Part 1
AUGUSTA DE WIT
ORPHEUS IN DE DESSA
VIERDE DRUK
AMSTERDAM P. N. VAN KAMPEN & ZOON
In de stilte en de eenzaamheid van den nacht was het een enkele toon geweest--een klare helder-hooge toon, die aangestreken kwam op de lamplichte galerij en trilde, en al weder voorbij was, weg over de rivier en de blank-beglinsterde suikerrietvelden, de verte in.
Nu was het weer stil.
De jonge man zag op van zijn boek.
Wat was dat geweest? Een vogel? Het klonk bijna als wielewaalgeroep.
Een wielewaal in den middernacht! Waarom niet, hier in Indië, waar alles zoo vreemd was en verrassend, dat het gewone niet van het onmogelijke onderscheiden kon worden?
Alles was stil nu.
Alleen in het bamboe-boschje, op het maanlichte grasveld, tjilpte en kriekte een krekel. En vanwaar de rivier opschemerde tusschen blauwig-beglansd riet, kwam een kabbelend gemurmel, bijna onhoorbaar.
Anders niet.
Hij hervatte den zin in het boek.
".... zoodat met de dus veranderde constructie, de machine, ah ja,--een besparing van arbeidskracht--hier, de tabel...."
Hij ging de reeksen cijfers na.
"Ja, dat geeft dus...."
--Daár! weer!
Weer zulk een klare, helder-hooge toon, opzingend door de wijde stilte. En nu nog een, en een derde, het werd een lange vlucht van geluiden, die éen voor éen voorbijzweefden die eerstelingen achterna. Éen voor éen, zuívere volle tonen.
Hij luisterde, de lippen een weinig openend in zijne aandacht, als om het geluid in te ademen. En nu herkende hij het, dat was de toon van een soelingan, een inlandsche fluit, als des avonds wel door de dessa klinkt, waar een jonge man zijn meisje, opgesloten bij haar ouders in 't nauwe huis, naar buiten lokt met een minnedeuntje.
Hij wachtte, elken voorbijtrekkenden toon naluisterend, of de vlucht van geluiden zich niet zou schikken tot een melodie. Maar éen voor éen kwamen ze nog steeds er aan scheren, elk op zich zelf in zijn eigen zuivere volheid uitklinkend. Geen die door een vorig getemperd werd, geen die in een volgend vervloeide; zonder merkbare modulatie of maat.
Als vallende droppels.
Nu! nu, op dien hoogen, langaangehouden toon die trilde, of hij nog even stil wilde blijven, voor hij opschietend de hoogte invloog, nu moest de melodie beginnen!
Maar het daalde weer, daalde, bleef een lange seconde hangen, en begon dan op en neer te wiegelen, op en neer, in langzame zwevingen.
Als het gemurmel van een beek, die voort wil over de steenen, en soms, met een iets sterkere golf, stroomt zij er overheen, en soms, weer neergezegen, vloeit zij erlangs, er komt geen bruisen, er komt geen stokken, er komt geen eind aan het kabbelend geklok; zoo vloeide het fluitedeuntje voort, in effen bestendigheid, onwillekeurig, onaandoenlijk, zichzelven onbewust,--een natuurgeluid, kabbelend over menschelijke lippen, waar de slag in beeft van het purperen hart.
De instinctief-gevoelde tegenstelling lokte den luisteraar met de bekoring, waarmede het onbegrijpelijke ons lokt,--elk onbegrijpelijk ding, ook het schijnbaar nietigste--een duizelige schrede nader lokt tot die afgrond-diepe onbegrijpelijkheid van het eigen bestaan.
Maar hij meende dat 't slechts nieuwsgierigheid was naar den onzichtbaren fluitspeler, die hem den nacht in trok.
"Waar mag hij wel zitten?"
Hij tuurde of hij niet ergens een donkere gedaante ontwaarde.
Het was zoo licht, dat op het tuinpad elk wit kiezelsteentje afzonderlijk blonk. Het bamboe-boschje, doorgloord van manelicht, vervloot in nevelige glanzen en doorschijnende donkerheid. Luchtig als een wolk hing het boven het nauw-beschaduwde gras.
Daarbuiten, langs het stille fabrieksplein, schemerden de woningen der employés met witte pilaren door de looverduisternis der tuintjes.
Hij ging den landweg op, die langs de rivier loopt; de tamarinden van den oever wierpen er luchtige grijze teekeningen over.
Het water vloeide met een bijna onmerkbare beweging, zoo rustig, dat aan de weerspiegeling der boomen geen twijgje trilde; scherp en doorschijnend als een gietsel van bleekgroen glas lag zij onder de blanke oppervlakte. Alleen tusschen het oeverriet maakte de strooming voortspoelende kringetjes, en rekkende kronkelingen, die op zilveren slangetjes geleken, voortzwemmende van halm tot halm. De suikerrietvelden aan de overzij stonden roerloos, een flikkering van wit-beglansde wimpelbladers, waar het bloesem-pluimsel dun en donker als een stippelige nevel over hing. Zoo dikwijls Bake er naar gekeken had overdag, wanneer de koelies er aan het werk waren en de employés den rijpenden oogst schatten, nu schenen die wijde velden hem nieuw en vreemd. Dat waren niet meer akkers met zorgvuldig gekweekten rijkdom, het was een door geen mensch nog betreden vlakte vol prachtig gewas. En evenzoo werd de welbekende tamarindenrij langs den landweg een uitlooper van het bosch, dat in de verte de zilveren heuvels wolkig maakte. En de kalkwitte fabrieksgebouwen onder hun zinken dak veranderden in blanke klippen en rotsen waar een langzame beek van maneglanzen afvloeide. Over alle dingen was de verheerlijking gekomen van den lichten middernacht.
Weer de fluit nu! hij hief het hoofd op en luisterde.
Het deuntje begon overnieuw,--als het een deuntje heeten mocht wat eerder leek op het kabbelen van water,--op windgeruisch door riet,--op het tjilpen van kleine vogels des avonds, wanneer de lucht nog rood is van den zonsondergang, maar het al donker wordt tusschen de takken waar hun nestjes zitten, zoo, simpel-weg zonder een zweem van de willekeur en den hartstocht, waarmee de gedachte van den westerling zich verklankt tot muziek. Het hoorde bij de stilte, bij den maneschijn in den Indischen nacht. En langzamerhand,--hij begreep het niet,--langzamerhand werd het of hij dit alles al lang kende,--niet het fluitedeuntje zelf, maar de gewaarwording die in hem er op antwoordde, als een echo op een roepende stem uit de verte. Herinneringen kwamen in hem op, vroolijke en stille, oogenblikken die hij lang vergeten had, en sommige waarvan hij niet wist eerst dat hij ze ooit had geleefd; nu kwamen ze een voor een met een gloor van sterretjes aan een schemerige lucht: een thuiskomst van de Haagsche kermis met een troep joelende clubgenooten in den vroegen ochtend, toen er een met dronkemans-koppigheid absoluut langs het strand wou rijden, en opeens had de blanke zee hem tegengeschenen, met de pinken die uitzeilden; de stem en de oogen van een klein meisje, dat hij eens meegenomen had in zijn boot, toen hij zich oefende voor den roei-wedstrijd; een regenbui waar hij op een Aprildag lang geleden in had geloopen, blootshoofds door het veld, terwijl de lente neerviel in de malsche droppels, en door de knotwilgen de koekoek riep.... Het waren geheel andere dingen, het scheen of zij niets te maken hadden met dat deuntje, dat hij nu volgde alsof het hem trok, zacht, en niet te weerstaan trok; en toch was daar een heimelijke, onbegrijpelijke overeenstemming, een herinnering, een weder-herkennen, dat het tegenwoordige oogenblik ophief in de sterretinteling van het verleden en het leven rondom diep maakte en wijd als een hemel....
Nu zweeg het fluitspel.
Stilstaande zag de jonge man om zich heen. Hij was aan een grens gekomen van maanlicht en duisternis, aan een schaduwkring dien een zwarte boomen-massa wijd over het glorige gras spreidde. Onduidelijk nam hij een dicht gedrongen menigte van stammen waar, lang afhangende groeisels en van maanlicht even beglommen looverspreidingen. Een geur van verwelkende bloemen hing in de lucht. Hij herkende den heiligen waringin aan den ingang van het dorp, waar de vrome passargangers den Danhjang-Dessa offeranden van jasmijn-bloesem plachten te brengen op het zoden-altaar. Hij was ver van de fabriek af gekomen.
Langzaam ging hij terug door het van dauw wit glinsterende en druipende gras. In de stilte van zijn gedachten zong het deuntje der fluit voort, en zijne stappen schikten zich naar de onhoorbare maat.
Nog een poos lang wakker liggend in de duisternis van zijn huis, bleef hij luisteren of niet weer het klare geluid aan kwam strijken.
Toen kwam de gedachte aan zijn werk weer terug. Hij sliep in met de voorstelling van de nieuwe machine die hij op zou stellen in het molenhuis.
De dag was gloeiend geweest; nu, met zonsondergang, begon het af te koelen.
Een nauw merkbare windtocht ging in donkerten en bleekheden door het geboomte en deed den daglang opgezamelden bloesemgeur uit neigende kelken uitvloeien op de lucht; gedragen daalden de doorschijnend-witte bloemblaadjes der njamploengs neder in het stof en het vaal-oranje geschroeide gras van den berm.
In de modderige rivier was het dessavolk aan het baden: als pasgegoten brons glansden de bruine gestalten in den schuinschen rooden zonnegloed. Een naakte jongen, dien twee andere nazetten, kwam den weg afgerend en vloog met een sprong van de oeverhoogte af in het water, dat schitterend rond hem opspatte; een eind verder dook hij weer op en keek om, lachend, met oogen die tintelden onder het in het gezicht druipende haar.--Aan den kant stond een jonge vrouw, slank in haar rooden sarong, die, donker-gedrenkt, haar in waterige plooien van boezem tot knie omvloeide. Het hoofd een weinig neigend, hief zij beide armen op om haar zwarte haarwrong wat hooger te schikken. Haar schouders en haar gebogen nek glansden goudachtig boven het purperen gewaad.--Van de bocht der rivier af, waar het water gloorde als paarlemoer veeltintig en zacht, kwam een woonprauw aandrijven; een witte haan, die nog maar éen veer in zijn staart had, stond blinkend op het grauwe bladerdak. Hem in het oog krijgend begonnen de badende jongens uitdagend te kraaien, waarop de vogel zijn mageren hals oprekte en antwoordde met een schor geluid; het uitgelaten gelach van het troepje schaterde over het water.
Bake, die met zijn lange, veerkrachtige passen den weg langs de rivier afkwam, keek naar de joelende jongens met den blik van iemand die aan iets anders denkt dan wat hij ziet. Hij wilde naar het meertje tusschen de heuvels, waarvandaan de nieuwe waterleiding gegraven zou worden naar de fabriek, volgens een door hem ontworpen plan dat hij niet zonder moeite had doorgezet.
Terwijl hij liep, bouwde zijn fantasie dammen en stuwen, liet sluizen neer, groef kanalen, ving het water van al de fonkelende heuveltoppen rondom in een net van geleidingen, en dreef het naar de fabriek om te werken voor zijn nieuwe stoommachine. Zou alles nog klaar kunnen komen voor de aanstaande campagne?
"O, kúnnen--het móet."
En hij zag op als om met de oogen bezit te nemen van het land en al de krachten die er in waren.
Den landweg verlatend sloeg hij, dwars door een ruigte van alang-alang en struikgewas, waaruit verderop een slank jong bosch omhoog schoot, de richting in naar den plas, terwijl hij stroomopwaarts het beekje volgde dat daarvandaan naar de rivier loopt.
Er was hier geen pad. Tot over de enkels wegzakkend in den drassigen grond wrong hij zich door het dichte groeisel heen. Tusschen de slank opgeschoten stammen van palmen en breedbladerige wilde pisangboomen was het een taai, lang-strengelig warsel van opschietend en afhangend gebladerte, rankende kruiden, als netten over den grond gespreid, en kronkelig saamgeweven slingerplanten. Er hing een groene half-duisternis, als ware het de zichtbaar geworden adem van dat millioenentallig plantenvolk. En de koele lucht van het water en van de natte steenen in de beek vermengde zich met duffige aarddampen en met den reuk van het groen, tot een wadem die tegelijk prikkelend was en zwaar. Terwijl Bake voortworstelde, zwiepende takken op zij slaande, en zijn kleeren losrukkend uit de slingerlissen der doornige rottan, zweefden hem telkens opgejaagde zwermen muskieten in 't gezicht. Hij sloeg waar ze hem staken, en voelde zijn handen nat van bloed. Hijgend en overstroomd van zweet bereikte hij den zoom van het bosch.
De vallei lag voor hem. De plas schitterde, overgloord van den afschijn der avondwolken. Het riet aan de kanten scheen op te sprieten uit een vloed van vuur. Hij baadde zijn heet geschramd gezicht en handen koel, en uit een pisangblad een stuk van het zijde-achtig piepende weefsel scheurend, draaide hij er een drinkkelk van op de wijze zooals hij het Inlanders had zien doen, en dronk met lange teugen het water dat als kwikzilver in den groenen beker glansde, rijen schitterpuntjes aanzettend langs de bladnerven.
De vlossige purperwolkjes aan den zenith waren slechts een onmerkbare tint vuriger geworden dan hij ze straks boven de rivier had gezien; hij begreep hoe kort de gang door het bosch geweest was die hem zoo lang had geschenen. De landweg was vlakbij; bij oostewind moest de rook van de fabriek den plas dikwijls verdonkeren.
En niettemin was de plek eenzaam als het hart van een oerwoud.
De stilte beving hem. Hij stond zonder aan iets te denken toen, plotseling, van vlakbij die heldere hooge toon weer klonk die hem den vorigen nacht naar buiten had gelokt. En het deuntje van den onzichtbaren fluitspeler kwam aanscheren over den plas die even zeverde als onder de trilling van het geluid.
"Bake! hé, Bake!"
De gedempte stem riep waarschuwend; hij keek om en zag tusschen de struiken aan den oever een gelig gezicht en een ineengedoken figuur; den Indo herkennend, die boekhouder was aan de fabriek, ging hij naar hem toe.
"Wat doe je daar?"
"Sjt! laat hij je niet zien!--kom hier naast me,--zachtjes dan toch!"
Bake dook naast den jager neer.
"Loer je op een hert?"
"Op een leguaan," fluisterde de Indo. "Ik kan hem niet onder schot krijgen, nu probeer ik het zóó."
"Hoe, zóó?"
"Met de fluit; Si-Bengkok speelt. Hij zit daar aan den overkant. Stil nu!"
Het leek Bake dat het fluitegeluid opsteeg uit een donkerbladerigen struik met groote roode bloemen, aan den oever van het meertje. Daar kwamen de lange, langzaam zwevende cadenzen weer terug van den vorigen nacht, rustig als een kalme ademtocht. Maar gaandeweg veranderden zij van beweging, er kwam iets lichts en luchtigs in, ze dansten als de wemelende avondroodglimpjes over het water.
Een schitterblauwe vogel kwam aangevlogen, streek neer op een bamboescheut die bevend boog, en begon tegen de fluit op te kwetteren, hoe langer hoe driftiger, zoodat zijn kleine keel trilde, en zijn vlerkjes slap hingen. Bij oogenblikken was zijn gekweel niet van het lokken der fluit te onderscheiden.
Bake luisterde, glimlachend zonder het te weten.
Hij had zijn irrigatieplannen vergeten, en vergeten ook dat hij daar zat om te loeren op een onnoozele hagedis.
Plotseling stiet de Indo hem aán. naar het riet wijzend.
Met een golvende beweging week het uiteén en stond gedeeld. Iets verder kronkelde de golving, nog iets verder, nu kwam een spits, donker ding uit het groen te voorschijn.
Het fluitspel verlangzaamde. De gedempte tonen bleven hangen boven de plek, gonzend als muggen die op en neer zweven in een rooden avondstraal, en wel weg schijnen te willen, en toch blijven, ongedurig en besluiteloos blijven beven op dezelfde plek, in den schuinen rooden lichtstraal.
Het spitse donkere ding waagde zich geheel uit het riet. Het was een kop met schuwe zwarte oogjes; en een grauwbruin lijf volgde, ribbelig geteekend en geplekt als een zandbank, die door kabbelend water gefatsoeneerd is; de lange, dun-uitloopende staart lag nog in het water. Nu kwam het dier geheel en al aan land, op de lokkende fluittonen af. En lag daar, luisterend en roerloos.
Het fluitedeuntje deinde op en neer, al langzamer op en neer, stil als een ademhaling, die nog stiller gaat worden bij het inslapen.
De leguaan lag als bedwelmd.
Behoedzaam, zonder dat hij een blad liet ritselen, stond de Indo op en doodde hem met een lichten stokslag. Het dier bleef roerloos in dezelfde houding waarin het betooverende fluitspel het had doen verstijven; het leek dood-gespeeld.
De Indo die, tevreden, gezien had dat de huid niet gekwetst was door den slag van zijn stok, riep den fluitspeler te voorschijn uit zijn schuilplaats.
"Si-Bengkok! Kom!"
Uit den rood bloeienden struik zag een donker gezicht te voorschijn, met glanzige, schuchtere oogen. De hand die de twijgen opzij boog hield een bamboe-fluitje.
"Kom maar hier!"
De glanzige oogen zagen aarzelend naar den Hollander.
"Nu! kom dan toch! Voor wien ben je bang?"
Het loover deed zich op rondom een half-naakten knaap, die op gekruiste enkels in het groen zat. De avondhemel begloorde zijn gezicht en zijn tengere schouders.
Een oogenblik bleef hij besluiteloos zoo zitten; toen liet hij zich afglijden naar den oever en begon, zittende, voort te schuiven over het gras, met een beweging die aan het huppelen van een onbeholpen jongen vogel deed denken.
Bake meende eerst dat hij uit de onderdanige beleefdheid van een Javaan tegenover zijn meerderen zoo kruipend naderde: maar toen de knaap vóor hem stilhield, zag hij dat zijn kruiselings over elkaar liggende schenkels verdord waren. Dat was het zeker wat hem dien naam van Si-Bengkok, "de mismaakte", had doen geven.
Toch was er verder aan hem geen misvorming of teeken van lijden te zien. Zooals hij daar op zijn groene zode zat, geleek de jongen een Boeddha in den lotus-kelk. Het welgevormde jonge lijf rees rank van de heupen omhoog. Het gezicht was zacht in trek en ommelijn, als hadden liefkoozende handpalmen het uit de mollige, bruine boschaarde gevormd. Onder den sierlijk geplooiden hoofddoek, bont van bloemen en vlinderkleuren, gloorden de oogen met die tinteldonkere klaarheid, die stroomend water heeft in de schaduw.
De Indo knikte hem toe.
"Je hebt goed gespeeld, Si-Bengkok! Zoo bedwelmd was hij, dat hij zelfs niet bewoog toen ik vlak voor hem stond."
Een glimlach bescheen Si-Bengkok's gezicht. Het hoofd op zij houdend, bekeek hij met aandachtige nieuwsgierigheid den dooden leguaan, stak een vinger uit om hem even aan te raken en trok snel zijn hand weer terug.
"Eh!" zei hij, en lachte als een kind.
"Je moogt het vet houden voor medicijn," zei de Indo.
"Heeft hij pijn?" vroeg Bake.
De ander haalde de schouders op.
"Ik geloof 't niet, waarom zou hij? Hij is van kind af altijd zoo geweest. En hij is vroolijk genoeg. Je hoort hem den heelen dag met zijn fluit."
"Omdat je sprak van medicijn."
"O ja, dat is zoo'n idee van hen. Het vet van een leguaan geldt als middel tegen alle mogelijke en onmogelijke kwalen. Wacht even hier, Bake, ik zal een paar koelies roepen dat ze het beest voorzichtig naar huis pikollen."
Hij verdween tusschen de struiken.
Of hij nu onbeschermd was achtergelaten dook Si-Bengkok inéens tusschen het riet: het stond met fijne groene halmen verbergend om hem heen.
Met een onwillekeurigen glimlach vroeg Bake:
"Was jij dat, Si-Bengkok, die gisteren nacht zoo mooi op de fluit speelde, bij den waringin aan den ingang van de dessa?"
De jongen antwoordde met de weifelende uitdrukking die de Inlander tegenover zijn meerderen in plaats van "Ja" gebruikt:
"Misschien, Heer."
"Ik ben naar buiten gegaan om je te hooren, zoo mooi vond ik je gefluit. Kom morgenavond bij me en speel me nog eens zoo'n deuntje voor, dan zal ik je een "pitji" geven. Weet je waar ik woon op de fabriek?"
"Ik weet het, Heer," murmelde Si-Bengkok zonder op te kijken.
"Goed. Zal je komen?"
"Zooals mijn Heer het beveelt..."
De Indo kwam terug, gevolgd door twee mannen die een langen bamboestok op de schouders droegen. Den bijna smeekenden blik ontmoetend dien Si-Bengkok naar hem ophief, maakte hij achteloos het gebaar van afscheid-geven; dadelijk was de jongen verdwenen in het dichte groen.
Tot het donker werd wachtte Bake op hem den volgenden avond; maar hij kwam niet; en ook den avond daarna bleef hij weg.
"Hij zal toch niet ziek zijn?" vroeg Bake den Indo.
"Ziek? Hij heeft geen zin om te komen, doodeenvoudig. Dacht je dan dat een Javaan ooit iets voor een Hollander doen zou tenzij gedwongen? Als je een poos op de fabriek geweest bent zul je wel beter weten; ze hebben nooit meer pleizier dan als de boel verkeerd loopt. Je hebt van die Hollandsche idees, humaniteit en vooruitgang en zoo,--daarmee kom je er niet, hier. Ik zal je Si-Bengkok wel eens sturen, als je hem absoluut hebben wilt.--Wees maar niet bang!"--hij lachte om de uitdrukking van onwil in Bake's oogen,--"ik zal het lieve jongetje niet slaan!"
Bake wendde zich af; de minachting waarmee de half-bloed over zijn moeders volk sprak was hem tegen de borst.
Si-Bengkok kwam werkelijk dien avond, maar zoo klaarblijkelijk tegen zijn zin, en zoo schuw en ongelukkig, als een gevangen, bang klein dier, zat hij in het donkerste hoekje der galerij, dat Bake hem half-onwillig, half medelijdend weer wegstuurde, hem het beloofde dubbeltje gevend met de bijvoeging dat hij niet meer terug hoefde te komen.
"Waarvoor is hij eigenlijk bang?" dacht hij getroffen door den schuwen blik van den knaap; het was hem of de vrees van het overwonnen ras voor het overwinnende hem daaruit aanzag. Iets dat hij een paar dagen geleden op den landweg had gezien kwam hem weer in de gedachte:--een schaar Inlanders met afgewend gelaat neerhurkend op de nadering van een in een rijtuig gezeten ambtenaar die hen zelfs niet scheen te bemerken, terwijl hij, een stofwolk over hen heen jagend, voorbij reed. Hoewel wetend dat de slaafsche wijze van begroeting in het volksgebruik lag, gevoelde hij bij de herinnering opnieuw dien schok van weerzin, verontwaardigd medelijden en schaamte, waarmee het stuitende gezicht hem getroffen had,--schaamte vooral, alsof de vernedering dier kruipende mannen en vrouwen zijn eigene ware. De naam "Compagnie", waarmee de Inlander de Hollandsche machthebbenden ten huidigen dage nog noemt, kwam hem in de gedachte. Maarschalk Daendels en zijn met bloed gecimenteerde postweg, de politiek der Indische baten, dat alles was lang geleden. En toch, na zóo veel jaren van wel willen en wel doen zag een Javaansche jongen een hem onbekenden Hollander met angst aan. Verjaarde onrecht ooit?
"Doe me het genoegen en laat Si-Bengkok met vrede," zei hij den volgenden dag tegen den Indo, die hem spotachtig vroeg of de jongen naar zijn zin had gespeeld.
De andere trok zijn hoekige schouders op.
"Ja, zoo moet je een Inlander maar behandelen! Of hij toch al niet brutaal genoeg was!"
Bake begreep dat Si-Bengkok's vrees voor den halfbloed sterker was dan zijn schuwheid voor hèm, toen hij, dien avond thuiskomend, het fluitspelertje op de treden zijner voorgalerij vond zitten. Ook de volgende dagen weer zag hij hem telkens met het invallen van de schemering verschijnen. Meer om zichzelven van den druk der opgedrongen dwingelandij te bevrijden dan om den wille van dien Inlandschen jongen, begon hij nu Si-Bengkok vriendelijk te bejegenen, opdat hij uit zich zelven terugkomen zou, met hem omgaande zoo ongeveer als hij als jongen was omgegaan met een eekhoorn dien hij wilde temmen. Zelf kreeg hij gaandeweg schik in het spelletje dat hij half uit onwil begonnen was. En zoo als de eekhoorn op het laatst zijn hoog nest in den sparreboom uit kwam om de beukenootjes op te knabbelen die de jongen in de dakgoot voor hem strooide, zoo kwam Si-Bengkok van lieverlede uit zijn bange terug-getogenheid te voorschijn, antwoordde met wat meer dan dat onderworpen "Ja Heer" op Bake's gezegden, en begon tusschenbeide uit zichzelf te praten over wat er in de dessa al zoo voorviel. Bake kreeg kijkjes op een leven waarvan hij zich tot nog toe geen voorstelling had gemaakt.
Het was einde April en de rijstoogst, laat in de heuvelige streek, was juist begonnen. Des ochtends vroeg kwamen de vrouwen en de meisjes van de dessa, frisch gekleed en met bloemen in de haarwrong, waardoor, als een sieraad, het houten rijstmesje gestoken was, in lange rijen den landweg af. En des avonds klonk uren achtereen het zilverige gamelan-getinkel uit de woning van het dorpshoofd, waar de plukkers oogstfeest vierden.