Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst
d. Zekere torenklok,--die den volke het geheele uur verkondigt, is
aan twee zijden versierd met een bisschopsafbeelding, onder iedere waarvan staat
St. Willebrordus.
Ook dit doet aan zijn patronaat denken.
e. Van waar halen Kinschot en zoo velen de meening, dat deze ijverige geloofsheld later de patroon zoude geweest zijn. Deze sage pleit welligt nog het sterkst voor het algemeen gevoelen.
Doch moeten wij omtrent St. Willebrordus' patronaat nog eenigzins twijfelachtig de schouders ophalen, bepaald weten wij, dat zulks omtrent den aartsengel Michiel niet het geval is; wij gaan het aantoonen.
Het feest eens kerk-patroons wordt bij de roomschgezinden met plegtigheid gevierd en de opkomst naar de kerk van de leden eener zoodanige gemeente, is op dien dag natuurlijk groot. Vreemdelingen kwamen dan, vooral eenige eeuwen geleden, op dien dag hunne waren ten verkoop aanbieden, en hierdoor ontstonden de kermissen.
Voor eenige jaren nu--stadgenooten weten dit--was alhier de kermis-aanvang nog des Maandags na St. Michielsfeest [146] en alzoo kan hieruit reeds met zekerheid St. Michiel als voormalige kerkpatroon worden aangemerkt.
e. BOUWORDE EN CONSTRUCTIE VAN KERK EN TOREN.
De bouworde van beiden is, zooals met een oogopslag aan de spitsbogen en versierselen te zien is, der schoone en symbolische gothiek gevolgd.
Wat hare constructie aangaat, zij zou eigenlijk verdeeld moeten worden in drie voornamen klassen en wel:
1. Hare oorspronkelijk constructie. 2. Dezelve na de reformatie en, 3. Na het jaar 1858 of zoo als zij zich nu vertoont.
Indien--en wij nemen aan het vrij exact te doen--indien wij de kerk en haren oorspronkelijken staat in den geest bezochten, dan zouden wij tevens haar beschrijvende, de symbolische beteekenis van het geheel, zoowel als van hare onderdeden niet kunnen voorbij gaan, om dat het gelijk een weefsel is en een geheel uitmaakt; de beperkte ruimte echter waarover wij te beschikken hebben, is eene der redenen, waarom wij het niet doen, te meer daar wij ook hiervoren reeds beloofd hebben, zoo veel mogelijk uitsluitend op een meer geschiedkundig terrein te blijven.
Als zoodanig dan stellen wij ons voor, de leemten eenigzins aan te vullen, die de Heer van Kinschot, de constructie van de kerk beschrijvende heeft gelaten, eenige der veranderingen aan te stippen, die na zijnen dood de kerk onderging en de naamlijst der predikanten, op zijn voetspoor te completeren tot op onzen tijd.
Op bladz. 30 en 31 [147] lezen wij omtrent hare constructie:
»De parochie kerk hier ter stede is al vrij aanzienlijk, en met twee choren voorzien. Het eerste (was) aan het H. Sacrament, het andere aan de H. Maria toegewijd...
»Zij staat kort bij en aan de rivier de IJssel, is van eene groote ruimte, rustende op zestien pilaren in twee reijen verdeeld, en had voorheen drie kruizen wulfsels, die in het jaar 1732 vertimmert zijn.
»In deze kerk hebben reeds vóór het jaar 1329 vier altaren gestaan, zijnde toen door Diderik Kiel en anderen een vijfde daar bij gesticht, waar bij nader mogelijk nog meerdere gekomen zijn, die met eenige vicarijen en inkomsten voorzien werden."
»Aan den torenmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van binnen met bisschoppen en andere roomsche geestelijken, in knielende en biddende gestalte beschildert zijn.--Dit orgel, door deszelfs oudheid onbruikbaar geworden zijnde, heeft men in het jaar 1645 een kleiner naast den toren, ter zijde het oude geplaatst."
Was de geheele kerk, zoo als wij reeds ter neder schreven aan St. Michiel gewijd, zoo werden echter ook de altaren, »naast den almogenden Godt" aan zekere heiligen toegewijd.
De Heer van Kinschot maakt gewag van vijf altaren,--dit getal is echter later minstens nog met een vermeerderd. Wij kunnen dit met zekerheid bepalen, dewijl wij de verschillende namen dier autaars duidelijk, als in deze kerk aanwezig geweest zijnde, hebben aangetroffen.
Laat ons het aantoonen.
De twee choren, zagen wij aan het H. Sacrament en de H. Maria gewijd.
Oude, in ons bezit zijnde pergamenten [148]--die wij ieder oudheid minnaar met genoegen willen toonen--maken gewag van een St. Cornelis autaer [149] en van een St. Jans autaer [150]. Zeker stuk [151] op het gemeente archief aanwezig, maakt gewag van een St. Jacobs autaer en het ten jaren 1329 door Diederik Kiel enz. gestichte, was ter eere van den almogenden Godt en de H. Catharina. [152]
Van meerdere altaren dan de zes hier genoemde, vinden wij geen melding gemaakt, en wij zouden die ook bezwaarlijk in onze gedachten in de kerk te regt kunnen brengen.--Voor de zes genoemde wagen wij het.
1. Het hoofd-altaar (aan het H. Sacrament) bevond zich ongetwijfeld, in de oostwaarts uitstekende groote nis of apside.
2. Daar naast stond volgens de sage, ter noordzijde van het H. Sacrament altaar, insgelijks een autaar, dat volgens Kinschot aan de H. Maria gewijd was en trouwens zeer in de geest der kerksymboliek is.
3. Een derde altaar zal hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn geweest in de tegenwoordige catechiseerkamer, ten zuidoosten der kerk, te meer daar wij ook met eenige zekerheid de voormalige sacristy daarin denken.--Nog op dezen dag bezit die »kamer" een fraai gothisch gewelf.
4. Ook de tegenwoordige consistorie, ten noorden der kerk, waarin ons insgelijks de gothische bouwkunst nog frappeert, zal een altaar hebben omsloten.
5. Vroeger was de kerk een kruiskerk, zoo als gemakkelijk in Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden op het plaatje de kerk en toren voorstellende, te zien is.--Het zuidelijk uitspringende gedeelte is reeds lang verbroken, doch ook daarin denke men zich met gerustheid een altaar--en ten
6. Bevond zich in de kerk, aan de westelijke zijde, nog een doopkapel waarin welligt het St. Jans autaer zal aanwezig geweest zijn.
Laat ons bij het laatstgenoemde nog een weinig toeven.
Waarom nu mijne lezers stond daar aan de westelijke zijde zoo veel mogelijk van het hoofdaltaar verwijderd de doopkapel?--Vele redenen had men hiervoor o. a. deze.--De kerksymboliek gedoogde niet, dat de nog ongedoopte kinderen, tot het eigenlijke kerkgebouw zouden toegang hebben; heidenen als zij waren, werden zij dus westwaarts herwaarts gebragt, om zoo te kunnen over gaan tot de rei der christenen, die in de oude kerken toen meestal baden met het aangezigt naar het mysterieuse oosten.
Zeer opmerkelijk waren de veelhoekige zijden dezer kapel en voornamelijk was dit in haar dak op te merken--hoogst waarschijnlijk was zij achthoekig--toen men dezelve in 1858 verbrak, speet het ons later, dit toen niet te hebben nagegaan,--een steenen duif, het symbool van den H. Geest, aan het gewelf vóór de afbraak aanwezig, doet ons nog meer aan de doopkapel denken [153] te meer daar acht stralen van de duive uitgaan.
Twijfelt men nog aan de waarheid, dat daar de doopkapel was, zie dan nog meerdere gronden.
