Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst
d. De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden
en beschaving.
Wat is er in Oudewater nu nog van de zeden der vroege bewoners over?
Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo volledig en geregeld mogelijk beschreven.
Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar was, Oudewater zou nog zijn ouden geest niet verloochenen.
Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen die reeds lang hadden afgelegd.
Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen eenvoud in Oudewater gewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone eenvoud verdwijnen, en alhoewel Oudewater nog kan wijzen op zeer oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer en meer zeldzaam.
Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!
Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!
OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.
Oudewater en omtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!
Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!
Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.
Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe hoogere ligging--veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt--ten weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.
Deze oude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling van Oudewater beschrijvende.
Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordige Oudewater tijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal vertoond hebben.
Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.
Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op de waarden boomen stonden, deze hinderden tot het bouwen van woningen, en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide bosschen werden veeltijds rode geheeten. [132]
In het tegenwoordige Oudewater zijn twee straatnamen: de Roodstraat en het Roodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooid zegt het landvolk) en werden zij daarom rode genoemd, dat later in Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen. [133]
De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.
De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt. [134]
De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren. [135]
Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch hadden zij twee deuren naast elkander.
Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten bestreken met koemest en kleiaarde: het vervaardigen van steen toch was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.
Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot schoorsteen dient.
Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.
De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein voorstellen.
Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren zich als geschilderd met bonte aderen en vlakken niet onaartig moet voorgedaan hebben. [136]
Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen. [137]
En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien tijde in Oudewater en omtrek.
Het Markveld bij Oudewater.
Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en onroerende eigendommen.
De voorname roerende have in de oudheid was vee, huisraad, wapenen en kleederen.
Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde en beperkte gronden.
Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.
Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals wij dit ons nu nog zeer wel kunnen begrijpen, dat de herder naar de geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.
De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.
Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het oudste is en waarvan bij Oudewater nog een spoor aanwezig bleef.
Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er in gesneden.
Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg afgereden.
Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem (volgens Tacitus G 26). Dit was het verdeeld eigendom bijgevolg. De aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, en die werden naar ligging aan de grens--let wel--mark genoemd. (De eigenlijke beteekenis van mark is alzoo grens. Tusschen de wouden op de velden zette het volk zich neder, en zoo komt mark soms de beteekenis van bosch zeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland nog marken genoemd.)
Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en de besloten weiden om de woningen liggende.
Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.
Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud zelve had ieder »genoot" slechts een onverdeeld aandeel, en zooals wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin tot de mark betrokken.
Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts van Oudewater, geachte lezer, ligt een stuk land, genaamd het markveld.
Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor bewijzen aanvoeren.
a. Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke mark denken.
b. Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegde veld.
Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veld zou volgens eenige taalkundigen afstammen van vellen, omhouwen, zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is."
Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs te meer.
Verder zagen wij, dat mark grens beteekende. Opmerkelijk nu is het, dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms nog het galgenveld genaamd.
Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte. [138]
Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als wij in onze tijden.
Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting in mark en heem aanrigtende.
Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860 Oudewater en omtrek geteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den loop der rivieren te bedwingen.
En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in 1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop van Utrecht, Oudewater tot eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele privilegien schonk. [139]
Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.
VOORMALIGE EN TEGENWOORDIGE PUBLIEKE EN MERKWAARDIGE GEBOUWEN.
"De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene, omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren van vroegere handelingen. De monumenten verschaffen ons eene geschiedenis op eene andere wijze, namelijk in vormen, die een geheele reeks van waarheden en denkbeelden in zich sluiten en bij ons opwekken; zij verhalen ons juist niet al het gebeurde, maar zij leeren ons kennen hoe het voorgeslacht leefde, dacht en gevoelde, en dat heeft voor het minst even zoo veel waarde als de vermelding van eene reeks gebeurtenissen."--
W. N. ROSE.--Verhandeling, uitgesproken ter algemeene bijeenkomst van de leden der maatschappij "tot bevordering der bouwkunst" van 23 Junij 1854.
De groote of oude parochie-kerk met toren.
