Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst
d. Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren
vreemdelingen, meestal Romeinen.
e. En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.
Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.
Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.
Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.
Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.
Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.
Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.
Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.
Het waren geen Germanen of Galliërs, zeggen wij. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in drie voorname deelen, van welke het Belgisch Gallië het noordelijkste uitmaakte. De Belgen waren dus Galliërs. Nader heeft men dezen naam alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen ontdekken. [120]
Hoever en tot waar nu Belgisch Gallië en Germania inferior strekten, is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals in c. gezegd werd, niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele tot Gallië doch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest uit volkplantingen van deze volken bestonden. [121]
Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.
Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:
Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus' geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:
»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee."
De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:
»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn--daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee."
Daarna schreef Plinius secundus:
»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschen Helium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt."
Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:
»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om 't gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten."
Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.
Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.
Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne legioenen te velde gingen, [122] werden er kundige lieden afgezonden om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de noodzakelijkheid het vorderde.
Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten! hierop kunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.
De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die van Lugdunum naar Noviomagum voerden.
De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:
1) Van Lugdunum over het 2) Praetorium Agrippinae uit tot 3) Matelo, 4) Albamanis, 5) Niger Pullus, 6) Lauri, 7) Fletio, 8) Levæ fanum, 9) Carvo, 10) Castra Hercules, 11) Noviomagum.
Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.
1. Lugdunum willen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordige Leiden aanduiden. Menso Alting houdt het echter voor Loegsduinen of Loosduinen.
2. Prætorium Agrippinæ is, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen, Roomburg.
3. Matelo wordt door Bertius gehouden voor Koudekerk; Van Leeuwen houdt het voor Rhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.
4. Albaminis is Alphen bij Bertius en van Leeuwen.
5. Niger Pullus--Woerden, Bertius en van Leeuwen.
6. Lauri is Leerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.
7. Fletio--Vleuten bij Utrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenover Vleuten.
8. Levae fanum voor Leeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoor Wijk bij Duurstede.
9. Garvo is volgens van Leeuwen, Grave; Bertius denkt aan Grave of Kille; Alting aan Rawijk.
10. Castra hercules houdt Alting voor Malburg; van Leeuwen voor Erkeles.
11. Naviomagum voor Nijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.
De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:
1) Lugdunum, 2) Forum hadriani, 3) Flenum, 4) Table, 5) Caspingium, 6) Grinnis, 7) Ad Duodecimum, 8) Noviomagum.
1. Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.
2. Forum hadriani is, volgens Bertius en Van Leeuwen, Voorburg.
3. Flenum, volgens Bertius: Delft.
4. Table zou, volgens Bertius en van Leeuwen, Alblas zijn.
5. Caspingium is Giessen naar Bertius; Giessenburg naar Van Leeuwen, en Asperen naar Alting.
6. Grinnis is Rhenen volgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voor Gorcum.
7. Ad Duodecimum, duizend passen boven Lewen volgens Alting; echter Wageningen bij van Leeuwen.
8. Noviomagum. Zie hiervoren.
Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat de eene weg over 't Huis te Britten, Leiden, Alphen, Woerden, Utrecht, niet ver van Wijk bij Duurstede en Wageningen heeft geloopen tot aan Nijmegen, en de andere aan den zuidkant over Voorburg, Kralingen, [123] Alblas, Asperen, en zoo over de Waal naar Nijmegen.
Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.
Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag.
Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge Waard genoemd wordt.
Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren. [124]
Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)
En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,--hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.
Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.
f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.
g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.
Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.
De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, Chamaven, Gugernen, Toxandriërs, Caninefaten en Sturiers grensden, terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd hadden. [125]
Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,--hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in g hiervoren aangetoond.
Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.
Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?
Achter Tacitus' historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.
Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.
»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij den Briel in zee loopt.
Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een gedeelte van Gelderland, de provincie Utrecht en een groot deel van Holland, met de volgende steden: Huessen in het land van Cleef, Tiel, Buren, Culenborg in Gelderland, Wijk bij Duurstede, de stad Utrecht en Montfoort in het Sticht van Utrecht. Voorts Asperen, Heukelum, Leerdam, Vianen, IJsselstein, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven, Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Delft en andere steden in Holland. [126]
Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment, Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.
Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze oorden volgens hen genoemd.
»De Caninefaten," lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden, begrijpende 't gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort, Oudewater, Woerden en Gouda ligt.
Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordige Oudewater.
»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.
Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.
Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren--waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door 't volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.
En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na langzamen vooruitgang een zoo hecht geheel vormde, dat krachtiger naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid. [127]
In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te worden gedacht, wanneer er sprake is van onze voorouders. Wat er hier of daar welligt van de oude stammen nog overig was, loste zich in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen, later ingedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die der Angelen op de Veluwe. [128]
Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.
Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog vermeld, dat Oudewater en zijn onderhoorig land nog op het einde der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft. [129] Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.
»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont der feesten Sinte Pauwels in den wijnter" [130] (24 Januarij 1280) is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland. [131] Toen waren zij dus Noord-Hollanders.
De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.
ZEDEN EN GEWOONTEN.
"Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in uw gemoed het betere beginsel spreekt,--dat het u een lust is, u soms te stellen te midden van de geslachten der voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de eigenaartigheden huns levens."
Hofdijk, Historische landschappen, blz. 61.
"Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs zedelijke en godsdienstige ontwikkeling."
Rooijaards, Invoering van het Christendom, blz. 371.
Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:
a. de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst. b. na hun verkeer met hen. c. de invloed van het Christendom er op; en die van d. den handel en de tegenwoordige communicatie.
a. Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.
Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met elkander gemeen hadden, en dus ook de bewoners van dit oord. Schetsen wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk zouden willen zijn.
Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter woon verkozen.
Zij kleedden zich veel in de vachten van door hen gedoode wilde beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.
In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.
In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?
De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:
Gewoonte was een wet en overlevring, Was geschiednis.
Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne woonstede waren bij hen gewone deugden.
Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde was hun bijna of in het geheel niet bekend.
b. Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.
Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, waren alle gebruiken nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en meer betreden.
Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen en kunsten.
Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: die van wetenschap en weelde.
c. De invloed van het Christendom op de zeden.
Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der menschen, dus ook op zeden en beschaving.
Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op beschaving uitoefende.