Part 3
Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen eed, dat zal hij niet.
De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet zich ook tegen hem.
"Je zult den eed niet doen," roept ze, "je zult het niet."
Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
Daar roept de rechter luid en toornig: "Stilte", en allen blijven onbeweeglijk staan.
"Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?" vraagt de rechter met dezelfde harde en strenge stem.
Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
"Hij zal den eed niet doen."
"Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats," beveelt de rechter.
Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. "Hij zal den eed niet doen," roept ze met onbeteugelde heftigheid.
"Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?" vraagt de rechter met steeds scherper stem.
"Ik wil de zaak niet verder voortzetten!" barst ze uit met een luide, snijdende stem. "Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden."
"Waarom schreeuw je zoo?" vraagt de rechter. "Heb je je verstand verloren?"
Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: "Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen."
Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van haar af.
Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.
Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de geringsten te vinden is.
Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun ziel.
En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
"We zullen doen wat je wilt," zegt hij. "De zaak moet afgevoerd worden," zegt hij tegen den griffier.
De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
"Wat is dat nu?" roept de rechter hem toe. "Heb je er iets tegen?"
De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: "Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft."
De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse toe.
"Ik dank je, kind," zegt hij, en reikt haar de hand.
Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar tranen met den opgerolden zakdoek.
"Ik dank je, kind," zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.
HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.
Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem volstrekt niet hebben.
Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.
Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat hij nooit wanten gebruikt had.
Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een predikant.
Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden roover op den preekstoel te laten.
Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.
Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te liggen om haar te schaken.
Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet gebruiken.
Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.
Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader zweeg en beklaagde zich niet.
't Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.
't Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't hooge koren en had de oogen niet van haar af.
Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den inhoud van den brief meê te deelen.
Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.
Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel wegsloot.
De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.
Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant te worden om te mogen preeken naar hartelust.
De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en spreken in Gods huis.
Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang niet slecht!
En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.
Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.
Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.
Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er geen knecht of meisje in de heele pastorie was.
Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij genoodzaakt zou zijn heen te gaan.
Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen vond, vroeg hij haar ten huwelijk.
Grootmoeder zei gauw: "neen", en Grootvader ging dadelijk heen zonder te smeeken of aan te dringen.
En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.
Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.
Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die schreide in de aangrenzende kamer.
Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar gevraagd had.
Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.
't Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van haar. Maar ze zag niemand.
't Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van ontzetting.
Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het venster zat. "Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien," zei ze in zichzelf, "en ben ik hier bang voor niets." En toen dwong ze zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.
Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. 't Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen troosten, die zóó schreide.
Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.
Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, die uit den hemel verbannen werd.
En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest zijn, als ze iemand had kunnen roepen.
Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.
Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.
"Dat was voor jou," zei er iets in haar. "Jij en niemand anders moest het hooren."
Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?
Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk vreemd voor.
Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.
"Waarover sprak hij dan?"
"Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het paradijs gesloten werden."
Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.
Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met hem mee in de vestibule.
"Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?" vroeg Grootmoeder. "Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?"
"Ja, dat deed ik," antwoordde hij. "Ik kon het niet laten."
Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm Grootvader was.
"Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer dragen zult," zei ze. "Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te houden."
DE KERSTVREDE.
Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een scherpe wind uit het noorden.
Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.
Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.
Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet zien kon hoe leelijk ze was.
Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.
Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren.
Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de machtigste van een geheele gemeente te wezen.
Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel en een ander op 't groote bed.
"Och meid!" zei de oude Ingmar en lachte, "meen je, dat men zulke bosjes gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je velletje?"
Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te binden.
"Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind," zei de oude Ingmar, want hij was echt in Kersthumeur.
Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg te gaan.
Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.
Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een paar berketakken van een jaar oud te vinden.
Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep sneeuwvlokken achter zich aan.
Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer ronddraaide als een tol.
Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den verkeerden kant uit.