Part 10
"Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?" vroeg zij luid. "Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!"
"Ach, stakker," zei hij, en streelde zacht haar hand. "Stakker!"
"Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders," zei ze. "Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet."
Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. "Ge kunt u toch wel vergissen," zei hij. "Hoe weet ge, dat ge u de bruid van Christus kunt noemen?"
Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst moest scheuren, toen zij antwoordde:
"Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad."
Hij bracht er weer tegen in: "Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het veld geslapen en gedroomd."
"Gedroomd?" herhaalde ze, "zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet trouwen wilde?"
Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
"Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u liefheeft," vroeg hij.
Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen als een kind. "Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren," zeide zij. "Nu zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze 't hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden, dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: "Weet dan, Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij door het sterkste geloof verbind.""
"O, Catharina!"
De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: "Ik vergeet met u over uw ziel te spreken".
Toen dacht hij: "Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen."
En hij sprak: "Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen nemen, zooals ge nu doet."
Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te schreien: "Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge," sprak ze. "Ge zult vóór mij in het Paradijs zijn." En ze streek hem zacht over het haar.
Toen zei hij weer: "Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle angst zal van mij wijken."
"Ik zie u niet meer als een arm menschenkind," zei ze, "maar als een hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik zeker komen zal en u zien sterven."
Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.
Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden redden. Onophoudelijk zei ze: "Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil het, ik wil het." Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.
De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar alsof ze alleen was.
En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, helderde het zijne op en hij was bijna blij.
Hij riep haar luid toe: "Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw."
"Neen," zei ze, "ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht."
Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.
"Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina."
Ze snikte steeds meer. "Ik kan u zoo slecht troosten," sprak ze.
Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. "Uw tranen zijn voor mij de beste troost."
De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.
"Voor ge hier kwaamt," zei ze, "heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, en mijn gebeden hebben geen kracht."
Toen zij dat zei, dacht hij: "Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen winnen." En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.
"Nicola Tungo," zei ze. "Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om uw ziel te ontvangen."
Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel voerden.
* * * * *
Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen doet.
DE ZEVEN DOODZONDEN.
De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.
"Eerwaarde Vader," zei de Booze, "ik ben een landman. Ik sta met de zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij nu absolutie geven?"
"Mijn zoon," zei de monnik. "Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme zondaars waren in vergelijking met u."
"Vader, ge verleidt me tot hoogmoed," zei de man.
"God beware mij voor zulk een groote zonde," antwoordde de monnik, "als ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken."
En hij vertelde:
"De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar trouw beloofd.
Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. "Daarom zeg ik u duizend keer vaarwel," schreef zij hem, "en smeek u, uzelf geen kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart."
Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem in stilte.
Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om haar.
De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: "Lieve, ik heb verkeerd jegens u gehandeld." En hoewel hij trotsch was, viel hij op de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te voeren, als hij van de bruiloft geweten had.
Zij zei alleen: "Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat een ellende u over ons gebracht hebt."
En toen ging ze naar het balkon.
Daar kwam haar bruidegom bij haar.
"Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?" vroeg hij.
Toen antwoordde de bruid; "Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem nooit te verlaten."
Maar hij sprak: "Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan maken, als ik doen zal."
"Dat denken alle menschen, die liefhebben," antwoordde zij.
"Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te nemen," zei hij, "en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek."
Toen vatte de bruid moed en dacht: "Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, dat God zijn hart beweegt."
En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. "Dus vandaag sterft mijn geliefde," zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.
"Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!"
Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, hoewel hij dacht: "Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, dan zie ik haar nooit weer,"--zichzelf overwon en sprak: "Ge moogt doen zooals ge wilt."
Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer hongerig na den langen rit en de lange mis.
"Lieve vrienden," zei de bruid tot hen, "ik moet u zeggen, dat ik met toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, als ik het leven van mijn geliefde gered heb."
Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar dreigde en antwoordden: "Geenszins willen we eten en drinken, terwijl gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den maaltijd beginnen."--En zij gingen van de tafel weg.
Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met een grooten bezem te slaan.
Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. En hij riep uit: "Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt." En hij bewaarde het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te zeggen.
En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.
Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. "Dat is maar een zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden en een geacht en eerlijk man worden."
Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: "Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan." En hij eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd voortgaan.
In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. "Hoe zal die vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug heeft stuk geslagen."
En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en droeg er haar op zijn schouders over.
Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij waren iets voor haar te mogen opofferen.
Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.
De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, maar luisterde er naar en deed open.
Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.
Hij sprak het eerst: "Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe."
En zij antwoordde: "Hoe kan ik dat?"
Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en sprak. "Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht aandoen." En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het huis van haar vader."
Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij zelf het moeilijkst te betrachten vond.
Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van den monnik niet merkte. "In waarheid," zei hij, "dat is niet gemakkelijk te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij verdienen allen den grootsten lof." En hij meende te antwoorden zooals de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.
"Om Godswil," riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, "zeg toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van allen veel waard vindt."
"Dat kan ik niet, eerwaarde Vader," antwoordde Satan. "Niets van al wat deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven het andere stellen."
Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende stem:
"Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is."
Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.
"Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden," barstte de monnik uit, "en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch." Toen hij dit gezegd had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij begon de duivelbezwering te lezen:
"Vade retro Satanas...."
Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van de kerk als een groote, zwarte vleermuis.
En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.
DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.
De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en onaangenaam geval.
Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn aankomst in het "zwarte land" een brief gekregen had van een van de leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. "En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag," zei de pater, "twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven."
Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.