Uitgenomen, dat het nu al meer en meer duidelijk wordt, dat het St. Jans autaar daarin aanwezig zal geweest zijn, te meer als wij aan St. Joannes Baptist denken, die hier door St. Jan moet worden verstaan, vond men bij het amoveren dezer kapel, in hare bevloering, ongeveer drie palmen met zand overdekt, een fraai doopvont, van blaauwe steen; in den omtrek was hetzelve achthoekig, hoewel het eene ronde vochtholte bezat. [154]
Nadat wij u hebben opmerkzaam gemaakt op het getal acht in onze doopkapel, vermelden wij u ook de symbolische beteekenis er van.
De meeste of liever vele doopvonten, geachte lezer, waren eertijds achthoekig, omdat het getal acht, de acht zaligheden aanduidt en ten tijde van St. Ambrosius was het reeds een symbool van 's menschen wedergeboorte door het doopsel. Doch genoeg van de doopkapel, laat ons nu nog de muur- en gewelf-schildering kortelijk onze aandacht wijden.
»Reeds ten tijde van Karel de Groote, was het beschilderen der kerkwanden, met leerzame en stichtende beelden, bepaald voorschrift en in de eigenlijke middeneeuwen lezen wij, dat, men in de kerken, bijna geen enkele witte plek kon aantoonen. [155]"
Ook in onze kerk trof men ten vorige jare o. a. in de apsis, sporen van muurschildering aan, zoo ook in de gewelven der doopkapel, doch in beiden is men met zoo veel ruwheid te werk gegaan, dat men niets hiervan heeft kunnen copieren.
Voorts bevonden zich nog voor de reeds meermalen genoemde reconstructie aan de zuidzijde in het verwelf der kerk eenige wapenschilden met een jaartal.
Het geheel had ongeveer de grootte van eene Nederlandsche el breedte en lengte--eigenlijk waren de voornoemde wapens slechts eenvoudige schilden, zonder strengen heraldische eigenschappen: een dezer schildjes toch was beschilderd met metselaars, een andere met timmermans een derde en vierde naar het ons voorkwam--het was door oudheid onduidelijk--met smidsgereedschappen en boogschutterswerktuigen. Het omschrift was in Gothische letters aldus:
I H S
Maria Joseph
terwijl beneden de schilden stond:
ao dni xvc ende 111 [156]
Wat de beteekenis dier schilden aangaat, wij houden het er voor, dat de afbeeldingen der gereedschappen van die verschillende bedrijven zoovele gilden vertegenwoordigen,--en dat die gilden, de kosten der gewelfschildering gezamelijk hebben bekostigd. Trouwens, dat de gilden toch zulks meer deden a. m. D. g. hiervan zou menig voorbeeld zijn aan te brengen. Nu wij dit dan weten, kan het, dunkt ons geen verwondering baren, de gereedschappen huns bedrijfs op een verwulf tot aandenken van hunnen Godsdienstigen ijver te vinden.
Neemt men nu wijders in aanmerking, dat wij in van Kinschots Oudewater bladz. 31 lezen: »aan de toornmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van binnen met bisschoppen en andere Roomsche geestelijken in knielende en biddende gestalte beschildert zijn" enz., dan kunnen wij bijna veilig bepalen, dat zich ook hier bijna »geen enkele witte plek zal vertoond hebben."
De kunstkenner en kunstminnaar zal helaas echter bij een bezoek in deze kerk niets meer van deze schilderingen aantreffen, alles wat wij er van beschreven is verdwenen en spoorloos verdwenen. [157]
Van de oude orgels zelve, waarvan Kinschot gewaagt, is mede niets meer te zien, doch onder eenige aanteekeningen ons van een vriendelijke zijde geworden, vinden wij o. a. »De orgelkas en wapenborden in de prot. kerk, die na de revolutie in 1795 van hun plaats zijn genomen, werden, voor zoo ver zij niet door de eigenaars waren gehaald, den 29 Mei 1800 publiek verkocht!"
In 1838 werd echter weder een orgel aan de westelijke zijde der kerk gebouwd, dat in hooge mate sierlijkheid met aangenaam toongeluid vereenigt.
Dit orgel is vervaardigd door onzen bekwamen Rotterdammer de Heer Kam--het is voorzien van twee clavieren en vrij pedaal terwijl zijn geheel niet weinig tot verfraaijing der kerk toebrengt.
De ingangen der kerk ten tijde harer stichting waren de volgende: twee aan den toren en wel aan de noord- en zuidzijde, zoo als nog te bemerken is, hoewel zij niet meer gebruikt worden.
Voorts was er een aanwezig aan de zuidzijde der kerk, het portaal daarvan is verbroken, doch de ingang bestaat nog--terwijl de ingang ten noorden, eveneens nog in aanzijn, waarschijnlijk wel van hare stichting zal dagteekenen. [158]
De tegenwoordige ingangen ten oosten, mag men volstrekt niet als van hare stichting dagteekenende, beschouwen.
De beschrijving der vroegere en tegenwoordige gedaante onzer schoone kruiskerk, mag ik niet eindigen, zonder aan de grafmonumenten van eenigen de aandacht mijner lezers te hebben bepaald.
Het eerst laten ook wij in aanmerking komen, de grafmonumenten, van wijlen onzen beroemde stadgenoot de Heer Rudolph Snellius van Rooijen.
Op de grafzerk, die eertijds zijne asche drukte, stond volgens Rademaker [159] een Latijnsch en Duitsch omschrift, waarvan het laatste aldus luidde:
Hier leit begraven Rudolphus Snellius van Rooijen in sijn leven Professor Matheseos in de Universiteit van Leiden sterft den 2 Maart Anno 1613. [160]
Naar wij vermeenen is deze steen thans verlegd en aanwezig in het oostelijk gedeelte der kerk, in plaats van "in de noordzijde der kerk in den 12 regel het 11 graf"--waar hij vroeger aanwezig was, het zou dus later eenige verwondering kunnen baren zijne grafzerk [161], in het oostelijk en zijn monument in het noordelijk gedeelte der kerk aan te treffen.
Dit monument is wel der vermelding waardig--het is bevestigd aan een pijlaar, van verschillenden marmersteen daargesteld, en naar de Ionische bouworde vervaardigd, terwijl het geheel door 's grooten geleerden wapenschild wordt gedekt en door weenende kinderen vastgehouden.--Het volgende omschrift is daarin te lezen:
PIAE MEMORIAE VIRI CL. RUDOLPHI SNELLII A ROYEN, PATRICII VETERAQUINATI; QUI ANNO M. D. XLVII. V. OCT. NATUS IUVENTUTIS PARTEM DOCENDIS MARPURGI IN HASSIA LITERIS ET ARTIBUS CUM LAUDE EXERCUIT, AETATEM RELIQUAM IN ACAD. LEYDENSI. TUM MATHESEOS TUM HEBRAEAE LINGUAE PROFESSIONE, CUM CURA, FIDE, ET BONO PUBLICO EXEGIT: BIS RECTORATU HONORIFICE FUNCTUS, ILLmis. DUOBUS MAURICIIS, PRINCIPI AURIACO ET LANTGRAVIO HASSIAE, OB ARTIUM QUAS AMABANT PRAESTANTIAM CARUS, TANDEM LEYDAE ANNO AETATIS SUAE SEXAGESIMO SEXTO II. MART. DEO ET NATURAE CONCESSIT. HOC PATRIAE LOCO, UBI CORPUS HUMARI IPSE VOLUIT, MONUMENTUM QUOD PATRI DECREVERAT FIL. WILLEBRORDUS PATERNAE VIRTUTIS HAERES ATQUE DECUS, EJUSDEM FILIUS RUDOLPHUS, AVO PONENDUM CURAVIT.
(Luidende in 't Nederduitsch aldus:)
Ter Godvruchtiger Gedachtenisse van den zeer Doorluchtigen Heer RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROYEN; die, na geboren uit een adelijk geslacht te Oudewater in 't Jaar 1547 den 5 October, daarna een gedeelte zijner Jeugd te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen der Talen en Kunsten met Lof besteed hebbende, en het overige van zijnen Leeftijd op de hooge School te Leiden, als Hoogleeraar der Wiskunde, en Oostersche Talen, met vlijt, trouw en algemeen nut hebbende doorgebragt, na dat hij twee malen het Rectoraat met roem bekleed had; en de achting van twee doorl: Mauritsen: den Prins van Oranje en den Landgraaf van Hessen, om zijne uitmuntende kennis in die kunsten, die hun vermaak waren, gewonnen had, eindelijk te Leiden, in den Ouderdom van 66 Jaren, op den 11 Maart, aan God en de Natuur den tol betaalde; heeft op deze plaats van zijne Vader-Stad, alwaar de overledene wilde begraven zijn, het gedenk- en Eereteken, het welk deszelfs Zoon: WILLEBRORDUS SNELLIUS, Volle erfgenaam en Opluisteraar van zijns Vaders deugden, voor zijnen Vader hadt geschikt, deszelfs Zoon RUDOLPHUS SNELLIUS voor zynen Grootvader laten oprigten.
Op het zuider-choor, in den 4 regel, het 6 graf, stond voor ongeveer drie jaren nog het volgende grafschrift. [162]
MORS JANUA VITAE. THEODORUS TROMPER GULIELMI CONSULIS FILIUS, VETERAQUINAS, PATRIAE A SECRETIS, CUM UXORE SUA MARGARITA ARMINIA, IMMORTALITATIS EXUVIIS SUB HOC SAXO DEPOSITIS, EXPECTANT RESURRECTIONEM. NATUS EST AO. M. DC. XXXII. DIE 25. APRILIS. OBIIT ANNO M. DC. LXXIII. DIE 7. MAII. NATA M. DC. XXXVI. DIE 16 OCTOB. OBIIT ANNO M. DC. LXXVI. DIE 20 MART.
(Dat is:)
DE DOOD IS DE POORTE DES LEVENS. Dirk Tromper, Zoon van den Burgermeester Wilhelm Tromper, Oudewatenaar, Geheimschryver van zyne Vaderlijke Stad, en deszelfs Huisvrouw Margariet Arminia verwachten hier, onder deeze zark, het Sterfelyke hebbende geeindigd, eene zalige opstanding. Hy werd geboren in 't Jaar 1632 den 25 April: en stierf in 't jaar 1673 den 7 Mei. Zy zag het levens licht in 't Jaar 1636 den 16 October: en sloot voor 't zelve hare oogen den 20 Maart des Jaars 1676.
Op het hooge- of midden Choor, in den 6 regel, het 6 graf, vondt men op de graf-zark, dit opschrift:
DEO TRINO ET UNI OPT. MAX. SACRUM ET AEVITERNAE MEMORIAE ORNATISSIMI CORNELII JACOBI VANDER HOEF J. V. L. QUI POSTQUAM SOSPES EX GALLIIS REDIISSET. PIE IN COMPLEXU MATRIS ET AMICORUM OBDORMIVIT, IPSIS KALENDIS MARTII M. DC. III. HIC RESURRECTIONIS DIEM EXPECTAT: VIXIT (DEMPTIS OCTO DIEBUS) ANNOS XXIV MARGARETA WILLHELMI, MATER DEFUNCTI. HOC MORTALE IMMORTALIS OBSERVANTIAE MONUMENTUM, DILECTO EHEU! FILIO, MAESTA CUM LACHRYMIS POSUIT' VIXIT ANNOS XXIV. DIEB-, XIIX. MEN 9. [163]
(beteekenende in 't Nederduitsch, als volgt:)
Den Eenen, Drievoudigen, besten en grootsten God Toegewyd, en Ter Eeuwige Gedachtenisse van den zeer voortreffelijken Heer CORNELIS JACOB VANDER HOEF, Licentiaat in de beide Rechten, Die, na dat hy uit Frankryk behouden was te rug gekomen, Godvruchtiglyk in de armen zyner Moeder en Vrienden ontsliep op den 1 Maart van 't Jaar 1603. en hier den dag der weder-opstandinge verwacht. Hy leefde 24 Jaar min 8 dagen. Margareta Wilhelmsdr., des overledenen Moeder heeft dit verganklyk gedenkteeken van hare onsterfelyke liefde aan haren teeder beminden zoon, met betraande wangen, laten oprigten. Leefde 24 jaar, 9 maand: 18 dagen.
Op het voorzeide hooge choor, in den 4 regel, het 3 graf, zag men eertijds op eene grafstede uitgehouwen de onderstaande gedenkwoorden:
NOBILI AC STRENUO, D. JOHANN GIBSON EQUITI, APUD MAG. MAGNAE BRITANNIAE REGEM MILITUM VICE TRIBUNO, ET APUD INLUSTR. BELGII ORDD. CENTURIONI. B. M. CONJUX MAESTA M. H. L. M. Q. J. P. EXCESSIT ANNO AERAE CHRISTIANAE M. DC. XXXV. AETAT. LV.
(Dat is:)
Den Edelen en Dapperen Heer, Johann: Gibson, Ridder, Lieutenant Colonel onder de legertroepen Van den grooten Koning van Groot-Britanje, en Kapitein ten dienste der Hoogm: Heeren Staten Generaal. Des zelfs bedrukte Vrouw, heeft haren Zaligen Gemaal met innige droefheid, en zoo als 't betaamde, dit gedenkteeken Laten oprigten. hij Stierf in 't jaar 1635, volgens de Tydrekening der Christenen, Oud 55 jaaren. [164]
Toen men echter in meergenoemde jaren de kerk vermaakte, werden wij door het beitelen op de kalk eener pilaar aan de zuidzijde der kerk, het volgende opschrift in gothische letters en cijfers gewaar.
Int jaer XVc en XXIIIJ op Sint-Jacobs dach, sterf heer Jan Jacobz... Mert? Int jaer M vierc ende LXXXI op St. Mathijs dach sterf Dirck van Zijl Int jaer XVc en XXIJ den XIIJe Junij sterf Daniel van Zijl Int jaer XV en IIII de XXVe Novembris sterf Jacob Huygz. Int jaer XVc en XIIII te XIIJe Novembris sterf Roelof Jacobzoen Int jaer XV en XXXVI op Sinte Bartholomeus dach sterf Claes Wouters Aecht Wouter Claeszoens weduwe sterf Ao XVc en IIJ (of IIIJ) den XIX dach in Mei.
Vier wapenschildjes in de vier hoeken van den zachten steen uitgehouwen voltooiden dit geheel.
Terwijl op den muur ten noorden der kerk het volgende zigtbaar werd.
Ao XVc de XXX te dach maert sterf Katrijn van Zijl.
Ao XV en XIJ den IJ te dach junij sterf Jan van Zijl.
An XVc en XVIJ den XVIII ten Junius sterf... [165]
Nog een aantal grafzerken zouden te beschrijven zijn, o. a. van geestelijken, en ambtenaren van der stede Oudewater, doch waar te eindigen, en waarom ons langer te bedroeven, over den vernielende beitel des steenhouwers!
Bij het ten einde spoeden der schets van de constructie der kerk en toren mogen wij onzen lezers niet onbekend laten, dat er in 1707 op verzoek van de magistraat aan de Staten van Holland en Westfriesland octrooi bekomen werd tot een loterij van f 600,000 tot redding en zuivering van de stads- en der Godshuizen-lasten enz. (hieronder moet men vooral ook aan de kerk denken). Terwijl in het jaar 1734 op 16 April van wege de Staten van Holland en Westfriesland octrooi werd bekomen voor »Burgemeester en de Regeerders der stede van Oudewater om tot reparatie van het orlogie Beijerwerk en Dak van hare kerk, alsmede het orgel van dien, te mogen negotieren met vrijdom van alle belastingen, de somme van achtien duizend gulden tegen de interest van drie per cents 's jaars, en die te vinden bij parate executie, bij een ommeslag van eene stuiver per Gulden van de huur waarop ieder Huis bij het laatste quohier is getaxeerd, in 1 1/2 stuiver van ieder koebeest, onder de parochierende districten.