Zij zijn het overwaard, die trotsche gothische gebouwen, dat wij bij den aanvang dezer groote, en voor Oudewater interessante afdeeling, voor hen het eerst de aandacht des vriendelijken lezers verzoeken.--Immers, wat al jaarkringen werden sedert hunne stichting, steeds door anderen vervangen. Wat al eeuwen rolden sedert henen om zich spoorloos, en voor altijd op te lossen in den peilloozen oceaan des tijds!
En de gebouwen onzer beschrijving? Zij weêrstonden den sloopenden tand des tijds, gelijk zoo velen hunner zusteren uit dat tijdvak, als tuigden zij eenpariglijk van den vromen Godsdienstzin onzer vaderen.
En, wanneer nu de oudheidminnende naneef, den drempel van ons statig kerkgebouw overschrijdt, neen, dan blijft de indruk der schoone kerkgothiek bij hem niet achterwege, dan wordt hij gestemd tot hooger, dan ook denkt hij onwillekeurig aan hare stichting, zijn geest ontrukt zich van het tegenwoordige en vliegt over eene klove van eeuwen en eeuwen, en met genoegelijken weemoed en stillen ernst, doolt hij vervolgens rond over de menigte grafzerken, die hem als toefluisteren van 't grijs verleden en den rappen tijdstroom.
Wanneer wij de kerk uit de vele oogpunten wilden beschouwen, die wij konden en het allezins waardig zijn, zou ons bestek overschreden worden, daarom doen wij het slechts uit eenigen, en bij voorkeur uit die, met hare geschiedenis in betrekking staande. Het geleidelijkst kunnen wij naar onze meening beginnen met:
a. DE STANDPLAATS VAN KERK EN TOREN.
Hieromtrent kunnen wij echter kort zijn, daar zulks in ons mythologisch gedeelte reeds eenigzins beschreven is, alwaar wij aantoonden, dat genoemde plaats reeds ten tijde van het heidendom een sepulchrale bestemming had, begunstigd, door de oude waard waarop zij lag.
Was er echter bij die begraafplaats nog een gedeelte aan eenige andere mythologische vereering gewijd?--wie zegt het--zeker echter is het--zoo als in den loop der vroegere schets reeds werd opgemerkt, dat vele heidensche offerplaatsen bij de christen-prediking, ook tot christelijke vereeringsplaatsen werden ingerigt. [140]
Deze overgangen--ook dit toonden wij reeds meermalen aan--waren ook in Nederland niet zeldzaam en een tal van voorbeelden pleiten er voor. Genoeg, dat wij de zekere overgang van heidensche op christelijke begraafplaats alhier hebben aangetoond; en weet men nu daarbij, dat die op een deel derzelfde plaats is, waar nu kerk en toren staan, dan wordt dit nog te meer aannemelijk.
Met zekerheid mogen en kunnen wij echter niets hieromtrent ter neder schrijven--de gordijn is gevallen.., en welligt onherroepelijk gevallen.
Opmerkenswaardig is echter
b. DE TUF-, DUIF- OF CEMENTSTEEN AAN DEN TOREN.
Als vrij zekere stelregel kan men aannemen, dat wanneer men aan een oud gebouw, duifsteen aantreft, het dan ook zeer oud is. Alle schrijvers, die de aandacht hunner lezers op den duifsteen aan oude gebouwen vestigden, zijn dit zelfde gevoelen toegedaan--en wel in die mate, dat men er de gevolgtrekking nevens maakt, dat de Romeinen meestal den omtrek van dusdanig gebouw eenmaal ter hunner woonplaatse verkozen hebben.
Zoo was b. v. het Duifhuis bij Rotterdam--naar zijne steenen aldus genoemd--eene Romeinsche sterkte, de heidensche kapel te Nijmegen is van duifsteen gebouwd en was de vroegere heidensche kapel te Utrecht, insgelijks van denzelfden steen opgetrokken. [141]
De geleerde Berkhei heeft o. a. van den duifsteen nagegaan en geschreven, dat men hem veel op kerkhoven vindt, omdat onze voorzaten gewoonlijk hunne lijken met deze soort van steen dekten en de Gothen er van bouwden.
