# Oude Egyptische Legenden

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/oude-egyptische-legenden-15236/index.md

Eens ging hij naar den tempel om te bidden tot de Goden, maar toen hij de opschriften op de muren zag, begon hij ze te lezen en hij vergat te bidden, hij vergat de Goden, hij vergat de priesters, hij vergat alles om zich heen, totdat hij achter zich gelach hoorde. Hij keek om en zag een priester staan, die zoo lachte.

"Waarom lacht gij om mij?" vroeg Nefer-ka-ptah.

"Omdat gij deze waardelooze geschriften leest", antwoordde de priester. "Wanneer gij geschriften wilt lezen, die waard zijn gelezen te worden, dan kan ik u vertellen, waar het boek Thot verborgen ligt".

Toen hield Nefer-ka-ptah niet op met vragen en de priester antwoordde: "Thot schreef het boek met eigen hand en al de tooverkunsten der wereld zijn er in opgeteekend. Als gij de eerste bladzijde leest, zult gij den hemel, de aarde, de hei, de bergen en de zee kunnen betooveren, gij zult de taal van de vogels des hemels verstaan en gij zult weten wat de kruipende dieren der aarde spreken en gij zult de visschen tot op de donkerste diepte der zee zien. En als gij de volgende bladzijde leest, kunt ge, al waart gij dood en in de wereld der geesten, terugkomen op aarde in de gedaante, die gij eens hadt. En behalve dat zult gij de zon zien schijnen aan den hemel te gelijk met de volle maan en de sterren en gij zult de groote gedaante van de Goden aanschouwen".

Toen sprak Nefer-ka-ptah: "Bij het leven van Pharao, dat boek zal in mijn bezit komen. Zeg mij, wat gij verlangt en ik zal het voor u doen."

"Zorg voor mijn begrafenis," zei de priester. "Zorg er voor, dat ik begraven word als een rijk man met priesters en klaagvrouwen, offers, plengingen en wierook. Dan zal mijn ziel in vrede rusten in de Velden van Aalu. Honderd zilverstukken moeten er besteed worden voor mijn begrafenis".

Toen zond Nefer-ka-ptah een vluggen bode uit om het geld te halen en hij stelde den priester honderd zilverstukken ter hand. Toen de priester het zilver genomen had, zei hij tot Nefer-ka-ptah:

"Het Boek ligt te Koptos midden in de rivier. Midden in de rivier ligt een ijzeren kist. In de ijzeren kist zit een bronzen kist. In de bronzen kist zit een kist van keté-hout. In de keté-houten kist zit een kist van ivoor en ebbenhout. In de kist van ivoor en ebbenhout zit een zilveren kist. In de zilveren kist zit een gouden kist. En in de gouden kist zit het Boek van Thot. Rondom de ijzeren kist krioelen slangen en schorpioenen en allerhande kruipende dieren en daar boven op zit een slang, die geen mensch kan dooden. Deze moeten dienen om het Boek van Thot te bewaken".

Toen de priester uitgesproken had, snelde Nefer-ka-ptah uit den tempel, want zijn vreugde was zoo groot, dat hij niet wist, waar hij was. Hij liep snel, ten einde Ahura te zoeken en haar te vertellen van het Boek en dat hij naar Koptos wou gaan om het te zoeken. Maar Ahura was zeer bedroefd en zeide:

"Ga niet op reis, want moeite en verdriet wachten u in het Zuidelijk Land".

Zij legde haar hand op die van Nefer-ka-ptah, alsof zij hem terug wilde houden van het verdriet, dat hem wachtte. Maar hij wilde niet tegengehouden worden en rukte zich los van haar en begaf zich naar den koning, zijn vader. Hij vertelde den koning alles, wat hij vernomen had en zeide: "Geef mij de koninklijke bark, o mijn vader, opdat ik naar het Zuidelijke Land moge gaan met mijn vrouw Ahura en mijn zoon Merab. Want het Boek van Thot moet en zal ik hebben".

Dus gaf de koning zijn bevelen en de koninklijke bark werd in gereedheid gebracht en Nefer-ka-ptah, Ahura en Merab zeilden de rivier op naar het Zuiden tot Koptos. Toen zij te Koptos aankwamen, kwamen de hoogepriester en al de priesters van Isis naar de rivier om Nefer-ka-ptah, Ahura en Merab welkom te heeten. En zij trokken in een groote processie op naar den tempel van de Godin en Nefer-ka-ptah offerde een os en een gans en plengde wijn ter eere van Isis van Koptos en haar zoon Harpocrates. Daarna richtten de priesters van Isis en hun vrouwen een groot feest aan, dat vier dagen duurde, ter eere van Nefer-ka-ptah en Ahura.

In den morgen van den vijfden dag riep Nefer-ka-ptah een priester van Isis tot zich, een groot toovenaar, die ingewijd was in al de mysteriën van de Goden. En te samen maakten zij een kleine tooverdoos, die er uitzag als de romp van een boot en zij maakten mannen en een grooten voorraad tuig en deden de mannen en het tuig in de tooverboot. Toen spraken zij een tooverspreuk uit over de boot en de mannen ademden en waren levend en begonnen het tuig te gebruiken. En Nefer-ka-ptah liet de tooverboot neer in de rivier, zeggend: "Werklieden, werklieden! Werkt voor mij!" En hij vulde de koninklijke bark met zand en zeilde alleen weg, terwijl Ahura aan den oever der rivier te Koptos zat en uitkeek en wachtte, want zij wist, dat er verdriet moest komen uit deze reis naar het Zuidelijke Land.

De toovermannen in de tooverboot werkten drie nachten en drie dagen zonder ophouden door en toen zij ophielden, lag de koninklijke bark ook stil en Nefer-ka-ptah wist, dat hij gekomen was op de plaats, waar het boek lag verborgen.

Hij nam het zand uit de koninklijke bark en strooide het in het water en het maakte een opening in de rivier, een opening van een "schoenus" lang en een "schoenus" breed; midden in de opening lag de ijzeren kist en naast de kist lag opgerold de groote slang, die geen mensch kon dooden en rondom de kist aan alle kanten tot aan den rand van de muren van water krioelden slangen en schorpioenen en allerlei kruipend gedierte.

Toen stond Nefer-ka-ptah op in de koninklijke bark en over het water schreeuwde hij de slangen en schorpioenen en het kruipend gedierte iets toe; een luide en verschrikkelijke kreet was het en de woorden er van waren tooverwoorden. Zoodra zijn stem zweeg, waren de slangen en schorpioenen en het kruipend gedierte ook stil, want zij waren betooverd door de tooverwoorden van Nefer-ka-ptah en zij konden zich niet verroeren. Nefer-ka-ptah stuurde de koninklijke bark tot aan den rand van de opening en begaf zich te midden van de slangen en de schorpioenen en het kruipend gedierte en zij keken hem aan, maar konden zich niet bewegen door de betoovering, waardoor zij bevangen waren. En nu bevond Nefer-ka-ptah zich van aangezicht tot aangezicht met de slang, die geen mensch kon dooden, en zij richtte zich op, gereed tot den strijd. Nefer-ka-ptah snelde op haar toe en sneed haar het hoofd af, maar op eens kwamen het hoofd en het lichaam weer te samen en de slang, die geen mensch kon dooden, was weer levend en gereed voor het gevecht. Weer schoot Nefer-ka-ptah op haar af en zoo hard sloeg hij, dat het hoofd ver van het lichaam geslingerd werd, maar plotseling vereenigden het hoofd en het lichaam zich weer en weer was de slang, die geen mensch kon dooden, levend en klaar om te strijden.

Toen zag Nefer-ka-ptah, dat de slang onsterfelijk was en niet verslagen kon worden, maar overwonnen moest worden door list. Weer snelde hij er op toe en sloeg haar in tweeën en heel vlug deed hij zand op ieder stuk, zoodat, toen het hoofd en het lichaam bij elkaar kwamen, het zand tusschen was, en de stukken zich niet konden vereenigen en de slang, die geen mensch kon dooden, lag hulpeloos voor hem.

Toen ging Nefer-ka-ptah naar de groote kist, waar zij stond in de opening midden in de rivier en de slangen en schorpioenen en het kruipend gedierte keken toe, maar zij konden hem niet tegenhouden.

Hij opende de ijzeren kist en vond een bronzen kist.

Hij opende de bronzen kist en vond een keté-houten kist.

Hij opende de keté-houten kist en vond een kist van ivoor en ebbenhout.

Hij opende de kist van ivoor en ebbenhout en vond een zilveren kist.

Hij opende de zilveren kist en vond een gouden kist.

Hij opende de gouden kist en vond het Boek van Thot.

Hij opende het Boek en las een bladzijde en opeens had hij den hemel, de aarde, de hel, de bergen en de zee betooverd en hij verstond de taal van vogels, visschen en andere dieren. Hij las de tweede bladzijde en hij zag de zon schijnen aan het uitspansel te gelijk met de volle maan en de sterren en hij zag de groote gedaante van de Goden en zoo sterk was de betoovering, dat de visschen van uit de diepste diepten der zee naar boven kwamen. Nu wist hij, dat, wat de priesters hem verteld had, waar was. Toen dacht hij aan Ahura, die op hem wachtte te Koptos en hij sprak een tooverspreuk uit over de mannen, die hij gemaakt had, zeggend: "Werklieden, werklieden! Werkt voor mij! en breng mij terug naar de plaats, vanwaar ik gekomen ben". Zij zwoegden dag en nacht, tot dat zij te Koptos kwamen en daar zat Ahura bij de rivier. Ze had niets gegeten of gedronken sedert het vertrek van Nefer-ka-ptah, want zij zat te wachten en uit te zien naar het verdriet, dat over hen zou komen. Maar toen zij Nefer-ka-ptah zag terugkeeren in de koninklijke bark, was haar hart blijde en zij verheugde zich in de hoogste mate. Nefer-ka-ptah kwam naar haar toe en legde het Boek van Thot in haar handen en verzocht haar het te lezen. Toen zij de eerste bladzijde las, betooverde zij den hemel, de aarde, de hel, de bergen en de zee en zij verstond de taal van de vogels, de visschen en het kruipend gedierte, en toen zij de tweede bladzijde las, zag zij de zon schijnen aan het uitspansel tegelijk met de volle maan en sterren en zij zag de groote gedaanten van de Goden en zoo sterk was de betoovering, dat de visschen uit de diepste diepten te voorschijn kwamen.

Nefer-ka-ptah riep om een stuk nieuwe papyrus en een beker bier; en op de papyrus schreef hij al de tooverkunsten, die in het Boek van Thot stonden. Toen nam hij den beker bier en doopte de papyrus in het bier, zoodat alle inkt werd weggespoeld en de papyrus er uitzag alsof er nooit op geschreven was. En Nefer-ka-path dronk het bier en kende opeens al de tooverformulieren, die geschreven waren geweest op de papyrus, want dit is de methode van de groote toovenaars.

Toen gingen Nefer-ka-ptah en Ahura naar den tempel van Isis en brachten er offers aan Isis en Harpocrates en gaven een groot feest en den volgenden dag begaven zij zich aan boord van de koninklijke bark en zeilden vroolijk de rivier af naar het Noorden. Maar ziet, Thot had het verlies van zijn boek ontdekt en Thot barstte in woede los gelijk een panther uit het zuiden en hij snelde naar Ra en vertelde hem alles, zeggende:"Nefer-ka-path heeft mijn tooverkist gevonden en ze geopend en heeft mijn Boek gestolen, juist het boek van Thot; hij versloeg de bewakers, die het omringden en de slang, die geen mensch kan dooden, lag hulpeloos vóór hem. Wreek mij, o Ra, op Nefer-ka-path, zoon van den koning van Egypte."

Koning Ra antwoordde en sprak: "Neem hem en zijn vrouw en zijn kind en doe met hen, wat gij wilt." En nu was het verdriet, waarop Ahura wachtte en waarnaar zij uitzag, op het punt over hen te komen, want Thot nam van Ra een volmacht mee, die hem in staat stelde met den steler van zijn Boek te doen, wat hij verkoos.

Toen de koninklijke bark zacht de rivier afvoer, kwam de kleine jongen Merab uit de schaduw van de zonnetent en leunde over den kant, en keek naar het water. En de macht van Ra trok hem neer, zoodat hij in de rivier viel en verdronk. Toen hij viel, uitten al de matrozen op de koninklijke bark en al de menschen die langs den oever wandelden een luiden kreet, maar zij konden hem niet redden.

Nefer-ka-path kwam uit zijn kajuit en sprak een tooverspreuk uit over het water en het lichaam van Merab kwam aan de oppervlakte en zij haalden het aan boord van de koninklijke bark. Toen las Nefer-ka-ptah nog een tooverspreuk en zoo groot was haar macht, dat het doode kind sprak en Nefer-ka-ptah alles vertelde, wat er onder de Goden gebeurd was, dat Thot zich zocht te wreken en dat Ra hem de macht gegeven had aan die wraak op dengene, die zijn boek gestolen had, te voldoen.

Nefer-ka-ptah gaf bevel, dat de koninklijke bark naar Koptos zou terugkeeren, opdat Merab daar begraven zou worden met al de eerbewijzen, die aan den zoon van een vorst verschuldigd waren. Toen de begrafenisplechtigheden voorbij waren, zeilde de koninklijke bark de rivier af naar het Noorden. Een vroolijke reis was het niet meer, want Merab was dood en Ahura's hart was bezwaard van wege het verdriet, dat nog komen moest, want aan de wraak van Thot was nog niet voldaan. Zij bereikten de plaats, waar Merab in het water was gevallen en Ahura kwam te voorschijn uit de schaduw van de zonnetent en zij leunde over den kant van de bark en de macht van Ra trok haar naar beneden, zoodat zij in de rivier viel en verdronk.

Toen zij viel, uitten de matrozen in de koninklijke bark en alle menschen, die langs den oever der rivier wandelden een luiden kreet, maar zij konden haar niet redden. Nefer-ka-ptah kwam uit de kajuit en sprak een tooverspreuk uit over het water en het lichaam van Ahura kwam aan de oppervlakte en zij haalden het aan boord van de koninklijke bark. Toen Sprak Nefer-ka-ptah een andere tooverspreuk en zoo groot was haar macht, dat de doode vrouw sprak en Nefer-ka-ptah alles vertelde, wat er gebeurd was onder de Goden, dat Thot nog wraak zocht en dat Ra hem toegestaan had met den steler van zijn boek te doen, wat hem goeddunkte.

Nefer-ka-ptah gaf bevel, dat de koninklijke bark zou terugkeeren naar Koptos, opdat Ahura begraven kon worden met de eerbewijzen, die verschuldigd zijn aan de dochter van een koning.

Toen de begrafenisplechtigheden voorbij waren, zeilde de koninklijke bark de rivier af naar het Noorden. Een treurige reis was het nu, want Ahura en Merab waren dood en aan de wraak van Thot was nog niet voldaan.

Zij bereikten de plaats, waar Ahura en Merab in het water waren gevallen en Nefer-ka-ptah voelde, dat de macht van Ra hem trok.

Hoewel hij er zich tegen verzette, wist hij, dat ze hem zou overwinnen. Hij nam een stuk linnen, fijn en sterk, en maakte er een band van, en daarmede bond hij het Boek van Thot stevig op zijn borst vast, want hij was besloten dat Thot zijn Boek nimmer terug zou hebben.

Toen trok de macht hem nog sterker en hij trad uit de schaduw van de zonnetent te voorschijn en wierp zich in de rivier en verdronk. Toen hij viel, uitten al de matrozen van de koninklijke bark en alle menschen, die langs den oever wandelden, een luiden kreet, maar zij konden hem niet redden. En toen zij zijn lichaam zochten, konden zij het niet vinden.

Daarop zeilde de koninklijke bark de rivier af, totdat zij het Noordelijke Land bereikten en te Memphis aanlandden en de kapiteins van de koninklijke bark gingen naar den koning en vertelden hem alles, wat er gebeurd was. De koning trok rouwkleeren aan; hij en zijn hovelingen, de hoogepriester en alle priesters van Memphis, het leger van den koning en de hofhouding van den koning waren in rouwgewaden gekleed en zij trokken in processie naar de haven van Memhis naar de koninklijke bark.

Toen zij aan de haven kwamen, zagen zij het lichaam van Nefer-ka-ptah in het water drijven naast de bark, dicht hij het roer. En dit wonder geschiedde door de tooverkracht van Nefer-ka-ptah; zelfs in den dood was hij een groot toovenaar wegens de tooverspreuken die hij van de papyrus afgewasschen en in het bier opgedronken had.

Toen trokken zij hem uit het water en zij zagen het Boek van Thot op zijn borst gebonden met den gordel van het koninklijk linnen. En de koning gaf bevel, dat zij Neferka-ptah zouden begraven met de eerbewijzen, die verschuldigd zijn aan den zoon van een koning en dat het boek van Thot met hem begraven zou worden.

Zoo was aan de wraakzucht van Thot voldaan, maar het boek bleef bij Nefer-ka-ptah.

* * * * *

V.

OSIRIS

In den beginne vervloekte Ra Nut en zijn vervloeking bestond hierin, dat geen harer kinderen geboren zou worden op eenigen dag van eenig jaar. En Nut smeekte Thot om hulp, Thot, die haar lief had, den god van de tooverkunst, de geleerdheid en de wijsheid, hem, dien de Grieken Hermes Trismegistus noemden. Ofschoon de vervloeking, die eens door den grooten God Ra geuit was, nimmer herroepen kon worden, opende Thot door zijn wijsheid een uitweg. Hij begaf zich naar den Maangod, wiens luister bijna gelijk was aan dien van de Zon zelf en daagde hem uit tot een dobbelspel. Groot was de inzet aan beide zijden, maar die van den Maangod was het grootst, want hij verwedde zijn eigen licht. Spel na spel speelden zij en altijd was het geluk aan de zijde van Thot, totdat de Maan niet meer wilde spelen. Toen verzamelde Thot het licht, dat hij gewonnen had en door middel van zijn macht en grootheid verdeelde hij het over vijf dagen. En sedert dien tijd heeft de Maan geen licht genoeg om de heele maand te schijnen, maar neemt af, totdat hij geheel duister is en groeit dan weer langzaam aan tot zijn vollen glans; want het licht van vijf heele dagen was hem afgenomen. En deze vijf dagen plaatste Thot tusschen het eind van het oude jaar en het begin van het nieuwe, zoodat hij ze afgescheiden hield van beide; en op deze vijf dagen werden de vijf kinderen van Nut geboren: Osiris op den eersten dag, Horus op de tweeden, Set op den derden, Isis op den vierden en Nephthys op den vijfden. Zoo werd de vervloeking van Ra tegelijk vervuld en te niet gedaan, want de dagen, waarop de kinderen van Nut geboren werden, behoorden tot geen jaar.

Toen Osiris geboren werd, werden er teekenen en wonderen gezien over de geheele wereld, want een stem weerklonk over de geheele aarde: "De Heer van het Heelal komt tot het licht". En een vrouw, die water putte op het heilige voorplein van den tempel, werd vervuld met een goddelijke inspiratie en snelde weg, roepende: "Osiris, de Koning is geboren".

Nu was Egypte een barbaarsch land, waar de menschen elkaar bevochten en menschenvleesch aten; niets wisten zij van de goden, wetteloos waren zij en onbeschaafd. Maar Osiris werd Koning van Egypte en hij toonde zijn volk, hoe zij het land moesten bebouwen en koren zaaien en den wijnstok planten en hij leerde hun, welke eer zij de Goden verschuldigd waren, en maakte wetten en vernietigde hun barbaarsche en onbeschaafde gebruiken. Waarheen hij zich begaf, boog het volk voor hem neer, want zij hadden tot zelfs den grond lief, waarop zijn voeten traden; en wat hij ook voorschreef, zij deden het. Zoo regeerde Osiris over de Egyptenaren; met ontrolde banieren en klinkende muziek trok hij uit Egypte, ten einde alle landen onder zijn scepter te brengen.

Maar Set haatte zijn broeder Osiris en hij verzamelde twee-en-zeventig samenzweerders; en onder hen bevond zich Aso, koningin van Ethiopië. En zij vatten het plan op, dat, wanneer Osiris terugkeerde, zij hem zouden dooden en Set op den troon zetten; maar zij hielden hun plannen geheim en trokken Osiris met vriendelijke gezichten tegemoet, toen hij Egypte in triomf weer binnentrok. In het verborgen hielden zij telkens samenkomsten, in het verborgen ook brachten zij een kist in gereedheid, gemaakt van kostbaar hout, beschilderd en versierd met rijke teekeningen en gloeiende kleuren, een mengeling van tinten en een overvloed van kunstig handwerk, zoodat allen, die ze zagen, verlangden ze in hun bezit te hebben. Set, de Booze, had in het geheim de maat genomen van het lichaam van Osiris en de kist was zoo gemaakt, dat het lichaam van den Koning er in paste, want dit behoorde tot het plan.

Toen alles gereed was, noodigde Set zijn broeder en de twee-en-zeventig samenzweerders uit op een feest in zijn groote feesthal.

Toen het feest voorbij was, zongen zij het lied van Mancros, zooals de gewoonte was, en slaven boden ronde bekers wijn aan en wonden bloemkransen om de hoofden der gasten en stortten reukwerken over hen uit, totdat de feestzaal doortrokken was van heerlijke geuren. En terwijl er vreugde heerschte, traden er slaven binnen, die de kist droegen, en alle gasten uitten een kreet van bewondering op het zien van haar schoonheid.

Toen stond Set op van zijn zitplaats en zeide: Hem, die in deze kist gaat liggen en die er in past, zal ik haar geven. Zijne woorden waren honigzoet, maar in zijn hart was de bitterheid van het kwade.

Eén voor één gingen de samenzweerders onder gescherts en gelach in de kist liggen; den een was zij te lang, een ander was te kort, een derde was zij te wijd en een vierde te nauw. Toen was de beurt aan Osiris en geen kwaad vermoedend legde hij er zich in neer. Plotseling pakten de samenzweerders het deksel beet en sloegen het dicht; eenigen spijkerden het stevig vast, terwijl anderen gesmolten lood in alle openingen goten, opdat hij niet zou kunnen ademen en leven. Zoo stierf de groote Osiris, die Unnefer, de Zegevierende, wordt genoemd, en na zijn dood kwam hij in de Duat en werd Koning der Dooden en Heerscher over hen, die in het Westen wonen.

De samenzweerders hieven de kist, die nu een doodkist was, op en droegen haar naar de rivier. Zij slingerden haar ver in het water en Hapi, de Nijl-god, ving haar op en droeg haar op zijn stroom naar de zee; de Groote Groene Wateren namen haar op en de golven droegen haar naar Byblos en lichtten haar in de tamarinde, die aan het strand groeide. Toen groeiden er uit den boom groote takken, die bladeren en bloemen droegen, ten einde een geschikte rustplaats voor den God te vormen en de faam van zijn schoonheid verbreidde zich door het geheele land.

In Byblos regeerde Koning Malkander en zijn vrouw, Koningin Athenaïs. Zij gingen naar het strand om den boom te zien, want niets kon men zien dan bladeren en bloesems, die de kist voor het oog verborgen. Toen gaf Koning Malkander bevel, dat de boom omgehakt en naar het Koninklijke paleis gebracht zou worden. Iedereen was verbaasd bij het zien van haar schoonheid, ofschoon niemand wist, dat ze het lichaam van een God bevatte.

Isis was buitengewoon bevreesd voor Set. Zijn vriendelijke woorden misleidden haar niet en zij kende zijn vijandschap jegens Osiris, maar de groote Koning wilde niet gelooven aan de slechtheid van zijn broeder. Toen de ziel van Osiris het lichaam verliet, wist Isis terstond, dat hij dood was, hoewel geen mensch het haar verteld had. Zij nam haar zoontje, die Harpocrates of het Kind Horus genoemd wordt en vluchtte met hem naar de moerassen van de Delta en verborg hem in de stad Pé. Oud en grijs was de stad Pé en ze stond op een eiland; daar woonde de godin Uazet, die ook Buto en Latona genoemd wordt, want zij wordt aangebeden onder vele namen. Uazet nam het kind onder haar bescherming en Isis maakte door haar goddelijke macht het eiland los en het dreeft op de oppervlakte der Groote Groene Wateren weg, zoodat niemand kon zeggen, waar het te vinden was. Want zij vreesde de macht van Set, die het kind zou kunnen vernietigen, zooals hij den vader vernietigd had.

Daar de zielen der menschen geen rust kunnen vinden, voordat de begrafenisplechtigheden zijn vervuld en de begrafenisoffers zijn gebracht, reisde zij eenzaam en alleen om het lichaam van haar echtgenoot te zoeken en het te begraven volgens zijn rang en grootheid. Vele menschen ontmoette zij, zoowel mannen als vrouwen, maar niemand had de kist gezien en in deze zaak hielp haar macht niet. Toen bedacht zij, het aan de kinderen te vragen en dadelijk vertelden zij haar van een beschilderde kist, die in den Nijl dreef. En tot op dezen dag hebben de kinderen een profetische kracht en kunnen den wil van de Goden verklaren en de dingen, die nog zullen komen, vooruitzien.

