# Oude Egyptische Legenden

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/oude-egyptische-legenden-15236/index.md

"Opening van de spelonk", is de naam van het elfde gebied van de Duat en Ra is er heerscher. Zeer veel is de rivier gevallen en traag stroomt ze voort; de Boot wordt voortgetrokken door de goden; niet met touwen trekken zij haar voort, maar met het lichaam van de groote slang Mehen, den beschermer van Ra. Op den boeg van de Boot staat een vurige ster, maar haar licht is niet rooder dan de vreemde en felle gloed, die dit land vervult; vreeselijk rood is het en de aanblik er van jaagt schrik en ontzetting aan. Dit is het gebied, dat gevreesd wordt door de boosdoeners, want hun straf wacht hen hier. Heinde en ver zijn vuurpoelen; godinnen, wier adem vuur is, bewaken de poelen, in haar handen vlammende zwaarden houdend. Met haar messen martelen zij de boozen en werpen hen in de vuurpoelen, waar zij volkomen vernietigd worden. Horus staat er bij en aanschouwt hun kwellingen, want deze zijn de vijanden van Osiris en van Ra, de boosdoeners op aarde en lasteraars van de goden. Geen hulp kan hen bereiken, geen ontkomen is mogelijk, door hun eigen daden zijn ze gedoemd tot het zwaard en het vuur. En de rook en het vuur van hun marteling stijgen op in de Duat.

Aan den anderen kant van de rivier bevinden zich de sterren; Shedu is er in de gedaante van een slang, scharlaken en rood is hij en de sterren, die zijn lichaam vormen, zijn tien in getal. Dan is er ook een geheimzinnige en wonderlijke gedaante te zien; als een gevleugelde slang met pooten ziet zij er uit en tusschen de vleugels ziet men de schimachtige gedaante van een man. De menschen noemen hem Atmu, bewoner van Heliopolis; oud is Atmu, ouder dan Ra zelf; en hij zendt de zachte briesjes van den Noordewind naar het land Egypte. Aan weerszijden van hem schijnen de Oogen van Horus flauw in het zwakke en bleeke licht. En nu steekt de morgenwind op; liefelijk en zacht is hij, maar met hem komt de belofte van den dag.

Voorwaarts glijdt de Boot van Ra door de Duat, reizend naar den zonsopgang en het licht van den vollen dag. Zoo gaat het elfde uur voorbij en het twaalfde uur en de dageraad zijn nabij. Dan maakt de godin van het elfde uur plaats voor de godin van het twaalfde uur en zij roept luid den naam van den Wachter aan de poort. Wijd worden de deuren opengeworpen en de Boot van Ra vaart er door. "De duisternis is geweken en geboortes hebben plaats" is de naam van het twaalfde gebied van de Duat. Op den voorsteven van de Boot zit de groote kever van Khepera, gereed om bij de gedaanteverwisseling van Ra te helpen, voordat hij het eind van de Duat bereikt. Dit twaalfde gebied van de Duat is niet gelijk aan de andere streken, want het is omsloten door het lichaam van een groote en monsterachtige slang. "Leven van de Goden", is haar naam, en door dit groote en kolossale lichaam reist de Boot der Millioenen Jaren. Twaalf van de aanbidders van Ra vatten de touwen en sleepen de Boot verder, en hier in het lichaam van de slang wordt Ra veranderd in Khepera en wordt weer levend, want nu is de reis door de Duat bijna volbracht. Bij den mond van de slang staan twaalf godinnen; aan deze geven de Aanbidders van Ra de sleeptouwen over en zij trekken de Boot naar den oostelijken horizon van den hemel. En nu wordt het doode lichaam van Ra uit de Boot geworpen, zooals het kaf wordt weggeworpen, wanneer het graan gezift is, want de ziel en het leven van Ra zijn in de kever van Khepera, en de gedaanteverwisselingen van Ra zijn voltooid.

Met geschreeuw en gezang, met vreugde en blijdschap komt de Boot van Ra te voorschijn uit de Duat. Prachtig is de Manzet Boot, zooals zij voortspoedt naar den zonsopgang. Werp wijd, wijd open de deuren en laat den dag binnen.

Tusschen de sycomores van turkoois komt de Boot van Ra te voorschijn en de berg Bakhu gloeit van licht. De slang, de bewaker van de Groote Groene Wateren ziet Ra in al zijn heerlijkheid aan den oostelijken horizon van den hemel en zijn stralen schitteren op haar opperhuid.

Heerlijk is de Manzet Boot, gedragen door de rivier, stralend in de pracht en het licht van den vollen dag. In het schuim aan den boeg van de Boot dartelt de Abtu-visch, voortschietend door het glinsterende schuim en de Ant-visch wordt gezien in den draaikolk van turkoois. Van de aarde rijst een juichtoon op, want alle schepselen prijzen Ra bij zijn komst.

Heil u, o Ra, bij uwe komst; de nacht en de duisternis zijn voorbij. Bij het krieken van den dag schijnt gij, de hemelen zijn vervult met uw licht. Koning der Goden zijt gij, alle heerlijkheid en triomf zijn van u. De Goden komen als honden aan uw voeten, u met vreugde begroetend in den morgenstond. Heil u, o Ra, bij uw komst; als gij opkomt, zijn alle menschen blijde. Vol vreugde komt gij 's morgens, vol roem regeert gij de wereld. De sterren der hemelen aanbidden u, Heer der Hemelen zijt gij. Heil u, o Ra, bij uw opkomst! Niemand kan uw heerlijkheid uitdrukken. Heer van alle Wijsheid en Waarheid. De zielen van het Oosten dienen u, de zielen van het Westen zijn uw dienaren, het Noorden en het Zuiden aanbidden u. Gij wordt aangebeden, onze Heerscher, door hen, die gij hebt geschapen. Gij komt op aan 's hemels horizon gij doet het menschdom zich verblijden. Heil u, o Ra, bij uw komst, bij uw komst in schoonheid, o Ra.

* * * * *

AANTEEKENINGEN.

I. DE PRINSES EN DE DEMON.

Uitgegeven door Prisse d'Avennes, Monuments Egyptiens, pl. XXIV. Vertaald door Wiedeman, Religion of the Ancient Egyptians, p. 275.

Dit verhaal is gebeiteld in een zandsteenen tablet, dat gevonden is door Champollion in den tempel van Khonsu te Thebe en zich nu in de "Bibliothèque Nationale" te Parijs bevindt. Er zijn acht-en-twintig horizontale regels schrift en boven deze bevindt zich een afbeelding van twee booten van Khonsu, gedragen op de schouders van priesters, terwijl de koning wierook voor hen offert.

Toen het verhaal het eerst vertaald werd, werd er verondersteld, dat het op waarheid gegrond was, maar nu wordt het gewoonlijk beschouwd als een volksverhaal, dat bijdraagt tot het geloof aan Khonsu en tot zijn roem en waarvan daarom door de priesters van dien god gebruik wordt gemaakt. De koning, die er in genoemd wordt, kan niet geïdentificeerd worden met één van de historische monarchen uit Egypte, hoewel zijn persoonlijke naam, Ramses, voldoende bekend is onder de heerschers van de XX^{ste} dynastie.

II. DE DROOM VAN DEN KONING.

Uitgegeven door Lepsius, Denkmaler, III, 68. Vertaald door Breasted, Ancient Records, II, 810-815.

Het opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van rood graniet, van viertien voet hoog, die staat in den kleinen tempel, die ligt tusschen de voorpooten van de Groote Sphinx.

De tempel werd in 1817 uitgegraven door Kapitein Caviglia. Hij vormt het eind van een processie-weg, die naar beneden voert langs geplaveide wegen en trappen van den rand der woestijn af naar het heiligdom (zie Vyse, Pyramids of Gizeh, III, 107). De kleine tempel is slechts tien voet lang en vijf breed en aan het verste eind, met den achterkant naar de borst van de Sphinx gekeerd, staat deze stèle (grafzerk).

Boven het opschrift, dat in horizontale regels geschreven is, staat een afbeelding, links en rechts herhaald, van den koning, die water plengt en wierook brandt voor het beeld van eene Sphinx, liggende op een pylone of altaar. De benedenste helft van de stèle is zoo beschadigd, dat het opschrift of vernield of onleesbaar is.

Het opschrift bedoelt te zijn uit den tijd van Thotmes IV, een koning van de XVIII^{ste} dynastie, ongeveer 1400 v.C., opgericht door dien monarch als een dankoffer.

Maar uit de taal, waarin het opschrift is gesteld, blijkt duidelijk, dat het uit een veel lateren tijd moet zijn; Erman rekent, dat het dateert uit een periode tusschen de XXIII^{de} en XXIV^{ste} dynastie. Het kan echter ook een nieuwe weergave van een vroeger verhaal zijn, hoewel van het vroeger opschrift niets is overgebleven.

* * * * *

III. DE KOMST VAN DE GROOTE KONINGIN.

Uitgegeven door Naville, Dier el Bahari, II, pls. XLVI-LI (met vertaling). Vertaald door Breasted, Ancient Records, II, 187-220.

De inscriptie, met de afbeeldingen, die ze illustreeren, zijn uitgehouwen in de muren van den tempel van Dier el Bahari, aan den noordkant van den overgebleven muur van de bovenste verdieping.

Het groote gebouw, in den nieuwen tijd bekend als de tempel van Deir el Bahari, werd opgericht door Koningin Hatshepsnut van de XVIII^{de} dynastie, ongeveer 1500 v.C, om te dienen voor twee dingen, nl. voor haar eigen doodendienst en voor de aanbidding van de godin Hathor. De voornaamste gebeurtenissen uit de regeering van de Koningin zijn in de muren gebeiteld; het verhaal van haar goddelijke afstamming neemt natuurlijk een voorname plaats in. De inscriptie's in den tempel werden vernield en vroeger gerestaureerd, daarom is er veel van het verhaal verloren gegaan. Gelukkig echter versierde Amenhotep III, een koning van dezelfde dynastie, bijna meer dan een eeuw later dan Hatshepsut, zijn tempel van Luksor met gelijksoortige afbeeldingen en inscriptie's, betrekking hebbend op zijn eigen goddelijke afstamming, terwijl hij natuurlijk de namen van moeder en kind veranderde en eenige weinig belangrijke veranderingen in de opschriften maakte. Door middel van dit latere voorbeeld is het geheele vroegere verhaal duidelijk gemaakt.

De witte zuilenrijen van den tempel van Hatshepsut, tegen een achtergrond van donkere rotsen, vormen een der meest treffende tooneelen in het dal van den Nijl. De tempel werd eens gebruik als een Koptisch dorp; vandaar zijn moderne naam van Deir el Bahari, het Noordelijk Klooster.

Hij is niet lang geleden opgegraven en gerestaureerd door Dr. Naville voor het Egyptische Exploratiefonds.

IV. HET BOEK VAN THOT.

Uitgegeven door Spiegelberg, Demotische Papyrus (Kairo Catalogus). Vertaald door Petrie, Egyptian Tales, II, 89.

Deze geschiedenis is geschreven in het Demotisch op een papyrus, die gevonden is te Thebe in het graf van een Koptischen monnik. Ze lag tusschen andere papyrussen, die in het Hieratisch en in het Koptisch geschreven waren, in een houten kist en bevindt zich nu in het Kairo-Museum. Het Demotisch is het schrift, waarin de laatste vorm van de Egyptische taal was geschreven; het vroegste voorbeeld, dat er van overgebleven is, is uit de regeering van Shabaka van de XXV^{ste} dynastie, ongeveer 715 v.C.; het bleef in gebruik tot de Romeinsche tijden, toen het vervangen werd door het Grieksche alphabet.

De papyrus is uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar de tijd is niet nauwkeurig bekend, daar de datum en plaats aan het eind gedeeltelijk onleesbaar zijn. Het jaar 15 alleen is zichtbaar, wat echter niet voldoende is om aan te duiden, onder welken koning het geschreven is. De legende, die in dit boek weergegeven is, is slechts een deel van een veel langer verhaal; het is inderdaad een geschiedenis in een geschiedenis, verteld door den "ka" van Ahura aan den hoogepriester van Memphis, toen hij zich waagde in het graf van Nefer-ka-ptah om het Boek van Thot te zoeken. Men zegt, dat het Boek van Thot slechts uit twee bladzijden bestaat; het moet dus een papyrus geweest zijn, die aan beide zijden beschreven was.

* * * * *

V. OSIRIS.

Oorspronkelijk stuk: Plutarchus, De Iside et Osiride. Vertaald door: Mead, Thrice-greatest Hermes, I, 278.

De verhandeling over Isis en Osiris werd door Plutarchus, zelf een ingewijde in de Osiris-mysteriën, geschreven aan een medeingewijde, eene vrouw, Klea genaamd. Dit werd in de tweede eeuw v.C. geschreven te Delphi. Het is het eenige samenhangende verhaal, dat er overgebleven is van den dood van Osiris en de omzwervingen van Isis. Ofschoon het van zoo laten datum is, heeft men gevonden, dat het over het geheel juist is, wanneer men het vergelijkt met de opschriften en beeldhouwwerken uit de tijden van de Pharao's.

Het zoogenaamde Ritueel van Denderah is onze voornaamste bron voor de aanbidding van Osiris in de voornaamste tempel van Egypte bij gelegenheid van de feesten in de maand Khoiakh. Het Ritueel is gebeiteld op de muren van den tempel van Denderah en geeft lot in bijzonderheden de plechtigheden, die in gebruik zijn, weer, tot zelfs de afmeting en het materiaal van de symbolische voorstellingen. Het opschrift dateert uit het Ptolemeïsche tijdperk, maar het Ritueel is aanzienlijk veel ouder.

"Mysterie-spelen" naar aanleiding van den dood van Osiris en van de overwinning van Horus op Set schijnen bij zekere groote gelegenheden gehouden te zijn in de voornaamste centra van godsdienst. De voornaamste rol was die van Horus, die in de hoofdstad werd vervuld door den Pharao zelf en in de provincies door de plaatselijke notabelen.

* * * * *

VI. DE SCHORPIOENEN VAN ISIS.

Uitgegeven door Golénischeff, Metternichstele (met Duitsche vertaling). Vertaald door: Budge, Legends of the Gods, p. 157.

Dit opschrift is gebeiteld op een rond-toeloopende stèle van marmer, geplaatst op een vierkant voetstuk. In het begin van de negentiende eeuw werd ze gevonden te Alexandrië en werd in 1828 door Mahomed Ali aan Prins Metternich ten geschenke gegeven. De voorzijde, de achterzijde en de zijkanten, zoowel van de stèle, als van het voetstuk, zijn bedekt met horizontale en vertikale regels schrift en met mythologische figuren. De stèle behoort tot een klasse van amuletische voorwerpen, die gewoonlijk Cippi van Horus genoemd worden; ze zijn beschreven met bezweringen tegen alle dieren "die bijten met hun mond of steken met hun staart". Deze stèle is de grootste Cippus van Horus, die bekend is. Op de voorzijde is in hoog-relief het beeld van Horus uitgehouwen, die voorgesteld wordt als een naakt kind, staande op twee krokodillen en een leeuw, een gazelle, schorpioenen en slangen in zijn handen houdend. Hij staat in een tempel, waar het hoofd van Bes op staat. Isis en Thot, de godinnen van het Zuiden en van het Noorden en andere mythologische figuren en zinnebeelden bevinden zich binnen in en buiten op den tempel. Boven deze voorstelling zijn horizontale registers, gevuld met figuren, die mogelijk tooneelen voorstellen uit legenden, die nu verloren gegaan zijn.

De tekst, die de geschiedenis van de schorpioenen van Isis bewaart, is gegrift achter op het tablet, II 48-70. De stèle dateert ongeveer uit 370 v.C. onder de regeering van Necta-nebo I, van de XXX^{ste} dynastie.

* * * * *

VII. HET ZWARTE ZWIJN.

Uitgegeven door Naville. Das Aegyptische Todtenbuch, pl. CXXIV. Vertaald door Budge, Book of the Dead, ch. CXII.

Het zoogenaamde Doodenboek is een verzameling teksten, die, geschreven op papyrussen of op doodkisten, gevonden zijn in de graven. Geen uitgave is er bekend, die alle stukken bevat; de volgorde is dus samengesteld door vergelijking met vele voorbeelden.

De oude naam van deze teksten is: "Hoofdstukken over het Aanschouwen van het Levenslicht"; de moderne naam is: "Doodenboek", daar het klaarblijkelijk een handleiding is voor de behandeling van de dooden. Het bevat een serie gebeden, lofzangen, magische formulieren en toespelingen op mythologische verhalen, die men, naar men meende, noodzakelijk moest kennen om te ontsnappen aan de gevaren van het leven hiernamaals. Het is klaarblijkelijk zeer oud, want zelfs in de oudst bekende voorbeelden, de Pyramiden Teksten van de VI^{de} dynastie, is de tekst dikwijls zeer gebrekkig. De Pyramiden Teksten vertoonen sporen van zeer primitieve gebruiken en eerediensten, waarvan er vele verloren gegaan zijn in de latere vormen van het Doodenboek.

De geschiedenis, die verhaald wordt onder de naam van het Zwarte Zwijn, heeft betrekking op een voorval in den oorlog tusschen Horus en Set en is nergens anders bekend. Waarschijnlijk waren er veel zulke legenden in omloop in het oude Egypte, maar weinig zijn er ongeschonden bewaard gebleven. Horus was de groote helden-god, en zooals bij de helden van andere landen het geval is, werden de legenden van andere kampioenen op hem overgedragen. Sommige van zijn heldendaden en avonturen schijnen zoo bekend te zijn geweest, dat een toespeling reeds voldoende was om ze den lezer in 't geheugen terug te roepen.

Somtijds wordt er een kort en voor ons verward verhaal gegeven, zooals in hoofdstuk CXIII van het Doodenboek, waarin verteld wordt, hoe Horus zijn handen en armen, die hij verloren heeft in een moeras, terugkrijgt, op een manier, die den modernen lezer weinig zegt.

Een groot aantal legenden zijn bewaard gebleven in magische papyrussen, maar zelfs onder deze is het aantal aanduidingen en toespelingen grooter dan het aantal complete legenden. Zoo staat er in de Demotische Papyrus te Londen en te Leiden een bezwering tegen koorts, die aldus begint: "Horus reed op een middag in het groene seizoen een heuvel op, gezeten op een wit paard. Hij treft de goden aan bij het eten en zij noodigen hem uit deel te nemen aan den maaltijd, maar hij weigert, omdat hij koorts heeft." Dit is alles, wat er gezegd wordt, maar het is klaarblijkelijk een zinspeling op een heel bekende geschiedenis.

* * * * *

VIII. DE GEVECHTEN VAN HORUS.

Uitgegeven door Naville, Mythe d'Horus (met Fransche vertaling). Vertaald door Wiedemann, Religion of the Ancient Egyptians, p. 69.

Het verhaal van den oorlog tusschen Horus en Set is gebeeldhouwd op den binnenkant aan de westzijde van den ringvormigen muur van den tempel van Edfu. De geheele tempel is gewijd aan Horus; ofschoon ongetwijfeld een vroegere stichting, dateert het tegenwoordige gebouw eerst uit het Ptolemeïsche tijdperk. Het werd begonnen door Ptolemeus III Euergetes I en er werden 180 jaren besteed aan het bouwen en decoreeren. De ringvormige muur, waarop deze voorstellingen en opschriften waren gebeeldhouwd, was gebouwd ongeveer 100 v.C., òf door Soter II òf door Alexander I.

De tempel werd opgegraven door Mariette en van alle tempels in Egypte bevindt deze zich in den meest gaven toestand, want met uitzondering van de ergelijke verminking van de gezichten, waarschijnlijk door fanatieke Christenen, zijn gebouw en beeldhouwwerk ongeschouden gebleven, behalve door den tijd.

Het opschrift schijnt in legendarischen vorm een vrij nauwkeurig verhaal te geven van gevechten tusschen stammen uit een zeer vroeg tijdperk. Ofschoon het tegenwoordige opschrift van later datum is, zijn er vele primitieve gedachten in bewaard gebleven, vooral in de lofliederen van de vrouwen aan Horus.

"Eet het vleesch van den overwonneling, drink zijn bloed", is geen uiting van de beschaving uit de Ptolemeïsche tijden. Menschenoffers schijnen in Egypte in alle tijdperken gebracht te zijn. Offers voor den oogst werden er te Eleithyapolis (El Kab) verbrand. Amasis II van de XXVI^{ste} dynastie maakte een eind aan de menschenoffers te Heliopolis; Diodorus zegt, dat er roodharige mannen werden geofferd aan het graf van Osiris; daar de koning de geincarneerde Osiris was, zou dit beteekenen, dat er bij de koninklijke graven menschenoffers werden gebracht, waarschijnlijk bij de begrafenisceremoniën. Het Doodenboek zinspeelt ook voortdurend op menschenoffers.

Te Edfu werd een altaar gevonden, dat besneden was met voorstellingen en offerandes, waarin menschelijke wezens de slachtoffers zijn. Men kent kleine beeldjes, rond gesneden, die den vorm hebben van gebonden gevangenen en waarschijnlijk de methode aantoonen van het binden van een slachtoffer; de beenen zijn gebogen bij de knieën en de voeten tegen de dijen gebogen; de armen zijn bij de ellebogen gebogen en stevig aan het lichaam gebonden. Dit is nu niet de gewone manier om een gevangene te binden, maar is een speciale manier, waarschijnlijk bestemd voor een menschelijk slachtoffer. De beelden stellen soms mannen, soms vrouwen voor. Naar de voorstellingen en tooneelen op den cirkelvormigen muur te oordeelen werd er een "mysteriespel" gespeeld in den tempel van Edfu, waar de Pharao de hoofdrol, die van Horus, vervulde. Het schijnt meer dan waarschijnlijk, dat in vroegere tijden Set of de Bondgenoot van Set, gespeeld werd door een menschelijk wezen, dat werkelijk gedurende de voorstelling gedood werd. Toen het gebruik van de menschenoffers begon uit te sterven, werd het menschelijk slachtoffer vervangen door een dier. Dit is het geval te Edfu, waar Set een hippopotamus genoemd wordt en voorgesteld wordt als een zwijn.

* * * * *

XI. HET BIER VAN HELIOPOLIS.

Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau de Sety I, pt. III, pls. 15-18 (Annales du Musée Guimet, IX). Vertaald door: Wiedemann, Religion of the Ancient Egyptians, p. 62. Voor een beschrijving van het graf van Sety I (zie de Aanteekeningen over Legende XI).

Deze geschiedenis is gebeiteld op de muren van een zijkamer op de hoogte van een van de binnengalerijen van het graf van Sety I (zaal XII van de gidsen). Op een van de muren is een voorstelling van een koe, die staat onder het met sterren bezaaide hemelgewelf. Dit is Nut, de hemelgodin; zij wordt gedragen op de opgeheven handen van den god Shu, en elk been wordt gedragen door twee goden; planeten en Zonneschepen gaan over haar lichaam.

Het verband tusschen deze voorstelling en de legende is heel onzeker. Het verhaal komt alleen op deze eene plaats voor, maar iedere opgraver hoopt, dat hij eens een graf zal vinden, waar een volledig exemplaar van de geschiedenis op de muren gebeeldhouwd is.

* * * * *

X. DE NAAM VAN RA.

Uitgegeven door: Pleyte en Rossi, Papyrus de Turin, pls. 31, 77, 131-138. Vertaald door: Wiedemann, Religion of the Ancient Egyptians, p. 54.

Dit verhaal is gevonden op een Hieratische papyrus van de XX^{ste} dynastie (ongeveer 1200-1100 v.C.) Ze is aan beide zijden beschreven; het handschrift van den eenen kant verschilt met het handschrift aan den anderen kant, waaruit men kan opmaken, dat het werk van twee schrijvers is. Het geschrift is geschreven met zwarten inkt met uitzondering van sommige zinnen, die met rooden inkt geschreven zijn. Hieratisch is het loopende schrift, dat afgeleid is van de hieroglyphen; het vroegste voorbeeld komt voor in de eerste dynastie; het werd in het laatste tijdperk van de Egyptische geschiedenis vervangen door het Demotisch.

Deze papyrus is niet heelemaal volledig, maar het gedeelte, dat de legende bevat, is gelukkig onbeschadigd. De inhoud bestaat uit tooverformulieren tegen slangenbeten. Wanneer de toovenaar genezen wilde door tooverkunst, reciteerde hij een gebeurtenis uit het leven van de een of andere godheid, die aan de zelfde ziekte leed als de mensch-patiënt, die genezing zocht. De woorden, die den goddelijken patiënt genazen, zouden ook den menschelijken zieke genezen. Dezelfde gedachte komt voor in de legende van de Schorpioenen van Isis.

* * * * *

XI. DE STREKEN, WAAR NACHT EN DIEPE DUISTERNIS HEERSCHEN.

Uitgegeven door: Léfébure, Tombeau de Seti I (Annales du Musée Guimet, IX). Vertaald door: Jéquier, Livre de ce qu'il y a dans l'Hadès, Budge, Egyptians Heaven and Hell.

De beschrijving van de Reis van Ra door de Andere Wereld is gebeeldhouwd op de muren van het graf van Seti I te Thebe. Dit is het groote graf, dat door Belzoni in October 1817 ontdekt werd. De lengte is 330 voet en het bestaat uit lange gangen, zuilenhallen en zijkamers, uitgehouwen in de vaste rots. Het Boek van Am-Duat is gebeiteld in de muren van gang III, zalen V, VI en X en zijkamers XI en XIII. Er zijn slechts elf uren gegeven, het twaalfde uur, ofschoon het dikwijls gevonden wordt op papyrus, is zelden gebeiteld.