Ds. Heldring zegt, omtrent zijne beschrevene voorvaderlijke begraafplaatsen, waarin insgelijks duifsteen werd aangetroffen, dat zij deels Bataafsch en deels Romeinsch waren--de blaauwe urne bewees het eerste, de duifsteen enz. het laatste. [142]
Doch hoe nu duidelijk gemaakt, vraagt zich welligt iemand, dat men juist altijd duifsteen aan dusdanige oude monumenten aantreft.--Luister:
Gebakken metselsteenen waren ten tijde der Romeinsche overheersching nog niet uitgevonden, en al ware dit zoo geweest, dan had men immers in ons land nog geen steen-ovens--de duifsteen echter kwam in onzen bodem in natura voor--en nog een bestanddeel van den grond uitmakende, was hij zacht en kon alzoo gemakkelijk in die gedaante gebragt worden, die men verkoos.
Wordt het dus niet belangwekkend, mijne lezers, dat gij u aan de beneden-westzijde van het torengebouw, van de aanwezigheid eener aanmerkelijke hoeveelheid duifsteen kunt overtuigen, en wij u daarbij kunnen mededeelen, dat voor ruim 50 jaren de geheele kerk in haren beneden omtrek nog uit duifsteen bestond, zoo ook een verbroken portaal aan de zuidzijde van laatstgenoemd gebouw? [143]
En zoo is het, het aanwezig zijn van den cementsteen aan den toren, doet dit gebouw, eene veel hoogere oudheid erlangen, als men tot hiertoe meende.
In het breede zouden wij ons in eene volgende rubriek kunnen ophouden over de beteekenis der hemelstreken in het heidendom, en waarom men in het christendom bijna immer tot regel had aangenomen, de Godshuizen, oost en westwaarts te bouwen--ook hier zouden wij tot verrassende resultaten komen, doch om meer dan eene reden kunnen wij hier er niet over schrijven.
c. DE HOOGE LIGGING DER KERK.
De kerk-symboliek, die zich zoo treffend door geheel de kerk laat bespeuren, speelt reeds in de verhevene ligging eene groote rol,--Tertulliaan zeide reeds: de kerk moet hoog liggen. Gaat dus opwaarts ter kerke, Sion toch ligt ook op eene hoogte, en klimt dan met Salomon ten offer. [144]
Nog is de hooge ligging der kerk, voornamelijk aan de oost-en zuidzijde zeer opmerkelijk. Ongetwijfeld echter vertoonde zich dezelve in de eerste tijden na hare stichting nog meer verheven. Allengs toch verhoogde men al meer en meer de straten, zoo zelfs dat het in den tijd waarin wij leven, bij de arbeidslieden volstrekt geen zeldzaamheid heet, een halve Ned. el diepte onder de tegenwoordige straat nog eene geplaveide straat aan te treffen. De standplaats der kerk bleef echter meer dezelfde, en daarom moet de opgang eertijds nog aanmerkelijk hooger geweest zijn.
d. WIEN WAS DE KERK EERTIJDS TOEGEWIJD.
Het is ongetwijfeld ieder onzer lezers bekend, dat het bij de roomschgezinden gebruikelijk is, kapellen en kerken aan zekere heiligen toe te wijden, of, om den gebruikelijken term te gebruiken, een heilige tot patroon der kerk te kiezen. Welnu, natuurlijk is zulks ook met deze kerk het geval geweest en als van zelf doet zich dus de vraag op: wie was de patroon van deze kerk?
»Men zegt", aldus vinden wij bij van Kinschot [145] aangeteekend, »dat, eerst St. Willebrord en daarna de aartsengel Michiel de patronen daarvan zouden geweest zijn."
Naar onze meening zijn voor het gevoelen van den eersten de volgende redenen aan te voeren:
a. Dat St. Willibrordus eerste patroon der parochiekerk geweest is, schijnt ons hieruit te blijken, dat hij in ons land het evangelie verkondigd heeft, zijn standplaats Utrecht was en hij dikwijls in de environs ging prediken.
b. Oudewater lag digt bij Utrecht. In dit oord woonde heidenen, en het was door zijne waardlanden vooral ligt te genaken.