# Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/opuscula-selecta-neerlandicorum-nederlandsch-tijdschrift-voor-g-6f51527a/index.md

[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)]

Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: "velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers". Ik wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.

Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der geneeskunde in het kort samen te vatten.

Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen. Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft.

U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.

U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.

Ik heb gezegd.

* * * * * * * * *

_Erasmus Roterodamus D. Henrico Afinio Lyrano insigni Medico S. D._

_Erasmus van Rotterdam aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1] den voortreffelijken medicus._

[Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]

Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.

Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over "den lof der geneeskunde". Terstond besloot ik de niet zeer goede redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge vinden.

Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur aliud nostra necessitudine dignius.

Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal gegeven worden.

Bene vale.

Het ga U wel.

Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.

LEUVEN, den 13den Maart, 1518.

DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.

REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.

[_Attentio._]

Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit effugere.

Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.

[_Propositio._]

Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas)

Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven,

medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus.

de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter traliën, aan de blikken der studenten te vertoonen.

[_Laudandi ratio per comparationem._]

Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum contumelia depraedicare.

Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht plaatst.

Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum praestigiis sit attollenda. [Sidenote: +gnômê+.] Mediocrium est formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.

Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.

[_Dignitas et autoritas medicinae._]

Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) singula quosdam inventa deorum numero addiderunt,

In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd, hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,

aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse.

òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden.

[_A difficultate._]

Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, discrimina.

Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen van de overige geneesmiddelen;

Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur.

vervolgens, hoevele soorten van ziekten er bestaan, waarvan er volgens Plinius driehonderd met name zijn overgeleverd, nog daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, waarvan hij het oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens een voorbeeld te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts alleen inhoudt; en zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks bijkomen, en wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak den strijd met onze wetenschap hadden aangebonden,

Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, saepenumero venenum erit, quod in remedium datur.

om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen van vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten gevolge heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet eens medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, val, fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, welke gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der ziekten; indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er verbonden is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als geneesmiddel toedient;

Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile sit omnes vel oratione prosequi.

terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of de teekens der urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; als men dit alles nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen opsommen.

Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab ipsis sideribus petere.

Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden, struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren te ontleenen;

Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur?

deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand gebracht worden?

Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere, deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut credula, ita gratissima.

Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het schenken van het leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo moet men toch toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te houden, als het ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij komt. Ofschoon zelfs niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend aan God toeschrijven, door de ouden aan het gebied der geneeskunde onttrokken werd, die daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook hun groote dankbaarheid toonden.

Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant.

[Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is "balis".]

Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de zoon van Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het leven teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven teruggebracht zijn door een kruid, dat "halis"[2] heet.

[Voetnoot 2: In Plinius staat "balis" (Vertaler).]

Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe (quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit.

Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid iemand weer in het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om bekommeren, als er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof sloegen; toch vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de geneeskunde, hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, tot de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog buitengewoon is.

Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur?

Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en, reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden?

An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies complusculos revixerint.

Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen herleven of iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En toch noemt Plinius in het zevende boek van zijn "Historia Naturalis" zeer velen met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis gedragen te zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na verscheidene dagen, weder herleefden.

Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus, cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia.

Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, diepe onmacht, verlamming en beroerte.

Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. Hic qui mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam revocat, nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus est? Quot censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum solertia morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi rationem reperisset?

In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden.