Dit stuk nog op het archief berustende is voor de reconstructie der kerk zoo belangwekkend, dat wij niet mogen nalaten onzen lezers er copie van te geven.
»De Staaten van Holland en Westvriesland, doen te weeten, Alsoo ons te kennen is gegeven by Borgermeesteren en Regeerders der Steede Oudewater, dat het Orlogie, Beijerwerk en Dak van haare Kerk, als mede het Orgel van dien ten eenemaal door ouderdom was vervallen en ontramponeert, in soo verre dat de Supplianten tot voorkoming van presente gevreesd werdende ongelukken genoodsaekt waren geweest een vak van het te doen afbreken, ende tot maken van 't selve ontrent Ses duysend Guldens aan kosten waren gevallen, dat de Supplianten gaarne de verdere nodige reparatien soude doen, waartoe soude werden gerequireerd nogh de somme van ontrent Agtien duysend Guldens, dog dat der Kerks nogh der Stads Finantie in Staat was, om soo veel Capitaal te konnen opbrengen, dat vervolgens de Supplianten hadde geprojecteerd die somme te ligten by negotiatie op Lyff Renten, ende de Renten van dien te vinden uyt het inkomen van meergem. Kerk, en 't geen daar aan te kort soude mogen komen, bij omslag over de Inwoonders van Oudewater voorn. en Parochieerende districten van dien, dog dat sy Supplianten aan de eene syde bedugt waren, dat die somme beswaarlyk soude te bekoomen syn, ingeval de beleggers konde denken dat haar Capitalen met eenige 100e., 200e, minder Penningen in tyd ende wylen soude werden belast; ende aan de andere syde dat de te doene omslag veel oppositie soude vinden, ten ware de Regeering van Oudewater daar toe door ons wierde gequalificeert, waarom de Supplianten te rade waaren geworden sig te keeren tot ons, ootmoediglyk versoekende dat wy aan de Supplianten geliefden te permitteeren op Lyfrenten te negotieeren de somme van Vier en Twintigh Duysend Guldens, ten lasten van de Kerk van Oudewater, ende aan die Capitalen te vergunnen vrydom van alle belastingh, hoe deselve ook soude mogen werden genaamd, dat wy wyders de Regeering van Oudewater in der tyd geliefde te authoriseeren en qualificeeren, om de Renten van 't meergem. Capitaal, voor soo verre uit de Revenuen van de kerk niet soude konnen werden geconsequeert, te mogen vinden by een Personeele omslag over de Inwoonders van Oudewater en parochieerende districten van dien, Jaarlyks na proportie van derselver middelen te doen, en soo van het een als van het ander te verleenen acte in forma. SOO IS 'T, dat wy de saaken, en het versoek voorsz. overgemerkt hebbende, en genegen weesende ter beede van de Supplianten naar ingenoome Consideratien en advis van onze Gecommitteerde Raden, uyt onse regte Wetenschap, souveraine Magt en Authoriteyt de supplianten hebben geoctroyeerd en gepermitteerd, gelyk wy deselve octroyeeren en permitteeren by desen, omme ten lasten van haare Kerke op Losrenten ten hoogsten tot Drie per Cento Jaarlyks te mogen negotieeren een Capitaal ten belopen van Agtien Duysend Guldens toe, met vrydom van alle belastingen, hoedanig deselve ook souden mogen syn genaamd, Authoriseerende en Qualificeerende verders de Supplianten en derselver successeurs in officio, om voor den tyd van dertigh Jaaren, jaarlyks, soo tot betaling der Intressen en aflossing van het voorsz. te negotieeren Capitaal, als om daar uit ook te konnen vinden de Stads Lasten, dewelke uit het Jaarlyks inkomen voor het geheel niet konnen werden goedgemaakt, te mogen heffen en by parate Executie, ten lasten van den gebreekigen vorderen eene stuyver van de gulden van de huure der huysen, op de voet soo als die huure genomen en gereguleerd syn, by het laast geformeerde Quohier der Huysen van alle de Ingeseetenen van de Stad, mitsgaders van alle de opgeseetenen van het Platte Land, onder de Stad en Parochieerende districten behoorende, geen Koehouders zynde, mitsgaders van alle de Koehouders, ten Platten Landen aldaar, in welkers opzigt de bovengemelde belastingh niet wel soude konnen werden geintroduceert, een en een halve stuyver van yder Koebeest, twee en meer Jaaren oud synde, het welke ten tyde der Jaarlykse opschryving aan de Pagters van de Hoorngelden sal werden opgegeven: alles nogtans onder deeze Expresse Conditie, dat telkens als 'er gelde sullen nodig syn, tot het onderneemen van het een of ander werk aan der Supplianten kerk, en 't geene daar toe behoord, daarvan alvorens sullen moeten kennis geven, aan onse Gecommitteerde Raaden voornoemd, gelijk ook gem. negotiatie sal moeten geschieden, met derselver kennisse en goedvinden, dat de meergemelde Negotiatie, en omslag met het geene daar toe behoord sal moeten geschieden by de Supplianten de derselver successeurs in officio sonder daar voor eenig salaris te mogen brengen ten lasten van de Stad of van de Kerk, direct of indirect: Dat wyders het voorsz. te negotieeren Capitaal van Agtien Duysend Guldens ten lasten van de kerk sal moeten werden afgelost in twintigh Jaaren, en eyndelyk sullen de Supplianten en derselver Successeurs gehouden syn alle Jaar, wegens dese negotiatie en het geene daar toe behoord te doen behoorlyke Reekening aan Gecommitteerde uyt de Magistraat en Vroedschap, mitsgaders aan Kerkmeesteren in der tyd, en die 't Jaar voor de Reekeningh in dienst syn geweest, gelyk de Reekeningh van de Kerk altoos werden gedaan; en binnen veerthien dagen na dat deselve sal zyn gedaan, daar van Copye Authentycq over te geven aan onse Gecommitteerde Raaden, op poene van dat de Supplianten of derselver successeurs ontrent het een of het ander in gebreeken blyvende, het effect van dit ons verleende Octroy sullen komen te verliesen.
Lastende een yder die dit aangaan sal, sig hier na te reguleeren.
Gedaan in den Hage onder onze Groote Zeegelen hier aan doen hangen op den 16 April in 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers Zeeventhien Honderd Vier en Dertigh.
(Was geparaphreert) J. G. V. BOETSELAAR, vt.
(Lager stond) Ter ordonnantie van de Staaten, en was getekent WILLEM BUYS.
Ingevolge deze magtiging nu, heeft de kerk veel van hare oorspronkelijke constructie moeten afstaan.
Alvorens tot het onderzoek naar de oudheid der kerk,--het beschrijven harer bediening en het opsommen der bedienaars over te gaan, zij het ons vergund een korte schets van
DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS
te geven.
De toren is aan den voet--en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden gebakken steen opgetrokken--dezelve is met drie stagien voorzien en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante heeft van een domtoren.--
De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn."
Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met een spits voorzien is.--Doch, dat er na 1610 een spits op den toren geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met een nok en zonder spits heeft voltooid;--en wel hierom. De toren in het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits ongeveer drie streepen.--De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren te moeten zijn.
In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks 1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.
Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao 1610, uit de zeer geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen--aan het plaatje van Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, doet den toren zonder spits zien.
Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest is, tot voor 1575 opklimmen.
De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.
Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid mogen twijfelen.--Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, dit is immers niet aan te nemen.
Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu zich vertoont, de originele gedaante daaromtrent zal hebben behouden.
Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.
De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is aangeduid.
Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * me * fecit.
Dat is:
Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.
Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren vijftien honderd.
De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.--Van het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk voorgekomen.--Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, daar van na te schrijven.
Ego sum via, veritas ac vita. [166]
dat is:
Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds meermalen aangehaalde Willebrordusklok, die het geheel uur slaat, zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing slecht te beschrijven.
Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als de klokken van het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, zooals uit hunne omschriften te zien is. [167]
OUDHEID DER KERK.
»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is," schrijft de Heer Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het jaar van derzelver stichting aanduiden." [168]
Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het »waarschijnlijk" van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.
Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,--in groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte" praalkerkjes bouwt--men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon en verheven gebouw daarstellen,--dan lag men eerst den grondslag van den westelijken toren en de oostelijke apsis, en wat men zelf niet kon en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen, dat het deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude vereerd worden.
Brengen wij nu, de »waarschijnlijke" oudheid der kerk in verband, met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt die waarschijnlijkheid reeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek--in de schaduwe harer transen--op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim 50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.
Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, door van Kinschot vermeld, dat er reeds voor (hoe lang) het jaar 1329 vier altaren in de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van het jaar harer stichting--1003--al meer en meer aanneembaar [169], doch, dit dan waar zijnde, dan mag Oudewater zich beroemen, binnen zijne muren te hebben, een der oudste kerken van Nederland.
BEDIENING DER KERK.
»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster van Utrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400. [170]
»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk van Oudewater onder het classis van Gouda en Schoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis van Dordrecht geweest is.--Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.
»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stad Gouda te gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk van Oudewater dienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden [171] gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval, de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten [172] wedde te zullen genieten. [173]
»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch het drietal, moet zoowel als het beroep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden."
Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:
Wel is Gouda nog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.
De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.
De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehucht Goejan-verwelles-sluis eindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienst gewijde kerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.
Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.
i. BEDIENAARS DER KERK.
Vicarijen en Vicarissen.
Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.--Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.
Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina" in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van de Vicarissen te benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan 't voornoemd autaar werd:
1. Gerardus Pes, een onderdiaken.--In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.
In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.
2. Willem die Rode, een priester.
Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer
3. Floris van Vliet.--Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan
4. Meester Adriaan Christiaanse van Oudewater, priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan
5. Diderik, die op dien tijd te Leuven studeerde.
De vader van dezen Diderik, die een burger van Oudewater was en Amelgerius heette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.
In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.
Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.
In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen, het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten. [174]
Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius van Utrecht bekrachtigd werd.
Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van
6. Heer Christiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer van Oudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.
j. R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.
In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor van Oudewater was de Heer
1. Johan Pellekussen.
Anno 1403 werd deze pastorie bediend door
2. Bartholomeus Janse. [175]
3. Johannes van Bueren was in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie van Utrecht en proost te dezer stede. [176]
4. Dirk Ponss was priester in Oudewater Anno 1465.
5. Henderik Henderikse was hoogstwaarschijnlijk alhier priester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijke archieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis van Oudewater een viertel land, gelegen op de noordzijde van Linschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.
6. Jan Ottoszoon was alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.
In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend--den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.
In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer
7. Loeffridus van der Haar, die naar Utrecht vertrok en aldaar nog in 1577 leefde. [177]
Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544 schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.
8. Adriaan Christiaanse elders Kerstens.
Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.
9. Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag. [178]
Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.
10. Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.
11. Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie van Oudewater.
12. Bartholomeus Florisse in 1574 alhier begraven.
13. Gerrit Sijbertsz begraven in of iets voor 1574.
14. Cornelis Jacobse.
15. Willem Jacobse (werd begraven 1592.)
16. Cornelis Gerritse.
17. Cors Reijersz.
18. Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp--(Geerlofse werd begraven in 1595.)
19. Simon Janse.
20. Geerlof Gerritse.
21. Dirk Amelgersz. [179]
In 1566 was pastoor te dezer plaatse.
22. Theodorus Aemilius. Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving en daarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.
Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden.... »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar de Hoofdkerk als de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang [180] maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie [181] weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan."
Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zal gewijd geweest zijn, toen men in 1575 vóór de moord er de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk van Utrecht, hiervan vonden wij geen spoor. [182]
PREDIKANTEN.
1. Theodorus Aemilius 1566, was eerst pastoor en is later als predikant naar Utrecht vertrokken.
2. Huig Dirksz 1574--vertrokken naar Gouda in 1575.
3. Johannes Gelasius (Vitriarius genoemd) alhier vermoord in de spaansche troebelen Ao. 1575.
4. Laurentius Copicanus 1578 vertrokken naar Leiden 1579. [183]
5. Chistianius Sinapius Venlo 1578--hij werd beroepen van Dordrecht en vertrok naar Medenblik in hetzelfde jaar 1578.
6. Abraham Jansz. werd beroepen van Vlaardingen 1583, vertrok naar Montfoort 1586.
7. Simon Johannes Groeninganus beroepen 1586.
8. Andreas Stangerus 1589, heeft zijne dienst alhier geeindigd den 3 Mei A. 1608.
9. Adrianus Wittius werd beroepen als Proponent 1601.
10. Johannes Lydius, is van Arlanderveen den 11 April 1602, in de dienst dezer Kerke getreden, stierf 1643.
11. Levinus De Raad, werd beroepen van Ridderkerk 1608, en vertrok naar Haastrecht 1617.
12. Fredericus Abbema, 1619, is den 5 Aug. 1636 Emeritus verklaard, behoudende den rang en zyne wedde.
13. Gibbo Theodori âb Eerst, is beroepen van Schoonderwout 1636, en Emeritus verklaard 1668.
14. Cornelis Molswyk, kwam als Proponent 1645, en stierf 3 October 1656.
15. Johannes Valkius, voor Derde Predikant beroepen van Cockengen, 1648, vertrok naar Amersfoort 1658.
16. Casparus Velthuysen, werd beroepen van Ouwerkerk aan den Yssel den 27. October 1658 in plaats van Ds. Joh. Valkius, en stierf 1674.
17. Henricus Rynsdyck, beroepen van Pynaker 1657, vertrokken naar Amsterdam, aldaar bevestigd den 9 January 1667, en overleden den 6 Maart 1689.
18. Simon of Samuel Gruterus wierd beroepen van Ysselmonde 1667, los gemaakt, als beroepen te Haarlem, den 22 November 1669, en stierf aldaar Emeritus 1705.
19. Theodorus Gibonis âb Eerst, is beroepen van Meerkerk Loco Patris Emeriti 1668, en zelf Emeritus verklaard 1698.
20. Johannes Vereycken, is beroepen van Wormerveer 1671, en gestorven 1674.
Na eene langdurige Vacature van twee plaatsen, zijn beroepen:
21. Casparus Wagtendorp, uit de Nieuwpoort beroepen den 3 Julij 1675, in de plaats van D. Casparus Velthuysen, alhier overleden, vertrokken naar Breda 1680.
22. Johannes Rulicius, beroepen van Berkel, den 31 July 1675 in de plaats van D. Johannes Vereycken, alhier overleden, vertrokken naar Haarlem 1681, stierf aldaar den 22 Mei 1696.
23. Johannes vander Horst, beroepen van Willige Langerak den 16 December 1680, in de plaats van den vertrokken D. Casparus Wagtendorp, gestorven 1687.
24. Arnoldus Brantius, beroepen van Berg-Ambacht, in de plaats van Ds. Johannes Rulicius, den 22 Maart 1685, gestorven 1712.
25. Otto Brand Swalmius, beroepen van Overschie den 26 Januarij 1689, in de plaats van den overledenen D. van der Horst, vertrokken naar Enkhuyzen 1693.
