Part 8
Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter- en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido heen was de groote, onbegrensde zee.
Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een goede boot en waren goed thuis op zee.
Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen, dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen, maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.
De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd. Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.
't Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen. Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide zonen en nog drie anderen waren omgekomen.
Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn aan.
Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur, dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.
Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de keel.
"Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn," schreeuwde hij hem toe, "mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!"
De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren. Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.
Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de harde steenen, en zei telkens: "Dat is San Marco, San Marco."
"Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco," zeiden ze tot hem.
"Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren," zei Cecco, "buiten Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor geweest. Ja," ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om hem te kalmeeren, "zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat men hem uitlacht."
Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp zocht. "Luister eens, Beppo van Malamocco," zei hij en strekte de hand uit naar een grooten visscher, "geloof jij niet, dat het San Marco was?"
"Denk nu niet aan zoo iets, Cecco."
"Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. "San Marco, de evangelist," zei ik tegen hen, "lag eerst begraven in een mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde priesters: "Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen." Toen gaven de priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië." Je weet immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?"
"Ja zeker, Cecco."
"Ja, maar nu moet je hooren,"--en Cecco richtte zich half op en sprak met doffe stem in zijn angst. "Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat je 't ver over zee kon hooren."
"Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!"
"Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten sterven?"
Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee gebeurt en niet in de haven.
En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men had ze hooren roepen: "Evviva San Marco!"--even hard als ieder ander. En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.
"Maar jij, Cecco," zeiden ze, "jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?"
Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. "Jelui gelooft het dus niet," zei hij.
"Geen verstandig mensch gelooft zoo iets."
't Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.
"Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven," zei hij. Hij stond op en ging naar de deur. "'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?" zei hij. "Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik wil het niet gelooven." Hij ging heen en in de straat voor zijn deur ontmoette hij een buurvrouw.
"Nu lezen ze een zielmis in den dom," zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze was bang voor hem, zóó zag hij er uit.
Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.
Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra de zee een van allen aanviel.
Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden tot San Marco. "Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in het oosten," had hij tot hen gezegd. "En tot dank daarvoor hebben de Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het een geschenk voor die kerk meêbrengt."
Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht voor zijn beschermheilige bouwde.
Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het andere te bidden.
Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde geen kwaad van San Marco gelooven.
Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar ze als voor de grap had laten omkomen.
Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij wilde hem niet loslaten.
En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was, zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.
't Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan. Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een valwind!
Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.
Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.
Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.
Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem. Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend had?
Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over hem gekregen.
Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt. "Neem dit dan ook maar," zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op. Zoo had San Marco ook gedaan.
Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco was een stumper, even laf als wraakzuchtig.
Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar, omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof hem die in alle vroomheid gegeven was.
Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten haastig voorbij. "Het stijgt, het stijgt angstwekkend," zei de een.
"Wat?" vroeg Cecco.
"Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een voet gestegen."
Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de Piazzetta was opgespat.
Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren, alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm. Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten worden. De hemel was effen grijs als de zee.
Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand zitten en wachtte.
Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad.
Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den kant van Lido.
O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken, en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim als damp wordt voortgezweept.
De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee, om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op, klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.
Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco, die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te zijn eer de storm al te geweldig zou worden.
Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.
Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen, zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed, dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg weer in flarden neer.
Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.
Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee. Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak er de sierlijke bogen van.
Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed. Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei, dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.
"Een storm!" zei hij in zichzelf, "is dit nu een storm? En nu meent men misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm."
Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.
Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?
Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.
De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen bestormen.
Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken, die over zijn hoofd heengleden.
"Nu is het spoedig uit met Venetië," zei een stem in de eene wolk, "straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad."
"Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal," klonk het uit de andere wolk.
"San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij machteloos neerligt en niemand helpen kan," zei de eerste stem weer.
Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en vergiffenis.
Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren weggeslagen.
Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna van het lijf gerukt werden.
De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie. Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om, blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.
Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.
Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van zijn gebeden het lot van de stad afhing.
Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.
De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta, hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen, die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water. Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de instortende huizen in 't water verdwenen.
Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.
"Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel waard als een bloeiende zoon."
Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.
Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de hemelpoort; "Laat mij alleen lijden," sprak hij. "San Marco, dit is meer dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten. Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren."
Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië.