Oud en nieuw

Part 9

Chapter 94,300 wordsPublic domain

Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.

Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.

De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en bleef zitten.

Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast hem.

"Goeden avond, Cecco," zei de vreemde, "neem uw boot en zet mij over naar San Giorgio Maggiore."

"Ja, dadelijk Heer!" antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken. "Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen," dacht hij. Maar de man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.

Cecco moest om zich zelf lachen: "Waar denk je aan? Steek ten minste niet in zee!" zei hij. "Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch, dat geen mensch daar tegen op kan."

Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San Giorgio Maggiore te roeien.

't Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. "Ach! scheld dien kerel uit," zei Cecco halfluid tegen zichzelf. "Scheld hem uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een verstandige, oude visscher! Roep hem terug."

Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen. Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter naar San Giorgio voort.

"Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven," zei hij. "Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf."

Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen alles te doen wat de man in de boot verlangde. "Roei ten minste niet naar San Giorgio, dwaas," zei hij. "Daar slaat de wind nog feller op dan op Rialto."

Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.

Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad. Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.

"Roei ons nu naar San Nicolo op Lido," sprak de vreemdeling.

"Ach ja," dacht Cecco, "waarom niet naar Lido," 't was al levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij de tocht naar Lido niet wagen?

En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in den dood en zette werkelijk koers naar Lido.

Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet hoe hij dat uithouden moest. "Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven," zei hij verwijtend tot zichzelf.

Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op, dat hij vooruit komen kon. "Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco," zei hij tot zichzelf.

Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den mijter op het hoofd.

"Roei ons nu naar de open zee," zei de eerste vreemdeling.

De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide, voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had. De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door de storm opgezweepte zee lag voor hen.

't Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.

Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam recht op hen aan.

Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den storm.

Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan te zien komen en Cecco sloot de oogen.

Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.

Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik rustig.

"Breng ons nu terug naar Venetië," zei de vreemdeling tot den visscher.

Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.

Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot den visscher: "Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië wilden verwoesten, en ze hebben verdreven."

"Ja, Heer," zei de visscher, "ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft."

Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden edelsteen.

"Laat den doge dien zien," zei hij. "Dan begrijpt hij, dat ik u gezonden heb. Hij kent mijn ring."

De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.

"En verder moet ge den doge zeggen," zei de heilige, "dat ik dezen ring geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur, zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen, altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge zal u op uw ouden dag niet verlaten."

Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.

Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou uitstrekken.

SANTA CATHARINA VAN SIËNA.

Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar geuren wierook en viooltjes.

En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en ingaan, haar gezien en gekend hebben.

Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.

Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.

En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?

En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, alsof ze zeggen willen: "Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien."

En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als een herinnering aan haar.

Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.

Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.

In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als ze nog thuis was.

Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.

In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt liederen tot haar op. "Heilige Catharina," zeggen de menschen, "bid voor ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.

Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!

Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des hemels, bid voor ons."

* * * * *

Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan helder voor onzen geest.

Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een ander bestuur veroveren.

De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij ter dood veroordeeld.

Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats hebben, in orde gemaakt werd.

Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had.

Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.

Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.

Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote troost geweest zijn.

Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou zien--dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die 't goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_!

Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.

Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over onbuigzame zielen te bezitten.

Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. "Zend mij de jonkvrouw," zei hij.

Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf brachten.

Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch sneden.

Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.

Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het afgeschaafde vel.

Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den dood moest voorbereiden.

Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in haar nabijheid, dat hij alleen zeide:

"Ik geloof, dat ik zou willen slapen."

"Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben," zei ze.

Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. "Hebt ge het nu beter?" vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.

Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te storen.

"Ge slaapt niet, Nicola Tungo," zei ze en zag er onrustig uit.

"Ik kan niet slapen." antwoordde hij, "want ik lig er aldoor over te denken, wie ge toch zijt."

"Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, Lapa," zei ze. "Ons huis ligt beneden in het dal onder het dominicanerklooster."

"Dat weet ik," zei hij, "en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt."

Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die zijn eerste liefde bekent:

"Ik ben de bruid van Christus."

Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het hart, als van jaloezie. "Ach! Christus!" zei hij, alsof hij hoorde van een mésaillance.

Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, alsof hij meende, dat zij vermetel was.

"Ik begrijp het zelf niet," sprak ze, "maar het is zoo."

"Dat is inbeelding of een droom," zei hij.

Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.

"Hoe kan ik dat nu gelooven?" zei hij koppig.