Part 4
Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de richting van de hoeve in te slaan.
De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de hoeve leidde.
Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.
Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef even verward in 't hoofd als te voren.
Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het veld en hij had het weer zien opgroeien.
Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.
Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.
Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.
Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon al moest het zijn leven kosten.
Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in 't dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid spreken.
Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte Ingmarson zijn.
En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij zich begon te bewegen.
Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.
Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om den hals.
Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis tot aan de kerk.
Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.
Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.
't Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een marktdag.
Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten aan het grafmaal. "Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?" vroeg de burgemeester. "Wat had hij toch in het groote bosch te maken?"
En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.
En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij nauwelijks staan kon.
Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.
Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!--
En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets warms en zachts lag. "Hier ligt zeker een beer te slapen," dacht hij.
Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.
Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.
* * * * *
Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.
Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.
Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze den vermiste wilden vinden.
Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.
Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard waren dan anderen.
Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het geslacht behoorde, een ongeluk trof.
De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:
"Wie was nu de naaste van dezen man?" Maar eer ze het antwoord had kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.
"Moeder, daar is vader," zei een van de dochters, en zoo werd nooit voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid bewezen had.
* * * * *
Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.
Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt werd, maar ze kwam niet verder dan: "Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."
Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: "Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."
De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden langzaam uitsprak.
"Moeder," zei hij heel zacht.
Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: "Ben je niet meê naar 't bosch gegaan?"
"Ja," zei hij, nog zachter, "ik ben meê geweest."
"Kom hier bij de tafel," zei ze, "zoo dat ik je zien kan."
Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen houden.
"Heb jelui den beer geveld?" vroeg ze weer.
Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.
De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. "Zeg mij nu, wat er gebeurd is, mijn jongen."
De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon te schreien.
"Ik begrijp wel, dat het iets met vader is," zei ze.
"Ja, maar het is erger dan dat!" snikte de zoon.
"Is het erger dan dat?"
De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn breede vingers op wat zij pas gelezen had: "Vrede op aarde."
"Heeft dit er iets meê te maken?" vroeg ze.
"Ja," antwoordde hij.
"De Kerstvrede?"
"Ja."
"Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?"
"Ja."
"En God heeft ons gestraft?"
"God heeft ons gestraft."
En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen iets, maar liep hen voorbij het bosch in.
* * * * *
Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als een steenen beeld.
De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.
Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:
"Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede wilden laten houden over Vader."
De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de handen.
"We zullen hem op een werkdag begraven," zei de zoon.
"Zoo, zoo," zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar 't graf volgde.
"We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten weten, dat ze daar niet op moesten rekenen."
"Zoo, zoo," zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen getroost had.
"Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê."
De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen dan zilver en goud. "We zullen de klokken niet laten luiden en geen zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen."
Nu sprak de vrouw ook. "Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht doen."
De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:
"Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan en opzien wekken."
De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. "'t Is waar wat ge zegt," zei hij, "en ge moet doen zooals ge besloten zijt." En onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: "'t Zijn kranige menschen, de Ingmarsons."
De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.
"Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven," zei ze. "Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn."
HET GRAFSCHRIFT.
Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten ze nog tot woorden samen te voegen.
Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land bezitten als de rijkste boer.
De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet voornamer dan een ander.
Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar "het graf" ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze begraven zijn.
Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men ze niet van elkander kan onderscheiden.
Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar Sander op Lerum.
Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene woord: "Sander" met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
"Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen."
Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te beven, alsof ze een felle kou voelt.
"Wat zeg je?--Wat zeg je?" vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die klappertandt van kou.
"Het stuit mij tegen de borst," zegt de grondeigenaar. "Vader en Moeder liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind daar liggen zal."
"Ah zoo, heb je dat nu bedacht," zegt ze nog steeds bevend. "Ik wist wel, dat je je eindelijk wreken zou."
Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
"Ik wil me niet wreken," zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. "Ik kan dit alleen niet verdragen."
"Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed naar het andere over te brengen," zei ze. "En hij is nu dood, dus voor hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!"
"Ja, daar heb ik ook aan gedacht," zegt hij, "maar dit kan ik niet verdragen."
Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt onmogelijk is hem te bewegen.
"Waarom heb je me dan vergeven?" zegt ze en wringt de handen. "Waarom liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven."
Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. "Zeg aan de buren wat je wilt," zegt hij. "Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan die van Vader en Moeder en ons beiden."
"En denk je, dat ze dat gelooven?"
"Je moet je maar zoo goed mogelijk redden," zegt hij.