Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst

v. Nadat er voorloopig in 's Lands bestuur voorzien was, werd Oudewater

Chapter 1261,332 wordsPublic domain

in 1584 weder aangeschreven ter statenvergadering te verschijnen, ten einde mede te beraadslagen aangaande het aannemen van den Franschen koning tot eenen Heer en Prins van het land. Ook voor dezen keer verschenen er geene gemagtigden van Oudewater doch de stad getuigde per brief van 29 October 1584, dat zij zoude goed keuren en zich wilde gedragen, naar al hetgeen in deze zaak besloten zoude worden. [365]

w. In de maand September 1586, verschenen ter staatsvergadering twee gedeputeerden uit Oudewater met name Jasper van Dam, Burgemeester, en Pieter Gerritz Paes, Schepen.

x. In 1587 reisden weder derwaarts de Burgemeester Pieter Hz. van Gulick en Jacob Sijbertsz Bonser.

ij. In Meimaand Ao 1588, verschenen daar dezelfden, om zoo mogelijk, den vrede met den koning van Spanje te helpen bevorderen. [366]

z. Terwijl ten jare 1589 insgelijks die van Oudewater ter dagvaart verschenen. [367]

aa. Gerrit van Galen en Willem Jaspersz van Nes verschenen nevens die, eeniger kleine steden in het jaar 1608 ter dagvaart te 's Gravenhage.

Sedert dien tijd, vindt men nergens van gemagtigden uit Oudewater meer melding gemaakt. Dit is dan trouwens ook niet te verwonderen: de groote steden ontwikkelden zich al meer en meer, de kleine integendeel verminderden allengs in aanzien, en dien ten gevolge, waren die gedurige reizen der deputatiën zeer bezwarend. Voeg hierbij het gevolgelijk verzuim van niet verschijning, en het wordt duidelijk, dat men allengs van Oudewater geen notitie meer nam. [368]

Als vervolg op het betoog, dat Oudewater weleer zijn gemagtigden ter dagvaart mogt zenden, vinden wij niet ongepast te vermelden:

1o. Dat bij resolutie van den 12 October 1795, door de municipaliteit der stad Oudewater de burger Johannes Justus Montijn werd gecommitteerd, om ter vergadering der provisionele representanten van 't volk van Holland sessie te nemen, die dit dan ook op den 13 October 1795 heeft gedaan, [369] en

2o. Dat ten gevolge van de 1848 gewijzigde grondwet, ten jare 1850 door de kiezers in het district Gouda met 587 van de 939 stemmen, tot lid der provinciale staten van Zuid Holland is gekozen, de Heer A. M. Montijn, destijds burgemeester van deze gemeente. ZEd. Achtb. heeft dan ook als zoodanig zitting genomen.

BEROEMDE EN VERMAARDE MANNEN, GEBOREN TE OUDEWATER

Oudewater heeft altijdt seer vruchbaer gheweest van goede verstanden.

Boxhorn, tooneel van Holland, p. 313.

Het doet den inboorling van Oudewater goed, wanneer hij dusdanige getuigenis van zijne medeburgers hoort, te meer, wanneer zulks gezegd wordt, door een' Boxhorn, die zich als historicus grooten naam verwierf. Vooral mogen wij ons beroemen, op eene aanzienlijke lijst geleerde personen; echter aanschouwden ook in Oudewater het eerste levenslicht, mannen, die op andere wijzen schitterden. Wij hebben ons voorgenomen van de voornaamsten niet alleen hunne namen te vermelden, maar er ook een korte biographische schets nevens te voegen; wij doen dit in de volgorde van de oudheid der jaartallen waarin zij geboren werden, en beginnen met

DEN GODGELEERDEN JOHANNES PALAEONYDORUS.

Deze werd geboren in het jaar 1433. Zijn familienaam is echter niet tot ons gekomen, daar het woord Palaeonydorus, niet als zoodanig mag beschouwd worden, immers het was te dien tijde, onder de geleerden de gewoonte, aan het Grieksch ontleende toenamen, aan geletterde personen te geven, en dikwijls lette men daarbij dan naar de plaats hunner geboorte. Zoo ging het ook hier, daar zijn toenaam ontleend is, naar het grieksche woord PALAIONYDÔR. Johannes Palaeonydorus, de naam waarin onze persoon in de geletterde wereld bekend is, beteekent dus Johannes van Oudewater. De Heer van Kinschot, en een legio andere schrijvers, roemen hem, als een voornaam Godgeleerde van de orde der Carmelieten.--Aangaande deze zijne orde, heeft hij dan ook vele werken geschreven, zoo ook over de historie der heiligen. [370]

Meesten tijds hield hij zich op te Mechelen terwijl hij Anno Cristi 1507 in het 74 jaars zijns ouderdoms der natuur den groote tol betaalde. [371]

DE LETTERKUNDIGE CORNELIUS VALERIUS.

Deze man, die in 1512 alhier het eerste levenslicht aanschouwde, zou eenmaal schitteren, als een der geleerdste mannen van Nederland.

In de schole van zekeren Georgius Moeropedius, begon in zijn prille jeugd, zich zijn groot vernuft reeds zoodanig te ontwikkelen, dat hij daar nog geen drie jaren geweest zijnde, naar Leuven gezonden werd, en dáár oefende hij zich zes jaren in de Grieksche en Latijnsche talen in het beroemde Collegie van Busledius. Toen hij in zijn vaderland wedergekeerd was, leeraarde hij--weder zes achtereenvolgende jaren--als meester in de Redekunst; later deed hij, hoogstwaarschijnlijk met het doel, zijnen vruchtbaren geest nog meer te veredelen, eene buitenlandsche reis, en na deze volbragt te hebben, werd hij in het jaar 1557, 47 jaren oud zijnde, de opvolger van zijnen ouden vriend Petrus Nannius, als hoogleeraar in de Latijnsche en Grieksche talen te Leuven, en men had geen slechte keuze gedaan, immers men vindt vermeld, dat hij »dit ambt met zooveel vlijt en trouw" heeft bekleed, dat iedereen van oordeel was, dat niemand zuiverder en netter dan Valerius spreken of schrijven kon.

Terwijl onze groote Junius in zijn Batavia van hem getuigde, »dat hij was van eenen verhevenen geest, en dat hij zich in eenen netten en zuiveren stijl van schrijven zoo in dicht als in ondicht bij uitnemendheid deedt uitblinken."

Ook als auteur heeft hij zich, naar aanleiding van deze getuigenis gunstig doen kennen, en zijne geschriften even als van Palaeonydorus in Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica vermeld, regtigden Junius volkomen, tot het geven, van deze hoogstgunstige getuigenis.

Nadat deze geleerde aldus een reeks van jaren, tot nut en wetenschappelijke opleiding van anderen zijn beste vermogen had veil gehad, stierf hij, in dezelfde plaats waar hij zoo uitermate schitterde, te Leuven op den 11 Augustus des jaars 1578, [372] dus op zes en zestig jarigen leeftijd. Het stoffelijk omhuldsel waarin zijne groote ziel gehuisd had, werd ter ruste gelegd in de Leuvensche St. Pieterskerk. Twee en dertig jaren daarna (in 1610) heeft zijn leerling Georgius van Oostenrijk, die toen Cancelier dier hooge school was, uit dankbaarheid voor het onderwijs, hem door Valerius geschonken, in voornoemden tempel, een praalgraf laten oprigten, [373] met het volgende opschrift. [374]

D. O. M. CORNELII VALERII ULTRAJECTINI OSSA HEIC CONDITA & CONSUMPTA: NOMEN ADSCRIBERE ALIENA PIETAS VOLUIT, AN ALIENA TAMEN? A. DISCIPULO VENIT. ET QUANTUS ILLE QUI VENIT: MERUIT JUVENTUTEM BELGICAM ORE & STYLO. IN COLLEGIO TRILINGUI DOCUIT, NON MINUS DESERTUS UTILISQUE, POSTQUAM LOQUI DESIIT, QUAM CLARUS & ÆTERNUS, POSTQUAM SCRIBERE. GEORGIUS AB AUSTRIA PRÆPOSITUS HUJUS ECCLESIÆ ET ACADEMIÆ CANCELLARIUS NEGLECTUM XXXII. ANN. MONUMENTUM PRÆCEPTORI P. C. ANN. M D C X. VIXIT ANN. LXVI. DOCUIT XXI. OBIIT MDLXXIIX. III. EID. SEXT.

Dat is:

Aan den besten en grootsten God! CORNELIUS VALERIUS, des Utrechtenaars beenderen Liggen hier ter Verteringe bewaard. Een naam, der Onsterflijkheid toegewijd door den Eerbied van een Vreemden, Evenwel niet van eenen onbekende, Want het geschiedt door zijnen Leerling, En wat was hij niet waardig, voor wien het geschiedt? Hij toch heeft alles verdiend van de gansche Nederlandsche Jeugd, door onderwijs en schriften. In de Oeffenschole der drie talen met zoo veel ijver Leerarende, Dat hij niet minder welsprekend en nuttig was, na dat hij ophield te spreken; dan hij beroemd was en vereeuwigd, na dat hij ophield met schryven. GEORGE VAN OOSTENRIJK, Proost dezer Kerke, en Cancelier der hooge schole, heeft een XXXII jaren lang verwaarloosd Gedenkteeken voor zijnen Leermeester laten oprigten In het jaar M. D. C. X. Hij Leefde LXVI. Leeraarde XXI jaren Stierf in 't M. D. LXXIIX jaar, den XI van Oogstmaand.

Men zou zich nu kunnen laten verleiden, dat, naar aanleiding van dit grafschrift, onze Leuvensche Hoogleeraar te Utrecht zoude geboren zijn, doch wij kunnen dit wederleggen, en wel hiermede:

Ten 1. daar alle schrijvers Cornelius Valerius als te Oudewater geboren, vermelden, en

Ten 2. dat Utrecht zich nooit de eer heeft aangematigd, dat hij dáár geboren zou zijn.

Het laat zich overigens vrij goed verklaren, waarom onze stadgenoot, op dat grafschrift Utrechtenaar genoemd wordt, immers, alle geestelijken wierden toen ter tijd genoemd, wat hunne geboorteplaats of eerste studie betrof, naar het kerkelijk regtsgebied waaronder zij behoorden. Oudewater nu, het is hiervoren reeds meermalen aangetoond, behoorde toen nog kerkelijk onder Utrecht en van daar dan ook, dat hij door zijnen dankbaren leerling, die Proost van St. Pieter te Leuven was, Utrechtenaar genoemd werd.

Op een geëtst portret, dat van dezen geleerde bestaat, komt hij om dezelfde reden als Utrechtenaar voor, en onze wederlegging daaromtrent is als boven.

Aan het hoofd van deze afbeelding staat:

Decessit Louan III Idus Aug. M D LXXIIX Act. LXVI. (daarna het portret en waaronder het volgende lofschrift.) Cornelius Valerius Ultrajectinus orator et poeta, Quisquis es, et magni nescis decora alta Valeri, Adspice magnorum nomina clara virûm Lipsius hunc coluit, Schottus, Canterus et omnes Belgica nobilitas est venerata ducem.

Aub. Miraeus.

DE GESCHIEDKUNDIGE GERARDUS DE ROO.

Ofschoon wij den juisten tijd van zijne geboorte en overlijden niet geboekstaafd vinden, zoo aarzelen wij toch niet, dezen naar ouderdom van geboorte in onze reeks nu te laten volgen. Hij is bekend als groot historicus, »van een uitmuntend verstand, en geene gemeene geleerdheid, en was opziener der Bibliotheek van Ferdinand, Aartshertog van Oostenrijk en heeft zich als Chronijk Schrijver van dat gewest gunstig onderscheiden." [375]

PROFESSOR RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROOIJEN.

Deze geleerde, uit een adelijk geslacht geboren, aanschouwde alhier in het jaar 1547 het eerste levenslicht, en bragt later een gedeelte zijner jeugd te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen van kunsten en wetenschappen met lof door. Na verscheidene reizen door Europa volbragt te hebben, heeft hij zich het meest op de geneeskunde toegelegd, doch had zich ook bijzonder bekwaam gemaakt, in de Grieksche en Hebreeuwsche talen. Nadat hij uit Marpurg vertrokken was, werd hij aan de Hooge School te Leiden bevorderd, tot Hoogleeraar in de wiskunde en Oostersche talen; hij bekleedde die betrekking zóó uitmuntend en met zóó veel ijver, dat hij de hooge achting van den Prins van Oranje en den Landgraaf van Hessen verwierf. Nadat hij gedurende 34 jaren aldus tot heil zijner medemenschen gearbeid had, en hij zich ook als schrijver gunstig had doen kennen, stierf hij te Leiden in 1613, op 66 jarigen leeftijd. Zijne assche rust in de groote kerk alhier, en het opschrift van zijn grafmonument, hebben wij op bladzijden 180 en 181 hier voren ter neder geschreven.

PROFESSOR JACOBUS ARMINIUS.

De vader van dezen alom bekenden inboorling van Oudewater heette Herman Jacobszoon en was messenmaker van beroep, terwijl zijne moeder zich Angelica Jacobsdochter noemde. Arminius bekwam dus bij zijn doop in 1560, den naam van Jacobus Hermanszoon. Toen hij echter later als Theologant een grooten naam verwierf, werd hem, naar het Latijn, den naam van Arminius gegeven, zooals toen ter tijde onder de geleerden gebruikelijk was.

Reeds in zijne prille jeugd, werd hij vaderloos, en ter opleidinge tot zich genomen, door Theodorus Aemilius, priester te Oudewater, die echter tot de nieuwe leer was overgegaan. Deze naar Utrecht wijkende, nam zijnen jeugdigen beschermeling met zich, alwaar hij hem eene wetenschappelijke opleiding bezorgde. Niet lang daarna stierf Aemilius, toen zijn gunsteling nog slechts 15 jaren oud was. De reeds bekende en vermaarde Rudolphus Snellius van Rooijen, zijn stadgenoot, trok zich zijner aan, en nam hem met zich naar Marpurg. Doch ook dáár werd zijn jeugdig gemoed weldra verontrust, door de heillooze mare, dat zijn geboortestad door de Spanjaarden was ingenomen. Hij reisde derwaarts, doch zag zijne moeder, zijn broeder en zijne zuster niet weder; zij waren gevallen onder 's vijands moordend staal.

Hierop keerde hij terug naar Hessen, eene toen ter tijd nog al aanmerkelijke reis, vooral als men haar te voet bij gebrek aan geld, zoo als Arminius, moest afleggen. Dan om de troebele tijden naar Rotterdam gevlugt zijnde, geraakte hij aldaar in gunst van Ds. Petrus Bertius, die hem daarna met diens zoon naar Leidens pas gestichte Hooge Schole zond, waar hij van zijn studie-tijd een zoo ijverig gebruik maakte, dat toen de Magistraat en de Predikanten hem naar Amsterdam zonden, hij onder bescherming genomen werd van de hoofdlieden van het Kramers-gilde. In het jaar 1582 werd hij op kosten van Amsterdam naar Genève gezonden, alwaar hij zich vermaarde mannen tot vrienden maakte, doch ook vele vijanden bekwam, omdat hij de wijsbegeerte van Ramus met ijver verdedigde. Om laatstgenoemde rede ging hij naar Bazel, alwaar hij weldra zoodanig de aandacht der geleerden tot zich trok, dat Jacobus Grijnaeus, Theologiae Professor aldaar dikwijls onder zijn gehoor kwam. Ja--vermeldt van Kinschot--dit ging zoo ver, dat de gemelde Hoogleeraar, wanneer er in de openbare disputen een moeijelijk stuk voor kwam om op te lossen, zich niet ontzag, om Arminius midden onder de andere studenten staande, toe te roepen en te zeggen »Laat mijn Hollander voor mij antwoorden." Nadat de Godgeleerde faculteit vervolgens aanbood, hem op hare eigene kosten te doen promoveren, weigerde hij uit zedigheid die eer, en keerde weder naar Genève, waar hij nogmaals drie achtereenvolgende jaren met vlijt zijne studie voortzette. Daarop ondernam hij in 1586 met Adrianus Junius eene reis naar Padua, om den Hoogleeraar Jacobus Zabarella aldaar te hooren; toen zij daarna Rome en menige andere Italiaansche stad bezocht hadden, keerden zij nogmaals weder naar Genève terug.

Na eenigen tijd aldaar vertoefd te hebben, kwam hij in het jaar 1587 te Amsterdam, dewijl hij vroeger, om de protectie van die stad genoten, zich verbonden had, wanneer hij daartoe geregtigd was, niet dan met toestemming van den Magistraat in eene andere stad te prediken. Den 4 Februarij 1588 promoveerde Arminius aldaar, tot Doktor in de Theologie, en den 21 Julij werd hij tot Predikant te Amsterdam beroepen, op 28 jarigen leeftijd. Hij maakte zich echter al meer en meer vijanden, want in leeringen en geschriften, was hij bekend, het met Galvinus en Beza volstrekt niet eens te zijn, op het punt van onwederstaanbare vrije genade en volstrekte praedestinatie, waardoor hij dan ook de grondlegger werd van het Remonstantismus, en vooral met Gomarus, die zijne grootste tegenstrever in het land was, in groote onmin geraakte. Een en ander gebeurde echter geruimen tijd, nadat hij 14 jaren lang predikant te Amsterdam geweest zijnde, met groote moeite en op bijzondere voorspraak van Anthonius Thysius, in het jaar 1603 tot Professor aan de Hooge School te Leiden beroepen was, willende de Amsterdamsche Predikanten hem niet ontslaan, dan onder voorwaarde, dat hij met Gomarus in tegenwoordigheid van de Synodale Gedeputeerden in gesprek zoude treden, dat plaats had en ten gunste van onzen stadgenoot uitviel. Te Leiden aangekomen, maakte hij weldra veel opgang, en geraakte zoodanig in aanzien, dat hij in Januarij 1605 tot Rector Magnificus benoemd werd, doch in het volgende jaar legde hij het Rectoraat weder neder, terwijl hij bij die gelegenheid eene oratie over »het verschil in de Godsdienst" deed.

Zijne geschillen met Gomarus, namen echter zoodanig in hevigheid toe, dat beide meer dan eens voor den Hoogen Raad te 's Gravenhage ontboden werden, om hunne stellingen te wederleggen. Ieder dezer mannen had natuurlijk zijne aanhangers, maar terwijl beide partijen al hun vermogen aanwendden ter verdediging hunner zaak, werd Arminius door zoo veel werken afgemat en door zijn veel bewogen leven verzwakt, door hevige koortsen aangetast, die derwijze toenamen, dat hij den 19 October 1609 in den mannelijken leeftijd van 49 jaren overleed--nadat hij zes jaren het Professoraat bekleed had.

Hij was op dertig jarigen leeftijd gehuwd geweest, met zekere mejufvrouw Reäal, dochter van een Amsterdamsch Schepen, en liet hij bij zijn overlijden zijne echtgenoot negen kinderen na. De weduwe ontving van de Staten »uit zonderlinge gunst," voor de goede diensten aan de Hooge School te Leiden door haar man bewezen, uitgenomen 's mans jaarwedde, nog eene van drie honderd ponden (het pond à 40 grootten). [376]

Dus was het leven van den grooten Remonstrant, die hoewel vele vijanden gehad hebbende, van een aantal vermaarde tijdgenooten de hoogste lof en genegenheid ontving; immers op 28 jarigen leeftijd, werd hij reeds genoemd, »de vijl der waarheid, de wetsteen der verstanden en het snoeimes der aangroeijende dwalingen."

In 1737--en niet eerder--is het portret van dezen Hoogleeraar bij dat der Professoren aan de Academie te Leiden gediend hebbende, gevoegd geworden.

De nagedachtenis van zijn 200 jarige dood werd nog op den 22 October 1809 door Ds. Stolker te Rotterdam feestelijk herdacht, in een leerrede over Hebr. 13 vs. 7; terwijl omstreeks dezen tijd eenige aanzienlijke Remonstranten het plan gehad hebben, te Oudewater, vóór zijn reeds door ons beschreven geboortehuis, een standbeeld op te rigten, dat echter om het terrein geen doorgang heeft gehad. [377]

Dr. ABRAHAM VAN STIPRIAAN LUÏSCIUS.

Deze geleerde, een zoon van den edel Achtbaren Heer Herman van Stipriaan, in leven Schepen enz. dezer stad, en vrouwe Agatha Copper, werd geboren te Oudewater den 10 October 1763, en is te Delft overleden den 2 Mei 1829. Deze beroemde geneesheer, deed in October 1787 aan de Leidensche Hoogeschool zijn doctoraal examen, vestigde zich in 1788 te Delft, alwaar in 1789 ook de post van Lector in de scheikunde door hem werd aanvaard. Voorts werd hij in 1790 benoemd door de koninklijke Maatschappij van geneeskunde te Parijs, tot derzelver buitengewoon correspondent, in 1791 tot lid van het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, in 1792 tot lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen, in 1794 tot lid van de Hollandsche Maatschappij te Haarlem, in 1802 tot lid van het provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen; in 1809 correspondent der eerste klasse van het koninklijk Instituut, in 1819 lid van dezelfde klasse, in 1824 corresponderend lid van het Bataviaansch Genootschap, in 1825 lid der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en in 1826 Ridder der orde van den Nederlandsche Leeuw.

Hij was van 1801 tot in 1814 vice president van de provinciale Geneeskundige Commissie, gevestigd te 's Gravenhage, en daarna tot aan zijnen dood president van dezelve, en tevens lid van de regering der stad Delft.

Met het beantwoorden van prijsvragen in verschillende vakken van geleerdheid heeft hij, zoo binnen als buiten den lande, grooten roem verworven, en ten slotte deden zijne vele geleerde geschriften en de zoo gelukkige uitoefening der geneeskunde in deszelfs uitgebreiden omvang, hem al vroeg onder de grootste geneesheeren van ons vaderland stellen. [378]

Voorts dienen nog onder de benoemde mannen van Oudewater gerangschikt te worden:

Wijlen de schout-bij-nacht DE JONG VAN RODENBURG. [379]

De Rotterdamsche burgemeester M. VERROEN enz. enz.

Onder de nog levende noemen wij met achting:

den oud-resident van Tagal op Java J. A. VRIESMAN, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw enz., enz.,

den hoofd-Ingenieur van den Waterstaat N. I. VAN DER LEE te Deventer,

den priester J. BAALE, oud Biechtvader aan het Zweedsche hof van H. M. de Koningin,

den oud Missionnaris op Curaçao, gem. Sancta Rosa J. J. PUTMAN, nu R. K. Priester en Kanunnik te Utrecht, en

den bekenden schrijver R. C. H. RÖMER, Dtr. in de theologie en predikant te Deil en Enspijk.

Op bladzijde 164 dezes werks, mijne geachte lezers, eindigden wij de onbeschreven geschiedenis van het oord onzer beschrijving, zijnde wij alstoen genaderd aan anno 1265, het jaar waarin de beschreven geschiedenis van Oudewater aanvangt.

Wij hebben toen--als onzes inziens het beste geschikt om de ontwikkeling der stad te kunnen nagaan--de voornaamste gebouwen van Oudewater beschreven, zoowel wat hunne gedaante, als geschiedenis betrof, gingen de regeringsvorm en regeringspersonen kortelijk na, die hier waren of nog zijn, en besloten met de vermelding der voorname en geleerde mannen, die in de plaats onzer beschrijving het eerste levenslicht aanschouwden.

Veel is er echter nog, dat wij in deze hoofdstukken niet konden inlasschen. Zoo hebben wij, bij voorbeeld slechts vlugtig, of in het geheel niet kunnen gewagen, van belegeringen, van rampen, brand en ziekten, die het stadje te verduren had, van den bloei en welvaart die het vervrolijkte, enz. Wij hebben bijna geen personen of corporatien hunne treurige of niet treurige rollen zien afspelen, hen niet handelende kunnen laten optreden, en aangezien wij dit alles nu, volgens ons plan nog willen beschrijven, in de gelegenheid gesteld door meerdere oorkonden, handvesten, enz. enz. dan waarvan wij reeds gewaagden, zoo hopen wij dit alles kortelijk te schetsen, in het volgende hoofdstuk, dat wij om bovengenoemde redenen, willen noemen zoo als hier achter volgt.

OUDEWATER EN HET LEVEN IN OUDEWATER.

Van 1265 tot 1860.

"Dat ic de waerheit so verclare, Dat men weten moete dat ware."

Melis Stoke.

Oudewaters naamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.

Oudewater is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland, aan den Hollandschen IJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands van Schoonhoven en Woerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt. [380]

Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou--volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius--dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop van Utrecht tot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken. [381]

Zooals men dus bemerkt, behoorde Oudewater reeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen van Utrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter" (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop van Utrecht, deze plaats nevens andere steden, voor een zekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen. [382]

Tengevolge dezer verpanding, behoorde Oudewater nu onder Holland en wel onder het oude Noord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van den IJssel lag. [383]

Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aan Holland en de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerin Margaretha, als gravin van Holland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur over Holland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, dat Oudewater nooit meer van de Graaflijkheid van Holland gescheiden zoude mogen worden. [384]

Intusschen begon Oudewater reeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot 's Graven weder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 te Schiedam, iets voor 1342 te Delft waren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willem den III aan den Bisschop van Suden, om die van Oudewater 200 »pont suarter tornoys" te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.

Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten en privilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters van Oudewater niet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen van Oudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.

In 1324 werd aan die van Oudewater verlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen" zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.

In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.

In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen van Woerden, te Oudewater moest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van 's Graven »Gruiten" te Oudewater voor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden" van Oudewater door denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester van Zuid Holland gebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen."

In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stad Oudewater door keizerin Margaretha als gravin van Holland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aan Oudewater het privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid van Holland te scheiden. [385]

Tot dus verre was alles in Oudewater vrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvan Oudewater en deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.

Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen van Holland, Heere Jan van Arkel, bevond.

Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken." Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nu Oudewater voor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterde Oudewater aantastte, en dat op den dag na Maria Boodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voor Oudewater gezien werden."

»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders. [386] De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!"

»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenige Utrechtsche Raadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.

»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bres gevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,--ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel--één punt des tijds--Zie hoe het vlamt! nog een wijle--het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, van Utrechts achtbaren zoeken zal." [387]

Toen nu de Hollanders vernomen hadden, dat Oudewater aldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bij Schoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger der Hollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die van Utrecht het slagveld en behaalden wederom de victorie. Vele Hollandsche edelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent Sinte Martijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap. [388]

Dan, keeren wij tot Oudewater terug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokte Oudewater ruimschoots deel nam.

Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naar Beijeren ontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.

Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte. [389]

De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bij Schoonhoven gesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.

Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, van Holland, Zeeland en West-Vriesland, behoudende voor haar alleen Henegouwen zoo lang zij leefde.

De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 te Munchen in Beijeren gegeven, en werden sedert te Geertruidenberg bezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de steden Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Leiden, Geertruidenberg, Delft, Haarlem, Alkmaar, Amsterdam en Oudewater die te dezer tijden, de aanzienlijkste steden van Holland, Zeeland en West-Vriesland waren. [390]

Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.

Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naar Holland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ook Oudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden--naauwelijks toch had Willem afstand van 's lands regeringe gedaan of hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.

Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.

De steden nu, die zijne zijde hielden, waren Dordrecht, Delft, Leiden, Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Medemblik, Oudewater, Geertruidenberg, Schiedam en Rotterdam, waarbij zich kort daarna ook Vlaardingen voegde. [391]

Terwijl wij Oudewater nu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevende Oudewater terug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel" waardoor Oudewater ten minste van die zijde eenige verademing kreeg. [392]

In hetzelfde jaar, bleef Oudewater met de andere steden van Holland borg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog van Braband en weduwe van Willem den IV, Grave van Holland nog te eischen had. [393]

Dordrecht en de elf andere steden--waaronder ook Oudewater--bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen een bijzonder verbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden. [394]

Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen van Holland en Zeeland benevens de heerlijkheid van Vriesland gingen nu van het stamhuis van Henegouwen in dat van Beijeren over, [395] en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeld Oudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen. [396]

Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver van Wijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op de been brengen van vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht. [397]

»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg na Oudewater ende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede van Montfoort, en die van Montfoort waren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters van Montfoort vernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer van Montfoort haren heere op dien tijd binnen Utrecht was, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen." [398]

In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave van Montfoort weder ontslagen.

De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschen Holland en het Sticht tot stand kwam.

In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd. [399]

Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrent Oudewater aantreffen, is eene vergunning om zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over den IJssel bij Oudewater, »wit onse stede overgaende op ten gaenwech van den IJsseldijc."

Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ook Oudewater gedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschen Oudewater en het Waterschap van Woerden getroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over de Linschoten; en een belofte der hoogheemraden van Woerden om de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.

Het eerst, dat wij Oudewater nu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart van Holland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille, Oudewater vermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop van Luik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrent Oudewater hier op geen regt had [400], of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land van Voorne met de stad Briel. [401]

»Middellerwijl had Oudewater nu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnold van Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.

Ook hij had met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ook hij had het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerst Zwammerdam en Naarden veel van hem geleden hadden, kreeg Oudewater zijn beurt.

»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voor Oudewater en het was ten jare 1374"" [402] »Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam. [403] Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uyt Oudewater LXXIII mannen."" [404] »In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voor Oudewater een vrede houdende nabuur geweest is." [405]

Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt te Dordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave van Leiden en die van deze stede Oudewater dusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hoog gestegen, dat Grave Albrecht van Beijeren als scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen tot Alphen ende daaromtrent." [406]

In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd [407] en ten jare 1393 werd Oudewater met eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt te Dordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was. [408]

Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.

Die van Oudewater waren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude van Oudewater verwonnen hadde van Lyve ende van goede" ten minste zeker is het, dat die van Oudewater dan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip van Haestrecht hadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip van Haestrecht woende." De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd. [409]

Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave van Holland werd verheven [410] en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden van Oudewater voor.

Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheid opgevat voor Aleida van Poelgeest, die te 's Gravenhage bij hem ten hove was. [411] Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ook Oudewater moest daaraan deel nemen.

Zie hier wat er van de zaak is:

Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer. [412] De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om. [413]

Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven. [414]

De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen [415] benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben. [416]

Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden van Oudewater omtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die van Oudewater aangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner" van Gouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte van Oudewater geerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen van Oudewater dat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochte van den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde." [417]

Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben" en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft." [418] Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stede Oudewater echter in het volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht [419] te Dordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben" [420] kwam er eene meer gunstige stemming omtrent Oudewater in 's graven gemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van ter Goude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd. [421]" Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:

Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven tot Gorichem op ten dach ende in 't Jair voirsz., allen sinen Tolneren van Holland ende van Zeeland, dat si der steede van Oudewater en horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.

Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede 't Oudewater die opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren van Oudewater, ende hoir goide veilich soude laten varen voir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is."

Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aan Schiedam en Oudewater het oprigten eener stedelijke school vergund werd, [422] dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien van Oudewater te dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten."

Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stad Oudewater zelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die van Oudewater bij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren [423]; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden van Oudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in den Haag waarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hij Woerden en Oudewater ten zelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille." Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan. [424]

Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave van Montfoort en de Burggrave van Leiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht met Oudewater niet meer te twijfelen viel.

Inmiddels ontvlugtte de Graaf van Oostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.

Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave van Oostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in 's Hertogen gunste. [425]

De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. Der Hollandsche en Zeeuwsche steden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wij Oudewater vreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van 's Graven zijde, worden aangemerkt.

Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijnde Stavoren als toen de eenige stad in Vriesland die nog Hollandsche bezettingen hield. [426]

Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren [427], en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners van Oudewater in 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die van Oudewater omtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan" aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande van Woerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zij moesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden." [428]

Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van 's Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden" schonk hij Oudewater vrijdom voor zijne tollen te Sparendam en Heusden niet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten in Oost-Vriesland voor hem en zijne nazaten [429], onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging van Oudewater op de grenzen van Holland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen."

Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnen Oudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn. [430]

En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct op Oudewater betrekking hebben. [431]

Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen. [432] Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten van Holland bekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen. [433]

Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.

Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in 's Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen. [434]

Willem verklaarde toen in 1401, het van Oudewater naburige Haastrecht, Vliste, Stolwijk en andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uit Holland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en [435] kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.

Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.

Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar [436] zich uit, Oudewater was eene der sterkste grensvestingen van Holland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten in Vriesland die hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude. [437] Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters."

Weten wij nog uit de divisie kronijk [438] dat hij voor Oudewater verscheen »met een deel ghewapenste volcx", dan was het zeker een groote eer voor het stedeke Oudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.

Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen" leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten. [439]

Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.

Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedeke Oudewater zelve ingehuldigd [440]. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die van Oudewater bevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.

Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap van Holland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders Hertoghe Aelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren van Oudewater vriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede van Oudewater voorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven te Holland, van onzen Lieven Heer ende Vader Hertoghe Aalbrecht voorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren van Oudewater voorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.

In Oirkonden &c. Gegeven in den Hage op ten xi. dach in Maert Anno xiiijc ende vier. Secundum Cursum.

Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien op Oudewater betrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijving voor dat gemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond 1405 [441], vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stede Oudewater om van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogen eischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.

Het volgende privilegie in 1405 was 's Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenen molen te mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande, Oudewater nimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid van Holland, en tevens stelde hij die van Oudewater bij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld. [442]

In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrent Oudewater gewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschen Oudewater en het nabij gelegen Woerden vele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden van Woerden aan Oudewater beloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande van Woerden zich verbinden, de sluis binnen Oudewater liggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.

Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die van Oudewater en oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnen Oudewater een nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten [443]. En nu mijne lezers, willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rol Oudewater er in speelt.

Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn van Frankrijk die in het jaar 1417, kinderloos overleed.

Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden van Holland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen [444].

Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten, Burgemeesters, Schepenen en Raden [445] van Oudewater hadden »plegtiglijk gezworen, dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter en leenvolgster erkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan."

En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden van Holland, uitgenomen Dordrecht ingehuldigd.

Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, dat Oudewater zich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.

Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van 's Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburige IJsselstein meester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan 's gravinne zijde was.--Hare regering begon alzoo niet gelukkig.

Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.

Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende, [446] ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.

Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog van Braband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.

Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog van Braband in ernstige onderhandeling te treden. [447] Ten jare 1418 kwam die verbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave van Holland en Zeeland, wordende hij door de steden, waar onder ook Oudewater, als zoodanig gehuldigd.

Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.

Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld, [448] dat de steden Haarlem, Delft en Leiden omtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove" 529 1/2 engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.--Maar ook Oudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen. [449]

Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg van Dordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren van Dordrecht te raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies van Rotterdam te betreuren had, werd er omtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt. [450] In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap van Zuid-Holland aan de gravinne als »leengoed" werd afgestaan; Oudewater werd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen van Brabant en Beijeren in het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog van Beijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.

Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.

Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naar Brabant gereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon in Oudewater tot Schout benoemde, [451] die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.

Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421, Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve" zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij te Oudewater weder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang. [452]

Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.

Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderen Amersfoort en Montfoort in te nemen. [453]

Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die van Oudewater in het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,--echter eene noodlottige gelegenheid--te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen beneden Schoonhoven tot aan Oudewater toen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.

»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, en Montfoort koos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk van Montfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.

»Bij een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijk in der haast te Montfoort zoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die van Oudewater moesten 't eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren." [454]

Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voor Oudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die van Oudewater zich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd" menigeen gevallen zijn.

Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, doch Oudewater hoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder van Beijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.

De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen van Brabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan van Brabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog van Glochester en ook hij noemde zich alras Grave van Henegouwen, van Holland, Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog van Glochester aantreffen, begint zich ook Philips, hertog van Beijeren als vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.

Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, te Bergen gevangen genomen en naar Gent gevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna te Woudrichem zijnde, werd zij door heer Jan van Viane naar Oudewater, Schoonhoven en Gouda gevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend. [455]

Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog van Bourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.

Nu wist de hertog van Brabant spoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, dat Oudewater, nevens Gouda en Schoonhoven, aan hare zijde bleven.

In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba's tegenpartij tot stedehouder over Holland benoemd.

Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voor Schoonhoven geslagen.

Jacoba, beducht voor Gouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap met Oudewater afgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu den naderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 1425 [456] tot een gevecht bij Alphen. Die van Gouda, Schoonhoven en Oudewater vielen hen nu onvoorziens op het lijf, [457] schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels van Haarlem, Leiden en Amsterdam, in vreugde en gejuich binnen Gouda.

Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij in Zeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uit Engeland, in 1426 een gevecht bij Brouwershaven verloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voor Haarlem en ook bij dien veldtogt, werd de banier van Oudewater aan hare zijde niet gemist; [458] maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.

Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw [459], toen zij zich in de grootste benaauwdheid te Gouda ophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bij Wieringen bijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger op Gouda aan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.

Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering van Holland bleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.

Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog door Holland en Zeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen. [460] Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrent Oudewater voor als Ruwaard.

Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:

Philips, by der Genaden Gods Hertoge van Bergoenjen, Graef van Vlaenderen, van Artoys en van Bourgoenjen, Palentyn, Heere van Salins en van Mechelen, Ruwaert over die Landen van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, ende van Vriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede van Oudewater aen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, 't welck is t' alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve 's jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is 't dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot die tyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des 't oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.

Gegeven in onsen Stede van Dordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in 't Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.

Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder over Holland en Zeeland benoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.

Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zusters Oudewater moesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.

Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich in Holland, Zeeland en West Vriesland als grave weten te doen huldigen [461], toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder met meerder regt bevestigd werd.

Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, en toch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.--Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkheden Voorne, Zuid-Beveland, en Tholen, benevens de tollen van Holland en Zeeland gedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.--

De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!

Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die van Oudewater niet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.

Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op de Oost-Zee handel te drijven.--Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.

De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdrag dat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn" en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden--voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen" zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ook Oudewater zorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse" in gereedheid te hebben. [462]

Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.

Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheid dan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden. Oudewater moet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden van Oudewater geschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande van Holland wesende" en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters van IJsselstein het in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die van Oudewater dan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.

De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die van IJsselstein de wijke binnen Oudewater zochten, dat men dan in Oudewater beter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters van IJsselstein ooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.

Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden van Oudewater als mede eene van Anno 1456.

Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der steden Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Weesp, Muiden en Naarden over het vorderen van morgen geld in het Sticht van Utrecht gedaan, dat die van Holland in het Sticht van Utrecht geërfd zijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.

Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrent Oudewater vermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ook Oudewater als graaf werd erkend. [463]

Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrent Oudewater aantreffen.

Hij sneuvelde in den slag bij Nancy ten jare 1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.

In Holland toch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.

De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangen werden. [464] Dit toch gebeurde onder anderen te Gouda, Schoonhoven en elders en zoo ook spoedig in Oudewater.

Van Berkum, in zijne beschrijving van Schoonhoven maakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij van Schoonhoven hersteld was, stond de gemeente te Schoonhoven onder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder van Holland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, en Schoonhoven bleef Hoeksch, en bragt met die van Dordrecht en ter Gouda even na paschen in het jaar 1479, Oudewater insgelijks aan die zijde." [465]

Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.

Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij als kerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan, [466] en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ook Oudewater door Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.

Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ook Oudewater aan, [467] niettegenstaande Gouda en Schoonhoven »met loosheden" de stad aan hare zijde gekregen hadden. [468]

Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, dat Leiden waaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was, Oudewater weder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uit Holland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echter nergens gelukte dan te Hoorn en te Gouda. [469]

In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig in Oudewater af. Eerst werd het hoekschgezinde Dordrecht ingenomen, en daarna vielen ook Schoonhoven en Oudewater weder in de magt der Kabellaauwschen. Tot het innemen van Oudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft. [470]

Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naar Dordrecht, Gouda, Oudewater en Schoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde [471] en aldra onderwierp ook Leiden zich aan den Grave.

Nadat de zaken nu aldus door Maximiliaan in orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggende Oudewater was die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.

De stad Utrecht, alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David van Bourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van Broekhuisen Leiden hadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naar Utrecht gekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die van Utrecht alomme in Holland vast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave van Montfoort en de hoeksche ballingen uit Utrecht deed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.--Men zeide in Holland wel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad. [472]

Wel poogde Utrecht een verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet. [473]

Naarden werd nu door de Stichtschen verwoest en Jutphaas door de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op de Vaart sloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, na Schoonhoven, na Oudewater, na IJsselstein en na Woerden, niemant en sach na den anderen om." [474]

Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnen IJsselstein, Oudewater en Woerden, en ook Weesp werd van meerder krijgsvolk voorzien. [475]

In het volgende jaar, werd er te Schoonhoven eene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, en Utrecht ter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang. [476]

Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne van Holland, en haar eenige zoon Philips, een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.

Na dit vermeld te hebben, willen wij Oudewater en omtrek verder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.

Noodwendig moeten wij met den aanslag op Dordrecht in 1482 beginnen.

De Burggrave van Montfoort dan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen op Dordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield, [477] en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voor Dordrecht en alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorby Vloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren na Zeeland ende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen nader Gouda toe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van der Gouda achtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede van Oudewater quamen hen te ghemoet die knechten, en een deel poorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die van Oudewater hadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die van IJsselsteyn daer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad van Utrecht. [478]

Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met name Oudewater zich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die van Utrecht nooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag op Utrecht voorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten. [479]

Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk van Oudewater gewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die van Oudewater deel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.

Doch onze orde van zaken vordert, dat wij vlugtig nagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jaren Oudewater weer in de geschiedrollen vermeld vinden.

Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder van Lalaing, de sloten van Harmelen en de Haar bemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogden IJsselstein te bemagtigen, doch vruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op de Vaart terug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.

Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ook Montfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.

Nu was het de beurt voor Utrecht zelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnen Utrecht met grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naar Amersfoort was gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stede Oudewater zijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.

Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken. [480]

Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.

Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488 Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voor Schoonhoven, doch met verlies van meer dan 200 man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naar Rotterdam terug. [481]

Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave van Montfoort, het slot te Woerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.--De omtrek van Oudewater had een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden. [482]

Zóó naderde het jaar 1489--Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ook Oudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.

Het eerst moest nu Rotterdam weder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogde Schiedam te verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stede Geertruidenberg die zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabij Rotterdam eene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, dat Rotterdam weder overging.

Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan het land had afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489, Naarden in te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over die teleurstelling, of, dat hij dacht, dat men te Oudewater niet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voor Oudewater verscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren van buiten de stad gezien te hebben. [483]

De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke als Oudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, door Montfoort en Woerden en beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.

In 1490 dan, werd Montfoort belegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen en Holland en Oudewater behoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ook Woerden had moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.

Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave van Holland en Zeeland ingehuldigd.

Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden van Oudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnen Schoonhoven, Langerack, Liesveld en Oudewater en het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild te Oudewater.

Wij hebben dit voor Oudewater belangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ook Oudewater weder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd van Oudewater, dat het legt "op die frontieren van onsen landen van Holland strekkende aan den gestichte van Utrecht ende lande van Gelre" enz.

Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukking Gelre gebruikte.

Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15de eeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk, dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, dat Oudewater zoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen van Utrecht als oock van de voorsz. lande van Gelre.

Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon te Gent geboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II [484] zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.

Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 te Burgos in Spanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.

De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakte verdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.

Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval in Holland beducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bij Nijmegen lag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.

Nadat hij nu in Brabant vele veroveringen gemaakt had, viel hij in Holland. Men poogde Oudewater te verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper en Oudewater werd niet genomen, »het mislukte" schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren." [485]

Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immers Bodegraven werd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot te Muiderberg en de stad Weesp werden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld in Groningerland.

Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.

Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:

De schouw en de zorg der dijken in Holland was, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweest aan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.

Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.

Onder de archieven nu, die Oudewater bezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk van Bodegraven af tot den Linschoterdijk toe, door 5 heemraden, als een uit Delft, een uit Leijden, twee uit Gouda en een uit Oudewater, met den castelein en dijkgrave van Woerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.

Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voor Oudewater hadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers te Mechelen tusschen den heer van Montfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stede Oudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op, maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.

In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat" met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen [486] en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maand Nieuwpoort bij Schoonhoven te overrompelen. [487] Nu was men insgelijks voor Oudewater en Woerden bezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen. [488]

Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.

Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer tot Breda &c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx van Castille, van Leon, van Grenade, van Arregon &c. Eertshertoege van Oistenryck, Hertoege van Bourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen van Holland, Zeeland en Vriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide in Holland hier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over 't gunt dat tot cruchenisse d'selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede van Oudewater veel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soe na derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d' selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is 't dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is 't noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede van Oudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnen acht honderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve 't appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d' voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy 't selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en 't selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van 't welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.

Gegeven in den Hage onder 't Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in 't Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide van Hollant, Zeelant ende Vriesland. Ondergeteykent C. DAM.

Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek van Oudewater was en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk," nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.

Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.

Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.

Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemen Oudewater vaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nu Oudewater pogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M." aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnen Oudewater weder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen, die de gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd. [489]

Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.

Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave van Holland in 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.

Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.

De hevigheid van den krijg drukte Holland zeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, niet om het graafschap, maar den keizer te dienen, [490] en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.--Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar in Holland vele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.

Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte. [491]

Een en ander had echter 's lands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, f 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden van Oudewater waren, om een aantal redenen geweigerd.--De staten tegen den 17 Junij wederom te Geertruidenberg beschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.--De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk met gunstiger rapport te Breda te verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maar Delft, Oudewater en Alkmaar benevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten, Delft alleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.

Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.

De stad Utrecht intusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk in Utrecht gelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.--De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden. [492]

De Hollanders het innemen van Utrecht vernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.--Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.--Onder anderen werd er bevel gezonden naar Amsterdam en Gouda, om krijgsvolk te zenden naar Weesp, Oudewater en andere grenssteden van Holland.

De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen, Amsterdam had versterking gezonden naar het slot te Muiden, doch zij werden niet binnen gelaten. Gouda had aan die van Oudewater insgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen. [493]

Wat was de reden van die weigering van Oudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die van Oudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.

De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stad Utrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap met Holland te willen leven.

De Bisschop, nog steeds uit de stad Utrecht gebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aan Holland, en men kwam om die rede te Schoonhoven bij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit het Sticht werden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van het Sticht den keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.

De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbij Montfoort en Woerden naar den Hage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.

Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.

Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies van Utrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer van Utrecht zoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.

Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering in Utrecht gehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uit Oudewater waren er tegenwoordig. [494]

Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrent Oudewater vinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere van Montfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe van Linschoten, Snellerwaard en Heekendorp zal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnen Oudewater tot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.

Wij zien dus, dat nu het Sticht onder het gebied van den keizer stond, Montfoort ook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.

Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij de Linschoter poort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken. [495]

Nu Utrecht dan ook met Holland onder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten met Oudewater hadden; Oudewater had vooreerst het groote periode doorleefd, grensvesting te zijn, tegen het trotsche Sticht van Utrecht.

Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig, in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal te Brussel begroet, en ook nu werd Oudewater wederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin van Hongarije, tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naar Duitschland vertrok.

In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre die Oudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van Egmond Holland beoorloogd.

Nog in dit jaar was men ook namens Oudewater op een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronder Oudewater. Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.

Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder over Holland en Zeeland geweest was, overleed hij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.

Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.

Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesse Holland er mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was in Holland voor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 te Oudewater voor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.

Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken van Oudewater in dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.

Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.

A.

Hoeff Willesz [496] hoema vande Linschoete' poort tot dat toeringen toe aft' adriae goessensz en is lanck XXV roeden en heeft onder hem:

(volgen de namen van 21 manschappen.)

B.

Herme Huygesz hoema van dat toerentge aft' adriae goessesz. tot dat torentge aft' tgastuys en is lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:

(29 manschappen.)

C.

Dirck Woutersz hoema van dat toerenge aft' tgastuys totte nyeuwe toern toe en is lanck XXXVIII roeden en heeft onder hem:

(29 manschappen.) [497]

D.

Wout' Willesz. hoema van den nyeuwe toern tot dat torentge toe after meeus huygesz. en is lanck XXXV roeden en heeft onder hem:

(32 manschappen.)

E.

Jan Geritsz. Vinck hoema van dat toerntge aft' meeus huygesz. tot dat oultaer toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:

(25 manschappen.)

F.

Gerit Taets Geritsz. hoema van dat outaer tot die weerden poort toe en is lanck XXIII roeden en heeft onder hem:

(22 manschappen.)

G.

Adriae Henrick Simosz. hoema van den weerden poort totte doode luyden toern toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:

(24 manschappen.)

H.

Jan Jansz. Cock hoema tussche den doode luyden toern tot koentges toern en is lanck XL roeden ende heeft onder hem:

(35 manschappen.)

J.

Jan Jacobsz. Speyert hoema van koentges toern tot die yselpoort toe en is lanck XL roeden en heeft onder hem:

(33 manschappen.)

K.

Cornelis Ottesz hoema vande Yselpoort tot dat twyncket toe en heeft onder hem:

(18 manschappen.)

L.

Piet' Cornelisz hoema vanet twynket tot die brouckerpoort toe en is lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:

(25 manschappen.)

M.

Gerit Sybertsz, hoema vande broucker poort tot die mole toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:

(20 manschappen).

N.

Gerit Geerlofsz. hoema van de mole totte biessetoern toe en is lanck L roeden en heeft onder hem:

(33 manschappen.)

O.

Piet' Jansz, hoema vande biese toern tot scutters toern toe en is lanck XXXII roeden en heeft onder hem:

(16 manschappen).

P.

Cornelis Symosz hoema vande scuttoern tot die linscoet' poort toe en is lanck XXII roeden en heeft onder hem:

(11 manschappen.)

Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging van Oudewater bestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeff MCCCC ende een, wert Jan Heer 't Arckel, tot Pierlepont, ende des lants van Mechelen vyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant enz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch by Alcmaer ende maecte een reijse op Oudewater ende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, die men alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir." [498] Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug [499], in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort. [500]

Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.

Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre en Zutphen aan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men in Holland nu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.

In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder van Holland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 te Dillenburg geboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in 1549) als stadhouder van Holland zullen leeren kennen.

Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had men op de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met name Oudewater en Woerden scherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten. [501]

Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polder Snelrewaard en Zuid-Linschoten bij Rijnland wordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uit Montfoort en 1 uit Oudewater.

Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.

Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.

Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.

De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uit Delft en Leijden in 8 steden, waar onder ook Oudewater. De uitslag hier van was, dat er in dit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam. [502]

In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid. [503]

In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hij Oudewater het voorregt [504] zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.

Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.--Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot in Oudewater was doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.

De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.--Hij had gezien, dat zij in Duitschland een aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders van het protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.--Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die in Spanje het eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor. [505]

In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. In Spanje werd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop van Atrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad. [506]

Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld over Holland, Zeeland en Utrecht.

De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naar Spanje.

Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.

De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.

Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.

Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook te Oudewater vinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars van Oudewater het eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij in Oudewater niet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn. [507]

De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan [508] die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevens ongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.--Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.--Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.

Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag aanvroeg en verwierf.

De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte" werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien »raad van beroerte" nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen werd hij door anderen den »bloedraad" genoemd.

Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich van alle zijden er tegen begon te verzetten. Terwijl de neringen dus gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was. [509]

Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.

De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er niet stil.--Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar de Nederlanden gedaan had.--In die teleurstelling en verlegenheid oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, die dan met hunne lading buit gemaakt werden.

Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.

Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra 's prinsen zijde Vlissingen, Medemblik en andere Noord-Hollandsche steden.

Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211, 212 en 213.

»Dus gingen de zaken in 't Noorden van Holland, maar in 't Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand [510] zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvol volks de stad Oudewater [511] en drie dagen laater ook Gouda om; welk voorbeeld sedert door Leiden, Dordrecht, [512] Haarlem en Gorkom gevolgd wierdt. Invoege slechts Delft, Amsterdam, Rotterdam, Woerden, Schoonhoven, Naarden, Muyden en Weesp het nog in Holland alleen maar met den [513] Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden [514] van Hooimaand te Dordrecht met een oogmerk vergaderden, 't gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op 't zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien [515] tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheel Holland aanstelden; [516] welke in die hoedanigheid zich straks van [517] Rotterdam en Woerden verzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad, [518] door Bossu voorheen daar ingelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel [519] Holland, verlaaten hadden. Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart [520] vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan 't wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in 't sement van 't vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn."

Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder onder het bestuur van Spanje te brengen.

Ook de stad Oudewater poogde de grave van Bossu te vermeesteren, doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.

Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur van Holland en Utrecht. De stad Utrecht nu, had toen ter tijde de spaansche zijde nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat Bossu Oudewater ging bestoken.

Eerst had hij beproefd den Briel en Haarlem weder aan de spaansche zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was, [521] moest onze stad er aan, onderrigt als hij was dat er in Oudewater weinig buspoeder en een klein getal ongeoefende soldaten waren.

De Heer van Zwieten echter, die Oudewater vroeger voor Oranje genomen had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein van Woerden met verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen liet berusten.

Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, waarop het in Utrecht weekmarkt is, dat hij op eens de poorten van Utrecht deed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te gaan. Al de wagens [522] en ook de boeren [523], werden nu geprest en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stad Oudewater alwaar hij des avonds aankwam.

Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 vaandels manschap, die het echter van wege de stad Oudewater niet aan brood, haring, bier enz. ontbrak.

Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:

Zoo min als dit kalf garen kan spinnen, Zoo min zal Duc d'Alve de stad overwinnen.

Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:

Al eer een jaar ten einde zal gaan, Zal ik er door jagen den rooden haan.

Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.

Al hoewel van Bossu niet op Oudewater schijnt uitgegaan te zijn om het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut van Utrecht herwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.

Het leger te Monfoort aankomende, werden de poorten voor hetzelve gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aan Linschoten heen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als in een zee stonden.

Aan een oud moedertje in de Linschoten op haar erve staande, vroeg Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, en eenige verdronken. [524]

Zoodanig was de afloop van van Bossu's onderneming, om Oudewater te overrompelen.

Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaar Oudewater aan te tasten, niet ten uitvoer kunnen brengen, eenigen tijd toch na zijnen mislukten togt naar Oudewater werd hij in een gevecht op de Zuiderzee gevangen genomen.

Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.

Had men van Bossu,--met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten noch te verdrijven was; te Oudewater heerschte de pestziekte, en zij woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer 3000 ten grave gesleept werden.

Hetzij men te Oudewater ten gevolge des togts van van Bossu, of ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men in Oudewater groote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt opengesteld. [525]

Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren geweest.

Oudewater toch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en die moord in het breede uit een zetten.

Nadat Baldez onder Requesens het beleg van Leijden had moeten opbreken, begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd en Breda was de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.

Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken van Oudewater niet vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend, [526] dat op den 24 Februarij 1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de steden Oudewater, Schoonhoven, en Woerden alsmede het slot Loevestein niet alleen van het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een aanval bloot lagen, indien de vrede te Breda niet tot stand kwam, zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de vijandelijkheden.

Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paarden Buren ingenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van 15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat Hierges Buren nu versterkt had, verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut naar Bommel anderen naar Worcum, en de overigen naar de zijde van Schoonhoven gezonden.

Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.

Zoowel uit Gouda als uit Oudewater werd echter aan den Prins gedurig berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.

De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens bevallen de staten van Holland voornamelijk aan die van Oudewater om de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen, [527] en hen te voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en de krijgsoversten binnen Oudewater ten einde te Gouda waarheen men aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd en gesteld wierde. [528]

De rede waarom men dit aan Oudewater beval, is ligtelijk te begrijpen.

1. Had Oudewater een beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten alle »onnutte monden" uit de stad verwijderd worden, ten einde men met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte toekomen en ten

2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei en door hunne tegenwoordigheid waar die niet vereischt werd, belet worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.

De zorg van s'lands staten voor Oudewater berustte er nog niet bij.

Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van het naburige Benschop als van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene zaak naar Oudewater te vervoeren, en er geschut van te gieten.

Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de klokken, kwam echter niets.

De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op het volgende neerkomen:

Die van Oudewater waren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar hunner geburen [529] en van Duyn meldt zelfs, dat zij Gouda hadden gewaarschuwd op zijne hoede te zijn; [530] maar de meest afdoende rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands verloren zoude gaan [531]; aldra echter, zoude men zich over die verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.

Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen in den vroegen ochtend een zeker poorter uit Oudewater genaamd Dirk Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden om onder het groenbekrooste water, dat in de omstreken zoo menigvuldig werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren zij eene verbazende menigte vlugtende mannen, vrouwen en kinderen, die van Dam toeriepen de vijand komt! De vijand is in aantogt naar Oudewater en op de vraag van waar hij kwam, zeide men Langs den Damweg van IJsselstein.

Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen hun toeliet, terug naar Oudewater, vertelde aan ieder de vreesselijke mare en de meeste ingezetenen van Oudewater werden ontwaakt uit hunne nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt, de vijand is in aantogt naar Oudewater langs den Damweg van IJsselstein.

Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, den weg zoo mogelijk te versperren.

De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd was volgens Van Kinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.

De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat de alom op de been geraakte »huislieden", die het--ter ontwijking van het gevaar--op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood het leven zelve konden redden. [532]

Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naar Oudewater, willen wij de krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.

Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier vaandelen voetknechten, [533] te weten:

Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche dienst geweest zijnde, [534] nu aan de Staatsche zijde was.

Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 manschappen, terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo groot was, zoodat het getal weerbaren binnen Oudewater op omtrent 700 koppen gesteld mag worden.

Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering van Hierges.

Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met reden beducht, voor het lot, dat Oudewater boven het hoofd hangt.--

Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans [535] die niet ver van Oudewater aan den grooten weg naar Montfoort gelegen was [536]; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting eener bijliggende sluis.

De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voor Oudewater van zoo groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken en buiten moesten blijven.

Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo groote aangelegenheid voor Oudewater geweest zoude zijn; hadde men haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel geweest om Oudewater te behoeden voor het treurig lot, dat het te verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen, den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest zijn, om van die zijde de stad te bevechten, en men had tevens, daar de zwakke bezetting van Oudewater den prins van Oranje niet onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter versterking kunnen aanvoeren.

Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde van Oudewater bij Goejanverwellesluis gelegen, werd [537] door den Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder volk geweest is; [538] men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen op de meest blootliggende punten op te werpen [539] en den inwoners van Oudewater dus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.

Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman binnen Oudewater was aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijk ware het beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt gevallen. Hij toch, was te Haarlem met nut in het bestuur des krijgs [540] werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.

Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, werden er verscheidene uitvallen door die van Oudewater, toen de Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter te Oudewater spoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet één missen.--Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos te verspreiden.

Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men te Oudewater tevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld. [541]

Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een bode naar Oranje te zenden.

Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, nu de stad door duizenden vijanden is ingesloten? Wie zal er zich een weg door banen?

Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad verwittigde, »Ik", zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en .... mijne stadgenooten redden, maar", zeide hij tot den magistraat, »mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne echtgenoot en kinderen," iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat ingewilligd werd.

Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, zeer avontuurlijken togt uit.

De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.

Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, ieder met een grooten springstok bij zich.

Het zijn de stoute togtgenooten.

Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij naken.... Zoo naderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij naderen de tweede vijandelijke post en... weder gelukt het hen, die zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nog ééne wacht en het gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het nu naar de schans bij Goejanverwellesluis te rigten, meenende, hopman van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne teleurstelling, toen zij daar Spaansch hoorden spreken. Die sterkte, nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!

Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt te worden!--De gedachte aan gade en kinderen--aan het gewigt van zijnen togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt mislukte,--dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.

Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich te zien.

Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken geraakte [542] en al spoedig was men nu behouden te Gouda, het voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.

Men had te Oudewater de afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat men behouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit seinen niet achterwege bleef.

Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naar Oudewater was, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: »van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten," Men werd dronken van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou zich er zeer over te betreuren hebben.

Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang, [543] den vijand gestadig uitjouwende.

De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het stedeke Oudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.

Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om de stad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende land, hen te verdrijven.

Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet om behoefden te bekreunen.

En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, was hij naar Delft op reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het toch Oudewater niet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.

Men was in Oudewater echter nog in het onzekere wat van Dam bij den prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.

De prins reisde eerlang zelf na de stad Gouda om te zien, [544] of er geene andere middelen tot redding van het omlegerde Oudewater konden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, voor de stad onzer beschrijving.

Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin men den benarden toestand van Oudewater aan Oranje schreef en op ontzet aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, buiten staat om den Spanjaard van Oudewater te verdrijven en meerdere manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen naar Oudewater gezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.

In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote kerk en toren te vuren. [545] Hij had drie redenen op het oog, [546] om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.

1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, die hij nam.

2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.

3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen dienen. [547]

Naauw had men echter van binnen 's vijands meening omtrent dit laatste punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast de grijze kerk aan den IJsselzoom.

Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve stond op den dijk [548] bij de galg in het markveld en was alleen met 19 zware muurbrekers en 4 dubbele kartouwen voorzien, die tot bij de 65 ponden ijzer uitwierpen.

De andere batterij was met 5 stukken [549] voorzien en was op den Montfoortschen dijk opgeworpen.

Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en niets weerhield hem nu om Oudewater op te eischen voor Philips den II; ten acht ure 's morgens van genoemden dag, zond hij den Heer van Oostrum [550] naar de stad en eischte dezelve met de meeste vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave van Holland op.--Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum [551] met gelijke bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, om hem naar zijne Doorluchtigheid te zenden, en diens gevoelen op dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg slechts twee uren om zich te beraden.

Men had dit in Oudewater niet juist begrepen, men meende, dat hun tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was [552] en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan den vijand te berigten.

Nog anderen, meldt van Duijn, [553] waren van meening, dat de stad opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:

»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in hunne gelederen gediend had, zeide, dat Oudewater werd opgeeischt, onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs gemaakt zouden worden. Willende hij liever in den strijd sneuvelen, dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten druppel bloeds."

Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport van Oudewater meer ontvangen, en ten [554] tien ure was het in de stad en in de environs op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut op Oudewater gevuurd.

Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.

Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht op muren en torens geschoten, [555] toen men tusschen de 16 à 1700 kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, verbazend groot waren.

Eindelijk zwijgen de vuurmonden..... het is nacht, de tijd van ruste. Doch rustte men in Oudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, en waarom wil vader niet ontwaken?

Rustte men in Oudewater?

Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt.... hij deed het, maar hij was niet zwaar geharnast, slechts een lederen kolder omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.

Maar nu moest men aan het werk.

Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde, [556] en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te geschieden stond. [557]

Doch de voorzorgsmaatregelen van die uit Oudewater bleven er niet bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.

Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren. [558]

Voorts bedacht men in Oudewater nog iets om den vijand afbreuk te doen, dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.

Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met ijzeren punten bestoken, die ter wederzijde rustten, hieraan werden weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, die weder te kunnen optrekken.

Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde veste tot het uiterste te verdedigen.

Maar de vijand zat insgelijks niet stil. Zijn doel was een stormweg door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in menigte bij Oudewater gevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.

7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voor Oudewater de beslissende dag.

Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer over de 1300 keeren hebben gesproken [559] en de met zooveel ijver gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte ijzer.

Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders [560] tot bij Oudewater gekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, dat Oudewater dien dag weder onder Philips den II terug gebragt zoude worden.

Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, zond Hierges zijn legermeester Don Hernando de Toledo, de hoplieden Francisco d'Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd was.

Nu bedacht de vijand eene voor Oudewater rampspoedige krijgslist; er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.

Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.

Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.

Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd en nu zoude het niet bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand een oorverdoovend geroep van "naar binnen, naar binnen toe." [561]

Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen" ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.

Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het gevecht nog geen deel hadden gehad.

De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten lood, kokende teer en andere brandende voorwerpen op het hoofd en de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd aan. [562] Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op die wijs den voet nooit binnen Oudewater heeft kunnen zetten. Maar wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!

Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die men tot nu zoo manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na vijf vierendeels uurs zoo duur [563] den wal te verdedigd hebben, het overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel. [564]

Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.

In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was vreeselijk.

De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een tot den anderen, en als men zich dus eenigen tijd met het angstgeschrei der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege ligchaam der ongelukkige slagtoffers.

Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wilden hun leven dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder om zijn.

Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.

Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om nieuwe rove op te duiken.

Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.

Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; »de roode haan" die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stad Oudewater te zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.

Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges [565] den steeds toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige huizen, het klooster en de parochiekerk.

Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten [566] en verdronken.

De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd [567] den vijand te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.

De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk, waren bij het verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs verkocht.

De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.

De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon [568] en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.

Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, droegen de Staten van Holland zorg [569] indien het noodige hun ontbrak.

Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio Beltram Dell. Penna.

Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte die ons nog overig is, niet afnemen.

Nog een paar woorden echter.

1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in de stad onzer beschrijving gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als men van beide zijden was [570] en hij was door onze stadgenooten nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang [571] en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en

2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.

De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van de ramp verschoond gebleven.

In het jaar 1615, werd er te Oudewater eene naamlijst opgemaakt van hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt. [572]

Terwijl de gratificatien, door de staten van Holland in stede van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in 1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd Corn. Jansz. Klopman.

Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.

Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 te Oudewater feestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten ramp te herdenken dien het vroeger trof.

Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog steeds aankomende.

Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.

Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam, toen was het klokkengelui, het noodsein voor Oudewater en nu roept het de schare op, om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking van Oudewater aanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.

Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.

In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille straten der stad verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op den »moord," zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.--Het is niet de moedige jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave van Bachus gaan genieten. [573]

Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, dat durven wij niet beslissen, maar waar is het, dat na jaren nog menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag van den »moord" wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste dag was van het aanknoopen van eenen band door Freja gevlochten.

Nadat Oudewater dus door den Spanjaard onder Philips den II, was terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den 11 Augustus was Hierges reeds voor Schoonhoven, dat nu aan de beurt was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden of Duitschers in Oudewater als bezetting gelegd werd.

Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel mogelijk gezorgd, en ook de stad Delft bleef in October 1575 met het ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.

In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd begrip, immers ook Oudewater en Woerden dongen naar het bezit van de Hoogeschool binnen hunne muren.

Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat der Nederlanden Zuid-Holland door A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.

»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den roem der dappere verdedigers van Leijden niet, wanneer wij vermelden, dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele verhaal met de waarheid in strijd is.--Bij het algemeen doordringen der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het vaderland bestond geene gelegenheid om zich in de daartoe vereischte wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, was door Prins Willem en de Staten van Holland over dit belangrijk onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche overheersching hadden geleden, als Oudewater, Woerden en anderen, deden al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van den Prins werd eindelijk besloten de academie te Leijden te vestigen, eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan."

Ruim 15 maanden was Oudewater nu al door soldaten van Philips bezet geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van Oranje terug te brengen.

Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haar weder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet kwamen. Dit werd toegestaan, [574] en alle burgers en andere getrouwe personen, die zich in Oudewater vestigden, zouden genieten, vrijdom van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d'Ingeseetenen der voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar inne eenige soldaten 't ontvangen ofte te logeren, willende die Staten voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte den Staten voorn. mit goede kennisse van saken anders daar inne sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende ordonnantien van zyne Exce. ende der Staten voorn. als naar behoiren, waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld ende genomen. Gedaan tot Delff den xijen. Novembris Anno XVc. sessen 't seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands Zeeghel." [575]

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.

Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.

Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.

Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude zijn.

1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg te Gouda bijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.

Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken" verworven had.

De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet gebijt had.

Het »oude varken" zou dan het eerste over het ijs gaan, over den wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen mogten volgen.

De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met ingespannen verwachting het sein.

Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak was het »oude varken" rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.

In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.

Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.

De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.

Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en marscheerden naar het nog Spaansch gezinde Sticht van Utrecht.

2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.

Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodat er weinig of geen toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar het Sticht zijn uitgetrokken, en de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen. [576]

Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat ten gevolge van het beleg.

Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de wegen bevonden.

Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk archief van Oudewater berustende. De eene heeft tot opschrift: »Ano 1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cley burgemr. van jaere acht en tseventich binnen Oudewater vande tweehondert ponden van xl groon tot reparatie van dyckagie ontfangen;" de andere: »Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van ontfanck bij Cornelis Dircxz en Jan aertsz Burgemrn der stede van Oudewater inden jaere XVc acht ende tseventich gedient beroeren de vijftich gul ter maent tot behouffe vand opruyminge van straten bij karolus gul. tot xl groon vlaems den groot tot iiij dts gerekent."

Uit de eerste schrijf ik deze posten af:

Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken bestaet en gegeven van maecken ten eersten twesteynde vyftich gul.

Item noch vant oesteynde van dyck te maecken gegeven XXXVIIj k. gul. X stv.

Item tvoorgen gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te volmaken gegeven van arbeytsloon LIIIj--

Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken mette aerde daar bij leggen van arbeyt gegeven Ij--XIIIj--

Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was weder of doen effenen van arbeijt gegeven Ij gul. X stv.

Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer stede vuytgegraven was fa IIIj--XV--

Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet fa Ij--"

En uit de laatste: [577]

»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs ses st. tot XXXVj dagen toe fa X--XVj--

Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese weecken lanck compt XVIIj dagen fa IIIj--X--

Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers fa Ij--Ij--

Item noch een man van een dach te laden gegeven --Vj--.

Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechs IIIj st. f Ij--"

Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meer voet, zoodat dan ook in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst te Oudewater werd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden gelegd. [578]

Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de industrie begon weder eenigzins te herleven. [579]

Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren en jaren behoeven.

Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd had. [580]

Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken bespieden.

Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het overlijden van Requisens op den 25 April, eene vereeniging tusschen Holland, en Zeeland tot stand kreeg. De steden Schoonhoven en Oudewater waren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den Spanjaard waren ingenomen, evenmin ook Woerden, dat nog belegerd werd, maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd, [581] ten volgende jare besloot men te Middelburg op een door de Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken van Oudewater, Woudrichem, Vlissingen, Veer en meerdere sterke steden [582] en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voor Oudewater verscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.

In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie van Utrecht waardoor de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Groningen en Vriesland naauwer aan een gesloten werden.

Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te ' Gravenhage Philips van Spanje met zijne nakomelingen voor immer af. [583]

Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stad Oudewater.

Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld is.

In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden en onzen lezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden bezorgen.--Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts--naar onze wijze van zien,--van de voornaamsten zullen gewagen.

Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad aan den Bailluw, om voor de vierschaar als Procureur te fungeren; van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade te Oudewater, benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.

Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon toe te nemen, onder anderen:

1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het bestrijden der stads verbeteringen,

2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en

3o. dat ook de Gemagtigden uit Oudewater in het jaar 1583, weder voor het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.

Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene originele acte van volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te verschijnen in 's Gravenhage en te beraadslagen overeenkomstig de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat van Holland, hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I. tot graaf dezer landen.

De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige gewesten er tegen waren.

In April 1583 was men van Oudewater weder onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het geheimzegel te bezegelen.

Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven beschreven werden, [584] om op den 16. October 1583 te Dordrecht te verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.

Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van wege de Staten van Holland, waarbij Oudewater wordt uitgenoodigd ter dagvaart te Dordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, met die van Zeeland en Utrecht te besluiten, over eene leening van 125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en 1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij name Oudewater dat zij alle oproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.

Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.

Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnen Delft de twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste te Delft beschreven, om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen [585] en namens Oudewater verschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn [586].

»Intusschen," zoo schrijft Van Kinschot [587], waren die van 's Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en afgevaardigden der steden nu te Delft bijeen zijnde, deden den eed voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig genoeg over dit gewigtig onderwerp had gesproken, getuigden die van al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van de vereeniging tusschen Holland en Zeeland nimmer te zullen scheiden, waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.

Voorts verschoonde Oudewater nevens de kleine steden zich, om dezelfde reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.

Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin van Engeland stond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschap trachtte, maar zelfs de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.

Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de krijgslieden nog eenigen tijd bleven.

Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning aan de stad Oudewater tot voldoening van 250 pond, als aandeel der gemeenten in den algemeenen omslag en contributie, ten einde in de groote lasten van den oorlog te voorzien.

De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen in te ruimen. [588] Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten het Veer aan Oudewater toevoegden. [589]

Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester weldra, in 1586, de Nederlanden verlaten, doch het leger,--staande onder soldij der koningin van Engeland,--dat hij achter liet, was nog 10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die steden verzekeren. [590] Alhoewel wij Oudewater niet op de lijst dier steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillende stukken aangaande den kommandant van de bezetting binnen de stad Lancelot, Heer van Marbaijs.

In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land tusschen Utrecht, Amsterdam en Gouda af. [591]

De Staten van Holland en Zeeland namen nu dan ook maatregelen, om zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar [592] naast het archief der stad Oudewater gelegd, komen treffend overeen, immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en knechten, binnen de landen van Holland en West Vriesland en tegen alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, grave van Hohenlo.

Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in waardgeld aangenomen.

Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had zich al eenige jaren moeten vergenoegen met 2/3 hunner soldij, terwijl hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu wilden zij volle afdoening en weigerden den Staten en Prins Maurits gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.

Te Oudewater was men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse processenverbaal tegen het garnizoen in 1587-1588 opgemaakt. [593]

Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te 's Gravenhage belegd, waren de gemagtigden van Oudewater weder tegenwoordig. Het schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.

Utrecht zelfs, dat Oudewater zoo menigen keer met zijne troepen bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die van Oudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, den vorigen avond door Jutphaas neerwaarts gepasseerd was. Die van Utrecht verzochten daarin »Crysvolck" uit te zenden, het slaan der klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.

Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.

Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en in de Spaansche Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.

De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote overwinning door Maurits bij Nieuwpoort plaats, waarbij de Admirant van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, en wij vinden dan ook in het archief der stad Oudewater van den 21 Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den Admirant van Arragon.

Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig van aanbelang te Oudewater geschiedde. Philips den III. echter werd in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig bestand sloot. [594] Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing naar de bronnen aantoonen, dat die in de stad Oudewater niet van de minste waren.

De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als wij weten in Oudewater geboren, [595] en zijn grootste tegenstrever de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie aan de hoogeschool te Leiden.

Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.

Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden. [596]

De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.

Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen. [597] Onder anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein te Oudewater den contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.

Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.

In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de vergadering der Staten van Holland, waarop Arminius echter spoedig overleed [598].

De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.

Te Oudewater had de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius [599].

Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnen Oudewater niet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina's daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de volgende drie in de noot aangeduide brochures [600] en ga de diverse stukken op het raadhuis over die geschillen bestuderen. Indien hij dan van het »Audi et alterem partem" houdt, zal zijn wensch in ruime mate bevredigd worden.

Wij ontleenen aan het »historisch verhaal" kortelijk het volgende:

Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.

De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd van beraad verzochten, dien zij verwierven [601].

Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot aan de broeders, de predikanten te Amsterdam, en nog aan een andere »kercke" schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.

De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij die bijeenkomst geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, zoo konde men hem niet overtuigen. [602]

Op het schrijven aan de predikanten der stad Amsterdam volgde den 7 Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive [603] aan de eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren van Oudewater, waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, ofte hen in hun gemoed te bezwaren", verder verwezen zij naar den zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.

De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.

De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen tot den draad der geschiedenis terug te keeren.

Men had nu te Oudewater en elders gezien, dat de onderlinge verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor te weeg gekomen waren.

Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne gezindheid op het kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid der Regenten hen tegen was [604]. Doch nu sterker en meer openlijk ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.

Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat van Holland en de tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.

Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vesting Oudewater na den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten toe te staan [605], het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders" binnen Oudewater.

Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de meerderheid der Staten van Holland nam op den 4 September 1617 een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben de »Scherpe-Resolutie" [606] maar eenigen tijd hierna besloot,--na veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,--de Hooge Raad, die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.

Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stad Oudewater waar hij eveneens verandering in de regering bragt.

De synode van Dordrecht werd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.

Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.

Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat zijn zoon Philips IV. hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu de krijg weder hervat.

Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den te Oudewater liggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uit Oudewater te gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus 1623. [607] Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke waardigheid.

Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd, waren er van Oudewater eveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato 16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize. [608] De bevolking der stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 werden daarenboven uit Oudewater 50 manschappen uit de burgerij geligt om te Steenbergen garnizoen te houden. Dit deed de oorlog, maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept. [609]

In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het volgende jaar 1648 werd de vrede met Spanje gesloten. De vereenigde gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.

Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stad Oudewater had er in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.

Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen.

Nadat de vrede met Spanje gesloten was, behoefde men zoo veel krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincie Holland meer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.

De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van Willem den III. zal leeren kennen.

Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter van den overledenen Philips, aanspraak op de Spaansche Nederlanden, waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.

De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en wisten een verbond te sluiten met Engeland en Zweden, ten einde Lodewijk XIV weder met Spanje te verzoenen. De vrede kwam dan ook terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan te doen; eerst moest hij het verbond tusschen Engeland en Zweden met de Staten hebben vernietigd, eerst poogde hij de Staten er van af te trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het met Engeland, dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk overreden om met hem ons te beoorlogen.

De twee vorsten, wisten nu Zweden insgelijks aan hunne zijde te brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons land te overrompelen en te verdeelen.

Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er veel van te kunnen verwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het gemeen, zeer mishaagde.

Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, den veldtogt, die nu aanstaande was, en ook Oudewater zoude beroeren, zou worden bevorderd.

Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald en Oudewater viel insgelijks in den magt der franschen. [610]

Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.

Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ook Montfoort werd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers bezet.

Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan de Nieuwerbrug de steden Woerden en Oudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden in Woerden gelegerd, terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naar Oudewater zond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden. [611] Tot dusverre Wagenaar. Omtrent dit voor geheel ons vaderland en ook voor Oudewater zoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert van den Bosch, ons [612] in betrekking tot de stad onzer beschrijving nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij door Nijmegen over de Maas naar 's Hertogenbosch getrokken was, vervolgt hij in dier voege:

De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur beneden Oudewater te legeren.

De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naar Utrecht om aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.

Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar 's Gravenhage te zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling en verbetering van de stads wallen en sterkten; men beval den Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.

Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen hadden, als de vijand Oudewater naderde, zijn legerschare zich voor de veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te gaan, die met zijne troepen te Bodegraven lag, maar de verwarring, die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier onverrigter zake wederkeeren.

Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands van het stedeken bij de Wierinkken en derzelver sluizen, kunnende hij daardoor Oudewater en omtrek deels onder water zetten door middel van den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, dan slechts in een »vervuilden hoek" een paar oude ijzeren stukken, en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; die te Utrecht op kondschap lag, nog een tonnetje van ongeveer 80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet boven de 300 mannen uitleveren.

Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad [613] in geen 30 à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.

Men wachtte echter nog op tijding uit Utrecht. Ondertusschen werd de Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die van Utrecht al gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter nog niet over.

Daar komt eensklaps de persoon die te Utrecht op kondschap was, de verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon de Franschen binnen Utrecht had zien trekken, en hij ter naauwernood hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten van Oudewater bevinden. En de bode had zich in die meening niet bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, zakten gedurig nederwaarts af.

De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde van Utrecht, niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan capituleren vinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de Gecommitteerden tot het naburig Montfoort genaderd, of zij ontmoetten de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen terstond goede beloften.

Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier dus Oudewater insgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting binnen Oudewater zoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen of musketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.

Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, pistolen en zijdgeweer. Niemand dezer troepen sliep gedurende den nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, uit vreeze van overvallen te worden.

Zij schreven naar Utrecht om ammunitie en daar die ook zoo spoedig niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger van Utrecht ontvangen had.

Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op den 29 Junij des namiddags naar Utrecht vertrokken zijnde, zij des voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.

Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven soetelende" waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, en nu mede ter stede werden binnengevoerd.

De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.

De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La Pornerie, maar op den weg naar Utrecht lagen nog 9 standaarden Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.

Nadat de Franschen zich dus in en om Oudewater gelegerd hadden, eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de ypenboomen rondom den stads cingel staande, af te kappen, die tot pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen (in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, na negen ure des avonds over de straten te gaan.

De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde [614] geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, 150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langs Honkoop doen defileeren. Deze nu aan de andere zijde van Oudewater aangekomen zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, maar de Franschen werden door het gestadig schieten van deze 150 man zoodanig verontrust, dat zij naar Woerden, Montfoort en Utrecht om bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschap Willeskop en die om de stad stonden.

Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid niet wat dit beduidde.--Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, droeg dit 's prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, waaronder eenige voorname officieren.

Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen volgen:

»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo hoog door de sluysen in konde laten als men wilde. Hy vraagde ten derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met'er tijt wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.

»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen konden uyt-maken. Sy spraken veel van Leyden, en wilden daar na toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.

»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, sag ik door het venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; (ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen van Utrecht; hij seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren wederom, met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders is aan de stad de minste overlast niet gedaan."

Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen 10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad; Oudewater behoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.

Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stad Montfoort op de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 gevangenen waaronder eenige koninklijke Sauvergardes binnen de veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn ter bezetting van Oudewater aangekomen. Immers nadat de Koning, van Zeijst was opgebroken en de Franschen Oudewater, Woerden en Montfoort ontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij ook Woerden en Montfoort gedaan hebben, maar Oudewater werd door de spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux tot nabij Montfoort genaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder na Utrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na haar voorige post te doen verhuysen.

»Nu liet sijn Excellentie in 't eerste aldaar slechts 300 man van de Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken verandert; in-voegen Oudewater doenmaals maar als een brandwacht en buyten-post gerekent wierd.

»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerders een brief van Utrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die van Oudewater daar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naar Utrecht vertrokken, die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat'er noch een vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die van Oudewater daar door een vryen pas van de Franschen Commandant.

»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en 200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; 't welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.

»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, doenmaals noch Luytenant Colonel, hier binnen gekomen met 5 vaandelen Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.

»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen binnen Oudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en aldus kreeg Oudewater in 't korte een heel ander oog; en de plaatse, die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den vyant te gemoed sag. De besettinge van Oudewater was ook te meer noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.

»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den 21. van de maant September, wierden'er 18 a 19 Fransche gevangenen binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, staande op de brantwacht buyten Woerden. Den 29. dito kregen de onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by de Linschooten. En soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een Missive van den Hartog van Luxemburg geschreven, om lossinge van eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht."

»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen binnen Woerden waren getrokken, soo is den Hartog van Luxemburg met Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van Hoorn tot Oudewater ook met alle naarstigheyt dede doen; de welke kondschap krijgende, dat den vyant omtrent Woerden seer besig was, met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig voetvolk op de huysen Nes en Linschooten, om hem te ondersteunen: en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, de welke de kaap op naar Wulverhorst, met eenige weynige Officieren, om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren."

Zooals men dus bemerkt, had de stad Oudewater in 1672, een zeer verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die van Oudewater tegen de franschen onvervaard en dapper, naast die van Alphen, toen vielen er bij de Nieuwerbrug in eene charge meer dan 50 man van den vijand onder den voet. [615]

Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die van Oudewater zich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf diene men echter te weten, dat Montfoort en Woerden nog in het bezit der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche schutters binnen deze stad in bezetting lag.

Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen [616] van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde, werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnen Oudewater berigt had, dat 500 franschen naar de zijde van Linschoten, Diemerbroek en Papenkop optrokken, kennelijk met het doel om te rooven en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 à 600 soldaten vergezellen.

De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, totdat de vijand zich tusschen Papekop en Diemerbroek achter eenige hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot vóór de poorten van Woerden en Montfoort, daar zij uitgetogen waren, werden nagezet.

De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen, al hunnen buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend geworden.

Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er gekwetst.

Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich met sleden vol hooi en huisraad binnen Oudewater weder keerden. [617]

Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.

»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en twintig Franschen van Woerden naar Uytrecht, onder een Colonel en eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier verleenden, en binnen Oudewater brachten. Van de Staatschen was de Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.

Deze en meerdere veroveringen bezorgden Oudewater grooten naam in de geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken." [618]

Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang echter zoude Oudewater gebukt gaan onder de schade die het aan huizen, en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten van Holland en Westvriesland octrooi [619] tot het oprigten eener loterij van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in den jare 1672 geleden.

In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij moeten daarbij een weinig stilstaan.

In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stad Oudewater verlof verzocht, door den Lutherschen Predikant van Woerden, om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde hun zulks niet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.

Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met de bepaling dat zulks zou moeten geschieden op het choor, voor die reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst zou gedaan worden; met bedreiging, den koster te zullen afzetten, indien hij zulks niet weerde.

Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder 't oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een besluit werd genomen van den volgenden inhoud.

»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en te behooren. Gedaan bij de Heeren enz."

De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met het snappen van eenige »klopzieke wijven," die er den mond vol van hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dus voor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5-6. »de heiligheid is uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!" Na eene korte verklaring van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat dit Huis (bedoelende de kerk waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met 's lands wetten en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed met 's lands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.

Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over de woorden »Gij zult niet doodslaan." Thans zocht hij aan te toonen, dat, hoewel men in 't algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit 's lands plakaten te bewijzen, de ongeoorloofdheid van 't geen dezer dagen was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven, zonder verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, volgens de getuigenis van vier personen, in Januarij des volgenden jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.

Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen 's lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met de keuren van Oudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, tot opruijing en aanhitsing van 't gemeen, en van verre uitzigten was: en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om den Leeraar door twee leden al ware 't zelfs zijn beste vrienden, de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder 't oog te brengen en zijn Eerwaarde te vermanen, in 't toekomende, zich daarvoor te wachten, werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op den Zaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel hun gezag te handhaven, en dit geschil, 't welk in de vroedschap slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout van Oudewater. Hij oordeelde Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich te wenden tot de klassis die in April te Schoonhoven zou gehouden worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald besluit te nemen. In den onzekeren kans, welken uitslag deze zaak zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan dertig personen, niet te Oudewater, 't geen vreemd is, maar buiten de stad, te Hekendorp woonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen van Hekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun aangenaam, in 't bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing van schepenen. Van wegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den Majoor de Charreton, kommanderende het tweede Bataillon van Oranje Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, plotseling van de hand gewezen, met te zeggen: de Armenianen en Papen zullen 't ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens der Wethouderschap van Oudewater aanschreven, aan de Lutherschen de gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige redenen van weigering waren.

De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, zeide: dat 's zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus gedrongen, las het opschrift van eenen brief aan Gecommitteerde Raden in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, 't welk goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande de secretaris hem daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een bevel van Gecommitteerde Raden aan den Majoor om eene der aangewezene plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze 't bevel ontvangen of hij begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering van Oudewater werd gelast de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan 't voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk te gemoet gingen. De vrienden van van Amstel verzochten insgelijks hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in 't bewind en zeven nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus de meerderheid, waarna alles tot rust kwam. [620]

Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnen Oudewater voorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive van Burgemeesters en Regeerders der stad Woerden met concept adres, waarbij Burgemeesters en Regeerders der steden Woerden, Oudewater, Naarden, Weesp en Muiden zich wenden tot de staten van Holland en West-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris der vereenigde Staten van Noord-America eener commerciele verbindtenis te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.

Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen steeg met den dag.

Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met de staten van Holland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar het Loo, en toen de Prinses van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar 's Gravenhage wilde doen, werd zij nabij Oudewater gevat en gedwongen terug te keeren.

De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de ontevredenheid steeds nieuw voedsel [621].

Oudewater dat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch leger dienst te gaan nemen.

Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen den weg tot in het hart van Holland. De Patriotten jubelden, de oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week naar Engeland op den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in 1795 door Franschen bezet.

Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de aandacht te trekken, de godsdienst van den staat werd afgeschaft, de heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen met Engeland, en leden deerlijk in den handel, etc.

De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood [622].

Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren van Oudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.

Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke als Oudewater fraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks regering, de eer had, 3 compagniën der koninklijke garde Jagers te huisvesten [623].

Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder Keizer Napoleon [624] en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote fransche keizerrijk.

Nederland! dierbaar Nederland! hoever was het gekomen. Gij werd nu geschrapt uit den rij der namen en natiën van Europa, meer dan ooit, drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het niet wagen daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd [625] toepassen.

Hollands beemden, Hollands beemden! Ach, hoe jammerlyk ontwijd, Waar de scherpe ploeg der vreemden, Voren door uw boezem snijdt! Moet mijn oog u dus aanschouwen, Land van glorie, land van kracht?.... Thands een land van machtloos rouwen, Om uw ouden roem gebracht!

Hollands beemden, Hollands beemden! Ach, waar zijn uw dagen heen, Toen zoo menig Leeuw der vreemden, Deinsden voor uw Leeuw alléén! Toen, op 't wappren van uw stander, Door den schrik vooruitgesneld, Benden stoven uit elkander, Krijtend: "Holland is in 't veld!"

Hollands beemden, Hollands beemden! Is uw roode Leeuw vergrijsd, Dat de trotsche hand der vreemden Hem in 't spoor der schande wijst? Zijn zijn tanden stomp gereten? Zijn zijn lendenen verlamd? Zijn zijn naaglen stuk gebeten, Dat hy niet ter weer ontvlamt?

Hollands beemden, Hollands beemden! Frankrijks wingeweste thands-- In het wolkengraauw dier vreemden Dooft het zonlicht van uw glans! Al uw glorie is ontluisterd: Frankrijk kwam met boei en band.... Ach, uw zonen gaan gekluisterd In 't onteerde Vaderland!....

Maar daar kwam redding. De slag bij Leipzig bezorgde Napoleon eene dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den zwaren last der overheerschers van hunne schouders.

De Franschen namen alom de wijk. Naarden en den Helder werden echter nog belegerd en te Woerden gedroegen zij zich zeer wreed.

In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan ook als souverein Vorst der vereenigde Nederlanden werd uitgeroepen.

18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den slag bij Waterloo verloor en van dien tijd ademde en leefde men weder vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning der Nederlanden.

Het verkoelde bloed vloeit sneller, En het oude hart werd jong, En het woord van dank en zegen Juichte van de ontboeide tong, Holland Holland was herboren, Holland rees uit schande en smaad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren, Hij ontwaakt met nieuwe kracht, Wee, wie op zijn ruste vertrouwend Vleijend hem te kluisteren tracht.

En in de rust en den bloei, die nu in Nederland aanlichtte, deelde ook Oudewater. De vijanden alomme verdreven en eene andere lijn van defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!

Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert 1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege publiek verkocht.

De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt [626].

Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.

In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar de Colonie Fredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook binnen Oudewater de militie gemist, die er garnizoen hield, werden zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.

Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eene werkinrigting voor behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw der inrigting zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting gemiddeld werk.

Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eene vrouwen vereeniging met het doel aan behoeftige kraamvrouwen gepaste ligging, kleeding etc. te verschaffen. [627]

Eene vereeniging tot kostelooze ter aarde bestelling van behoeftige overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrekt Oudewater eveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.

De oudste der vereenigingen van dezen aard, is het Lijndraaijers Gilde.

Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en uitkeeringen in geld gedaan. [628]

Voort bestaat er hier een departement van de maatschappij tot nut van het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 met feesten herdacht.

Nog behoort Oudewater en omstreken tot eene der afdeelingen van de Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52. [629]

Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, onder anderen:

Eene Liedertafel, onder den naam van Crescendo, opgerigt ten jare 1859, 18 leden.

Eene muzijk vereeniging genaamd Amicitia et harmonia opgerigt 1855, 8 leden.

Eene Rederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen dichter Borger opgerigt 1857, 9 leden.

Ten jare 1850, werd hier opgerigt de Nederlandsche Brandwaarborg Maatschappij voor roerende goederen, enkel van landbouwers en veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.

Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.

Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en eene bijzondere school.

Oudewater behoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt der Provincie van Zuid-Holland, wat het cantonnement betreft onder Schoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onder Gouda en met de protestantsche classes eveneens onder Gouda.

Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten en wetenschap.

De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en fijne touwsoorten; echter worden hier ook andere takken van industrie met vrucht uitgeoefend.

Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, 546.

Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.

Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen tot Oudewater behooren.

Sedert het jaar 1857, bezit Oudewater eveneens een haltplaats van de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen IJssel is bewerkstelligd [630] eene of meerdere vaartuigen, gedreven door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.

En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.

Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van den bodem van Oudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende nieuwe gewassen.

Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevallige woestheid, onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.

Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God niet kenden.

En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.

Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.

Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudig aanzien hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij de beschrevene geschiedenis van Oudewater en omtrek.

Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwsche Oudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen worden.

Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?

O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek en ruime weelde.

Dierbaar Oudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, daar waar te ondersteunen en te helpen viel, [631] zij mogten zich zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.

En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord van Oudewater wordt eenige malen daags, door middel van de rappe wieken des stooms, doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.

Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus gaat Oudewater en omtrek met Godes zegen, bij het immer wijs bestuur van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.

NAAMLIJST DER INTEEKENAREN, OP DIT WERK.

Z. M. de Koning der Nederlanden.

Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden. 2 Ex.

Ackerwijck, (C. van) te Maastricht. Aelst, Sr., (A. C. van) wethouder » Oudewater. Aelst, (G. C. van) » » Alter, (S.) boekh. » Utrecht. Ameijde, (J. van) » Oudewater. Archief der gemeente Oudewater. Baale, (H.) » » Bakker, Bz. (C.) boekhandelaar » Nieuwediep. Beima, (Dr. E.) » Leijden. Blanken, Dz. (H.) notaris » Schoonhoven. Bock, (J. D. de) » Oudewater. Boellaard, (Mr. D. J. H.), lid der Prov. Staten van Zuid-Holland, » 's Gravenhage. Boere, (H. F. de) onderwijzer » Jutphaas. Bom, (G. D.) boekhandelaar » Amsterdam. Borger, (P.) rustend predikant » Arnhem. Bosch, (A. van den) » Soetermeer. Bot, (P.) aannemer » Sliedrecht. Broese (J. G.) boekhandelaar » Utrecht. Beurs, (B. T.) koopman » Oudewater. Caan van Maurick, (Jhr.) op den huize » Harmelen. Cleef Jz., (Wed. P. M. van) » Hilversum. Cleef, (de Gebroeders van) boekhand. » Amsterdam. Cosijn, (A. C.) » Gouda. Daalen, (van) ontvanger der dir. belast. ad int. » Zwijndrecht. Dain, (J. F. A. van) » Oudewater. Doorman, (de Erven) boekh. » 's Gravenhage. Doorn en Zoon, (C. van) boekhand. » 's Hage. 3 Ex. Eeten, (J. C. van) med. doctor » Utrecht. Fröbe, (A. J.) » Oudewater. Geuns, (Dr. van) » Utrecht. Gogh en Oldenzeel, (van) boekhand. » Rotterdam. Goor, (G. B. van) » Gouda. 2 Ex. Groot, (A. de) theol. stud. Groot, (L. de) aannemer » Gouda. Guddee, (F. J.) broodbakker » Oudewater. Haagen, (R. C. van) » Utrecht. Haentjens Dekker, (R. W.) burgem. » Oudew. 3 Ex. Harting, (P.) hoogleeraar » Utrecht. Hartman, H.G. z., (H.G.) secret. der gem. » Fijnaart. Hen, (C. van der) » Nieuwediep. Heuvel, (P. H. van den) boekh. » Leiden. Hoek, (Gebroeders van der) boekh. » » Hoffmann (Mr. M. A. F. A.), lid der Tweede Kamer » 's Gravenhage. Hollander, (J.) » Oudewater. Hunck, (P. J.) verkooph. van galanteriën » Utrecht. Kikkert, (C.) » Oudewater. Kneppelhout, (J.) » Leiden. Koch, (C. F.) boekh. » Utrecht. Koker Bz., (J.) boekhandelaar » Monnickend. Koning, (G. de) » Oudewater. Koning, (W. de) » Utrecht. Koning Knijff, (A. de) theol. stud. » Utrecht. Konings, (wed. N.) » Oudewater. Kruijs, (J. van 't) klokkenist enz. » » Kruijsheer, (T.) » » Lange, (G. van) papierfabrikant » Waddingsveen. Lee, (C. G. van der) » Alblasserdam. Lee (G. van der) lid van den raad » Oudewater. Lee Az., (J. van der) genees-, heel- en verloskundige » Monnickend. Lee, (J. Z. van der) » Brouwershaven. Maarschalkerweerd, (D. van) boekh. » Utrecht. Martens, (A.) » » Martens, (J. H.) » » Mathot, (N.) in stroohoeden » Gouda. Mol, (G. P. J.) genees-, heel- en verlosk. » Naarden. Montijn, (A. M.) oud-burgemeester » Oudewater. Montijn, (Joh. Just.) » Fijenoord bij Rott. Montijn, (T. D.) » Oudewater. Mooij, (H. W.) boekhandelaar » Amsterdam. Muller, (Fred.) boekhandelaar » » Nijhoff, (Is. An.) boekhandelaar » Arnhem. Nyhoff, (J. G. Brouwer) notaris » Haastrecht. Paisieres, (Mr. Just de la) griffier der staten van Zuid-Holland, ten behoeve van het Prov. Gouvernement Peijpers, (W. N.) » Amsterdam. Putman, (J. J.) R.-C. priester en past. » Utrecht. Putman, (J.) boekhouder van het burgerlijk Arm-bestuur » Oudewater. Putman (W.) » » Rahms, (E. C.) » » Rodenburg, (de Jong van) kapitein bij in infanterie » Breda. Roesteen, (J. A.) » IJsselstein. Rogge, (H. C.) pred. bij de remonstr. » Moordrecht. gem. Roldanus, (A. J. A.) boekhandelaar » Oudew. 3 Ex. Roll, (H. F.) » Gouda. Römer, (M. J. J.) onder-officier 4 batt. » Vlissingen 2 reg. infanterie Rost, (A.) » Haastrecht. Rijnenberg, (L.) instituteur op bij Nijmegen. Marienboom Schadee, (E. C.) te Oudewater. Schouten, (G. van Ingen) » » Sivré, (J. B.) Controleur der pl. belast. » Roermond. Snaterse, (A.) » Amsterdam. Spoel, (A.) » Dordrecht. Thier, (W. J.) genees-, heel- en verlosk. » Oudewater. Vermeer, (H.) predikant » Houten. Vermeulen (J.) » Oudewater. Verweij, (P.) » » Virulij, (T. P.) » Gouda. Visscher, (J. W. B.) medicus » Schalkwijk. Vliet, (F. van) » Oudewater. Vliet, (G. van) landbouwer » Hekendorp. Vlooswijck, (A.) nabij Montfoort. Vries, (E. de) te Oudewater. Vriesman, (J. A.) oud-resident op Java » » Vriesman, (J. A.) » » Vriesman, (N. C.) » » Weijer, (P. W. van de) stads- en provinciale steendrukker; boek- en plaatdrukker » Utrecht. Weijer, (W. van de) papierhandel » » Welter, (G.) » Oudewater. Wolters, (J. B.) boekhandelaar » Groningen. Zuilen, (T. van) landbouwer » Honkoop. Zwart, (H. de) huis- en hoefsmid » Oudewater. Zijll, (wed. J. van) » »

BEOORDEELINGEN.

Het Handelsblad van 9 Junij 1858 kondigde de eerste aflevering aldus aan, na de aandacht zijner lezers op de advertentie verwezen te hebben:

"Uit den daar vermelden korten inhoud van het werk mag men veel goeds verwachten, en de eerste aflevering stelt deze verwachting niet te leur."

De Amsterdamsche Courant van 9 Julij 1858 laat zich er aldus over uit:

"De reeks plaatsbeschrijvingen van belangrijke gedeelten onzes lands, hetwelk zoo velerlei gewigtige stoffe tot dergelijke bearbeiding oplevert, is vermeerderd met een werk getiteld: "Oudewater en omtrek, geologisch, mythologisch en geschiedkundig geschetst" door W. C. van Zijll, Jz. Het werk zal in zestien à twintig afleveringen compleet zijn; de eerste ziet het licht. Op het gewoonlijk door de geologen betreden voetspoor vangt de schrijver aan met eenige verklaringen van het diluvium en alluvium. In den loop der behandeling daarvan schetst hij de geschiedenis van den Hollandschen IJssel, en deelt naar aanleiding daarvan zijne meening mede over den naamsoorsprong van Oudewater, volgens hem komende van Oudewaarden. Opmerkenswaardig is, ook uit een oogpunt van nijverheid, hetgeen de schrijver aangaande het veen en de verschillende aard- of kleisoorten van den bodem zegt. Zaakrijk zonder te groote wijdloopigheid, stemt deze eerste aflevering gunstig voor het geheel en regtigt ons aanvankelijk tot de onderstelling, dat zoo de schrijver zijne taak conscientieus blijft volvoeren, hij een goed werk kan leveren."

Terwijl het Handels- en Effectenblad van 14 Maart 1859, Aflevering 1-4 aldus aankondigde:

"Bijna iedere stad bevat eene topographie, doch de meeste daarvan tellen reeds eene of meer eeuwen en zijn dus voor den tegenwoordigen tijd, waarin de wetenschap en een naauwkeurig onderzoek ons vele zaken van een geheel ander standpunt hebben doen kennen, en, daar zij de geschiedenis van den lateren tijd niet behandelen, op dit punt al zeer onvolmaakt.

Het was dus wenschenswaard, dat die werken omgewerkt en bijgewerkt werden of nieuwe topographiën in het licht kwamen, ten einde in de bestaande gebreken te voorzien, en het schijnt, dat deze tijd aan dien wensch voor een groot gedeelte zal te gemoet komen. Onlangs immers nog maakten wij melding van het voortreffelijke werk van Dr. Koronel: "Middelburg voorheen en thans," en thans zijn ons toegezonden 5 afleveringen van het bovenstaande werk.

Den inhoud van deze afleveringen hebben wij met belangstelling en naauwkeurigheid nagegaan, en het is ons gebleken, dat het werk in eene behoefte des tijds voorziet, en voor iedereen ten sterkste aan te prijzen is. Ten einde dit ook aan onze lezers aan te toonen, willen wij den korten inhoud der vier eerste afleveringen opsommen, en zullen dan gaarne wanneer er meer afleveringen in het licht gekomen of het geheele werk compleet zal zijn, in eene verdere beschouwing treden, daar met de vijfde aflevering de afdeeling Geschiedenis een aanvang neemt.

Na eene korte inleiding, begint de schrijver zijne geologische beschouwing, met een duidelijk begrip te geven van de woorden diluvium en alluvium, en wat men onder diluviale en alluviale gronden moet verstaan, en geeft daarna een overzigt van de verschillende grondlagen, die in en bij Oudewater te vinden zijn.

De geschiedenis van den Hollandschen IJssel hangt hiermede in naauw verband, en het was dus natuurlijk, dat deze onmiddellijk daarna behandeld werd. In deze afdeeling worden verschillende naamsafleidingen gegeven, die zeer belangrijk zijn, als: IJssel van IJsala, water (IJ) loop (sala); Waard van worden, grondwording, en Oudewater van Oudewaerd, oude grond, oud eiland.

De tweede groote afdeeling handelt over de mythologie, de feesttijden, feesten en volksgebruiken, en is voor den oudheidkundige, maar vooral voor iedereen, die van de met mythen doormengde godsdienst onzer voorvaderen en van den oorsprong der volksfeesten en nog heerschende gebruiken iets wil weten, van hoog belang. Daarna komen wij aan het hoofdstuk plaatsnamen, en wordt hierin de naamsoorsprong van Haastrecht, Montfoort, Heeswijk, Roosendaal en andere omliggende plaatsen uitvoerig behandeld. Wij hadden deze afd. echter liever gewenscht vóór het hoofdstuk Mythologie, want dan zou de afdeeling feesten en feesttijden, die grootendeels hun oorsprong hebben uit de mythologie, in verband gestaan hebben met de woudendienst, de planten- en boomendienst, de waterdienst, de vuurdienst, de dierendienst, vogelvereering, gedrochten, aardgeesten, luchtgeesten, woud-, veld- en huis-geesten, allen afdeelingen, die in de 4de aflevering behandeld worden. Deze aflev. besluit met eene opgave van de bewijzen, dat de plaats en omtrek, waar nu de groote kerk en toren staan, welligt aan Heidensche eeredienst gewijd waren, er stellig eene Heidensche begraafplaats was, waarbij tevens de begrafenisplegtigheden van voorheên en thans opgegeven worden.

Door deze korte beschouwing meenen wij gerust tot de conclusie te mogen geraken, dat het werk der lezing waard is, en wenschen wij den schrijver geluk met zijne onderneming. Dat de uitgave goed is, behoeven wij niet te zeggen; de heer van Zijll heeft, èn als schrijver, èn als uitgever, voor het welslagen zijner pogingen de uiterste zorg gedragen."

Het laatstgenoemd blad besluit eene nadere zeer gunstige beoordeeling van dit werk in zijn nummer van 20 October 1859, met deze woorden:

"Wij durven dit werk aan iedereen aan te bevelen en zijn verzekerd, dat de belangrijkheid, gepaard aan den niet hoogen prijs, menigeen zal aansporen, het zich aan te schaften."

AANTEEKENINGEN

[1] Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden om Oudewater gelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden aangetroffen.

[2] W. C. H. Staring. De bodem van Nederland. IIe deel, pag. 130.

[3] Namen van straten.

[4] »De bodem van Nederland", Deel I, bl 18 en 19.

[5] Ibid, pag. 421, Ie deel.

[6] Batavia illustrata, pag. 200.

[7] Tooneel der Vereenigde Nederl. 2 deel, pag. 133.

[8] Tooneel van Hollandt, pag. 313.

[9] Lud. Smids, Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.

[10] Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.

[11] Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, bij Pieter van der Aa, 1707.

[12] Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 Amsterd., Isaak Tirion, 1750.

[13] Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer Jansonius, predikant te Moordrecht.

[14] Halma, Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 en 163.

[15] Voor 860 is ook nog Gabbema, Watervloed, bl. 9. Alhoewel van Meteren, Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, Schokius, enz.

[16] De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.

[17] Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van het Leeskabinet, 1856, No. 7.

[18] De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.

[19] Janzonius bij Rademaker, Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, op Moordrecht.

[20] Het Scandinavië van vroeger is het Zweden en Noorwegen van thans.

[21] Budding. N. Godenleer.

De edda's werden 100 jaren na elkander vervaardigd. De eerste werd verzameld omstreeks 1100, nog ten tijde van het heidendom; de tweede honderd jaren later.

[22] D. Budding, N. Godenleer, bladz. 7.

[23] A. W., t. a. pl.

[24] Mr. Blommaert, Aloude Geschiedenis.

[25] Mispelheim bet. Vuurwereld.

[26] Schoone beelden, niet waar? Baldur is hier het licht, Haudur de verpersoonlijkte duisternis.

[27] Deze was boosaardig en luimig, hij wordt de lasteraar der Asen genoemd en eene schande voor goden en menschen. Blommaert, A.W., bladz. 119.

[28] Walhalla is het verblijf der gezaligden en met roem gesneuvelden.

[29] De oude Friezen noemden dit feest Midwintra. D. Budding.

[30] In sommige gedeelten van ons land worden midwintervuren ontstoken.

[31] Nader meer over deze stukken.

[32] Meermalen zagen wij openbare mededeeling door geleerden van oude plaatsgebruiken, volksliederen en zelfs kinderliederen, klommen die ook niet altijd tot het heidendom op. Den beminnaren van onderzoek waren deze bijdragen ongetwijfeld welkom; maar wij zagen ook, dat het bij anderen den lachlust opwekte. Niettegenstaande dit laatste willen wij ook nog eenige bijzonderheden mededeelen omtrent het vieren van het nieuwjaarsfeest in deze plaats, alhoewel het ook met deze bijdrage bij de laatsten zoo gaan zal. Ter zake nu: Het is N.jaar, de klokken "beijeren" en men begeeft zich met de nachtwacht naar de woonhuizen der voornaamste ingezetenen, welke de volgende zingende luidruchtige zegenwensch ontvangen, aangeheven door eene golvende menigte, voornamelijk uit den spinnersstand:

"Het uur van twaalven is geboren, Het oudejaar dat gaat verloren; Het nieuwe jaar van God ontvangen, Daar zoo veel menschen na verlangen 't Zij jong en oud En ongetrouwd; Ik wensch de heeren en burgers met malkaar, Veel heil en zegen in het nieuwe jaar."

Daarna wordt eenige malen met de klap geslagen, en het "veel heil en zegen in het N.jaar" gaat van mond tot mond. In dien tijd echter gaat de kroeze rond, door de "heeren en burgers" den wenschenden geschonken, en men herhaalt bij anderen denzelfden deun en ontvangt hetzelfde vocht.

Ten een ure is de menigte die de wacht vergezelt, al meer en meer verdunt; men zingt nu:

"David was een jonge held Toen hij trok met den reus in 't veld, Al met den slingersteen. De klok het een!"

Klap gaat het daarna eenmaal, ten teeken van een uur.

Het volgende is echter in onbruik geraakt; het is welligt 150 jaar geleden, sedert dit het laatst gezongen werd. De reeds oude tak van nijverheid in Oudewater, het touwspinnen, wordt daarin herdacht:

"Die zijn kostje met spinnen moet winnen, Die rept en die spoedt hem wat ree; Die der wil wasschen en ook wil plassen, De klok het twee."

Klap, klap! zal het daarna den eenvoudigen voormaligen bewoners weder in de ooren geklonken hebben.

Of men na dit nog meerdere liederen zong, weten wij niet.

[33] Van den Bergh, Mythologie, bladz. 48.

[34] De Spural in Februario, of van de afschuwelijkheden in Februarij.

[35] Inderdaad, ook wij meenen dat de rommelpot zeer oud is: een potje immers, overspannen met zwijns- of koeblaas, waardoor een riet gaat, kan ook bij de onbeschaafde heidenen reeds vervaardigd zijn. Potten hadden zij, dit weet men uit menige overblijfselen; riet groeide hier in overvloed, en het gebruik van koe- of zwijnsblaas was hun welligt niet onbekend.

[36] Budding.

[37] Budding.

[38] Zie Blommaert, bladz. 159 a.w.

[39] Budding.

[40] Budding, N. Godenleer.

[41] Zie het 3e deel Ons Vaderland, hist.-rom. Schetsen, blz. 19 en verv.

[42] Freja niet te verwarren met Freija; de eerste is de godin der liefde, de laatste reeds eenigzins bekend gemaakt.

[43] In Ons Vaderland, door G. Engelberts Gerrits, wordt insgelijks menige bijzonderheid van Ostera in het meifeest besproken.

[44] Als voorname voorstander van dit oud gebruik, ondersteunde wijlen de heer A. van der Lee Cz. dikwijls dit feest door toevoeging van takkebossen, enz.

[45] Vroeger viel ons zelf den eerpost van aanvoerder ten deel.

[46] Dokken is op het vuur slaan, totdat de vlam bijna is uitgedoofd.

[47] Roodzand, een straatnaam.

[48] Dit instrument was reeds bij de oude Germanen in gebruik.

[49] Zie Kevren der stede van Oudewater des Graefschaps van Hollant, 1605. Ook in 's Gravenhage werd in 1506 o. a. nog een verbod tegen het balslaen, caetsen gemaakt.

[50] Over den haan in de Mythologie nog nader.

[51] Buddingh.

[52] Buddingh.

[53] Niederl. Sagen.

[54] Zie omtrent de vastenavond hiervoren, bladz. 48.

[55] Acht dagen voor Paschen is daags voor eijermaandag. Acht dagen na Paschen, beloken Paschen (Zie bevel van graaf Jan III, bladz. 65).

[56] Pinksteravond, men denke aan het midzomerfeest.

[57] XVIII Septembris en veertien dagen daarna: herfstnachtevening, kermis en St. Michiel.

[58] XVIII dagen vóór kerkmisse: Midwinterfeest. XIV dagen daarna omtrent Driekoningen. Zie bevel van Graaf Jan III.

[59] Zie voorn. Keurenboek.

[60] Men denke echter niet dat er voorheen tegen al dat bijgeloof niet werd geijverd zulks te beletten, en ook om dat heidensch offervuur tegen te gaan. Indien wij toch een tal van boeken inzien, waaruit het tegendeel blijkt, is dit maar al te waar. Zoo zien wij b.v. in den eersten jaargang de Navorscher, bladz. 45 en 46, het stukje van D. J. Veegens over de Paasch- en Ostera-vuren. "Dat gebruik" zoo staat daar, "heeft zich staande gehouden in weerwil van den tegenstand der geestelijkheid, die niet ophield daartegen te ijveren. Zoo leest men b.v. in art. V van de ordonnantiën der eerste kerkvergadering onder Bonifacius, van 21 April 742, den last van Carloman aan iederen Bisschop, om met behulp van den graaf, die de beschermer zijner kerk is, zorg te dragen tegen het plegen van heidensche bijgeloovigheden, en daaronder van die heiligschendende vuren die zij nedfrates noemen. Batavia sacra, bladz. 298.

[61] Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie, 298 en 299.

[62] Dit ook in Moordrecht, Dordrecht en meerdere.

[63] Buddingh.

[64] Die overgang was gebruikelijk, zegt Buddingh.

[65] Tydeman.

[66] Tydeman.

[67] Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.

[68] Lud. Smids, Schatkamer van Oudheden, blz. 46.

[69] Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)

[70] Van onzen gevoelvollen Hofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.

[71] Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, bladz. 19.

[72] Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, beiden even merkwaardig als den hoogen hof bij de Taart en de Pol bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog gevonden wordt.

[73] Alleen zij herinnerd aan Poorteren, dat men Poerteren schreef.

[74] De naam Papen ergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.

[75] Critisch woordenboek, p. 383 en verder.

[76] Tacitus bij Buddingh, bladz. 198.

[77] Van den Bergh.

[78] Buddingh.

[79] Dr. Romer. Utrecht en Oudewater.

[80] Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, door Dr. N. Westendorp, bladz. 87 en 88.

[81] Critisch Woordenboek, 24 en 25.

[82] Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds gedienstig waren:

"In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam."

[83] Buddingh ten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering wil zien, van bladz. 243 tot 250.

[84] Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen vermeld. De schrijver schijnt echter niet aan Linschoten te hebben gedacht: anders--wij durven het bijna met zekerheid zeggen--had hij ook deze plaats daaronder gerangschikt.

[85] Tydeman, Mythologie, bladz. 267.

[86] Ook Buddingh noemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.

[87] Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?

[88] Ook aan Moordrecht en Dordrecht zij gedacht. Dordrecht, Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te herinneren.

[89] In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.

De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons Vaderland, door Engelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ook Brockhaus zijn Conversations Lexicon.)

[90] Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en eens beneden.

[91] "Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaard zult voeren op het bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.--Oude Noordsche drinkplegtigheid. (Zie Ons Vaderland, enz., V, bladz. 13.)

[92] Woordenboek der Nederlandsche Mythologie.

[93] Tydeman. Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie.

[94] Ook de waterkom tusschen Utrecht en Oudewater is, naar men zegt, grondeloos. (Zie over dit watervlak ook bladz. 99 dezer beschrijving.)

[95] Tydeman, Mythologie, 295.

[96] Blommaert, Aloude geschiedenis, bladz. 143-146.

[97] De schrijver noemt hier bij voorkeur zijne natie. Deze woorden »des Belgs" gelieve onze natie te beschouwen als »van onzen voorvader", dewijl dat gebruik, of liever die begeerte ook hier kan toegepast worden.

De Schrijver.

[98] De Walkuren reden onzigtbaar voorop in den strijd, en kozen de helden die sneuvelen zouden.

[99] Hela was de heerscheresse der doodenwereld. Alhoewel de benaming »hel" als strafplaats voor een zondig aardsch leven in eenige noordsche talen aan Hela schijnt te doen denken, zoo kunnen zoogenaamde veelweters de hel hierom niet wegcijferen. Dan toch zou het woord »God", dat de heidenen ook hadden, ook slechts eene ijdele klank zijn, en wij weten het immers, dat onze Goddelijke Verlosser, de bron van alle waarheid, dikwijls van die strafplaats gesproken heeft. Men begrijpe ons dus wel. Alleen de klank van de Hela in de fabelleer der heidenen en de hel in de Godsdienst der Christenen biedt overeenkomst aan.

[100] Naar het geluid der vogelen en het gehinnik der rossen werden vele zaken geregeld.

[101] Midgard is de aarde.

[102] Deze volkeren voerden hunne voetknechten aan in het uiterlijk van wiggen. Zoodanige wig--door de Romeinen Cuneus genoemd--diende om de slagorde der vijanden van een te splijten. De hoogsten in rang waren steeds de eersten of voorsten, dat vorst werd. Weder een overgang, geachte lezer.

[103] Men weet dat zij bij nachten telden, niet bij dagen.

[104] Blommaert.

[105] Schreijen was te week voor den krachtigen voorvader.

[106] Men had eene of meer houtsoorten die het liefst voor lijkbrand gebezigd werden. Certis lignis, zegt Tacitus.

[107] "En terwijl de rossche vlammen nu blinken dan bezwijmen, op en omstralen naar alle zijden, de lijkmijt in vollen brand staat en den kring der aanwezigen sterker en sterker verlicht met een aanwakkerenden rooden gloed, heft de aanvoerder Chrenebedar een schril gehuil en ontzettend gekrijt aan, luid roepende den naam des dooden, en zijne stem verheffende met akelige kracht, totdat de lijkbrand heeft uitgeblaakt, de mijt is verteerd, en geen vlamme meer opflikkert uit den zaamgestorten hoop." Hofdijk, Historische landschappen, bladz. 76 en 77.

[108] Dit gebouw staat aan de N.W.zijde des kerktorens aan den hoek der straat en is op het kadaster aangeduid als 825.

De vochtige houtskolen zagen de werklieden voor steenkolen aan.

De beenderen waren dikwijls tot groote onregelmatige stukken, waarschijnlijk door het vet, in elkander geschroeid en hadden--gevoegd bij den vochtigen grond waarin zij waren--eene aanmerkelijke zwaarte. De ontruiming had plaats in 1858.

[109] Blommaert, 123.

[110] Van den Bergh.

[111] Buddingh, 148.

[112] Welligt nemen ons sommige uit de schoone sekse het kwalijk indien wij het wereldkundig maken waarom men zegt dat dit naklepje is. Nu, laat ons het dan verzwijgen, dat men dit doorgaans beschouwt, omdat velen harer bij hun leven steeds het laatste woord willende hebben, men haar dit ook bij haren dood toekent.

[113] Alle overledenen van buiten, wie ook, worden naar de stad gereden. Voor nabestaanden die dit niet kunnen bekostigen, wordt het gratis gedaan, meestal door de buren. In de buurt Willeskop zelfs wordt de lijkwagen, ook van den minsten daggelder, door vier paarden getrokken.

[114] Dit laatste echter niet als ten tijde van het heidendom.

[115] Beiden naar Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden.

[116] Ook de kap der nonnen laat dit oude hoofdkleed nog zien; ook die veranderden hun kleed niet, hoe dit bij anderen mogt wisselen.

[117] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.

[118] »Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige op de ruime en woeste heide, sommige op de bouwakkeren," enz. Schatk. Oudh. van L. Smids, 1711.

[119] Schatkamer Oudheden, blz. 327.

[120] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.

[121] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 156.

[122] Engelberts, Aloude Staat, blz. 163 en 164.

[123] Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg van Kralingen" zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.

[124] Vergelijk en zie hierover L. Smids, Oudheden, op Romeinsche Oudheden, bladz. 296 en 297.

[125] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.

[126] Bladz. 2.

[127] Engelberts Gerrits, Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.

[128] Hofdijk, Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.

[129] Van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.

[130] Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere somme gelds onder anderen Oudewater verpondt aan Florens V, graaf van Holland, bij van Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.

[131] Oudewater is volgens de eerste en oude verdeeling, bij de Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oude Noord-Holland en wel in die landstreek begrepen, en welke daarom alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel. Van Kinschot, a. b. bladz. 1.

[132] Zie hierover Taalkundige bijdragen tot de naamsuitgangen door Mr. J. H. Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P. Blommaert, Aloude historie, bladz. 18.)

[133] Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer opmerkelijk.

[134] G. van Loon's Aloude hollandsche historie, bladz. 8.

[135] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 382.

[136] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.

Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?

[137] Dezelfde, bladz. 386.

[138] Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd ter neder geschreven.

Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, doch markveld; en de meening dat Oudewater voorheen zoo groot zoude geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.

[139] Arnold Buchelius bij S. van Leeuwen, Batavia sacra, II, bladz. 164, en Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 4.

[140] Men zie vooral hierover, den brief van paus Gregorius de Groote aan den abt Mellitus en den aartsbisschop Augustinus van Engeland, aangehaald bij BLOMMAERT, Aloude Geschiedenis, bladz. 135 en 136.

[141] Liefland, Utrecht's Oudheid.

[142] Heldring, Opsporing van Bat. en Rom. Oudheden, bladz. 84 en 85.

[143] Zoo men meende ter verfraaijing liet men eertijds elders menigmaal toe, dat de duifsteen werd verwijderd, om plaats te maken voor keuriger metselwerk. De kostbaarheid der cementsteen was echter de grootste drijfveer.

[144] »III Reg." III, 4.--Verg. II paral. I, 6.--Zie ook Kreuser, »Kircherb." I, 48 en volg.

[145] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 30.

[146] Vroeger is reeds opgemerkt, dat in 1854 de kermistijd in Augustus gebragt is. (Zie hiervoor bladz. 70).

[147] Beschrijving van Oudewater, door G. R. van Kinschot.

[148] Deze stukken zijn rekeningen van verpachtingen en verhuringen van landerijen, behoorende aan zeker, mij nog onbekend, godshuis of kerk.

[149] Nl. aldus. Van Sinte Cornelis autaer te Oudewater de somma van een pondt thien schillingen, ten prijs als boven, van X mergen lants, die denzelven autaer heeft, strekkende als voren, de voorsz. somma van enz.

[150] Van heer Cristiaen Reijersz. vicaris van St. Jans autaer te Oudewater de somma van enz.

[151] Nl. de originele giftbrief ten behoeve van het St. Jacobs autaer in de kerk, voor schout en schepenen, der stad verleden, door Jan Roest Hermansz. dd. 28 Augustus 1454.

[152] Zie historie van het Bisdom Utrecht, uit het latijn door H. v. R. 2 deel bladz. 332.

Voorts merken wij ieder op, dat wij volstrekt niet achterhaald willen zijn, met de aanmerking, dat oudere stukken nog gewagen, van een H. Geest-, H. Kruis-, St. Anna-, Simon- en Judas-altaar enz. die zullen elders aanwezig zijn geweest,--en in zoover betrekking op deze plaats hebben, dat men aan de altaren hier eenige pacht of iets dergelijks moest daarvan opbrengen. De door ons genoemden worden duidelijk als hier geweest zijnde, genoemd.--De aanwezigheid van een St. Anna altaar wordt echter nog het minst door ons ontkend.

[153] Toen de Zaligmaker door Johannes in de Jordaan werd gedoopt, vertoonde zich de H. Geest in de gedaante eener duif, en men hoorde eene stem uit den hemel: dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn welbehagen genomen heb.

[154] Naar men verneemt, is dit merkwaardig doopvont nu in bewaring van den president-kerkvoogd.

Een arbeider, tegenwoordig, bij de door ons gedane bezigtiging, was zoo vriendelijk eenige afmetingen voor mij te doen,--hij kon echter, door ons niet bewogen worden, dit in Nederlandsche maat te doen, zeggende, dat "een oudheid ook met oude maat gemeten moest worden."--Zie hier dan de uitkomst zijner meting, »33 Amst. duimen lengte, over 't kruis; 26 dito, lengte der waterholte; 8 1/2 duim diepte bij den rand der holte en 14 duim in het midden."

[155] De H. Linie door Alberdingk Thijm.

[156] De uitleggingen van I H S zijn te menigvuldig om hier ter neder te schrijven--MARIA JOSEPH is duidelijk zoo ook A (anno) dni (domini) 1503. Het aanzien en den aart dezer schildering, is in den trant, van die in de kerk te Naarden, dat door sommigen voor waterverw schildering gehouden wordt. Met innige spijt, vermelden wij, dat naar men verneemt, dit grijze gedenkteeken verbroken is.

[157] Indien wij na deze beschrijving echter nagaan, dat de gewelven, der tegenwoordige consistorie en catachiseerkamer nog gothisch zijn, hoewel overkalkt, dan durven wij vrij zeker bepalen, dat men, na voorzigtige verwijdering der kalk, nog zoodanige gewelfschildering zal aantreffen, door oudheidkundigen en geschiedminnaars in den laatsten tijd zoo lofwaardig nagespoord en gecopieerd.

[158] De mannen besloegen in de kerk de zuid- en de vrouwen de noordzijde, daarom welligt ook de zuidelijke en noordelijke ingangen.

[159] Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden.

[160] Zie Collectio Monument Foed Belg bladz. 306.

[161] Die thans door den beitel des steenhouwers zeer onkenbaar is geworden.

[162] Van dit grafschrift door den heer KINSCHOT bladz. 35 beschreven is thans eveneens slechts een gedeelte, door het verwoesten der zerk in 1857-1858 te zien, en wel in de voorkerk.

[163] Zie VAN KINSCHOT enz. bladz. 36. Wij hebben de zerk echter niet meer kunnen aantreffen.

[164] Ook van dezen steen bij VAN KINSCHOT vermeldt, is geen spoor meer aan te treffen.

[165] Hier valt de gordijn, de arbeiders hadden reeds eenigen tijd hierop gebeukt eer men gewaar werd, dat deze steen zich daar onder bevond en was alzoo grootendeels beschadigd.

[166] Woorden des Zaligmakers.

[167] Men heeft echter meerdere uitmuntende klokkengieters gehad, die Both heeten. Zoo treffen wij in het carillon b. v. een klok aan, waarvan het omschrift is, Gerardus Both me fecit soli deo gloria 1601, en een andere wier opschrift aldus luidt: Gerardus Both me fecit soli Deo gloria 1711.

Zie over hen, Levens van beroemde Nederlanders, enz.

[168] Beschrijving van Oudewater, bladz. 31.

[169] Ook eene aanteekening van een oudheidminnend vriend luidde: De kerk te Oudewater, aan St. Michiel toegewijd, dagteekent van Anno 1003.

[170] Kinschot, bladz. 31.

[171] Resol. van Holland, 12 Sept. 1647, bladz. 230.

[172] Resol. van Holland, 15 Augustus 1721, bladz. 612.

[173] Omstreeks 1750 was alhier schoolmeester en voorzanger, de Heer Simon Jan Verwei, zooals een brief van hem getuigt, waarvan wij om de pedante en bespottelijke toon die daarin heerscht, niet kunnen nalaten, onzen lezers copie mede te deelen.

Copie van een brief, gezonden door Simon Jan Verwei, schoolmeester te Oudewater, solliciterende naar het vacante Voorzangers- en kosters-ambt, van Zalt-Bommel.

"Zonder roem, maar naar waarheid dient deze tot informatie, dat onze familie bestaat in man, vrouw en zoon. Wij zijn ruim 40 jaren. De zoon, de kracht onzer lendenen, in de fleur zijner jaren, de staf onzer bejaarde dagen, 20 jaren, een meester glazenmaker en verwer, meestetijd mijn ondermeester, een jongeling onzer gelijkenis en wel geformeerd van leden. Soo UEd. Achtb. begeert een wel gedresseerd schoolmr. en voorzanger, Godt geve UEd. Achtb. verstand en voorzigtigheid, in de ellectie van soodanig een man of persoon, verzekerd UEd. Achtb. aangaande mijne wetenschappen, bestaande in deze navolgende: namelijk Italiaanschen scheepsboekhouden, wijnroeijen, konst der stuurlieden, landmeten, sonder roem, doch het is Gods gave--extra ordinair singen, als het Godt belieft, indien UEd. Achtb. begeerig zijt zulks te zien of te hooren tot verwondering en verbaastheid, dat soo een teeder ligchaam in lesen en singen, soodanich een geluid kan maken. Ik ben op mijn vierde verandering van domicilium, alle figuren op het konstigst, door ovaal ronduit met de passer te haalen, alle sonnewijsers te smeere, Italiaansche en Romeinsche letters, tot vijftig diverse banden te schrijven en te vergulden en diergelijke capaciteiten meer, ook in de vlugheid der pennen niemand, terwijl de roem buitengeslooten. Ben verzekerd, dat UEd. Achtb. nog beter zullen vinden, als ik het hier met de pennen geexprimeerd, wanneer gij mij gelieft te zien, hebben UEd. mij maar op UEd. Achtb. kosten te commanderen of door iemand te laten haalen, de distantie tusschen beide is omtrent 9 of 10 uren, mijne huisvrouw is de allerbekwaamste in haar huishouden, en in het assisteren in mijn school, van de hoofdschedel tot de voetzolen toe, ben ik een schoolmeester. Wijn nog sterkendrank wordt nooit van mij gebruikt. Sijt nog voor 't laatste versekerd, UEd. Achtb. sullen het nog beter vinden aangaande mijn comportement zal vertoont worden, door ecclesiastike en politieke ondertekeninge. Sal mij hierop mij verlaten.--Per naaste occasie verwacht ik antwoord van te komen of niet, soo UEd. Achtb. mij niet op soodanich conditie geliefd te hooren ofte sien, geliefd dan maar de goedheid te hebben van mijn papieren terug te senden, dan hope, dat God UEd. Achtb. wil geven eendragtigheid en liefde in de ellectie van een goed eerlijk en bekwaam man, de Heere zegene UEd. Achtb. en de Heer Burgemeester der gemeente, na het electeren van een ander persoon voor het vacerende ampt van een schoolmeester en voorsanger.--So blijve na hartelijke salutatie van onderdanige dienst aan UEd. Achtb. met de broeders der gemeente tot Zalt-Bommel.

Achtb. Heeren, Votre très humble Serviteur SIMON JAN VERWEI."

Medegedeeld in "de Navorscher" 1856, bladz. 302, door Prins.

[174] Vide Bisdom van Utrecht uit het Latijn door H. V. R(yn) II. D. bladz. 333-334.

[175] Ib.

[176] Ib. I. D. bladz. 216-218.

[177] H. V. R(IJN) maakt in zijn bisdom Utrecht van dezen pastoor op bladz. 339 aldus gewag.

Onder de oude pastoors dier plaats moet nog gerekend worden Loeffridus van der Haer, van wien in het doodboek van Mariendale van Utrecht, het volgende staat aangeteekend: Op den 30 Maart is overleden de godvruchtige en eersame Loeffridus van der Haar, kanunnik van St. Mariaas-kerk, pastoor van Oudewater. Het jaartal staat er echter niet bij, zooals dit doorgaans op de doodregisters niet staat uitgedrukt, de dag alleen werd aangeduid om den tijd te weten waarop de jaargetijden moesten gehouden worden; zoo ook hier.

Vide Matth. de fatis eccles bladz. 44.

[178] Zie doodreg. van de herv. kerk.

[179] Welligt waren deze 3 laatsten geene geestelijken; doch slechts getijdemeesters.

[180] P. C. HOOFT, Nederl. Gesch. D. I. b. 10 fol. 433.

[181] HOOFT'S, Nederl. Gesch. fol. 30.

[182] Alhoewel het ook mogelijk is, dat de Hervormden, die nog voorloopig daar bewaarden.

[183] Hier is dus een tijdvak van 1575-1578, dat wij geen predikant aantreffen, het bezetten en verminken der plaats door de Spanjaarden is daarvan eene der redenen.

[184] Heeft zijn intrêe-predicatie gedaan 17 Dec. 1741 en is vertrokken naar Zutphen den 19 April 1744.

[185] Men had de kerk immers kunnen restaureren naar de originele orde zooals b. v. van Utrecht de domkerk? doch hoe het zij, er is nog eene schets van haren staat in 1856, eere dus den vervaardiger! Mijn geachte kunst- en historie minnende vriend den heer E. C. Rahms alhier, heeft voor de reconstructie in 1857 en 1858, de gedaante der kerk door een schoone afteekening gered.--Reeds meer heeft hij zich door het vervaardigen van dusdanige schetsen loffelijk gekweten.--

[186] Meestal was het eene vrouw, die de roomschen ging verwittigen van de komst eens geestelijke. In dien tijd had men aan de woonhuizen zelden of in het geheel geen bellen, doch ijzeren kloppers, zooals die nog hier en daar in deze plaats te vinden zijn, zij moesten dus geklopt worden, en van daar waarom men die vrouwen klopjes noemde.

[187] Ten minste zeker is het, dat in 1626 men zich om het genoemde doel daar nog vereenigde.

[188] Vide, Kerkelijke Courant, No. 76, Jaargang, 1858, waar men nog meerdere bijzonderheden omtrent Tyras aantreft.

[189] Bisdom Utrecht, door H. v. R., bladz. 334, 2 deel.

[190] Opmerkingswaardig deed zich het verschijnsel op, dat de eene kerk door de burgers gebruikt werd, en in de andere zich de buitenmenschen vereenigden, daarom noemde men deze kerken de Heeren- en de Boerenkerk.

[191] Houtman stierf alhier den 20 Februarij 1683. (Zie doodreg.)

[192] Overgow was in Delfland geboren en de eerste der Hollandsche theologanten die te Rome in het Collegie van Urbanus gestudeerd heeft. Zie Bisdom Utrecht, bladz. 335. 2 deel.

[193] Zekere pater van Ingen is in deze tijden meermalen geruimen tijd als kapelaan-noodhulp hier geweest.

[194] De pastoors Theodorus van Hagenouwe, Godefridus Spruyt en Franciscus Johannes Guddee hebben ook de gemeente in het naburig Polsbroek bediend.

Deze gemeente bestaat nu sedert 1842 daar niet meer en de kerk is later tot ander doeleinde ingerigt.

[195] Dit huis is genommerd No. 457.

[196] Aangeduid onder No. 402.

[197] Is bekend onder No. 496.

[198] Beschrijving der stad Schoonhoven door H. van Berkum bladz. 418 en volg. (Anno 1762.)

[199] Ook in de oudheden van Rijnland uit het Latijn, door H. v H. bladz. 457 worden deze zusters, als oorspronkelijk uit Sinte Agnes convent te Schoonhoven genoemd.

[200] Hier moeten wij echter indachtig maken op eene, onzes inziens, verkeerde opvatting, die wij meermalen aantroffen, en ook door H. v H. in zijn Rijnlandsche oudheden op bladz. 412 gedeeld wordt; er staat daar nl, dat deze nonnen eerst tusschen Schoonhoven en Oudewater gewoond hadden; doch zoo als wij reeds schreven, om de oorlogen, die het platteland onveilig maakten naar Oudewater weken. Hij wederspreekt hier dus letterlijk, hetgeen hij uit een origineel stuk op bladz. 457 zegt, dat zij uit Schoonhoven zelve kwamen zoo als ook van Berkum op bladz. 418 en 419 schrijft. Daarbij komt nog, dat voor zoover mij bekend is, er nooit een vrouwenklooster tusschen deze twee steden ooit geweest zij.

Volgens veler en ook onze meening, schijnt de zaak ons eenvoudig aldus toe, zooals wij reeds hiervoren in den tekst schreven, dat zij uit Schoonhoven gingen, aangezien het platteland om genoemde reden, tusschen die twee plaatsen onveilig was. De verkeerde opvatting en plaatsing van het woord tusschen, zou alzoo de reden van de genoemde dwaling zijn.

[201] Deze straat het heilig leven die nog haren naam aldus draagt, zal naar onze meening, wel naar deze nonnen genoemd zijn.

[202] Het tegenwoordig zoogenaamd kerkje--waarover later.

[203] Wij zien hieruit, dat de "stede muer" of vesting muur in deze tijden reeds op bijna, of geheel op dezelfde hoogte was, als de tegenwoordige vesting wal, zelfs houden wij het er voor, uit dezen brief op te maken, dat zij nog meer dan de wal stadbinnenwaarts lag--Alzoo weder een bewijs, dat het markveld geen marktveld was--men vergelijke hierover bladz. 160-163 hiervoren.

[204] Wie zegt mij de beteekenis van dit woord?

[205] Deze zijl en dit watertje bestaan nog, en nog dagelijks ziet men er de eb en vloed even als toen. De afdammingsluis bij Haastrecht, eerlang gebruikt zullende worden, zal ook hier de eb en vloed echter niet meer toelaten.

Wat de "scone put" betreft, deze werd nog in 1827 ontdekt bij het vergrooten der stads school, als wanneer men tevens bevond, dat zij nog zeer zuiver water bevattede.

[206] Welligt Bartholomeus Janse, die wij hiervoren onder de pastoors der kerk noemden in 1403.

[207] Onder reventer, moet men eetzaal verstaan.

[208] Zie Batavia Sacra D. II. bladz. 265 en Beschrijving van Oudewater door G. R. van Kinschot bladz. 58.

[209] Vaderlandsche historie door Wagenaar bladz. 492-498.

[210] Instrument-Public. apud Matth. Anal. tom. V. 403.

[211] Heda bladz. 284.

[212] Zie Batavia Sacra, (8vo editie) 2de deel.

[213] Bulla Martini V in Matthaei Anal. tom. V. 421. en Decret. Vide in Matthaei Anal. tom. V. 423.

[214] Script. Rud. Dien de mudes in Ger. Dumbar. Anal. tom. I. bladz. 71-75 Magnum chron. Belg. bladz. 370 en 371.

[215] Chron. de Traject 433-440 Zued. de Culumb. en Orig. bladz. 630.

[216] Act. Ultraject ubi supra bladz. 449.

[217] Dordrecht door Beverw. bladz. 314. Balen bladz. 774.

[218] Monstulet vol. II. 34 vers.

[219] Beschrijving van Schoonhoven, door H. van Berkum bladz. 419.

[220] Ibid.

[221] Oudheden van Rijnland bladz. 412-419.

[222] Ibid. bladz. 459.

[223] In de bevestigings of verdragsbrief van den pastoor van Oegstgeest waarvan wij zoo even in den tekst melding maakten, was de bevestiging van Zwederus gestoken en een zinsnede uit den laatsten luidt aldus: »maar nadat gijl. op het gemeld stuk lands, te weten Marienpoel van een bequaame woonplaats verzorgt zult wezen, en gijl. uw verblijf aldaar genomen zult hebben, dan zult gijl. van dien tijd de voorrechten die gijl. te Oudewater genoten hebt, niet langer mogen gebruiken."

[224] Zie denzelve in de Oudheden van Rijnland bladz. 413-419.

[225] Met gerustheid echter mogen wij vooronderstellen, dat de zusters niet alles aan den Heer van Zwieten verpligt waren. Wie toch zal in omstandigheden als waarin de vlugtende nonnen verkeerden, niet de gereede voorwerpen van waarde bij zich nemen. Wij mogen dit ook alzoo van deze conventualen aannemen--Nog meer. Hertog Philips magtigde zelfs een zekere Jacob Boudewijns om al het vee, have enz., dat zij achter gelaten hadden naar Leiden te mogen vervoeren. Ook deze magtiging zullen wij hier laten volgen.

"Philips &c. Doen cont allen luden, dat wy omme Goidts wille, ende om oitmoedich vervolg der besloten Nonnen van Oudewater, die mit alle hore woonstadt ende have gecomen syn tot Leyden om aldair te woonen, ende te blyven, den selven geconsenteert hebben, ende willen dat sy alle hoir beesten, have ende goide die sy t'Oudewater of ter Goude of dair ommetrent hebben sullen doen halen bij Jacob Boudynssoon. Toenre des Briefs ende bringen tot Leyden tot behoef ende nutschap der Nonnen voirschreve, ombieden dairomme allen onsen Ambtluden, Rechteren, Dieneren ende goede luden binnen Steden ende dair buten, ende namelick onsen Capiteynen ende Hooftmannen van onsen Soudenaeren ende Luden van Wapenen mit sonderlinge Ernste, dat sy onsen geminden in Gode den voirschreven Nonnen deser onser gonste ende gratie vrylic laten genieten ende den voirnoemden Jacob mit horen vye ende goeden rustelick, vredelick ende ongehindert trecken, ende comen laten op deser tyt om die te Leyden te brengen in der maten voirsz. ende des niet en laten alsoo lieve als wy hem syn, want wyt alsoo gedaan willen hebben."

[226] Oudheden van Rijnland bladz. 410-463.

[227] De bijzonderheden daarop volgende zijn ons bekend--zij luiden daar aldus »deze voerz. susteren worden verdreven van Diephout, om Bisschop Sweers willen, die te Utrecht bisschop ghekoren was ende van Diephout wt verdreven wort."

[228] Velius Hoorn, bladz. 51.

[229] Veldenaar, bladz. 131.

[230] I Memoriaalb. Rose.

[231] Apud Matthaeum ad Rer. Amorfort, bladz. 283 en bij Burman, Utrechtsche Jaarb. I D., bladz. 401.

[232] »De scheuring in het Bisdom van Utrecht, duurde nog eenigen tijd, doch Rudolf vervolgde zijne zaak zoo ernstig aan het Roomsche Hof, inzonderheid na den dood van Martinus, dat hij, door Eugenius den IV, in het Bisdom bevestigd werd en zij die in den geestelijken ban waren, ontslagen werden. Zweder beriep zich ook op de kerkvergadering, die toen te Bazel werd gehouden. Hij trok zelf in persoon herwaarts, en werd aldaar bevorderd tot Bisschop van Caesarea."--Hij overleed te Bazel in 1439. Zweder wordt alzoo in de rei der Bisschoppen van Utrecht de 52ste en Rudolf de 53ste genoemd. Zie in Batavia sacra uitvoerig hun leven (in de 8vo editie II. D. van 412-464).

[233] Op het gemeente archief zijn aanwezig de volgende stukken, waarin men den staat der bezittingen enz., van dit convent kan nagaan.

1. Register van boekhouding en aanteekeningen van de landerijen, erfpachten, en renten van het oude convent van Oudewater van 1538-1559.

2. Rekeningen van het St. Ursula convent over 1578, 1579, 1667, 1668, 1669, 1671 tot en met 1674 en meerdere stukken tot het convent behoorende.

3. Acte van transport der bezittingen van het St. Ursula convent, door de conventualen ten behoeve der stad, tegen genot van jaarlijksch pensioen dd. 10 Junij 1582.

4. Staat der eigendommen van het convent en de revenuen daarvan 11 Januarij 1582.

5. Eerste rekening van den rentmeester van het St. Ursula-convent over de jaren 1582 en voorts die over de jaren 1583, 1589 en 1599.

6. Acte relatief de alimentatie, geteekend (eigenlijk gemerkt) door al de conventualen ter eenre en den rentmeester JAN JACOBSE COPPERT ter andere zijde, dd. 25 Augustus 1584 benevens de naamlijst en ouderdom der kloosterlingen in 1582.

7. Stukken van verhuringen der landerijen behoorende tot het St. Ursula-convent en de respective Godshuizen der stadt ingegaan Petri 1680, 1685 en 1690 tot 1695.

[234] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater bladz. 58 en 59.

[235] Oudheden Bisdom van Utrecht bladz. 335 en 336.

[236] Zie resol. van den magistraat van Oudewater 27 November 1602.

[237] Volgens mededeeling van een oude vrouw, die dit weder van een zeer bejaard persoon in hare jeugd vernomen had, was dit huis nog volgens geheugenis van den laatsten, eertijds met een zeer groot getal kleine kamers voorzien geweest, waarbij hij de gevolgtrekking gemaakt had, en zeer juist dat dit gebouw tot gevangenis gediend had. De goede oude dacht echter zeker niet, dat de cellezusteren, dit aantal kamertjes eertijds als hare cellen zullen bewoond hebben.

[238] Deze begrafenis vereeniging doelt echter tot dusver alleen op de dooden uit de rooms catholijke gemeente alhier.

[239] G. R. van Kinschots beschrijving bladz. 59 en 274.

[240] Zie deze keure omtrent het »dagvaarden over de Stads- en der Godshuizen Schulden," in zijn geheel bij van Kinschot, Beschrijving enz. Cap. 97, bladz. 553.

[241] Bisdom van Utrecht, I D, bladz. 346.

[242] Ibid. I. D. bladz. 705 en 706.

[243] Resolutien van de regering dezer stad.

[244] Keure der stede van Oudewater Artic. VI. en XIV.

[245] Ibid Artic. VII, XV. en XVI.

Wij mogen den lezer nu reeds niet onbekend laten, dat al hetgeen in den tekst omtrent de Weesvaders geschreven is, insgelijks betrekking had en toegepast werd, op de kerkmeesters, gasthuismeesters en heilige geestmeesters.

Zie ook Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT, bladz. 92-95.

[246] Onder deze "gewigtige zaken," moet men zeker begrijpen, wanneer Burgemeesters en Schepenen, door omstandigheden verhinderd waren, de noodige authorisatie te geven, en er spoed vereischt werd. Wij mogen wel niet vooronderstellen, dat de vroedschappen in "gewigtige zaken" meer magt hadden, om als zoodanig te autoriseren, dan Burgemeesters en Schepenen.

[247] Er is in den laatsten tijd eenig verschil gerezen, tusschen den gemeenteraad van Oudewater ter eenre en bestuurderen van het Weeshuis ter andere zijde, omtrent het bezit en den eigendom van voornoemd gesticht. Dientengevolge is eene Commissie benoemd om in onderzoek te treden, of er van dit gebouw nog eigendomsbewijzen, of stukken waaruit de eigendom voldoende blijkt, aanwezig zijn. De uitslag van dit onderzoek is nog niet bekend, en de questie nog steeds aanhangig.

[248] Beschrijving, door VAN KINSCHOT bladz. 55.

[249] Beschrijving van Oudewater bladz. 55.

[250] In 1731, bekwamen Burgemeesters en Regeerders van Oudewater octrooi om al de genen, die tot Vroedschap, Kerkmeesters, Gasthuismeesters, heilige Geestmeesters, Weesvaders, en Boekhouders verkozen werden, en weigerden, die bedieningen waar te nemen, te mogen beslaan in eene boete van 100 Gulden ten profijte der stad, en die boete, te mogen invorderen bij parate en reële executie. (Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving blz. 491-495).

[251] Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving van Oudewater bladz. 432 en 433.

[252] Bij den verkoop der brug werd de bepaling gemaakt, dat de kooper derzelve, de gemaakte openingen zoude dempen, en een houten brug tot gemeenschap in de grachten zoude daarstellen, zoo als zich dan ook nu een en ander vertoont.

[253] Eerst in onzen tijd begint de oude vede tusschen die van Oudewater, en Montfoort of Stichtsen te bedaren en in loffelijke vergetelheid te geraken, eeuwen achtereen gingen echter voorbij in nijd en onderlingen twist. Wij zoeken de reden hiervan, in de menigvuldige oorlogen tusschen Holland en Utrecht waarin de poorters van Oudewater en Montfoort, vooral in Ao. 1420 onderling hevig hebben gevochten; doch hierover later.

[254] Hiervan bestaan, gelijk wij uit een zekere bron weten nog teekeningen.

[255] De wapens der voornoemde steden, die zich aan de poort vertoonden, werden door den kooper in dezelfde orde, als waarin zij gemetseld geweest waren, aangebragt in een blokje woonhuizen, gelegen in de straat genaamd het Klooster. In later tijden, zou het groote verwondering kunnen baren, deze daarin aan te treffen.

[256] Door H. VAN VIANDEN, 38. Bisschop van Utrecht. Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 4.

[257] Het zal wel geen betoog behoeven, dat er reeds vóór den tijd, dat deze poorten gebouwd werden, geheel of ten naastenbij op dezelfde plaats reeds poorten van denzelfden naam gestaan hebben. Zoo vinden wij in "die ordinan van den hoemanschap upten stede muyre binnen Oudewater gemaeckt in den jare XVc XLIJ up sinte Maria Magdalene dagh", die zich ter secretarie bevindt, melding gemaakt van de

Linschoetepoort Weerdenpoort IJsselpoort en Brouckepoort.

Het is natuurlijk, dat de eerste poorten in ouderdom opklimmen tot de eerste ommuring der stad, waarmede men in 1321 nog bezig was of beginnen moest. (Zie de ordonnantie van Graaf Willem aan den Bisschop van Suden om aan die van Oudewater te betalen "de twee hondert pont suarter tornoys die wi hem gegeven hebben" om de stad te bemuren, bij van KINSCHOT bladz. 269.)

[258] Reeds eenige jaren vóór deze poorten geamoveerd werden, was het reeds in den gemeenteraad besloten, de poortklok niet meer te luiden, en geen poortgeld meer te heffen. Ook hiervoor behoefden zij dus niet meer te blijven.

[259] De nevensliggende brug, wordt in oude bescheiden dikwijls Remijnsbrug geheeten. Zie Dr. Römer Utrechtsche Volksalmanak 1859 bladz. 44.

[260] Ibid. bladz. 38 tot 41.

[261] Het originele stuk, bevindt zich met meerdere omschrijving ter secretare dezer gemeente.

[262] Zie vooral Dr. Römer in voorn. alm. bladz. 38-45.

[263] Zoo als de andere torens in de vestingmuur heette ook deze toren, en omtrent den ouderdom van de Romeintoren, zou dus hetzelfde van toepassing zijn, hetgeen wij in de noot op bladz. 269 van den ouderdom der eerste poorten schreven.

[264] Aan de officieren der Graaflijkheid, was het opzigt in de beheering van dezen toevertrouwd en aanbevolen--KINSCHOT, bladz. 50.

[265] Onze meening, dat het gebouw onzer beschrijving een drieledig doel 1. ter verdediging (van boven op het plat) 2. tot wachtplaats, hoofdwacht? (in het middengedeelte) en ten derde tot gevangenis (in het benedengedeelte of den kelder) gehad heeft, werd vooral in het tweede of meest twijfelachtige gedeelte dezer bewering bevestigd, doordien men aan de zuidzijde van dezen toren bij het amoveren, een schoorsteen vond, deze schoorsteen, was later met een minder groot soort van steenen digtgemetseld, zeker wel omdat men toen ook dit gedeelte voor gevangenis heeft ingerigt, en de hoofdwacht naar de kortbij gelegen IJsselpoort werd overgebragt. Zie hiervoren bl. 265.

[266] Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 23.

[267] Chartr. Chronijk 2. boek, bladz. 138. S. van Leeuwen, Batavia Illustrata bladz. 1304.

[268] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT.

[269] Welligt, komen wij later op deze ruïne in afzonderlijke brochure of bijdrage terug.

[270] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 27.

[271] Hier moeten wij op het meesterstuk van den Utrechtschen schilder Stoop, voorstellende den moord door de Spanjaarden in 1575 een kleine aanmerking maken, daar het kasteel dat eerst in 1585 werd verbroken er niet op voorkomt en zulks er toch op behoorde aangeduid te zijn.

Tegenover bladz. 28 geeft VAN KINSCHOT een gezigt op het kasteel in Ao. 1555.

[272] In het tooneel der Vereenigde Nederlanden 2. deel bladz. 133 en Cronijk van Holland door W. VAN GORTHOEVEN bladz. 91.

[273] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 76.

[274] Tooneel der Vereenigde Nederlanden t. a. p.

[275] Zie over dit kasteleinschap, ook van Kinschot bladz. 25.

[276] VAN KINSCHOT blz. 49.

[277] VAN KINSCHOT's beschrijving bladz. 51.

[278] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 56, 57.

[279] "In de 13de eeuw hadden zich eenige kooplieden, uit Italie op Franschen, Engelschen en Nederlandschen bodem nedergezet, onder deksel van aldaar koophandel te drijven, doch meest met oogmerk, om aan behoeftigen geld te leenen, of, op onroerende en voornamelijk op roerende goederen geld te schieten, tegen hooge interest. Zij dragen in schriften van den tijd, den naam van cawarsini, of coarsini," die de geslachtsnaam van de eersten of voornaamsten schijnt geweest te zijn. In het jaar 1260, werden zij, om hun overdadig woekeren, uit Braband verdreven (Miraei Op. dipl. Tom. 1. bladz. 207) doch het leed niet vele jaren, of zij kwamen weêrom, en men had hen in de Nederlanden en bijzonderlijk in Holland, zóó noodig, dat zij, zoo lang zij het niet al te grof maakten met woekeren, in verscheidene steden zich mogten vestigen en gedoogd werden. In de 14 en 15de eeuwen, werden zij gemeenlijk Lombarden of Lombaarden genaamd, omdat de meesten of eersten, uit Lombardije herwaarts gekomen waren. Te Schiedam bewoonden zij in 1327 een steenen buis, (Wilhelm Procurat. ad annum 1327 in Matthaei Anal. tom II. bladz. 663) dat te dien tijde en daar ter stede, iets ongemeens was. Uit een handvest van Delft van den jare 1342, blijkt, dat zij in die stad toen reeds eenigen tijd, hun verblijf gehad hebben in een huis, dat de Camerette, of ook wel der Lombardenhuis genaamd werd (Delft door Bleiswijck bladz. 606). Te Oudewater onthielden zich twee Lombaarden, in den aanvang der 15 eeuw, gelijk klaarlijk blijkt, uit eenen brief van den 1sten April, Anno 1412 (1413) zie Mieris Chartre boek IV Deel bladz. 230) en 't is zeer te vermoeden, dat zij ten dezen tijde ook reeds in Amsterdam geweest zullen zijn, schoon mij niet bekend is, dat er in oude schriften of stukken eenig gewag van gevonden wordt voor het jaar 1477." (Getrokken uit de beschrijving van Amsterdam door J. WAGENAAR 7de stuk bladz. 111-112.)

[280] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 269.

[281] Resol. van Holland 17 November 1578.

[282] Ibid. 12 November 1580.

[283] (Was geregistreerd in 't Brasielsche Reg. van 1540 tot 1555 ter Graeflijkheids Rekenkamer, fol. 120 vso.) Zie beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 150 en 151.

[284] Volksletterkunde, Geschiedkundige schets van het bijgeloof, inzonderheid in Nederland, bladz. 1-2. te Amsterdam bij E. S. Witkamp 1856.

[285] Ibid. bladz. 3-4.

[286] Zie het opstel over deze onze Waag alhier, van Ds. Kits van Heijningen, in het Tijdschrift: Lectuur voor de huiskamer, Jaargang 1856, bladz. 300, doch in de hiervoren aangehaalde schets over het bijgeloof zouden deze 1500 menschen, alleen in deze twee kleine bisdommen, in één jaar hun leven hebben moeten geven. (Zie IV, bladz. 4.)

[287] Zie meergemelde Geschiedkundige schets van het bijgeloof, III, bladz. 4 en 5.

[288] Zie meergemelde schets over het bijgeloof, IV, bladz. 1.

[289] Ibid. bladz. 1-3.

[290] Ibid bladz. 4.

[291] Zie dit stuk op bladz. 291 en 292 hiervoren.

[292] Lectuur voor de huiskamer, jaarg. 1855, bladz. 302, 2de kolom, in zijn z. eerws. bijdrage over deze waag.

[293] Deze naamlijst en deze acten, nemen wij letterlijk over uit de beschrijving der stad Oudewater, door G. R. van Kinschot, Ao. 1746.

[294] No. In dit jaar zyn drie verscheide Persoonen gewoogen, blykende hier na by de Certificatie No. I, waer van de Naamen door het vermis der Boeken niet kunnen gemeld werden.

[295] Dit is de laatste geweest, hoewel Scheltema zegt, dat nog in 1778 zulks alhier heeft plaats gehad.

Balthazar Bekker, maakt in zijn Betooverde wereld (te Amsterdam in 1691 in het licht verschenen 4o) veel gewag van deze waag. Zijne bijzonderheden van het I boek zijn ons echter bekend, doch in het IVde boek: Geregtelijke informatiën, genomen over tooverpligtigen tot Harlingen en elders vinden wij in Hoofdst. XXXI § 4, pag. 263 het volgende aangeteekend, dat wij zelfs niet bij van Kinschot aantreffen.

»Drie buitenlandsche soldaten, Barend Gerritz, van Neder-Elten, Jan Huijsman, van Kranenburg, beide in het land van Kleef en Jan Kerkhof Reklinghuisen in het Keulsche in de beruchte zaak betrokken van Tryn Hendricks, van tooverij beschuldigd, lieten zich nog in den jare 1668 te Oudewater wegen."

Volgens Koeningswater, Etudes historiques sur la developpement de la société humaine, Paris 1850 pag. 186. werden nog in den jare 1728 der tien personen, van tooverij verdacht, te Szegenden in Hongarije bij regterlijk vonnis tot deze proef verwezen. Men zie verder over deze waag Bijdragen tot het oude strafregt in België enz. Brussel 1829, pag. 142.

[296] Het Troys, of Trojaansch Gewicht is dat van Doornik, en des Zwaar Gewicht; 't gene Vyf ten Honderd Zwaarder weegt dan het gemeene; en thans onder den naam van Amsterdamsch Gewicht bekend is.

[297] Sedert Ao. 1800 tot den jare 1825 werden er jaarlijksch circa 1,500,000 nederl. ponden kaas op dezelve gewogen.

[298] Z. K. H. de Prins van Oranje met HDs. goeverneur Jhr. de Casembroot bij HDs. reize door Nederland, voor eenige jaren ook Oudewater bezoekende, was het HDs. verlangen, ter gedachtenis aan deze waag, daarop gewogen te worden.

[299] (Anno 1746). Zie zijne meergenoemde beschrijving, bladz. 28, 29 en 30.

[300] Door de vernietiging van de staatsregeling tot 23 April 1798, ook de daarbij bepaalde departementale verdeeling vervallen zijnde, behoort Oudewater als voren onder het departement Holland.

[301] Aan de zoldering van dit locaal bevinden zich nog in opgezetten staat, een bruinvisch en een zeevarken, beide gevangen in de stads haven bij hoogen watervloed, de laatste in het jaar 1721: eene bijzonderheid, die wel der aandacht waardig is, en vermeld mag worden, indien men daarbij in aanmerking neemt, hoe ver Oudewater van af de zee landwaarts ligt.

[302] Wij hebben hiervoren reeds melding gemaakt, dat de Heer Rahms, onze Stadgenoot, door het maken van een aantal schetsen in en om Oudewater vele gebouwen, die sedert geamoveerd zijn, der vergetelheid heeft ontrukt.--Deze zelfde kunstminnaar, heeft het dit jaar durven ondernemen, dit Schilderstuk van Stoop te copiëren en op steen te brengen op eene grootte van 68 Ned. d. lengte bij 40 dm. breedte zonder wit. De zeer conscientieuse copij en de keurige uitvoering op steen, doen genoemden Heer veel eer aan, terwijl de geringe prijs (3 Gulden) geen beletsel is, dat velen zich de plaat aanschaffen, die eenigen prijs stellen op de voorvallen in het veel bewogen tijdvak onzer geschiedenis: den bloedigen tachtig jarigen oorlog.

[303] Volgens nummering in 1859, aangeduid onder nummer 371.

[304] Beschrijving van Oudewater bladz. 62.

[305] Gonthoeve, chron. van Holland, fol. 502.

[306] Rooms Hollands regt door S. van Leeuwen, III boek XI deel bl. 276 en 277.

[307] Ibid. bladz. 276.

[308] Ibid.

[309] Handvesten en privilegien van Gouda pag. M, I Vso.

[310] Ibid. pag. M. S. Vso. beide in M. S.

[311] Ibid. van Weesop M. S. pag. M. 97.

[312] Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot bladz. 62-67.

[313] Handvesten en privilegien der stad Delft M. S. pag M. 15.

[314] Beschrijving van Oudewater door van Kinschot bladz. 67-68.

[315] Ibid. t. a. p.

[316] Nog een schoon bewijs van goede verstandhouding met Delft bevindt men in het feit, door van Kinschot vermeld, dat n. l. in de spaansche oorlogen en wel bijzonderlijk in het jaar 1584, de vroedschap der stede Oudewater al zijne Leggers, boeken, Blaffers en papieren, zoo van de stad, kerk als Godshuizen, ten einde dezelve tegen alle gevaar van oorlog en roof mogten beveiligd zijn, bij een besloten brief aan den magistraat van Delft heeft toegezonden. Zie resolutieboek van de vroedschappen van deze plaats 26 Januarij Ao. 1584.

Al hoewel dit nog een afdoend bewijs is, voor hetgeen wij trachten te bewijzen, zoo was deze toezending echter zeer slecht voor het archief dezer gemeente, daar deze stukken nooit terug gezonden zijn, voor zoover men ten minste weet. Op een aanvrage van den Heer Burgemeester Montijn andermaal gedaan den 2. November 1829 om deze stukken alsnog terug te bekomen, werd door den heer Burgemeester van Delft berigt, op den 12 November 1829, "dat bij een streng overzigt van de archieven dier stad, onder dezelve geene gevonden worden deze stad betreffende; dat, zoo dezelve op het raadhuis aldaar zijn gedeponeerd geweest, die dan, bij het gedeeltelijk verbranden van het stadhuis na 1584, waarschijnlijk met stukken de stad Delft betreffende, zijn verloren geraakt."

[317] t. a. p. bladz. 143.

[318] Tot in het jaar 1745 werden aan de vertrekkende lidmaten der hervormde kerk, de kerkelijke getuigschriften zonder zegel aan de vertrekkende leden gegeven, totdat in dat jaar het stadswapen in koper aan den kerkeraad daarvoor vereerd werd, door den Bailluw G. R. van Kinschot. Doelende op den rooden burg in het wapen, stond er onder dit zegel

Jehova nostra arx forttissima

d. i.

God is onze sterkste Burgt

onder het zegel stond:

Sig eccl-Oudewater

d. i.

kerkelijk zegel van Oudewater.

[319] Zie dit privilegie bij van Kinschot t. a. p. bladz. 270.

[320] Zie dezelfde, bladz. 272.

[321] Nl. in de bij van Kinschot op bladz. 315 en 316 vermelden giftbrief van de school dezer stede aan Pieter Pansz. in plaats van Mr. Jan Mouwer.

[322] Zie hetzelve in zijn geheel bij van Kinschot bladz. 322 tot en met 324.

[323] De acht Raadsmannen werden Achten genoemd.

[324] Resolutie van Holland dato den 2 Mei Anno 1585, fol. 248.

[325] Van Kinschot.

[326] Zie van Kinschot, bladz. 75.

[327] Resol. van Holland, 6 Mei 1702, fol. No. 155.

[328] Keuren der Stede van Oudewater, Artic. IV T. XIII.

[329] ,, ,, ,, ,, ,, ,, IV T. XII.

[330] Keuren der Stede van Oudewater, Art. XVI.

[331] Ibid. Art. XIII.

[332] Dit is in Anno 1811 vervallen.

[333] Keuren der Stede van Oudewater Art. 11.

[334] Keuren der Steede van Oudewater Art. VIII et XVIII.

[335] Dit geschiedt nu namens den Koning.

[336] Resol. van Holland van 16 Nov. en 17 Dec. 1723.

[337] Den contra-remonstranten was hij bijzonder vijandig.

[338] Deze en de volgende in officio, zijn gecommitteerd, bij de Raden en meesters van de rekeningen der domeinen der Graaflijkheid van Holland, in den Haag.

[339] De Graaflijkheids Rekenkamer, bij resolutie der staten van Holland en Westvriesland van dato 17 Maart 1728, gemortificeerd, en bij resolutie van 20 Julij 1729 goedgevonden zijnde, dat eenige der Ambtenaren op nieuw commissie van H. E. Gr. Mog. zouden moeten verzoeken, wanneer de termijn hunner vorige aanstelling verstreken was, zoo is volgens resolutie van gemelde staten dd. 12 October 1731 den voorz. van Kinschot gecontenueerd in zijne betrekking van Bailluw, Dijkgraaf en Schout der stad Oudewater.

[340] Register van Aart van der Goes, fol. 262.

[341] Resol. van Holland 1564, fol. 62 72, ibid. fol. 39 1565, ibid. 27 Januarij 1566, fol. 1 en 5 Februarij, fol. 5.

[342] Ibid. 26 September 1565.

[343] Beschrijving van Oudewater, bladzijde 99 en 100.

[344] Reg. van Aart van der Goes, Advokaat van de Staten 's Lands van Holland, fol. I.

[345] 3de Boek van de Griffier Sandelijn, fol. 89.

[346] Reg. Aert van der Goes, fol. 11.

[347] Ibid. fol. 14.

[348] Reg. van Aert van der Goes, fol. 16, 50, 108, 111, 112, 142, 145, 152 (bij van Kinschot bladz. 103.)

[349] Ibid. fol. 289-292.

[350] Ibid. fol. 307.

[351] Ibid. fol. 329, 330, 344.

[352] Resol. van Holland 1564, fol. 41.

[353] Van Kinschot, bladz. 107.

[354] Resol. van Holland van 19 tot 25 Julij, Anno 1572 (in manuscr.)

[355] Prop. in resol. van Holland, 20 October 1574, fol. 176.

[356] Antw. van Staten en resol. van Holland 12 Nov. 1574, fol. 178.

[357] Resol. van Holland.

[358] Beschrijving van Oudewater, bladz. 109 en 110.

[359] Resol. van Holland 5 April 1583, fol. 97.

[360] Resol. van Holland 11 Julij 1584 fol. 371 en 372.

[361] Een voornaam gedeelte der bevolking dezer plaats stamt van deze in het 9, 10 en 11 geslacht en van deszelfs grootvader, (1497 Jacob Coppert in het 13e geslacht--onder deze de Montijn's, Koning's, Verhoog's, Vosmeer's, enz. enz.--men vindt in vroegere transporten wel den naam van Coppert, doch men weet niet of voornoemde Jacob Coppert hiervan afstamde.)

[362] Resolutie boek der steede Oudewater sub 15 Julij 1584 en van Holland hoc Anno fol. 394 en 414.

[363] Resol. van Holland 15 Julij 1584 fol. 404.

[364] Ibid. 22 Julij 1584 fol. 422.

[365] Resol. van Holland, 31 October 1584, fol. 660.

[366] Resolutie boek der stede Oudewater,

[**TODO: Verify table] sub datis 4 September 1586. 21 September 1587. 3 Mei 1588.

[367] Resol. van Holland, 4 Mei 1589, fol. 285.

[368] ib. ib. 26 Januarij, 18 Maart 1608, fol. 2, pag. 48.

[369] Vide dagbladen der gem. Representanten, en resolutiën der municipaliteit der stad Oudewater.

[370] Zie hen allen vermeld bij Johannes Trethemius.

[371] Val: Adreae Bibleotheca Belgica, tom. II, pag. 708.

[372] Boxhorn, tooneel van Holland, pag. 313.

[373] Batavia Sacra, Dl. II fol. 266.

[374] Val. Andreae, Bibl. Belg. tom. I, pag. 221, bij G. R. van Kinschot, beschrijving van Oudewater, blz. 137 en 138.

[375] Van Kinschot blz. 141.

[376] Resol. van Holland van 3 Dec. 1609 fol. 285.

Wij hebben dit levensverhaal kortelijk naar van Kinschot gevolgd.

Op het Gemeente Archief alhier, berust nog een eigenhandigen brief van Arminius, om de Wed. van Ds. Petrus Bertius (Pieter de Bert) in Oudewater komende wonen, in hunne bescherming te nemen--gedateerd 5 Mei 1607.

[377] Verder verwijzen wij naar Kasper Brandt, Historia vitae Jacobi Arminii Amst. 1705.

[378] In F. Allan "De stad 's Gravenhage en hare geschiedenis," vinden wij nog gewag gemaakt van den bekenden Watergeus Gerrit Gerritsen als te Oudewater geboren. Zie pag. 38.

[379] Prof. Scheltema, heeft van dezen grooten man, in de werken van het Nederlandsch Letterkundig genootschap, waarvan hij Lid was, op eene waardige wijze, eene biographische schets geleverd.

[380] Batavia Sacra 2de Deel pag 164. Halma toon. der Nederlanden 2 D. pag. 133 en Rademaker, kabinet 4 D. pag. 223.

[381] Batavia Sacra 2de D. pag. 164.

[382] Van Kinschot, beschrijving van Oudewater pag. 5-8.

[383] Ibid. bladz. 1.

[384] ib. blz. 8. Het zij hier voorloopig aangestipt, dat deze vereeniging met Holland nog later door Graaf Willem den VI van Holland in het jaar 1404 is bevestigd geworden.

[385] Deze jaartallen en daadzaken omtrent de handvesten, privilegiën, enz. ontleenen wij voornamelijk aan de handvesten en privilegiën van Oudewater, bij van Kinschot, alwaar men die stukken in zijn geheel vindt opgenomen. Dit neme men ook in het vervolg dezer schets in gedachte.

[386] Ook Jan en Jacob van Driel,--de Schrijver.

[387] Zie Heda Historia bladz. 244 verg. van Duijn Oudewater's Moord bladz. 43. Het laatste gedeelte dezer mededeeling is ontleend aan het Cl. Tielense bladz. 352 (overgenomen uit Dr. Römer's bijdrage in de Utrechtsche Almanak getiteld Utrecht en Oudewater.).

[388] Diuisie Kronijk, fol. 136, van het Negende Cappittel vs.

[389] Wagenaar, Vaderlandsche Historie III D. bladz. 271-272.

[390] Ibid. bladz. 274 en 275.

[391] Ibid. bladz. 275-280.

[392] Zie dit stuk overgenomen bij van Kinschot bladz. 280-285.

[393] Zie de inhoud van dit verbond bij van Kinschot pag. 502 en volg.

[394] Groot Placaatboek, bij Wagenaar, bladz. 281 vs.

[395] Groot Placaatboek III D. pag. 4.

[396] Wagenaar Historie III D. pag. 284.

[397] Wagenaar pag. 285.

[398] Diuisie Kronijk, 25 diuisie, dat XI Cappittel.

[399] Wagenaar id. p. 292.

[400] Men zal herinneren, dat Keizerin Margaretha aan die van Oudewater het voorregt verleend had, dat hunne stad, nimmer van Hollands Grafelijkheid gescheiden mogt worden.

[401] Zie breedvoeriger van Kinschot pag. 11 tot 18a.

[402] Zie het Chron. auctius. pag. 274.

[403] Van Duyn Oudewaters-moord, p. 44.

[404] Vide het Chron. aucteus.

[405] Bijdrage van R. C. H. Römer, getiteld: Utrecht en Oudewater in den Utrechtschen Volks-almanak.

[406] Zie het rapport van Albrecht bij van Kinschot, pag. 223 vs.

[407] Ibid. pag. 294 tot 295.

[408] Ibid. pag. 297 tot 301, Boxhorn, pag. 81.

[409] Zie de inhoud van de bijlegging der twist, bij van Kinschot, pag. 295 en 696.

[410] Wagenaar III Deel pag. 321.

[411] Wagenaar III Deel pag. 321.

[412] Ibid.

[413] Ibid. pag. 322.

[414] ib. pag. 322.

[415] Joan a Leydis, libr. XXXI cap 42. Veldenaar, pag. 95. Op Wagenaar III D pag. 322.

[416] Wagenaar, ib.

[417] In deze overname hebben wij het woord "graaf" gebruikt ten einde het meer begrijpelijk te maken, des graven klerk gebruikte daarvoor het woord "mijnheer"; vide van Kinschot, pag. 296, en volg.

[418] Van Kinschot, pag. 297.

[419] Ib. pag. 297 tot 301.

[420] Ib. pag. 301.

[421] Ib.

[422] Zie Hofdijk geschiedenis der Nederlanden, pag. 169.

[423] Van Kinschot pag. 303. In die oirconde staat, dat Otto van Asperen wegens Willem Kusers dood balling was, en in de vroeger vermelde besluiten van Albrecht, waren de bezittingen der zoodanigen verbeurd.

[424] Ibid. pag. 309 en 310 en Wagenaar III D. pag 324.

[425] Symon Speyaert en Claes van den Gheer in hechtenis zittende te Oudewater, werden mede in 1396 voor den Hove van den Haag ontboden, nevens de Schout van Oudewater, om tusschen de twee eersten eene questie uit den weg te ruimen, die waarschijnlijk op de tijdsomstandigheden betrekking had. Zeker is het, dat er ten jare 1396 nog een geschil aanhangig was, tusschen Aerent Sluismanssoen en Wouter Ludolfssoen, die door eerstgenoemde aangeklaagd was, als in het openbaar zijne ontevredenheid te hebben betuigd over den vrede. Zie van Kinschot pag. 316 en 317.

[426] Wagenaar III D. pag. 342.

[427] Ib. pag. 342 en 343.

[428] Zie die twee stukken in de privilegien van Oudewater bij van Kinschot pag. 317 a 320.

[429] Men herinnere zich, dat Stavoren nog steeds Hollandsche bezetting hield.

[430] Zie bij van Kinschot pag. 322 en 325, en bij ons hiervoren pag. 321 a 323.

[431] Uitgezonderd twee bescheiden, in het zelfde jaar 1. dat het land van Woerden in zijn watergang gescheiden zoude zijn van Rijnland en 2. een placcaat van Albrecht »van een seggen ende gescheyden tusschen den Burch-Grave van Leyden ende die van Oudewater roerende van de tolle."

[432] Wagenaar III D. pag. 343.

[433] Ib. pag. 344.

[434] Ib. pag. 345.

[435] Ib.

[436] Ib. pag. 346.

[437] De onderzoekende schrijver, verwijst naar de privilegien van Oudewater.

De hoofd inhoud van het bedoelde stuk, hebben wij echter op pag. 388 ter behoorlijker plaatse reeds medegedeeld.

[438] Die seventwintichste divisie, dat LIIII. Capittel pag. CLIIIII.

[439] Utrechtsche Volks-Almanak 1859, pag. 43.

[440] Kinschot is op pag. 325 in abuis, waar hij doet voorkomen, dat hij in het begin des jaars 1404 tot Grave was verkozen, doch zijn vader stierf Ao. 1404 in den winter, waarna hij hem opvolgde. Alle schrijvers van gezag immers, vermelden zijn dood in den winter van 1404. Wanneer wij dus bij van Kinschot daar vinden Anno XIIII ende vier moet dit noodwendig zijn, Anno XIIII ende vijve.

[441] Kinschot meldt 1404 moet zijn 1405.

[442] Van een paar andere bescheiden van Willem den VI. ten jare 1405 kunnen wij in den tekst niet uitweiden.--Zie den inhoud echter bij van Kinschot, pag. 329 en 330.

[443] Men zie hierover in het breede, pag. 225, 249 van dit werk.

[444] Wagenaar, III D. p. 408 en 409.

[445] Van Kinschot, pag. 337.

[446] Wagenaar ib. pag. 418.

[447] Ibid. pag. 420.

[448] Bij Wagenaar III D. pag. 427.

[449] Van Kinschot pag. 505 en 506.

[450] Men zie den inhoud, bij ibid III D. pag. 432-434.

[451] Van Kinschot pag. 340.

[452] Zie hunne namen bij ib. pag. 342.

[453] Wagenaar III D. pag. 438.

[454] Zie Hofdijk en van Lennep, Merkwaardige Kasteelen in Nederland II D. pag. 82.

[455] Wagenaar III D. pag. 463, en Monstrelet Vol II pag. 27.

[456] Wagenaar III D. pag. 468.

[457] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 341.

[458] Dr. D. J. Veegens, Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd, p. 109.

[459] Verg. Wagenaar III D. pag. 491.

[460] Veldenaar pag. 130, Wagenaar pag. 489.

[461] Wagenaar ib. pag. 509.

[462] Wagenaar, ib. pag. 530. tot en met 535. en van Kinschot, pag. 368. tot en met pag. 370.

[463] Wagenaar IV. D. pag. 100.

[464] Wagenaar, IV. D. pag. 174.

[465] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 342 en Wagenaar, IV D. pag. 188.

[466] ib. pag. 181.

[467] Omtrent dezen tijd (in 1480) sloten die van Oudewater een verdrag met de stad Utrecht. Dit bezwaarlijk tusschen den tekst kunnende invoegen en het toch moetende vermelden, zoo plaatsen wij dit in een noot. Men zie den inhoud van dit verdrag bij van Kinschot, pag. 390, en 391.

[468] Diuisie Cronyck, 33 diuisie 21 capittel.

[469] Zie Wagenaar, IV D. pag. 191 en 192.

[470] Crimen, sentent boek, gequot A. fol. 11, vers. bij Wagenaar, IV D. pag. 196.

[471] Diuisie Cronyck, 31 diuisie, 31 capittel, vergeleken met Wagenaar, IV D. pag. 196 en 197.

[472] Wagenaar, IV D. pag. 201 en 202, raadplegende Amelgarde, Gesta Ludoveci XI Libr. VI Capittel 21 vesius Hoorn pag. 125. Chron. van Ao. 1481-1483 en Matth. Tom. I pag. 397, 399 en 405.

[473] Wagenaar IV D. pag. 208 raadpl. Chron. van Ao. 1481-1483, pag. 410-415.

[474] Diuisie Chron. 31 diuisie, 37 capittel.

[475] Diuisie Chron. 31 diuisie, 39 capittel.

[476] Wagenaar, IV D. pag. 205.

[477] Wagenaar IV D. pag. 215.

[478] Zie diuisie Cron. die 31 duisie. dat XLIII capittel.

[479] Zie Wagenaar IV D. pag. 216.

[480] Wagenaar IV D. pag. 244.

[481] Wagenaar pag. 248, en Jonker Fransen oorlog pag. 88 en 97.

[482] Verg. Wagenaar IV D. pag. 248.

[483] Diuisie Cron. 31 diuisie, 68 capittel, Wagenaar, IV D. pag. 260, Jonker Frans, oorlog, pag. 250.

[484] Zoo was zijne benaming als Grave van Holland, meer bekend is hij echter geworden, onder den naam van Karel den V, die als Keizer.

[485] Wagenaar IV D. pag. 354.

[486] Repert. der Plac. pag. 3.

[487] Groote Chron. diuisie XXXII Capittel 46.

[488] Repert. der Plac. pag. 3 Wagenaar IV D. pag 398 en 399.

[489] Men zie het plac. bij van Kinschot, pag. 400, 401 en 402.

[490] Repert. der pl. van het graafschap Holland bij Wagenaar, IV. D. pag 429 en 430.

[491] Volgens veler meening zond ook Oudewater eertijds schepen ter haringvisscherij uit. Het ongeveer 15 minuten van Oudewater liggende slot (nu ruïne) te Vliet wijst de sage aan, als de plaats, van waar haringbuizen uitvoeren. Dan vergezelden de vrouwen van de visschers hunne mannen tot aan het gehucht Goejanverwellesluis, dat zijn naam er van zoude gekregen hebben. De naam toch van de doorklievers van het zilte nat, is nog in deze dagen Jan, Janmaat; Aan de sluis, werden zij dan toegeroepen Goe Jan vaarwel.

Wij nemen de uitlegging van dien naamsoorsprong over, uit eene der jaargangen van het Tijdschrift de Navorscher.

[492] Zie Wagenaar IV. D. pag 470.

[493] Ibid. pag 470 en 471.

[494] Zie pag. 347 van dit werk.

[495] De geauthenthiseerde copij, berust ter gemeente secretarij.

[496] Vóór Hoeff Willemsz, waarmede zij aanvangt, staat aan den kant: Piet va. Evenzoo staan later bij iederen hoofdman een paar namen aan den kant geschreven, vermoedelijk van hen, die later die betrekking waarnamen. Aanm. van R. C. H. Römer.

[497] Onder deze: "die in 't gastuys sijn die clouck sijn."

[498] Zie het Chron. auct. Joann de Beka In Matthaei Vet. aevi Analect. T III pag. 316 volg. verg. van Kinschot, Besch. d. stad Oudewater blad. 51.

[499] Zij wordt in oude bescheiden, dikwijls Remijnsbrug geheeten.

[500] Zie van Kinschot t. a. p. blz. 21 vlgg. en 50.

[501] Wagenaar V. D. pag. 275.

[502] Wagenaar, V D. pag. 420, 421 en 422.

[503] Philips II heette hij als koning van Spanje doch Philips III als grave van Holland.

[504] Dat Karel dit nu juist verleend heeft, hierin willen wij niet achterhaald worden, wij verwijzen naar het hoofdstuk "de heksenwaag" van dit werk.

[505] Zie Wagenaar VI D. pag. 5.

[506] Zie Wagenaar VI D. pag. 40.

[507] Wagenaar VI D. pag. 186 en 187.

[508] Simon Stijl, opkomste en bloei der Vereenigde Nederlanden pag. 185 en volg.

[509] De zeer bekende Watergeus Gerrit Gerritsen, was te Oudewater geboren.--Zie pag. 366 van dit werk.

[510] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.

[511] Onze plaats was de eerste in Zuid-Holland.

[512] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.

[513] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 144.

[514] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 247.

[515] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 250.

[516] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 256.

[517] Wij zagen het dus reeds, dat Oudewater ten jare 1572 weer op de eerste vergadering der staten, die 's prinsen zijde hielden tegenwoordig was. Het moet ons niet verwonderen, dat wij de gemagtigden uit Oudewater in de statenraad weer na zoo groote tusschen ruimte zitting zien nemen, indien wij bij Wagenaar VI D. 378 lezen. "De kleine steden, die sedert een aantal jaren, niet ter dagvaart plegen te verschijnen, kregen nu weder plaats in dezelve, opdat men haar, door het zoet der regering zou aanlokken tot het williger dragen der gemeene lasten, en anderen, die het nog met Alva hielden te ligter te doen omslaan."

[518] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 253.

[519] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 254.

[520] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 273.

[521] Bor Nederlandsch historien, pag. 17.

[522] A. van Duyn Oudewaters moord, pag. 7.

[523] Römer in zijne bijdrage Utrecht en Oudewater in den Utrechtsche Volks almanak.

[524] De bijzonderheden van den togt zijn meest uit van Duijn, Oudewaters moord, die wij voor de waarheid derzelve aansprakelijk houden.

[525] Zie ook de bijdrage van Dr. R. C. H. Römer in den Utrechtschen Volksalmanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575, van pag. 43 tot en met pag. 63.

[526] Hoofdts Nederlandsch historiën, pag. 401.

[527] Resol. der Staten van Holland, 12 Julij 1575.

[528] Ib. 9 Aug. Anno. 1575.

[529] Hoofdst. Nederlandsche historie, pag. 422.

[530] P. Bor, Nederlandsche Beroerte, VIII B. pag. 121.

[531] A. van Duyn, Oudewaters moord, pag. 10.

[532] Van Duyn, pag. 10, en van Kinschot pag. 223 en 224, melden omtrent een vlugteling het volgende. Nadat hij met paard en wagen en de tilbare goederen, op het voorbeeld zijner gebaren gevlugt was, werd hij door 's vijands vooruit gespatte ruiterij zoo snel vervolgd, dat hij eindelijk, zich niet meer kunnende vleijen, het gevaar te ontsnappen, eerst zijn bevrachte wagen dwars over den weg reed, zijne paarden losmaakte en toen, na het medegevoerde te hebben achtergelaten, in het wegrennen, ten bewijs zijner nu vast gewaande vrijheid, den najagenden Spanjaard spottend toeriep, "Seneca, Seneca volg mij nu zoo gij kunt, ik zit nu te paard zoowel als gij."

[533] Hoofts. Nederlandsche historien, pag. 432.

[534] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121 A.

[535] Van Duyn, pag. 10.

[536] Wij gissen nabij het tegenwoordig Gemeente huis van Honcoop.

[537] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[538] Van Duyn, pag. 11, alwaar hij breeder de ontruiming van die sterkte uiteen zet.

[539] P. Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121.

[540] P. Bor, pag. 121 A.

[541] Die noodmunten waren van 20 en 40 stuivers, men zie de afbeelding bij van Loon I. D. pag. 206. en van Kinschot pag. 231.

[542] De brug over dit water, had de Spanjaard weggebroken, de rede waarom van Dam, vroeger naar Goejanverwellesluis getogen was, doch zich zoo zeer te leur gesteld vond.

[543] P. C. Hooft, Nederlandsche historie, D. I, B. 10 pag. 433.

[544] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B. fol. 121 B.

[545] Ib.

[546] De eerste kogel die in de kerk geschoten werd, hangt nog aan de gewelven van dien tempel.

[547] Tot narigt voor hen, die dit doel van Hierges vreemd zullen vinden, omdat de stadsgracht nu te ver van den toren gelegen is, diene, dat de stadsvestingmuur toen ter tijde aan of zeer digt voorbij den toren liep, dat de Yssel als de gracht beschouwd werd, en dat het Veer nog niet aan de stad getrokken was, dit werd eerst in 1585 vergund.--Zie meerdere bewijzen, in de bijdrage van R. C. H. Romer, in de Utrechtsche Volks-Almanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575.

[548] Bor, VIII B, pag. 121 B.

[549] Hooft, pag. 423.

[550] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII, B, pag. 121 B.

[551] Hooft, Nederlandsche historien, pag. 423.

[552] Bor, pag. 121 vso a.

[553] Van Duijn, Oudewaters moord, pag. 14.

[554] Bor, VIII, B. pag, 121 vso a.

[555] Hoofts historien pag. 423.

[556] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[557] Bor, Nederl. beroerten, VIII B. pag. 121, vso a.

[558] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[559] Bor, VIII, B, pag. 121, vso a.

[560] Ib.

[561] Hoofts. Nederl. historien, pag. 424.

[562] Bor, Nederlandsche Beroerten, VIII B pag. 121, vso. A.

[563] Hoofts. Nederlandsche Historiën, pag. 424.

[564] Van Duijn in zijn meergenoemd boekje over den moord, meldt pag. 15, dat men in de stadsmuur bij de bresse, in de poort eene mijn gemaakt had, om die ter behoorlijker tijd in de lucht te doen springen en den rook in het leger te leiden, en dat men den kruidkelder dan ook met de poort liet springen, maar het vervroegde de inname der stad, immers voor de bresse, die toen merkelijk grooter werd, waren geen manschappen meer om die naar behooren te bezetten. Van Duijn is echter zeer dikwijls met geloofwaardige schrijvers in tegenspraak en het is dus somtijds zeer gevaarlijk, om hetgeen hij opdischt, voor waar aan te nemen. Dit is dan ook de rede, dat wij weinig gebruik van hem maken, maar liever andere bronnen, en met name van Kinschot te baat namen, die wij nu en dan bijna woordelijk volgden.

[565] P. Bor, Nederlandsche beroerten VIII B. pag. 121 B.

[566] Hoofts. Nederlandsche Historien pag. 424.

[567] Meerdere bijzonderheden bij van Kinschot, pag. 257 vs.

Wij mogen bijzonderheden omtrent personen, niet in alle fijnheden overnemen, omdat ons dit te wijdloopig zoude doen worden.

[568] Bor, ib. en leven van prins Willem I, 2 D. VIII B, pag. 284.

[569] Resol. der stat. van Holland 9 Aug. 1575 pag. 553 en 554.

[570] Wagenaar, Vaderlandsche geschiedenis, over Sonnoy en Lumeij.

[571] Zie van Kinschot pag. 256 al.

[572] Voor hen, die de namen zouden willen weten, verwijzen wij naar de Utrechtsche Volksalm. 1859 van pag. 69 tot 86.

[573] Voor een versterkte politie, is inmiddels zorg gedragen, omdat er tusschen "de kinderen des velds", verhit door Bachus en aangespoord door Cupido ligtelijk twisten ontstaan.

[574] Van Kinschot, pag. 419 vso. en III keurb. der stad Delft, pag. 275, op het Stadhuis berusten twee registers van aangenomen poorters van de jaren 1577 tot 1806.

[575] Het octrooi berust ter Secretarij in origine.

[576] "Leendert A. van Dam en Jan Pieters Watergrave liepen menig keer op partij en zochten alle middelen, om die van Montfoort uit te lokken, omdat zij twee partijen toegedaan waren."

Van Duijn.

[577] Er is eene dergelijke van het volgende jaar; doch om niet noodeloos uitvoerig te worden, schrijf ik daaruit niets af.

[578] Zie ons werk van pag. 212 tot pag. 214 en een aantal stukken op het archieve der stad in deze tijden.

[579] Op het stadhuis is een accijnsboek berustende van bieren en wijn te Oudewater Ao. 1578 en 1579. In de stad waren eertijds een aantal bierbrouwerijen aanwezig.

[580] Zie de inhoud van dit octrooi, bij van Kinschot pag. 422 tot pag. 427, en het origineel op het stadhuis.

[581] Wagenaar VII D. pag. 94.

[582] ib. pag. 139.

[583] Hofdijk, geschiedenis der Nederlanden pag. 79. vso.

[584] De missieve is op het stadhuis berustende.

[585] Resol. van Holland 11 Julij 1584.

[586] Zie Resolutie der stad, sub 15 July 1584 en van Holland ten zelfden jare, fol. 394 en 414. De volmagt te vinden bij van Kinschot, pag. 111 tot en met pag. 114.

[587] Pag. 144 en volg.

[588] Zie de acte van Burgemeesters en Schepenen betreffende het huren van zolders, tot berging van het graan, ter gemeente-secretary.

[589] Vroeger tijd waren er met den Heer van Montfoort dikwijls oneenigheden over die gronden geweest.

[590] Wagenaar, VIII D., pag. 189.

[591] Wagenaar, pag. 200.

[592] Pag. 203 en volg.

[593] Zij bevinden zich op het stadhuis; maar kapitein van Zwieten, waakte, zooveel in hem was, tegen dergelijke misdrijven, in 1587 trouwens, had de compagnie van van Zwieten nog afdoening gehad.

[594] Ter viering van dit bestand binnen Oudewater bestaat er op het stadhuis nog de aanschrijving der Staten van Holland en Westvriesland 23 April 1609.

[595] Zie zijne levensschets in dit werk van pag. 361 tot 365.

[596] Wagenaar, X D. pag. 16 en volg.

[597] Ib. pag. 20.

[598] Ib. pag. 20.

[599] Wagenaar, X. Dl. pag. 152 en 153.

"De Heer van Kinschot meldt van Lijdius, pag. 142 en 143 het volgende: Johannus Lijdius, schoon in Duitschland het eerste levenslicht aanschouwd hebbende, is ter zake van zijn langdurig verblijf en inwoning zoo in Holland als wel voornamelijk in Oudewater onder de geleerde mannen, aldaar te huis hoorende met recht geteld geworden. Hij was in de talen en bijzonder in de theologie en geschiedkunde zeer ervaren, zijne schriften zijn daarvan de getuigen. Hij heeft het leeraarsambt in de Gereformeerde gemeente in deze stad met grooten roem en algemeene hoogachting bediend van 1602 tot 1643 als wanneer hij overleed."

Tevens moeten wij herinneren, dat van 1608 tot in 1617, de Heer Levinus de Raad de tweede predikant was, terwijl in het tijdvak waarvan wij schrijven, Gerrit Gerritszoon Crayenstein de waardigheid van Balluw bekleedde tot in 1618.

[600] De 1. draagt tot titel: "Historisch verhaal, van de voornaamste swaricheden, verschillen en proceduren, sowel in kerckelijke als politycke saken, drie jaren herwaarts voorghevallen binnen de stadt Oudewater, door de kerckeraat aldaar, en eenige van de magistraten Amsterdam 1618."

Wij behoeven niet te zeggen dat die brochure zeer contra Remonstrantsch is.

De 2. heet "Reuckappel enz. enz., tegen de kwade lucht, onlanghs bij een onervaren weyman veroorsaackt, door het opdoen, ende aanwijsen van een valsche fenijnighe spore, enz. enz. philodelphi MDC XVIII." Dit boek is in zeer Remonstrantschen geest geschreven.

En de 3e, is de Clachte der Ghemeynte tot Oudewater der ghenen, die houden hij de oude Religie, aan de edele Hooch Moghende H. H. Staten van Holland ende West Vriesland dienende tot wederlegginhe van de valschheden in een boek onder den name, ontdeckinghe van den oproerighen gheest der Contra Remonstranten tot Oudewater.

Die sijnen naam sal vermonden Als de namen bij het tegenschrift sijn bevonden In het jaar ons Heeren 1618.

Zoo als men dus ziet, is die brochure weder in Contra Remonstrantschen geest geschreven.

[601] Wij zien het dus, de leeraars waren Contra Remonstrantsch, en de Magistraat--tenminste gedeeltelijk--Remonstrantschgezind.

[602] Tot dusver het "historisch verhaal".

[603] Reuckappel pag. 72.

[604] Wagenaar X Dl. pag. 159.

[605] Wagenaar X Dl. pag. 160, 161 en 162.

[606] Zie den hoofdinhoud bij Wagenaar, X D. pag. 162 en 163.

[607] Die troepenbeweging, is welligt te meer noodzakelijk geweest, omdat er van 25 Junij 1623 eene publicatie bestaat, nopens de bevordering der eendragt tusschen de burgerij en het garnizoen.

[608] Wij mogen niet vergeten aan te stippen, dat de gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en Westvriesland besloten tot den afstand der wallen en vestingwerken van Oudewater ten behoeve der stad, die acte, dato 8 Februarij 1634, is op het stadhuis berustende.

[609] Uit de Archieven der stad.

[610] Wirster, Geschiedenis van ons Vaderland, pag. 82-92.

[611] Wagenaar, XIV D. pag. 41.

[612] In zijn tooneel des oorlogs, pag. 247-252.

[613] "Onze stad," zegt van den Bosch, dit zou doen denken, dat hij een stadgenoot was, meerdere gronden meen ik daarvoor te hebben indien wij zijn verhaal aandachtig nagaan.

[614] Van het slot te Vliet is slechts de ruïne overig; over de geschiedenis van hetzelve verwijs ik onder anderen naar ons boekske getiteld: Bijzonderheden omtrent het slot te Vliet, 1861.

[615] Van den Bosch III D. pag. 184.

[616] Dezelfde III D. pag. 190, alwaar wij het volgende bewijs van grooten moed van hen vinden opgeteekend. Het was in Februarij 1673, dat twee Dortsche en een Haagsch burger tot onder de tuinen van Woerden getogen waren, op hoop den vijand eenigen afbreuk te doen. Daar bemerkten zij 8 franschen, die twee schapen bij zich hadden. Niettegenstaande de hoop op overwinnen dus zeer gering was, vallen zij den vijand aan en brengen hen spoedig alle acht gevangen Oudewater binnen.

[617] Nog eenige sleden met hooi die door het ijs gezakt waren, werden door hen verbrand. Zie van den Bosch III D. pag. 190, 191 en Allan, Beschrijving van 's Gravenhage pag. 225.

[618] Zie van den Bosch, tooneel des oorlogs III. D. pag. 249.

[619] Het origineel berust ter archieve; zoo ook van het jaar 1710, eene naamlijst van 58 fransche officieren in den franschen oorlog binnen de stad krijgsgevangen geworden, benevens den staat der door hen gemaakte schulden.

[620] Gevolgd naar "De Beroerten in de Nederlanden." III Deel, pag. 195.

[621] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden 106.

[622] Hofdijk, pag. 208 enz.

[623] Vele verschillende missiven over het leggen van de bezetting binnen de stad, berusten ten raadhuize onder de archieven.

[624] Keizer Napoleon passeerde in 1811 Oudewater, hij onderhield zich eenigen tijd met eene deputatie uit de burgerschap.

Ten raadhuize bevinden zich nog eenige missiven, bevattende voorschriften van een plan tot feestviering bij gelegenheid van het passeren van Zijne Majesteit.

[625] De uitnemende Van den Bergh, heeft deze regelen vervaardigd voor het tijdvak uit de Vaderlandsche geschiedenis, toen de Vlamingen in de middeneeuwen ons graafschap veroverden.

[626] Het schijnt echter, dat de Hooge Regering de nog overig zijnde wallen nog niet van waarschijnlijk nut ontbloot acht, tenminste eene voor ongeveer 10 jaren voorgenomene verkooping der aarde van de borstweringen, werd van wege het Ministerie van Oorlog verboden.

[627] Deze vereeniging ondervindt ieder jaar, de milddadigheid van H. M. de Koningin Weduwe.

[628] Wij gewaagden daar van het woord Gilde. In vroeger tijd waren er te dezer stede een zeer groot getal verschillende gilden, die genaamd werden naar de uitoefening van het bedrijf of het beroep der leden.

Het lijndraaijers gild schijnt daar nog overblijfsel van te zijn. Het zakkendragers en bierdragers gild, bleef tot voor eenige jaren nog gewijzigd in wezen.

[629] Een lid dezer afdeeling, de hoefsmid H. de Zwart, onderscheidt zich zeer gunstig in het vervaardigen van hoefijzers, ter te gemoetkoming of geheele verbetering van gebrekkige paardenhoeven.

Een keurige verzameling dier ijzers 74 verschillenden in getal, heeft bereids op menige tentoonstelling van landbouw zoo door gunstige getuigschriften als medailles grooten naam verworven.

[630] Twee, der drie in de stad aan den IJssel liggende bruggen werden bij die gelegenheid geamoveerd en niet weder herbouwd. De IJsselbrug echter wordt vervangen door eenen ijzeren, deze vroegere is welligt nog de brug, die ten jare 1371 door grave Albrecht vergund werd te maken, ten minste zij droeg dit jaartal 1?71; het tweede cijfer van dit jaar doet met evenveel gerustheid aan een 3, dan aan eene 5 denken.

[631] De alom bekende Nederlandsche liefdadigheid, onderscheidt zich in Oudewater steeds bijzonder. De jongste algemeene collecte, gehouden op den verjaardag des konings, ten behoeve der noodlijdenden door de overstroomingen in Gelderland en Noord-Braband, bragt binnen den kom der stede, met inbegrip van loten, in de algemeene verloting, niet minder op dan 966 gulden 61 1/2 cent.

End of Project Gutenberg's Oudewater en omtrek, by Willem Cornelis van Zijll