Part 11
"Men heeft mij ook bericht," zei de bisschop, "dat gij den wensch van de arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen...."
"Monseigneur," viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. "Ik meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest."
"Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden...."
"Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?"
De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.
"U kent hem natuurlijk!" zei hij.
"Natuurlijk, Monseigneur."
"Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is."
De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.
"Medeburgers en medeburgeressen," begon hij, oogenblikkelijk in zijn voordrachtstoon vervallend.
De bisschop sprong op.
"Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur."
"Dat doet er niet toe, pater Verneau," zei de bisschop, "ga voort." Een lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze voor zich, de kinderen van "het zwarte land" tot wie pater Verneau gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.
"Medeburgers en medeburgeressen," begon pater Verneau opnieuw. "Hier in het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en voortreffelijkste, die ooit België regeerde.
Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote keizerin Maria Theresia.
Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet haar goed graafschap West-Vlaandren.
In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria Theresia is.
Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te vergelijken is.
Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is niet genoeg te waardeeren, medeburgers.
Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.
Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, maar zij waren vervallen en ingestort.
Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid lagen.
De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot binnen de duinen was doorgedrongen.
En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.
De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak met het volk.
De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.
"Wat nieuws is er in uw stad?" vroeg de keizerin.
"Niets," antwoordde de havenmeester, "niets anders, dan dat Cornelis Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn boot."
"Gelukkig, dat hij het leven redde," zei de keizerin.
"Dat is nog niet zeker," zei de havenmeester, "want hij was krankzinnig, toen men hem aan land bracht."
"Was dat van schrik?" vroeg de keizerin.
"Ja," zei de havenmeester, "'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte maakte hem zeker krankzinnig."
"Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt," zei de keizerin, "is iets om op te vertrouwen."
"Ja, dat is het," zei de havenmeester. "De zee is onzeker, de visscherij en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op rekenen kunnen."
De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.
"Is er iets nieuws in Heyst?" vroeg zij hem.
"Niets nieuws," antwoordde hij, "alleen heeft Jacob van Ravestein opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, waarmee hij begonnen was."
"Hoe komt dat?" zei de keizerin.
"Hij heeft een erfenis gekregen," zei de predikant, "en die vindt hij kleiner, dan hij verwachtte."
"Maar nu heeft hij toch iets vast," zei de keizerin.
"Ja zeker," antwoordde de predikant, "maar nu hij het geld in handen heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet toereikend zal zijn."
"Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig heeft, om de menschen te helpen," zei de keizerin.
"Ja, zoo is het," zei de predikant, "er is oneindig veel te doen en niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te steunen."
De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.
"Niets nieuws weet ik te vertellen," zei de loods, "dan dat Jan van der Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden."
"Werkelijk?"
"Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden hebben, en daarna hebben ze twist gekregen."
"Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden," zei de keizerin.
"Ja," zei de loods, "dat was zeker beter geweest."
"Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen," zei de keizerin, "zou iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon."
"Juist," zei de loods, "goed verborgen moest het zijn, want als iemand het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en 't zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen."
De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor hen doen kon, zou ze doen.
Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar medelijden.
Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had tranen in de oogen toen ze dat zei.
Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de duinen.
Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in West-Vlaanderen regeert.
Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen kan, dáár wanhoopt men niet.
Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, heeft men gedacht: "Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; het eigen geld was altijd voldoende.
Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste bezitten ze allen in gemeenschap.""
De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
"Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?"
"Ik zei hun," sprak de monnik, "dat het een groot ongeluk was, dat de goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze noodiger hadden."
"En....?" vroeg de bisschop.
"Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den preekstoel al af was. Anders niets."
"Ze hadden begrepen," zei de Bisschop, "dat u van Gods voorzienigheid tot hen gesproken hadt."
De monnik boog.
"Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn compliment."
De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
"Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan."
"Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur."
"En de schat? Was er ooit een schat?"
"Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen."
"Nu ja,--maar voor mij..." zei de bisschop.
"De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. Het is een klein houten kistje met ijzer beslag."
"En....?"
"Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia."
De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
"Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?"
"Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke voorstellingen zijn ijdel."
Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.
+---------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: Catharina van Siena 151 | | C: Catharina van Siëna 151 | | B: Zelfs was hij ook niet | | C: Zelf was hij ook niet | | B: kon lijden. | | C: kon leiden. | | B: en Moeder en ons beiden. | | C: en Moeder en ons beiden." | | B: geboren werd. Ze wïl hem | | C: geboren werd. Ze wil hem | | B: midden tusschen de menschen | | C: midden tusschen de menschen. | | B: Agnete kon dit niet uithouden. | | C: Agneta kon dit niet uithouden. | | B: talk meer in den kandelaar, | | C: talk meer in den kandelaar. | | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet | | C: onbeschadigd naar Venetië." Je weet | | B: ging over de Piazetta en de markt | | C: ging over de Piazzetta en de markt | | B: hagelbuien uitstortten over de stad, | | C: hagelbuien uitstortten over de stad. | | B: Giorgo Maggiore te roeien. | | C: Giorgio Maggiore te roeien. | | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat | | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat | | B: de drie mannan de botsing afgeweerd | | C: de drie mannen de botsing afgeweerd | | B: het sterkste geloof verbind." | | C: het sterkste geloof verbind."" | | B: zei, dacht hij. "Als ik leven | | C: zei, dacht hij: "Als ik leven | | B: langen rit en de lange mis." | | C: langen rit en de lange mis." | | B: barstte de monik uit, | | C: barstte de monnik uit, | | B: En toen ik op de preekstoel | | C: "En toen ik op de preekstoel | | B: ze allen in gemeenschap." | | C: ze allen in gemeenschap."" | | | +---------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf