Part 7
Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de officieren.
"Ach Teresa," zei hij, "wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een Romeinsche?"
Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood voor zich! Dood en verscheurd!
Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte, bad.
Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de tijd om was en heengaan.
"Wat zou je nu willen, dat ik deed?" zei de luitenant. "Ik kan niet anders dan heengaan."
"Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten."
"Als ik hier blijf, ben ik een verloren man."
"Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten wij het hunne hebben?"
"Teresa," zei luitenant Ugo. "Neem nu moedig afscheid van me, zooals laatst in Rome. Nu moet ik weg."
"_Moet_ je?"
"Ja."
"Ga dan maar."
"Teresa."
"Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor me."
Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging werkelijk heen.
Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa toevertrouwde.
Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat vervloekte barbarenland konden voeren.
De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
Teresa scheen op zooiets te hopen. "Zij zullen het niet toelaten, Nino," zei ze. "Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden weggevoerd en door de barbaren geslacht."
Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen dirigeeren.
Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te stappen.
Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en trok haar midden tusschen de menschen.
"Blijf hier stil staan."
Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. "Nu zal hij niet op reis gaan, Nino," zei ze.
Nino greep haar bij den pols. "Zwijg," zei hij en hield haar zoo vast, dat het pijn deed.
"De politie mag anders gerust...."
Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
't Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot vluchten.
"Goed zoo," fluisterde een Napolitaner hem toe.
"Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen Napolitaner zal jelui verraden."
Op eens begon Teresa te snikken.
"Schei uit," zei Nino, "dat moog je niet doen."
En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino wilde. Hij had de macht in handen.
Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.
De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: "Waarheen is ze gevlucht? Heeft iemand haar gezien?"
't Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen, daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de politieagenten verspreidden zich rechts en links.
Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou aangeven.
Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.
De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van hem aan Teresa.
Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.
"Lees dien, Nino," vroeg ze.
Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.
"Heb je hem uit, Nino?" vroeg ze.
Nino antwoordde: "Ja," met een angst in zijn stem als had hij haar doodvonnis in handen.
"Laat me dan hooren," zei ze en richtte zich op.
En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. "Al mijn liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!" schreef hij.
Ze trok verachtelijk de schouders op.
"Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?" vroeg ze.
"Ach Teresa," schreef luitenant Ugo, "je waart voor mij de trots van het vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te beletten zijn plicht te doen."
Teresa legde haar hand op die van Nino. "Ik wil niet meer hooren," zei ze.
Nino zweeg.
"Als ik dat niet gedaan had, Nino," zei ze, "zou hij nu dood zijn. Ik begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu laten gaan!"
"Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?" vroeg ze. "Ben ik ontaard? Heb ik geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?"
Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de heerschappij hernemen.
"Zeg me Nino," vroeg ze, "waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?"
Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.
DE OUDE AGNETA.
Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.
Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien. Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren overleden.
Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang. De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den ijskouden bergwind werden voortgejaagd.
Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij woonde daar zoo heel alleen!
Bij dat woord "alleen" namen haar gedachten een noch somberder tint aan. Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte. Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn.
"Oude Agneta," zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in haar eenzaamheid, "je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand in de wereld, oude Agneta?
Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta. Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was."
Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. "Ik ben als een doode," zei ze. "Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn hart is bevroren--dat is het!
Ach ja, ach ja," zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, "als er maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je," zei ze en balde de vuist tegen den hemel, "je moet me iemand geven, die me noodig heeft! of anders wil ik sterven."
Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.
"Dat kan God wel doen," zei de monnik.
"Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?" zei de oude Agneta. "Hier is immers niets dan de koude, kale velden."
Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen, bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.
"Ach!" zei hij, "woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je gezelschap genoeg. Zie maar!" De monnik legde den wijsvinger tegen den pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta beefde en sloot de oogen.
"Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien," zei ze. "De hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg."
"Nu--goedendag dan," zei de monnik. "Het zal je niet meer aangeboden worden zoo iets te zien."
De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.
Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld, maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar! Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven, verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben, want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare kou.
Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen, als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als groote ijspegels aan de rotsen hingen.
Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat lichte sneeuwvlokken op, anders niet.
Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:
"Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?"
Hij antwoordde: "Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid te bewijzen of te troosten?"
Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.
Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.
"De dooden," zei ze tot zich zelf, "vragen niet naar roode wangen en lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?"
Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had voorgenomen.
Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze wijd open en toen begaf zij zich te bed.
Ze lag in het donker te luisteren.
Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en bloed kon dit niet verdragen.
Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.
Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. "Je bent laf, oude ziel," zei ze. "'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?"
En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam toch in de kamer en de deur kreeg ze open.
Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt had, dat ze niet meer durfden te komen.
Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als ze met de kudde uitging.
"Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?"
Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk waarschuwde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet verschrikt."
Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt."
Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen en sliep in.
Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar.
* * * * *
Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig had.
Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om het te begraven.
Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag men geen droefheid op iemands gezicht.
Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden, dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode kaarsen gebrand had voor de onzaligen.
Toen zeiden de menschen bij het graf: "Geloofd zij God. Zij, die door niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden daar boven in de groote eenzaamheid."
DE RING VAN DEN VISSCHER.
Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo lief.
Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.
"Denk er aan," zei hij tot hen, "dat Venetië nooit door eigen kracht zou zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd? Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien? En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën."
En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor hun leven en hun geluk.
Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en 't paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist, waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem niet meer te vereeren en te aanbidden.
Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen, hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.