Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst

c. Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, was Lin

Chapter 11,207 wordsPublic domain

er eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in de Linschoten.

d. Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.

Wodan, Thora en Freija.

In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.

Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij in Oudewater en omtrek niet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn [87], Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze dagen na.

Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat hun trechten toegewijd waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aan Haastrecht, [88] dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden toegewijd zien.

Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen nu, die ook in den omtrek van Oudewater nog dikwijls daarop worden aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet denken. [89]

Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken. Uit den zeer grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:

Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, en nog twee malen stooten. [90] Indien gij dan naar de reden van dit gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: "Wat reden? dit hoort zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!"

Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.--Luister; het drinken op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van heidenschen oorsprong. Zij--de heidenen--dronken reeds de bruine meede of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef--het laat zich zeer wel begrijpen--wederom het langst bij de boeren aanwezig. [91]

Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.

In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, en deze geschiedenis nu is de onbeschreven geschiedenis.

Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook deze was immers voor Oudewater en omtrek de onbeschreven geschiedenis.

En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijn aan de plaats met den omtrek der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.

Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingen vooreerst echter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.

Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te willen volgen.

BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN, WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS.

a. De ligging aan den IJssel.

"Eerst zij nog opgemerkt, dat bij de meeste heiligdommen, eene gewijde tempelbron, kom of ander water was, dat tot reiniging diende."

Mr. van den Bergh.

Reeds poogden wij den lezer een begrip te schenken van waterbevolking en watervereering, zoowel van elders als van dit oord, en waarover men gelieve te zien bladz. 77-99, als ook hier van toepassing kunnende zijn. En hoewel alles, daar vermeld, reeds pleit voor genoemde eeredienst, zijn er, deze uitgenomen, nog meerdere bewijzen van stroomvergoding alhier aan te brengen, en wij zullen die ook aanvoeren, nadat wij eerst iets gezien hebben, van hetgeen daaromtrent elders wordt aangetroffen, zullende dit weder stof tot vergelijking voor ons aanbrengen.

Het valt ons al dadelijk op, dat zoovele steden waar men voorvaderlijke gedenkteekenen heeft gevonden, juist aan rivieren gelegen zijn. Hoe komt dat, geachte lezer?--Zeker, de aanslibbing der rivieren maakte het oord spoedig voor bewoning geschikt, en de rivieren verschaften onderling verkeer en welvaart; doch welligt zal de stroomvereering insgelijks daarmede in verband kunnen worden gebragt.

Immers, zij hadden voor die eerdienst zoodanige gehechtheid, dat de critische van den Bergh zich er aldus over uitlaat: [92] »Deze eerdienst was zoo diep bij hen ingeworteld, dat die nimmer geheel is uitgeroeid kunnen worden, niettegenstaande de Christelijke geloofspredikers aanhoudend ten sterkste daartegen ijverden en deze dienst als heidensch en vloekwaardig afmaalden en ook vele wetten daartegen gerigt zijn. Men meene echter niet, dat zij het water zelf als eene godheid vereerden: zij beschouwden het als de verblijfplaats der goden en daarom heilig, bijna gelijk als de omtrek der heiligdommen gewijd was."

Uitgenomen nog een aantal geleerden, spreekt ook de heer Tydeman [93] in dezer voege. Verder merkt hij op, dat, onder de rivieren, vooral de Rijn, de Rhoer en de Vecht in aanzien stonden, terwijl men dacht--aldus vervolgt hij--dat zij door goden werden bewoond, wier rang zich naar de grootte en voortreffelijkheid dezer stroomen schikte.

Voornamelijk in de bogten der wateren was het, dat men offers aanbragt en de mythologische plegtigheden verrigtte.

In Westphalen wijzen de overleveringen nog meeren aan, van welke men gelooft, dat zij grondeloos zijn [94], met andere onderaardsche meeren gemeenschap hebben, of waarin op sommige tijden een dof onderaardsch geluid wordt gehoord. Dikwijls waren deze gewijde wateren met bosch omzoomd of door een prachtig woud gedekt.

Het groote gewigt, dat men aan deze waterdienst hechtte, toonde zich vooral ook daarin, dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren of meeren gebouwd werden; dat er bij een heiligdom of bij een gewijd offerwoud geen put, enz. mogt ontbreken.

Nog zeer veel zouden wij kunnen aanhalen. Uit het aangevoerde is nogtans reeds voldoende gebleken, dat de riviervergoding bij de ouden in groot aanzien was.

Wat kunnen wij nu toepassen op den IJssel, waaraan de kerk gebouwd is?

Er werd aangetoond:

a. De omtrek der heiligdommen was geheiligd. Welnu, de IJssel hier als heiligdom beschouwd, was dus de omtrek geheiligd en daarom eene plaats van vereering.

b. Vooral de Rijn was in aanzien. Men denke dat de bevallige IJsselstroom een tak des statigen Rijns was.

c. Dikwijls waren de gewijde plassen met een prachtig woud gedekt. De lezer wete, dat het schakenbosch er bij lag.