd Oudewater nu 101 jaar geregeerd, door een Bailjuw, twee Burgemeesters, zeven Schepenen en achttien Vroedschappen, die ieder een Secretaris hadden.
101 Jaar zeiden wij, immers in het jaar 1772 werd weder bij octrooi bepaald, dat het getal der Vroedschappen nu tot op 12 mogt uitsterven.
Alvorens nu verder te gaan, om eene andere regeringsvorm in Oudewater te gaan beschrijven, vinden wij het niet ongepast, nog iets omtrent de wijze van aanstelling, en de waardigheden dezer betrekkingen te Vermelden.
De Bailluw van Oudewater was tevens Opper-Dijkgraaf der onder de stad behoorende Landen en had ook het Schoutsambt van Hollands Graaflijkheid in pacht. Zijne aanstelling geschiedde door de Staten van Holland om genoemd ambt gedurende zijn leven te bedienen. [326]
Ingevolge de handvesten, voorregten en later genomen besluiten, werd de Bailluw doorgaans gelast, om ieder jaar de benoeming of het dubbel getal van Schepenen aan de Heeren Staten en bij derzelver afwezigheid aan hunne Gemagtigde Raden [327] tot het doen der verkiezingen over te brengen, die dan ook de verkiezing deden, en dezelve per brief aan den Bailluw overzond om den verkozen in hunne betrekking te stellen en te [328] beëedigen.
Voorts had de Bailluw een Stedehouder of plaatsbekleeder, die bij afwezigheid of ontstentenis van den eerste, in alles den Bailluw vertegenwoordigde.
De twee burgemeesters, die ieder jaar op den 28 October bij meerderheid van stemmen verkozen werden, moesten, zoowel de aanblijvende als aankomende Burgemeester, of Burgemeesters, in handen van den oudsten aftredenden Burgemeester, den navolgende eed doen en beloven. [329]
»De Graaflijkheid van Holland mitsgaders deeze stede gehouw ende getrouw te zullen zijn, alle de stads voorrechten, Handvesten en keuren voor te staan en te handhaven, goede politie onder de burgers en gemeente te onderhouden, mitsgaders de Kerk, 't Gasthuis, den Heiligen Geest, 't Weeshuis, Weduwen en Weezen, in huerlieden geregtigheid te helpen, beschermen, en voorts alles te doen, 't geen goede en getrouwe Burgemeesteren schuldig zijn en behooren te doen."
Een dezer Burgemeesters, en wel doorgaans de oudste in bediening, nam het Thesauriers- of Schatmeesters [330] ambt waar, voor den tijd van een jaar, hij hield de kas van de goederen en inkomsten der stad, en moest binnen het jaar, nadat hij van zijne bediening ontslagen was, van zijne administratie en bediening als zoodanig, ten overstaan van de geheele Vroedschap, behoorlijk rekening en bewijs doen. [331]
De zeven Schepenen, uit eene benoeming of dubbel getal, op den 25 April van ieder jaar gemaakt, werden door de Staten van Holland of bij derzelver afwezigheid, door de Gemagtigde Raden verkozen, en moesten den navolgenden eed in handen van den Bailluw doen en zweren: [332]
»Dat zy lieden recht ende justitie onpartydelyk tusschen twee mans dingtallen zullen bedienen, en zulks t' allen tyden ter Vierschaare te verschynen, des by den Heer daartoe verzogt zynde, en voorts alles doen, 't geene goede en getrouwe Schepenen schuldig zyn en behooren te doen." [332]
Tot 1 Januarij 1806 als wanneer het vernietigd werd, had Oudewater ook nog Schepen-Commissarissen ter Judicature van den gemeene lands middelen, niet alleen in zaken over de stad voorvallende of ondernomen wordende, maar ook over Hekendorp, Linschoten, Snelrewaard, Dijkveld, het Land van Vliet en Roozendaal, zijnde alle bijzondere regtsgebieden, en daarom was volgens het 15 art. van Hunner Ed. Groot Mog. Generaal placaat op den ophef van de gemeene middelen gegeven, deze stad de hoofdplaats van het voorschreven District.--Van al de uitspraken en vonnissen mogt echter geappelleerd of gereformeerd worden aan de Ed. Mog. Heeren, Gemagtigde Raden der Ed. Gr. Mog. Heeren, de Staten van Holland en West-Vriesland.
