Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst

d. Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren

Chapter 31,330 wordsPublic domain

vreemdelingen--meestal Romeinen.

e. Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.

f. Vóor, ten tijde van, en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.

g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.

De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over de namen onzer voorouders in deze oorden.

Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.

a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.

OUDSTE BEVOLKING.

De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds lang voor die volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.

Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;--volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigen waarmede.

Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge, zoo houdt men toch Azië als het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts' aangehaalden »Aloude staat" volgen.

De Celten--zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europa en ook van ons land genaamd--de Celten waren Scythische volkeren.

Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij in Azië en wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.

De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee, vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.

In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.

En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.

Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uit Noord-Azië is bevolkt geworden, zoo zie verder:

Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat in Zuid-Azië reeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toen N.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.

Was Europa dus uit Zuidelijk Azië gepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.

De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.

De Scytiers van Noordelijk Azië echter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zij leidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.

Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden--over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden--hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot--hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland, Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte van Italië en Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) in Klein-Azië vestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa's bewoners Celten waren.

b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.

Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.

Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderland is door de Celten bewoond. De vraag is nu echter: waar en wanneer.

Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwording voortging; dáár dus waar die wording plaats greep--en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien--was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond was toen althans niet bewoonbaar.

Ook de geduchte vijandin--de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zal Oudewater en omtrek wel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.

Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten of Voor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen." [117]

En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen?--Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu, die fluisteren u alsnog van dat geslacht 'twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.

De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer van oudheidliefde gloeijend nageslacht. [118]

Zooals Lud. Smids meent [119], was het eene dame, Titia Brongersma, die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men dat tijdvak veeltijds de steenperiode.

Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.