26. Wilhelmus den Appel, beroepen van op den Bommel den 1 February 1694, in plaats van den vertrokken D. Otto Brand Swalmius, overleed 1713.
27. Isaäk Hazeu, beroepen van Voorhout den 21 Augustus 1698, in de plaats van D. Theodorus Gibboni âb Eerst, Emeritus, insgelijks Emeritius verklaard 1714.
28. Cornelius Houthoff, beroepen van Haastrecht Januarij, 1713, na vijf maanden verblijf vertrokken naar Dordrecht, en van daar naar Amsterdam 1719.
29. Johannes de Wildt, beroepen van Oirschot den 14 September, 1713, in de plaats van den vertrokken Ds. C. Houthoff, gestorven den 24 Sept. 1738.
30. Johannes Voss, beroepen van Claaswaal, den 14 September 1713, in plaats van den overledenen D. Wilhelmus den Appel, stierf den 6 Augustus 1746.
»Bij Resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland van den 21 Junij Ao. 1741. werd D. J. Voss, vermits zyn zwakheid en verval van levensgeesten, van de H. Dienst geëxcuseerd, tot ter tijd zijn Eerw. mogte hersteld worden, Salvo honore et Stipendio."
31. Daniel Bedber, beroepen van Schalkwyk den 27 Maart 1714, in de plaats van Isaäk Hazeu, verklaard Emeritus--Los-gemaakt naar Alkmaar den 10. November 1715.
32. Wilhelmus Mesch, beroepen uit den Hitzert den 24 Maart 1716, in de plaats van den vertrokken D. Daniel Bedber, overleed den 8 Januarij 1721.
33. Albertus Heshusius, beroepen van Vreeland den 19 Maart 1739, in de plaats van den overledenen D. Johannes De Wildt, vertrok naar Haarlem, en heeft zijne afscheids-reden gedaan den 3 April 1741.
34. Johannes Marinus Costart de la Morasiere, beroepen uit den Nieuwpoort den 28. Maart 1741, in plaats van den vertrokken D. Albertus Heshusius; hij heeft zijn intrede predicatie gedaan 7 Mei 1741 1768.
35. Johannes Ernestus Jungius, beroepen van Dalfsen den 4 October 1741 tot derden predikant--ter oorzake van zware ongesteldheid van Ds. Johannes Voss. [184]
36. Adrianus Ploos van Amstel beroepen van Oud-Loosdrecht den 14 Julij 1744, in plaats van den vertrokken Ds. Johannes Ernestus Jungius--bevestigd 15 November 1744 en overleden 1762.
37. Jacob van Kampen beroepen van Kedichen Ao. 1763, in plaats van Ds. Ploos van Amstel, vertrokken naar Rhenen 1774.
38. Ds. van Beuningen Noordbeek beroepen van Polsbroek, is alhier overleden.
39. Hermanus Zwavink, beroepen van Heer Jansdam, is te dezer plaatse overleden, den 7 Maart 1800.
40. Johs. van Nuijs Klinkenberg, beroepen van Overschie Ao. 1775. Anno 1776 vertrokken naar Deventer en van daar naar Amsterdam.
41. Antonie Kuyper, beroepen van de Wormer 1776 vertrokken naar Delft 1779 van daar naar Amsterdam.
42. Corns. Jan van Seist, beroepen van Wilnis 1779, vertrokken naar Delft 1780.
43. Dideribus Hermanus van Rossum van Wilnis beroepen 1780 vertrokken naar Delft 1788.
44. Petrus Theodorus Avink du Prê, beroepen van Zuilen 1788, naar Hoorn vertrokken 1790.
45. Johannes Bekking, beroepen van Schipluiden 1791 en overleden 1809.
46. Jacobus Roeloffs (in plaats van den onder Nr. 39 genoemden en overleden H. Zwavink) is beroepen van Streefkerk in 1801 en overleden in Maart 1825.
47. Matthias Johs. Römer, (in plaats van den overledenen Ds. Bekking), beroepen van Wognum en Wadweide 4 Junij 1809, overleden 15 Julij 1821.
48. Jacobus Hendrik Tol, in plaats van den overleden M. J. Römer; beroepen van de Meern, intrede gepredikt 6 October 1822, vertrokken naar Kampen in Februarij 1825.
49. Michael Adrianus Jentink, in plaats H. J. Tol.--Beroepen van Vinkeveen Anno 1825.--Intrede gepredikt 7 Augustus 1825.--Vertrokken naar Harlingen 24 Julij 1831.
50. Gerardus Steenhoff in plaats van de overleden Jac. Roeloffs--beroepen van Jutphaas 1826.
51. Apollonius Cornelis Lorentz, in plaats van Michiel Adrianus Jentink--proponent in 1832 en overleden alhier in 1845.
52. Hermen de Vries, in plaats van den overleden A. C. Lorentz--beroepen van Heikop en Boekop in 1846, vertrokken naar Leeuwarden 1851.
53. Jan Pieter de Keyser, in plaats van H. de Vries--beroepen van Noordeloos 1851, vertrokken naar Arnhem 1852.
54. George Philip Kits van Heyningen, in plaats van Jan Pieter de Keyser.--Beroepen van Rijsoord en Strevelshoek in 1852, vertrokken naar Deventer 1855.
55. Johannes Marcus Kolff, in plaats van G. P. Kits van Heyningen, beroepen van Odijk in 1856.
Tot hiertoe mijne lezers strekt der predikanten-lijst in dezen tijd, zoodat de bedienaars van de kerk onzer beschrijving nu zijn de Eerw. Heeren Gerardus Steenhoff en Johannes Marcus Kolff.
Nog iets over de kerk zelve.--Is het dus nu niet te betreuren, nu wij eenigsints meer bekend zijn geworden, met deze grijze eerwaardige kerk, dat men bij het herstellen derzelve, (dat nu en dan hoog noodzakelijk was), zoo weinig acht heeft geslagen,--voornamelijk in de voorgaande eeuw--om de oorspronkelijke constructie te behouden. Wanneer zal men het toch beter leeren begrijpen, wat de Gothiek is en hoeveel aestetisch gevoel een schoone gothische kerk bij ieder moet opwekken, die zelfs slechts weinig van deze verheven bouwkunst begrijpt!
Doch niet alleen in Oudewater, in verreweg de meeste plaatsen van Nederland is men met de meeste onverschilligheid met het herstellen der oude kerken te werk gegaan. Is dit voor de pen van een minnaar der gothiek soms wat streng, dan zullen wij een deskundige citeren.
»Het is mij niet bekend" zeide op de algemeene bijeenkomst van de leden der maatschappij »tot bevordering der bouwkunst" op 23 Junij 1854 de ervaren Rotterdamsche architect de Heer W. N. Rose »Het is mij niet bekend, dat er ergens een gebouw uit de middeleeuwen bestaat, dat in een volledige toestand van onderhoud is gebleven; hetgeen men veranderd heeft, is niet verbeterd; de herstellingen zijn of gebrekkig geweest, of zijn geschied geheel tegen den stijl van het gebouw, hetgeen uit het oogpunt van de kunst beschouwd, met eene langzame slooping gelijk staat.--En het is treurig te moeten bekennen, dat dit nog dagelijks plaats grijpt, en wel het meest die groote en merkwaardige voortbrengsels der kunst treft, die onze steden tot sieraad konden verstrekken en waarvan het schoone, het eerwaardige en het verhevene van den gothischen stijl het krachtigst te voorschijn komt."
Doch mijne lezers, al is nu deze kerk geen kruiskerk meer, al tooit zich niet meer muur noch gewelf--zooals nog de protestantsche kerk in Naarden--met schoone beschilderingen, al maakte men ingangen, waar deze met haar geheel niet harmonieren, al bekalkte men hare eerwaardige muren van buiten met Portlandsche cement en al verplaatste en verhakte de steenhouwer de grafzerken, om daaraan eene meer onderling gelijke gedaante te geven, de zerken, die dus nu niet meer de assche dekken van hen, wier namen er nog op uitgedrukt zijn, [185] nog is de kerk schoon, nog heeft men stoffe in overvloed, om zich personen en zaken van het grijs verleden voor den geest te tooveren.
