Part 3
Zoo kwam Isis, steeds de kinderen ondervragend, te Byblos. Zij zat aan Groote Groene Wateren en de maagden van Koningin Athenaïs kwamen baden en spelen in de golven. Toen sprak Isis tot haar en vlocht haar haren en maakte haar juweelen vast; de adem van de Godin was zoeter dan de geuren van het Land Punt en hij deelde zijn geur mede aan het haar en de juweelen en de kleeren van de maagden. Toen zij terugkwamen in het paleis, vroeg Koningin Athenaïs haar, hoe zij dat reukwerk hadden gekregen en zij antwoordden: "Eene vrouw, vreemd en bedroefd, zat aan het strand, toen wij gingen baden en zij vlocht onze haren en maakte onze juweelen vast en van haar kwam het reukwerk, hoewel wij niet weten hoe." Koningin Athenaïs ging naar het strand om de vreemde vrouw te zien en sprak met haar en zij praatten met elkaar zooals moeders praten, want ze hadden beiden een zoontje; de zoon van Isis was ver weg en de zoon van Athenaïs was doodziek.
Toen stond Isis, de Machtige in de Tooverkunst, de bekwame Genezende op, en zeide: "Breng mij bij uw zoon!" Samen keerden de Godin en de Koningin terug naar het paleis en Isis nam den kleinen Diktys in haar armen en zeide: "Ik kan hem sterk en gezond maken; maar op mijn eigen wijze wil ik het doen en niemand mag er zich mede bemoeien."
Iederen dag verbaasde Koningin Athenaïs zich over haar zoon. Van een klein, schreiend kind werd hij een sterke en gezonde jongen, maar Isis sprak geen woord en niemand wist, wat zij deed. Athenaïs ondervroeg haar maagden en zij antwoordden: "Wij weten niet, wat zij doet, maar dit weten wij, dat zij hem voedt en 's nachts grendelt zij de deuren toe van de zaal, waar de zuil staat, en stapelt houtblokken op het vuur en wanneer wij luisteren, kunnen wij niets hooren, dan het gesjilp van een zwaluw."
Athenaïs was vol nieuwsgierigheid en verborg zich 's nachts in de groote zaal en keek toe, hoe Isis de deuren grendelde en de houtblokken op het vuur stapelde, totdat de vlammen hoog oplaaiden. Toen maakte zij, voor het vuur zittend, een open ruimte tusschen de vlammende houtblokken, een open ruimte, die gloeiend rood was en in die ruimte legde zij het kind en zich in een zwaluw veranderend, vloog zij om de zuil, treurend en klagend, en het geklaag was als het gesjilp van een zwaluw. Koningin Athenaïs uitte een kreet en greep het kind uit het vuur en keerde zich om, om te vluchten. Maar vóór haar stond Isis, de Godin, groot en verschrikkelijk.
"O dwaze moeder!" sprak Isis. "Waarom greept gij het kind? Slechts een paar dagen nog en alles, wat sterfelijk was in hem, zou verteerd zijn door het vuur en hij zou geweest zijn gelijk de Goden, onsterfelijk en eeuwig jong".
Een diepe eerbied beving de Koningin, want zij wist, dat zij een van de goden aanschouwde. Zoo nederig mogelijk smeekten zij en Koning Malkander de Godin, een geschenk aan te nemen. Al de rijkdommen van Byblos werden voor haar uitgespreid, maar zij waren haar onverschillig.
"Geeft mij", zeide zij, "wat deze zuil bevat en ik zal tevreden zijn". Dadelijk werden werklieden ontboden, ze haalden de zuil omver, hieuwen ze open en lichten de kist er uit. En Isis nam welriekende specerijen en geurende bloesems, deze strooide ze over de zuil, wikkelde ze toen in fijn linnen en gaf ze aan den Koning en de Koningin. En alle menschen uit Byblos aanbidden ze tot op dezen dag, omdat ze eens het lichaam van een God bevatte.
Maar Isis nam de kist mede op een boot en zeilde weg van Byblos en toen de golven van de rivier Phaedrus, opgezeept door den wind, de kist dreigden weg te spoelen, deed zij het water opdroogen door haar tooverspreuken. Toen, op een eenzame plaats, opende zij de kist en het gezicht van den dooden God aanschouwend, treurde en klaagde zij.
Nu zeggen sommigen, dat, toen Isis Byblos verliet, ze Diktys medenam en dat hij uit de boot viel en verdronk. Anderen zeggen, dat haar geweeklaag zoo vreeselijk klonk in zijn bittere smart, dat zijn hart brak en hij stierf. Maar ik denk, dat hij in Byblos bleef, en omdat hij gelegen had in de armen der Goddelijke Moeder en door het reinigend vuur was gegaan, groeide hij op tot een groot en edel Koning, die zijn volk met wijsheid regeerde.
Toen verborg Isis de kist en reisde naar de stad Pé, op het drijvende eiland, waar haar zoontje Harpocrates veilig was onder de hoede van Uazet, de Godin van het Noordelijke Land. En terwijl zij weg was, kwam Set om op wilde beren te jagen met zijn honden. Hij joeg bij maanlicht, want hij hield van den nacht, wanneer alle slechte demonen te voorschijn komen; en de lucht was vervuld met het geschreeuw en het hallo der jagers en het geblaf der honden, die hun prooi achterna joegen. En toen Set voorbijrende, zag hij de geschilderde kist, waarvan de kleuren glinsterden en schitterden in den maneschijn. Op dat gezicht kwamen haat en toorn over hem gelijk een roode wolk en hij raasde als een panter uit het Zuiden. Hij sleepte de kist van de plaats, waar zij verborgen was, en brak ze open; hij greep het lichaam en scheurde het in veertien stukken en door zijn machtige en goddelijke kracht strooide hij de stukken door het land Egypte. En hij lachte en zeide: "Het is niet mogelijk het lichaam van een God te vernietigen, maar ik heb het onmogelijke gedaan: ik heb Osiris vernietigd". En zijn gelach weerklonk door de wereld en zij, die het hoorden, vluchtten en beefden.
Toen Isis terugkeerde, vond zij niets dan de vernielde kist en wist, dat Set dat gedaan had. Haar zoeken moest nu weer opnieuw beginnen. Zij nam een kleine sloep, gemaakt van papyrusstengels, die samengevoegd waren, en zeilde door de moerassen, om de stukken van Osiris' lichaam te zoeken, en al de vogels en dieren gingen met haar om haar te helpen; en tot op den huidigen dag zullen de krokodillen geen boot aanraken van papyrusstengels, want zij denken, dat het de moede Godin is, die nog altijd aan het zoeken is.
Machtig en listig was haar vijand en alleen door beleid kon hij overwonnen worden; daarom bouwde zij, overal waar zij een deel van het goddelijke lichaam vond, een prachtig grafmonument en vervulde de begrafenisplechtigheden, alsof zij het lijk daar had begraven. Maar in werkelijkheid nam zij de stukken mede, en toen zij na lange omzwervingen ze alle gevonden had, vereenigde zij ze alle weer tot één lichaam door de groote kracht van haar tooverkunst.
Want, wanneer Horus het Kind opgegroeid zou zijn tot een man, dan zou hij vechten met Set en zijn vader wreken; en nadat hij de overwinning zou behaald hebben, zou Osiris weer levend worden. Maar tot op dien dag zal Osiris in de Duat wonen, waar hij de Dooden even wijs en edel regeert als hij het de levenden deed, toen hij nog op aarde was. Want, ofschoon Horus met Set strijdt en de gevechten hevig woeden, is er nog geen beslissende overwinning behaald en is Osiris nimmer op aarde teruggekeerd.
* * * * *
VI.
DE SCHORPIOENEN VAN ISIS.
Ik ben Isis, de groote Godin, de Meesteres van de Magica, de Zegster der tooverspreuken.
Ik kwam uit mijn huis, dat mijn broeder Set mij gegeven had, want Thot, de tweemaal groote, die machtig in de waarheid is op aarde en in den hemel. Hij riep en ik kwam te voorschijn, toen Ra in volle glorie naar den westelijken horizon daalde en het avond werd.
En met mij kwamen de zeven schorpioenen en hun namen waren Tefen en Befen, Mestet en Mestetef, Petet, Thetet en Matet. Achter mij stonden Tefen en Befen; aan weerszijden bevonden zich Mestet en Mestetef; vóór mij waren Petet, Thetet en Matet, om den weg vrij te maken, opdat niemand mij zou belemmeren of hinderen. Ik riep luid tot de schorpioenen en mijn woorden klonken door de lucht en drongen in hun ooren: "Hoedt u voor den Zwarte, roep den Roode niet, kijk noch naar kinderen, noch naar eenig klein hulpeloos schepsel."
Toen trok ik door het land van Egypte, Tefen en Befen achter mij, Mestet en Mestetef aan weerszijden van mij, Petet, Thetet en Matet vóór mij; en wij kwamen te Per-sui, waar de krokodil God is en in de Stad van de Twee Sandalen, die de stad is der Tweeling-Godinnen. Hier beginnen de poelen en moerassen van het Noordelijke Land, waar velden met papyrusriet zijn en waar de moerasbewoners huizen; van hier tot aan de Groote Groene Wateren strekt zich het Noordelijke Land uit.
Toen kwamen wij bij huizen, waarin de moerasbewoners woonden en de naam van een der vrouwen was "Roem", ofschoon sommigen haar ook "Kracht" noemden. Zij stond voor haar deur en van ver zag zij mij aankomen, moe en afgemat als ik was, en ik zou gaarne hebben willen nederzitten in haar huis om te rusten. Maar toen ik op het punt was tot haar te spreken, sloot zij de deur dicht, want zij was bang voor de zeven schorpioenen, die mij vergezelden.
Ik trok verder en een der vrouwen opende haar deur voor mij en in haar huis rustte ik. Maar Mesten en Mestetef, Petet, Thetet en Matet en ook Befen kwamen bij elkaar en legden hun vergif op den angel van Tefen; zoo had de angel van Tefen zevenvoudige kracht. Toen keerde Tefen terug naar het huis van vrouw "Roem", die haar deur voor mij gesloten had; de deur was nog gesloten, maar tusschen de deur en den drempel was een nauwe opening. Door deze nauwe opening kroop Tefen en drong het huis binnen en stak met een angel van zevenvoudige kracht den zoon van vrouw "Roem". Zoo sterk en brandend was het vergif, dat het kind stierf en er brand uitbrak in het huis.
Toen riep en klaagde vrouw "Roem", maar niemand luisterde naar haar en de Hemel zelf zond water op haar huis. Een groot wonder was dit water van den Hemel, want de tijd voor de overstroomingen was er nog niet.
Zoo schreide en klaagde zij en haar hart was vol verdriet, toen zij zich herinnerde hoe zij voor mij de deur had dicht gedaan, terwijl ik, moede en afgemat als ik was, had willen rusten in haar huis. En haar klaagtonen drongen in mijn ooren en mijn hart zwol op van verdriet over haar verdriet en ik keerde terug en ging met haar naar de plaats, waar het doode kind lag.
En ik, Isis, de Meesteres van de tooverkunst, wier stem de dooden kan doen ontwaken, ik riep luid de Woorden, die Macht hebben, de Woorden, die zelfs de dooden kunnen hooren. En ik legde mijn handen op het kind, opdat ik het Leven mocht terugroepen in het levenlooze. Koud en stil lag het neder, want het zevenvoudig vergif van Tefen was in hem. Toen sprak ik tooverspreuken tot het vergif van de schorpioenen, zeggende: "O vergif van Tefen, verlaat hem en val op den grond! Vergif van Befen, ga niet voort, dring niet verder door, verlaat hem en val op den grond! Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Zegster van tooverspreuken. Val neer, o vergif van Mestet! Haast u niet, vergif van Petet en Thetet! Nader niet, vergif van Matef. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Zegster van tooverspreuken. Het kind zal leven, het vergif zal sterven! Zooals Horus sterk en gezond is voor mij, zijn moeder, zoo zal dit kind sterk en gezond zijn voor zijn moeder!" Toen werd het kind beter en het vuur werd gebluscht en de regen hield op. En vrouw "Roem" bracht al haar rijkdom, haar armbanden en haar halssieraden, haar goud- en zilverwerk naar het huis van de moeras-vrouw en legde ze neer aan mijn voeten als teeken van berouw, dat ze de deur voor mij gesloten had, toen ik, moede en afgemat, aan haar huis gekomen was.
En tot op den huidigen dag maken de menschen deeg van weitenmeel, vermengd met zout, en leggen het op de wonde, die veroorzaakt is door den steek van een schorpioen, en dan zeggen zij de Tooverwoorden op, die ik uitsprak over het kind van vrouw Roem, toen het zevenvoudige vergif in hem was. Want ik ben Isis, de groote Toovenares, de Meesteres van de tooverkunst, de Zegster der tooverspreuken.
* * * * *
VII.
HET ZWARTE ZWIJN.
De reden, waarom de stad Pé aan Horus gegeven werd, weet ik en zal ik u vertellen.
Er bestaat tusschen Horus en Set vijandschap en haat, oorlog en strijd. Altijd duurt de strijd voort en de strijders gaan woedend te keer en de overwinning is nog door geen van beiden behaald, hoewel de Goden met Horus zijn.
Set is listig en sluw en tracht meer door slimheid dan door moed en ervarenheid in den strijd te overwinnen, en verder bezit hij de macht een willekeurige gedaante aan te nemen, zoodat hij zoowel de menschen als de Goden misleiden kan. Deze macht bezit Set, maar de macht van Horus is niet dezelfde; want de rechtschapenheid en de waarheid zijn eigenschappen van Horus; bedrog en valschheid worden bij hem niet gevonden. Wie in de blauwe oogen van Horus kijkt, kan daarin de toekomst weerspiegeld zien en zoowel de Goden als de menschen zoeken Horus op om te vernemen, wat de toekomst zal brengen.
Set kwam te weten, dat Ra Horus raadplegen wilde en hem dunkte, dat dit een goede gelegenheid was Horus kwaad te doen, indien hij de gedaante aannam van een Zwart Zwijn.
Woest was zijn voorkomen, lang en scherp zijn slagtanden en zijn kleur was zwart als een onweerswolk; wild en kwaadaardig was zijn blik en vervulde de harten der menschen met vrees.
Toen kwam Koning Ra tot Horus en sprak tot hem, zeggende: "Laat mij in uw oogen zien en aanschouwen, wat er gebeuren zal." En hij keek in de oogen van Horus en hun kleur was die van de Groote Groene Wateren, wanneer de zonnelucht er zich in weerspiegelt. En terwijl hij keek, ging het Zwarte Zwijn voorbij. Ra wist niet, dat het de Booze God was en hij riep tot Horus: "Kijk eens naar dat Zwarte Zwijn! Nooit heb ik zoo'n groot en woest beest gezien".
En Horus keek: ook hij kende Set niet in deze vreemde gedaante en dacht, dat het een wilde beer was uit de bosschen van het Noordelijke Land. Hij was dus niet meer op zijn hoede en weerloos tegen zijn vijand.
Toen wierp Set een vuurstraal in het oog van Horus en Horus schreeuwde luid van de pijn, die veroorzaakt werd door het vuur en kermde hevig en riep: "Het is Set en hij heeft mij vuur in de oogen geworpen".
Maar Set was er niet meer, want hij had zich uit de voeten gemaakt en het Zwarte Zwijn werd niet meer gezien. En Ra vervloekte het zwijn om Set en zeide: "Laat het zwijn door Horus verafschuwd worden".
En tot op dezen dag offeren de menschen het zwijn, wanneer de Maan vol is, omdat Set, de vijand van Horus en de moordenaar van Osiris, zijn gedaante aannam om den blauwoogigen God kwaad te doen. En om deze reden zijn ook de zwijnehoeders onrein in het land van Egypte; nooit mogen zij de tempels betreden en aan de Goden offeren en hun zonen en dochters mogen niet huwen met de aanbidders der Goden.
En toen de oogen van Horus genezen waren, gaf Ra hem de stad Pé en hij gaf hem twee priester in de stad Pé en twee priesters in de stad Nekken om bij hem te zijn als eeuwige rechters.
Toen was het hart van Horus blijde en hij verheugde zich en door de blijdschap van Horus tooide de aarde zich met bloemen en onweerswolken en regen kwamen niet voor.
* * * * *
VIII.
DE GEVECHTEN VAN HORUS.
Het was in het drie honderd drie-en-zestigste jaar na de regeering van den God Ra-Horakhti op aarde, dat de groote oorlog tusschen Horus en Set plaats greep.
Zijne Majesteit, God Ra, dien de menschen ook Ra-Horakhti noemen, was in Nubië met zijn leger, een groote en ontelbare menigte soldaten, voetknechten en ruiters, boogschutters en strijdwagens. Hij voer in zijn Boot op de rivier; de boeg van de Boot was van palmhout, de achtersteven was van acaciahout en hij landde te Thest-Hor, aan de oostzijde van de Binnenwateren. En tot hem kwam Horus van Edfu, ook Harpoenier en Held genaamd, zoekend naar dien Boosdoener Set, den moordenaar van Osiris. Lang had hij gezocht, maar Set was hem steeds ontweken.
Koning Ra had zijn strijdmachten verzameld, want Set was tegen hem opgestaan en Horus was blijde bij het denkbeeld van een strijd, want hij hield meer van een uur vechten dan van een dag feestvieren. Hij kwam bij Thot, den god van de tooverkunst, en Thot verleende hem de macht zich te veranderen in een gevleugelden discus, een discus die gloeide als een vuurbal, met groote vleugels aan weerszijden, die gekleurd waren als de lucht bij zonsondergang, wanneer het blauw schakeert van donker tot licht en doorschoten is met gouden gloed. De menschen trachten deze tinten na te bootsen, wanneer zij den gevleugelden discus boven de tempeldeuren snijden of er een borstversiersel van maken van goud, ingelegd met turkoos en kornalijn en lazuli. Zoo zat Horus als een groote gevleugelde discus op den voorsteven van de boot van Ra en zijn heerlijkheid schitterde over de wateren en trof zijn vijanden, die in hinderlaag lagen. Op zijn schitterende vleugelen verhief hij zich in de lucht, en sprak tegen zijn listige vijanden een vervloeking uit, een verschrikkelijke en vreesaanjagende vervloeking, zeggende: "Uw oogen zullen blind zijn en gij zult niet zien; en uw ooren zullen doof zijn en gij zult niet hooren."
En plotseling zag elke man, toen hij naar zijn buurman keek, een vreemdeling, en toen hij zijn eigen bekende moedertaal hoorde, klonk het als een vreemde taal en zij riepen, dat zij verraden waren en dat de vijand zich onder hen bevond. Ze keerden hun wapens tegen elkander en in een oogwenk hadden velen opgehouden te leven en de overigen waren gevlucht, terwijl boven hen de glanzende Discus zweefde, die uitkeek naar Set. Maar Set was in de moerassen van het Noordelijke Land en deze behoorden slechts tot zijn voorhoede.
Toen spoedde Horus terug naar Ra en Ra omhelsde hem en gaf hem een dronk wijn met water. En tot op dezen dag plengen de menschen op deze plaats een offer van wijn en water voor Horus tot een aandenken. Toen Horus den wijn gedronken had, sprak hij tot Koning Ra en zeide: "Kom en zie uwe vijanden, hoe zij neerliggen in hun bloed." Ra kwam en met hem kwam Astarte, de Meesteres der Paarden, haar vurige rossen mennend; en zij zagen het met lijken bedekte veld, waar de soldaten van Set elkander verslagen hadden.
Nu, dit is de eerste ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote slag had nog niet plaats. Toen kwamen de bondgenooten van Set bij elkaar en beraadslaagden en namen de gedaanten aan van krokodillen en nijlpaarden, want deze groote dieren kunnen onder water leven en geen menschelijk wapen kan hun huid doorsteken. Zij gingen de rivier op, terwijl het water achter hen opzwiepte, en wierpen zich op de Boot van Ra om ze te doen omslaan. Maar Horus had zijn afdeeling wapensmeden bij elkaar geroepen en zij hadden bogen en speren vervaardigd van metaal, dat zij eerst gesmolten en geweld, gehamerd en gevormd hadden, terwijl er nog tooverspreuken over uitgesproken waren. Toen de woeste dieren de rivier op kwamen in de golven van schuim, spanden de Volgelingen van Horus hun boogpezen en lieten hun pijlen vliegen; zij wierpen hun werpspiesen en deden een aanval met hun speren. En het metaal drong door de huiden en trof de harten en van deze gevaarlijke dieren werden er zeshonderd vijftig verslagen en de overigen namen de vlucht.
Dit nu is de tweede ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote slag werd nog niet gestreden.
De bondgenooten van Set vluchtten, sommigen de rivier op en sommigen de rivier af; hun harten waren versaagd en hun voeten weigerden den dienst uit vrees voor Horus, den Harpoenier, den Held. En zij, wier gezichten naar het Zuidelijk Land gekeerd waren, vluchtten het snelst, want Horus achtervolgde hen in de Boot van Ra, en met hem kwamen zijn Volgelingen met hun wapens in de handen.
Ten zuid-oosten van Denderah, de stad van Hathor, zag Horus den vijand en hij wierp zich op hen met zijn Volgelingen, terwijl Ra en Thot naar de worsteling keken in de Boot.
Toen zei Koning Ra tot Thot: "Zie, hoe hij zijn vijanden wondt! Zie, hoe Horus van Edfu vernieling onder hen brengt!" En naderhand bouwden de menschen een tempel op deze plaats ter herinnering aan het gevecht en de Goden in dezen tempel waren Ra en Min en Horus van Edfu.
Dit nu is de derde ontmoeting in het Zuiden, maar de laatste groote slag had nog niet plaats. Toen wendden zij vlug de Boot en snel dreef ze stroomafwaarts, de vluchtelingen vervolgend, wier gezichten naar het Noordelijk Land gekeerd waren. Een nacht en een dag vervolgden zij ze en ten noord-oosten van Denderah zag Horus hen. En hij haastte zich, hij en zijn Volgelingen en hij viel op hen aan en versloeg hen. Groot en verschrikkelijk was de slachting terwijl hij ze voor zich uit dreef.
Zoo was Set's leger in het Zuiden in vier groote ontmoetingen vernietigd, maar de laatste groote slag had nog niet plaats. Nu wendden de bondgenooten van Set hun aangezichten naar het meer en de moerassen van de zee. Horus bevond zich achter hen in de Boot van Ra en zijn gedaante was de gedaante van een grooten gevleugelden discus; en met hem kwamen zijn Volgelingen met de wapens in hun handen. Toen beval Horus stilte en hun monden bewaarden het stilzwijgen.
Vier dagen en vier nachten waren zij op het water om den vijand te zoeken. Maar niemand vonden zij, want hun vijanden hadden de gedaante aangenomen van krokodillen en nijlpaarden en lagen verborgen in het water. In den morgen van den vijfden dag zag Horus hen; op eens gaf hij het sein tot den strijd en de lucht werd vervuld met het rumoer van den slag, terwijl Ra en Thot naar het gevecht keken, terwijl zij wachtten in de Boot.
Toen riep Koning Ra luid, toen hij Horus als een verterende vlam op het slagveld zag: "Zie, hoe hij zijn wapen tegen hen keert; hij doodt hen, hij vernietigt hen met het zwaard, hij snijdt hen in stukken, hij verslaat hen volkomen. Zie en aanschouw Horus van Edfu!" Tegen het eind van het gevecht kwam Horus terug in triomf en hij bracht honderd en twee-en-veertig gevangenen naar de Boot van Ra.
Dit nu is de eerste ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote slag had nog niet plaats. Want de vijanden, die op de Noordelijke Wateren waren, keerden hun aangezichten naar het kanaal om de zee te bereiken en zij kwamen bij de Westelijke Wateren van Mert, waar de Bondgenoot van Set zijn woonplaats had, Horus achtervolgde hen, uitgerust met zijn blinkende wapens en hij ging in de Boot van Ra en Ra was in de boot met acht lieden van zijn gevolg. Zij bevonden zich op het Noorder Kanaal en voeren achterwaarts en voorwaarts, wendend en nog eens wendend; maar niets hoorden of zagen zij. Toen voeren zij een nacht en een dag noordwaarts en kwamen aan het Huis van Rerhu.
Daar sprak Ra tot Horus en zeide: "Zie, uw vijanden zijn samengekomen bij de Westelijke Wateren van Mert, waar de Bondgenooten van Set wonen." En Horus van Edfu verzocht Koning Ra in zijn Boot te komen om tegen de Bondgenooten van Set op te trekken.
Weer reisden zij noordwaarts, waar de nooitondergaande Sterren om een zeker punt in de luchtruimte draaien en aan de oevers van de Westelijke Wateren van Mert waren de Bondgenooten van Set, gereed voor den strijd. Toen aarzelde Horus van Edfu geen oogenblik, maar wierp zich op den vijand, vergezeld door zijn Volgelingen, die de wapens in de hand droegen. Dood en vernieling brachten zij rechts en links, totdat de vijand voor hen vluchtte. Toen de strijd geëindigd was, telden zij de gevangenen; drie honderd een-en-tachtig waren er gemaakt en deze doodde Horus vóór de Boot van Ra en hun wapens gaf hij aan zijn Volgelingen. Dit nu is de tweede ontmoeting in het Noorden, maar de laatste groote slag was nog niet geleverd. En nu, eindelijk, kwam Set zelf te voorschijn uit zijn schuilplaats. Woest en wild is hij, listig en wreed, van nature aan een roofdier gelijk, zonder genade of medelijden; en de menschen beelden hem uit met het hoofd van een wild dier, want menschelijk gevoel is hem onbekend. Hij kwam te voorschijn uit zijn schuilplaats en brulde verschrikkelijk. De aarde en de hemelen beefden bij het geluid van zijn gebrul en bij de woorden, die hij uitte, want hij pochte er op, dat hij zelf zou vechten tegen Horus en hem zou vernietigen, zooals hij Osiris vernietigd had.