De Burgemeesters en Vroedschappen kiezen bij 't openstaan van een overledene, met der woon naar elders vertrokken, of zijnen dienst verlaten hebbende Vroedschap, eenen anderen in diens plaats, welke in handen van de in bediening zijnde Burgemeesteren den eed moet afleggen, en volgens het Octroy en de Continuatie van dien [333] zweeren:
»Dat hy de Ridderschap, Edelen en Steden van Holland ende West-Vriesland, als verbeeldende de Staten van het zelfde Land, mitgaders de Burgemeesteren en Schepenen deezer Stede gehouw ende getrouw zyn zal, en op 't verzoek van Burgemeesteren voorsz. t' alle tyden op 't Stadhuis der zelver Stede verschijnen, om den zelfde Burgemeesteren en Schepenen te helpen raaden en besluiten tot nut, dienst ende welvaaren der voorsz. Stede, zulks hy in zyn gewisse, en beste Weetenschap zal oordeelen te behooren in gevolge van 't voorsz. Octroy der Heeren Staten."
De Secretaris werd ingevolge zeker voorregt van Albrecht, paltsgrave op den Rijn, als Graaf van Holland verleend, op den 18 Mei Ao. 1394 [334] bij de Burgemeesteren gelast en aangesteld. [335] Hij deed den gewoonlijken eed tot dat ambt in alle steden ingebruik, en had stem in de jaarlijksche verkiezing van Burgemeesters. Was hij daarbij echter ook Vroedschap, dan mogt hij toch altijd maar eene stem in de verkiezing uitbrengen. [336]
Naamlijst der respective Bailluwen, Castelleinen en Dijkgraven van de stad Oudewater met de daaronder behoorende landen, voor zoo ver de in de Registers zoo van het land als de stad te vinden zijn.
1. Bartholomeus van Cattendijk. Aangesteld den 16 Junij 1509.
2. Bertelmeus van Egmonde.
3. Jonkheer Jan van Vliet, Schildknape, Heer van Vliet, Hoenkop en Berge-Ambacht tot Castellein van het slot van Oudewater aangesteld, op den 3 November 1519, »by Kaerle, by der Gracien Godts koninck van Castilien van Leons etc. volgens commissie geregistreerd en te vinden in 't blaauwe ruyge Register, fol 34."
4. Jan Jacob Gerritz.
5. Gerrit Jan Jacobsz. voor één jaar aangesteld den 28 Januarij 1554 »bij de Luyden van de Reekeningen des Conincks in den Hage volgens lastbrief, te vinden in 't vijfde boek van de verpagtinge der offitien, fol. 28 vso."
6. Jonkheer Pieter van Catz, Maarschalk van Montfoort aangesteld den 30 December 1555 »by de Luyden van Rekeningen des Coninks in den Hage en volgens commissie geregistreerd in 't vijfde boek der verpagtinge van offitien, fol. 42, ende gecontinueerd by Philips by der Gracien Godts Gonink van Castilien Leon etc. zijnde de connuatie geregistreerd in 't swarte Ruyge Register fol. 299 vso."
7. Jacob van Alkemade, geheeten van Berry, Ambachts Heer van Comstrije. Aangesteld den 31 Januarij 1560 »by de Luyden van de Rekeningen in den Hage volgens Commissie geregistreerd in 't zesde boek der verpagtinge van offitien. fol. 7 vso."
8. Gerrit Jansz. aangesteld den 8 Januarij 1565 bij de »luyden" als voren, en volgens commissie geregistreerd in het voormelde zesde boek, fol. 20 vso.
9. Thijmen van Leeuwen, aangesteld als voren den 15 Maart 1565, volgens commissie geregistreerd in hetzelfde boek fol. 22.
10. Gerrit Gerritz Craijestein. Aangesteld den 20 November 1574 bij de »luyden" van des konings rekening te Delft. Ingevolge resolutie der staten van Holland dato den 23 Maart 1583, is hij ook aangesteld op den 15 April 1583 door de »Luyden" van Rekeningen in Holland tot Bailluw en Dijkgraaf der drie gehuchten Lange Linschoten, Snelrewaard en Heeckendorp paalende aan de stede van Oudewater en werd als zoodanig volgens commissie geregistreerd in het eerste witte Register van de verpachting der offitien, fol. 38 vso.
Deze ambten heeft hij tot in het jaar 1618 bekleed als wanneer hij is overleden. [337]
11. Jonkheer Gelijn Zegers van Jegen, Ridder, Heer van Wassenhoven. Aangesteld den 5 Julij 1618, bij die van de Rekeningen der Graaflijkheid van Holland te 's Gravenhage.
12. Mr. Karel van Willigen, aangesteld als voren op den 5 Januarij 1638.
13. Hendrik Schrijver. Aangesteld den 9 Mei 1659. [338]
14. Gijsbert van Craijestein. Aangesteld de 11 Mei 1665 en gestorven den 21 Januarij 1669.
15. Johan van Leeuwen. Aangesteld den 1 Februarij 1669.
16. Mr. Hendrik Schimmelpenning. Aangesteld den 2 Januarij 1670.
17. Quirijn van Strijen. Aangesteld den 15 Januarij 1674, gestorven den 31 Januarij 1694.
18. Mr. Cornelis Schaap. Aangesteld den 5 Februarij 1694. gestorven den 28 October 1725.
19. Gaspar Rudolf van Kinschot, Heer van Nieuwerkerk. Aangesteld den 9 November 1725. Deszelfs eerste Commissie is geregistreerd in XIX Witte register der verpachting van de offitien fol. 232 [339] hij stierf in het jaar 1747.
Tot dus ver de lijst des Heeren van Kinschot, gaan wij nu door dezelve te completeren.
20. Mr. Willem Dekker, aangesteld 19 September 1748.
21. Mr. Jan Hugo van Streijen, aangesteld 17 Maart 1753.
22. Mr. Aart van der Goes, aangesteld 16 Julij 1768, gestorven anno 1789.
23. Mr. Engelbert Paauw, aangesteld 13 Maart 1789.
Bij de resolutie van 1795, van deze posten geremoveerd zijnde, is op den 22 Januarij van laatstgenoemd jaar in deszelfs plaats verkozen:
24. De Burger, Johannes Justus Montijn, die op den 1 April 1795 van de provisionele representatie van 't volk van Holland deszelfs commissie heeft ontvangen, zijnde geregistreerd in het IX register der commissie,--dan de regtbank, onder het bestuur van Keizer Napoleon vernietigd zijnde, zijn deze posten sedert vervallen.--
De breedvoerige omschrijving der Maires en adjunct Maires onder het Fransch bestuur, gaan wij stilzwijgend voorbij, alleen vermelden wij, dat tot in het jaar 1832 het hoofd der Gemeente was, laatstelijk natuurlijk met den titel van Burgemeester, Johannes Justus Montijn voornoemd, die in deze betrekking werd opgevolgd door:
25. Adriaan Maarten Montijn, en wel in hetzelfde jaar 1832. ZEd. Achtb. verzocht echter in 1855 van dit ambt ontheven te worden, weshalve hem in dit jaar eervol ontslag door Z. M. den Koning werd verleend.
26. Rijnardus William Haentjens Dekker, bekleedt thans sedert primo Januarij 1856 het ambt van Burgemeester der Gemeente Oudewater.
De naamlijst der Secretarissen dezer stad, zijn sedert den jare 1547 de navolgende, waarvan men melding gemaakt vindt:
1 Pieter Speyert, was in dienst den laatsten Februarij 1547.
2 Dirk Simonsz., vermeld in de Resolutien van Holland, den 5. Februarij 1575.
3 J. Bonser, was in dienst 1581.
4 D. v. Luytens, vermeld in de Resolutien van Holland, den 15 Julij 1584.
5 S. J. Bonser, was in dienst 1605.
6 Mr. . . . . . Everdingen.
7 H. De Hoy, was in dienste 1634.
8 Dirk Tromper.
9 Gerard Kersseboom, aangesteld den 13 Julij 1673.
10 Mr. Pieter Schrijver van Roodenburgh, aangesteld den 13 Julij 1690.
11 Adriaan Maas, aangesteld den 10 April 1725.
12 François van Hoogstraten, aangesteld den 3 Januarij 1743.
13 Dominicus de Jong, aangesteld Anno 1758.
14 Jan de Keyser, aangesteld anno 1789.
15 Adriaan Maarten Montijn, aangesteld onder het Fransch bestuur der maires A. 1811, werd ook na de omwenteling als zoodanig benoemd, en is in het jaar 1837 in deze betrekking bevestigd. Op Z.Ed. verzoek, is hem als zoodanig door Z. M. eervol ontslag verleend, in te gaan den 1 Januarij 1856.