Personen en zaken?--Zeker mijne lezers, of komt het niet bij u op als gij u binnen hare grijze muren bevindt, hoe dikwijls de manhafte poorters daar zich hebben verootmoedigd voor hun Hemelheer, en kracht en moed gesmeekt, zich waardiglijk tegen een even dapperen vijand te verdedigen, hoe dikwijls de verwulven het stemgeluid der Godsdienstleeraars hebben opgevangen en teruggekaatst, van hunne hoogte tot in het soms blijde, doch ook soms bedroefde gemoed mijner medeburgers! Wie somt het op, hoe menigmaal de tranen gevloeid zijn, van grijsaard en kind, van echtgenoot en vader, van bruidegom en verloofde op de kille grafmonumenten, die de asche dekken, van diepbetreurde dooden, wier zerken ons nog zoo dikwijls wij de kerk betreden, zoo somber het memento mori als toeroepen.
Doch wij nopen u met ons het kerkgebouw te verlaten, want wat zoude het ons baten steen voor steen te ondervragen, de sombere en plegtige stilte van het Godshuis wordt niet onderbroken door eenig wederwoord, het statig gebouw zwijgt en blijft zwijgen.
En nu wat dunkt u geachte lezer, was het wel te veel, toen wij om oudheid en schoone bouwtrant het eerst de aandacht voor kerk en toren verzochten? De kerk staat daar zoo plegtig en de toren verheft haren nok nog zoo fier gedurende zoovele eeuwen! Nog bestaat er van buiten eenheid, en beiden--al maakt het een vreemd contrast, de kerk bekalkt en de toren nog ongesmeurd te zien--, beiden immers dragen zij de onmiskenbare sporen der schoone gothiek, beiden nog bezitten zij eene menigte spitsbogen, waardoor genoemde bouworde zich insgelijks onderscheidt, die spitsbogen waarin de vrolijk tjilpende zwaluw lustig haar kunstig nestje van IJsselklei bouwt, vanwaar zij uitvliegt naar omhoog in den blaauwen aether om voedsel op te doen, voor zich en de haren! ach, de mensch vindt bij het zien eener gothische kerk zooveel stoffe tot nadenken!
En weder wie vreemdeling is in deze plaats, en haar eenmaal mogt bezoeken, hij zal zich eenige minuten der beschouwing van kerk en toren gewijd niet beklagen.
Indien wij nu de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen, die binnen Oudewater staan of gestaan hebben, naar derzelver oudheid vervolgden, dan moesten wij noodzakelijk den draad der kerkelijke gebouwen afbreken en het natuurlijk gevolg daarvan zoude zijn, dat de orde, die wij ons aanvankelijk voorstelden, er door lijden moest. Alzoo zullen wij doorgaan eerst de reeks kerkelijke gebouwen tot den tegenwoordigen tijd te beschrijven, doch om dit met te meer vrucht te doen, is het allernoodzakelijkst, hoewel noode, de aandacht eerst kortelijk te bepalen op
DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT 1705-1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN.
Na de inname der veste door de Spanjaarden in 1575, is het gemakkelijk te begrijpen, dat de uitoefening der roomsche Godsdienst aan geene belemmering zal onderworpen zijn geweest, en de kerk, al was de protestantsche leer daarin reeds voor 1575 gepredikt, zij toch door de Spaansche bezettelingen weder zal gebruikt zijn geworden tot uitoefening hunner eerdienst. Het gelukte echter in het volgende jaar aan den onverschrokken van Zwieten en de zijnen, wederom de stad voor Oranje te overrompelen, en van dien tijd ongeveer, kunnen wij veilig aannemen, dat de parochiekerk in het ongestoord bezit der hervormden zal geweest zijn.
Wat waren helaas de gemoederen verbitterd in het woelige tijdvak onzer beschrijving, ach! zij die steeds vrienden waren, verkeerden aldra niet zelden in openbare vijandschap, de teederste banden, die van minnende echtelingen, van ouders en kroost, van familien en aanverwanten, werden soms wreed vaneen gereten, en eene betreurenswaardige wrake verving eene zoete vriendschap en genegenheid. En van waar de laakbare stemming? Ach mijne lezers! ook Oudewater voedde in zijnen boezem de giftige slang van geloofs- en godsdiensthaat, en wel zoo, dat het de betreurenswaardigste gevolgen met zich sleepte. Hadde men helaas beter begrepen, dat het geloof van protestant en katholijk beide een waren in het Goddelijk gebod van naastenliefde, en toch werd het in dien tijd, door beiden zoo ongelukkig verbroken.
Gelukkig echter na het woeden van den genoemden storm in al zijne woestheid, verminderde zij allengskens, tot er eindelijk een vrij dragelijke ruste aan den horizont lichtte. En het moest alzoo geschieden, want de mensch ging in de ontrolling der drie laatste eeuwen vooruit, met rassche schreden vooruit, op de schoone bane van stoffelijke en geestelijke beschaving. Hierdoor begon hij het ongerijmde, het den christen vernederende der geloofshaat in te zien, en nu.... nu in onze welgeordende maatschappij, onder het bestuur van Nederlands beminden derden Willem, zijn alle burgers van Nederland gelijk voor de wet, onze volks-vertegenwoordigers toonen meest allen te begrijpen, wat de negentiende eeuw van hen vordert, wat de verlichte mensch uit dien tijd wil; en de vruchten dier vooruitgang? Tuigt het mijne lezers, hoe schoon zij zich openbaren op iedere plaats van het gezegende Nederland.
In de eerste tijden dan na den moord door de Spanjaarden, in de kleine veste zoo mededoogenloos uitgevoerd, konden de roomschgezinden hunne Godsdienst naar willekeur nog in het openbaar uitoefenen; in die vrijheid echter konden zij zich niet zeer lang verheugen, daar reeds van den 5 September 1578 een placaat bestaat op de vicarijen en geestelijke bezittingen, alsmede de uitoefening der roomsche eeredienst.
Spoedig mogten zij nu niet meer hunne religie in het openbaar uitoefenen. Wij vinden ook in dien tijd geen pastoor, als hier verblijf houdende en voor het algemeen leerarende, in eenig document aangeduid.
Zoo stonden de zaken, toen in 1614 de roomsche geestelijke Baaks of de later zoo beroemde Johannes Wachtelaar, doch waarschijnlijk meermalen beiden, voor het eerst in stilte, begunstigd door het nachtelijk duister, de mis celebreerden, ten huize van den poorter Jan Willemse Copper. [186]
Naar wij bijna met zekerheid kunnen vermelden, bleef men het huis van dezen steeds als punt van bijeenkomst houden [187], en kwamen er van tijd tot tijd, de weg gebaand zijnde, andere geestelijken, alhier de gemeente bedienen. Zoo weten wij, dat in 1615 en 1616 alhier kwamen prediken de Heer Ægidius, die opgevolgd werd door deszelfs broeder Thomas, doch kort daarna vertrok.
In 1620 was alhier als priester werkzaam zekere pater Jacobus Tyras genaamd, een Antwerpenaar van geboorte. Lector in de theologie te 's Hertogenbosch, zond zijn overste hem in 1620 naar Holland als missionaris, en Oudewater, 's Gravenhage, vervolgens de omstreken van Hoorn en Enkhuizen, waren getuigen van zijnen ijver. Eindelijk kwam hij op aandrang der catholijken binnen Hoorn, rigtte daar eene bidplaats op en was de eerste missionaris, die op bepaalde plaats en tijd de roomschen vereenigde en de diensten met plegtigheid verrigten mogt. Zoodanige vorderingen in de uitoefening zijner Godsdienst moesten evenwel duur gekocht worden, daar Tyras bij zijne komst te dezer plaatse, den kerker tot verblijf werd gewezen en dezelve in Hoorn insgelijks drie maanden moest betrekken. Hij stierf te Hoorn, 3 September 1638 en werd in het choor der groote kerk begraven. [188]
Na dat den weg door Tyras tot het uitoefenen zijns geloofs, al meer en meer bereid was geworden, was het Modestus Stevens Senk, die het eerst het herderschap in het openbaar op zich nam. Harderwijker van geboorte, was hij bij leeraar in de roomsche theologie, tevens kanunnik van Deventer. In zijne geestelijke bediening het opzigt gehad hebbende over de Veluwe, heeft hij daarna de gemeenten van Oudewater en die van IJsselstein bediend, gelijk hij zelf in een brief van de geestelijkheid aan Jacobus Bool getuigt. Bij de gemeente van deze plaats bediende hij tevens nog Linschoten, Weerden, Roozendaal enz.
Nader werd hij in ballingschap verzonden en is te Keulen, alwaar hij tot president van het Hollandsch collegie aangesteld was, overleden, den 5 Julij 1654. [189]
Op deze is gevolgd in 1626 of 1627, Johannes Bekom, een Utrechtenaar en Lincenciaat in de Godgeleerdheid, deze is echter naar Delft beroepen.
Tijdens Bekom echter nog alhier verbleef, kwam ook hier de eerste pater der Jezuiten, Ludovicus Soutien. Tot dusver was er echter nog geene kerk voor het uitoefenen hunner eerdienst, doch wij kunnen veilig aannemen, dat de in het begin dezer eeuw verbroken kerk aan het Heilig leven gebouwd of ingeruimd is, tusschen 1626 en 1640 tot het publiek uitoefenen dier godsdienst. Eenigen tijd is hier ook geweest als priester Johannes Kuisten, die daarna naar Raanburg vertrok.
Ook de Heer Nicolaas van Hee, moeten wij onder de geestelijken dezer plaats noemen. Hij was geboren te Polsbroek volkomen Bacelier in de Godgeleerdheid en is alhier gestorven of begraven op den 21 April 1673. Als orde-geestelijke was pater Houtman van den genoemden pater Soutien opvolger, zoodat wij van nu aan in Oudewater een reeks wereldlijke priesters en een reeks orde-geestelijken of paters moeten vermelden, hierdoor ontstonden dan ook twee gemeenten en tengevolge van dien, twee kerken, de eerste: de paterskerk zagen wij, reeds op het Heilig leven en de tweede de kerk voor de wereldlijken priesters verrees aan de markt. [190]
In de beschrijving door H. v. R. bladz. 334 vinden wij nogthans ook vermeld, dat naar luid van een brief van Philippus Rovenius anno 1650, Jacobus Houtman, daar als noodhulp genoemd wordt bij pastoor Van Hee [191]. Hoe het zij, dit althans weten wij zeker, dat de twee kerken in 1667 en 1668 bestonden. De doopregisters immers dier beide gemeenten zijn nog in aanzijn, die van de kerk aan de markt, dagteekent van 4 Mei 1667 en die van het Heilig leven, van den 12 November 1668.
»Na Van Hee, is gevolgd zeker Heer Gillis, wiens opvolger wederom geweest is Adrianus Overgow [192] ten zijnen tijde weder was noodhulp zekere Johannus Duc van Montfoort en successivelijk nog meerdere, doch hunne namen laten wij achterwege. In Overgows plaats is gekomen de Heer Hugo Hoofd, een Montfoortenaar, doch Hoofd werd naar Amsterdam beroepen en Overgow keerde weder naar zijne pastorie binnen Oudewater. Hier had hij eerlang voor de pastorele rechten te kampen, tegen pater Paulus Oosternijk, een Jezuit en zendeling alhier. De pater beweerde, dat de pastoor niet bevoegd was om de katholijken der omliggende dorpen te gaan bedienen. Doch nadat de Heer Hugo van Heussen de stukken onderzocht en de getuigen gehoord had, heeft hij den pater het proces tegengewezen.
Onder de geestelijken die de Roomsche eerdienst alhier hebben waargenomen, moet nog genoemd worden, pater Rollandus Daniels, doch door vertrek van dezen naar elders is er eenige schorsing in de geestelijke dienst op het heilig leven geweest, immers wij kunnen dit opmaken uit de doopregisters, die in 1705 eindigen en in 1709 wederom beginnen.
Omstreeks voornoemde tijd, was pastoor aan de marktkerk de Heer Johannes Chrysostomus Vijfhuizen, een Hagenaar. In de Hervormde Godsdienst opgevoed zijnde en langen tijd geleefd hebbende, omhelsde hij later het Roomsche geloof. Nadat hij hier en daar als noodhulp had gestaan, werd hij door den Bisschop van Sebaste naar deze plaats geschikt, om de ingezetenen en gemeentenaren uit den omtrek te bedienen.
Deze pastoor Vijfhuizen was het, die de beginselen van de eerdienst der bisschoppelijke Clerizie toe gedaan zijnde, ook zoodanig een gemeente alhier stichtte en na vruchtelooze pogingen, tot het aankoopen van een huis waarin hunne Godsdienst uit te oefenen, zijn zij in het bezit gebleven van de kerk aan de markt, tot op dezen tijd.
De naamlijst van Roomsche geestelijken, der twee kerken, die wij tot hiertoe dooreen ter neder schreven, moet dus, nu het kerken zijn, waarin verschillende eerdiensten worden uitgeoefend, onder afzonderlijke rubrieken voorkomen.
ROOMSCH CATHOLIJKE ORDE-GEESTELIJKEN AAN HET HEILIG LEVEN.
Anno 1709 was pastoor aldaar de eerw. heer Johannes de Ruyter, minderbroeder, die op den 20 Februarij 1725 overleed en tot opvolger had zijn kapelaan in hetzelfde jaar.
1725 Alexander de Neve, die den grooten tol aan de natuur betaalde den 28 Augustus 1767, en opgevolgd werd door deszelfs kapelaan in
1767 met name Franciscus Rogiers, deze den 14 Februarij 1781 overleden zijnde, kwam in zijne plaats in
1781 Lambertus Lem, die onder Rogiers, zijn kapelaan was. Pastoor Lem, die in 1796 den 29 November stierf heeft tot kapelanen gehad:
a. Johannes Augustinus Moorman die den 27 December 1784 overleed.
b. Henricus Marselus ontslapen den 27 November 1790.
c. Michael van de Ven.
d. Johannes Schenk, die tweede adsistent was.
De opvolger als pastoor voor den eerw. Heer Lem, die in 1796 overleed, was nog in hetzelfde jaar de reeds genoemde Michael van de Ven, die tot aan zijn dood (23 Mei 1809) de pastorale betrekking bekleedde. Nog in
1809 werd hij opgevolgd als pastoor door zijnen kapelaan Johannes Schenk,--door zijn overlijden echter, werd in
1814 als pastoor dezer gemeente benoemd Christianus Florus, die reeds sedert Anno 1809 kapelaan was bij pastoor Schenk; deze pastoor is alhier overleden op den 2 Mei 1852 na 43 jaren als priester in deze gemeente te zijn werkzaam geweest. Gedurende zijn ambt van pastoor alhier heeft hij de volgende kapelaans gehad:
a. Gerardus Schouten 2 Maart 1829 in deze gemeente--hij werd in die betrekking opgevolgd door
b. Josephus Wilhelmus van Ewijk, die van hier als pastoor naar Bommel is vertrokken op den 2den Junij 1834. Na dezen is alhier als kapelaan gezonden