16. Rijnardus William Haentjens Dekker, door den Gemeente Raad benoemd, den 8 Februarij 1856.
Ziedaar in korte breede trekken iets omtrent de regering en de regeringspersonen alhier. De Gemeente-Raad van Oudewater, bestaat tegenwoordig ingevolge de »Wet tot regeling van de zamenstelling, inrigting en de bevoegdheid der Gemeente besturen" uit 7 leden met eenen Burgemeester, die met 2 Wethouders het collegie van dagelijks bestuur uitmaken, terwijl aan den Gemeente Secretaris en den Gemeente Ontvanger, insgelijks in laatstgenoemde wet hunne verpligtingen worden aangeduid.
De octrooijen van Graaf Aalbrecht, en de resolutien der Staten van Holland, omtrent de benoeming van den Magistraat van Oudewater zijn gelukkig reeds lang krachteloos verklaard, en de aanstelling als zoodanig, geschiedt thans in alle gemeenten van Nederland ingevolge de bepalingen vervat in één en dezelfde wet.
Oudewaters voormalig regt,
VAN RANG EN SESSIE IN DE STAATSVERGADERING VAN HOLLAND.
Hebben wij nu gezien, dat er omtrent het bestuur van iedere gemeente van Nederland en bijzonder met dat van Oudewater groote hervormingen plaats hadden, ook het landsbestuur onderging niet minder groote veranderingen.
Immers de Staten Generaal, verdeeld in Eerste- en Tweede Kamer, alsook de Provinciale Staten--de twee laatste ligchamen uit vrijwillige stemming geformeerd--zijn allen in deze eeuw daargesteld.
Wanneer er eertijds over 's Lands aangelegenheden moest gesproken worden, dan werd er vergadering belegd van Ridders en Edellieden uit verschillende oorden des lands, en de groote en kleine steden van Holland, werden dan insgelijks beschreven ter Staatsvergadering te verschijnen, en eene deputatie uit den Magistraat eener zoodanige gemeente, woonde dan de bijeenkomst bij en had daarin regt van stem.
Ook Oudewater mogt zich beroemen, de eer te hebben om zijne gemagtigden, zitting te doen nemen in 's Lands Hooge Vergaderingen en stem te laten uitbrengen, omtrent de gewigtigste aangelegenheden, van het veel tijds zoo benarde Vaderland.
Is de Koninklijke residentie 's Gravenhage nu alleen de plaats van bijeenkomst voor Nederlands vertegenwoordigers, vroeger werden er ook in eene menigte andere plaatsen van ons Vaderland zoogenaamde dagvaarten gehouden; zoo ook had de beschrijving van de Vergadering der Staten vóór Prins Willem den I geen vasten voet; immers, nu eens werd zulks gedaan, door den Graaf of zijnen Stadhouder, en de Raden van het Hof, [340] dan weder door 's Lands Advocaat, en den Algemeenen Ontvanger.--Genoemde Prins beweerde echter, dat het streed met de achtbaarheid [341] des hofs, dat de beschrijving door den griffier geschiedde en dat het regt de Staten ter dagvaart op te roepen, hem alleen toebehoorde; de Prins wist dan ook de bewilliging van Margaretha, Hertogin van Parma als Landvoogdesse te verkrijgen, [342] dat alle Staatsvergaderingen streng verboden werden, die zonder zijne aanschrijving en bewilliging geschiedden.
Na den moord van den Prins op den 10 Julij 1584, werd kort daarna de vergadering der Gemagtigde Raden opgerigt, en aan deze liet men sedert dien tijd altijd het beschrijven van 's Lands Staten over.
Van Kinschot getuigt, [343] dat de Vergadering der Staten gedurende een twintigtal jaren, n.l. van 1524 tot 1544 zeer verward is geweest, doch dat men op dezelve veeltijds vermeld vindt de edelen en de zes navolgende plaatsen, die groote steden genoemd werden [344] te weten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda en Amsterdam, echter werden ook wel nevens deze laatste steden de kleine steden beschreven,--waaronder zoo als wij weten ook Oudewater behoorde, zonder dat er echter een vaste orde of rang in gehouden werd.
a. Op den 16 Mei 1525 verschenen ter Staten Vergadering [345] nevens de Edelen, Ridders en groote steden onder de kleine steden, ook de Gemagtigden van Oudewater.
b. Te 's Gravenhage verschenen op de dagvaarten van 24, 25 en 26 Mei 1525 namens Oudewater Jacobs Gerrits en Gerrit. [346]
c. Te St. Geertruidenberg op het stadhuis den 17 Junij 1525, verschenen ter vergadering ook wel die van Oudewater, doch van hen en die van Enkhuizen staat geboekt, »dat men dezelve niet en konde met meer andere van de kleine steden." [347]