Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde
Part 1
Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands Team and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries.)
[Transcriber's Note:
Spelling and capitalization are as in the original. De spelling en de hoofdletters zijn gehandhaafd als in het origineel.
Greek words have been transliterated and placed between +marks+. Griekse woorden zijn getranslitereerd en tussen +tekens+ geplaatst.
The six individual articles are separated by three rows of asterisks.
The Latin texts-- Erasmus, Boerhave and Gaubius-- are given in three independent versions, separated by two rows of asterisks:
Latin alone Dutch translation alone Latin and Dutch interlocked]
* * * * * * * * * * * * * *
OPUSCULA SELECTA
NEERLANDICORUM
DE ARTE MEDICA
Fasciculus Primus
quem
Curatores Miscellaneorum quae vocantur Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde
collegerunt et ediderunt ad celebrandam Seriem quinquagesimam in lucem nuper editam
Quaenam insint scripta proxima pagina docebit
Amstelodami Apud F. van Rossen MCMVII
Erasmus Swammerdam Van Leeuwenhoek Boerhaave Gaubius Donders
INHOUD. Blz.
TER INLEIDING IX
DESIDERIUS ERASMUS, Encomium artis medicæ 1
DESIDERIUS ERASMUS, De lof der geneeskunde 1
ANTONI VAN LEEUWENHOEK, Den waaragtigen omloop des Bloeds, als mede dat de Arterien en Venæ gecontinueerde Bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt 45
JAN SWAMMERDAM, Proefnemingen van de particuliere bewegingen der spieren van den Kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren in de menschen en beesten toegepast worden 69
HERMANNUS BOERHAAVE, De usu ratiocinii mechanici in medicina 98
HERMAN BOERHAAVE, Het nut der mechanistische methode in de geneeskunde 99
HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Oratio inauguralis qua ostenditur chemiam artibus academicis jure esse inserendam 170
HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Inaugureele rede, waarin wordt aangetoond, dat de scheikunde met recht een plaats verdient onder de akademische wetenschappen 171
F. C. DONDERS, De harmonie van het dierlijke leven de openbaring van wetten 229
TER INLEIDING.
Den 1sten Januari 1907 heeft het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 50 jaren bestaan. In Mei 1901 besloot de algemeene vergadering der Vereeniging: _Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde_, op voorstel der Redactie, den lezers van het Tijdschrift bij gelegenheid van dit jubileum eene feestuitgave aan te bieden. Deze feestuitgave zou betrekking hebben op de geschiedenis der geneeskunde. De zorg voor de voorbereiding dier uitgave werd opgedragen aan eene commissie, bestaande uit de heeren B. J. STOKVIS, W. KOSTER (Utrecht), C. E. DANIËLS, H. TREUB en de beide toenmalige redacteuren-gérant M. STRAUB en P. MUNTENDAM.
De geheimen van onze commissie-vergaderingen te verklappen is allerminst mijn bedoeling. Maar iets wil ik en moet ik toch zeggen. Dit n.l., dat, wanneer niet de drie eerstgenoemde, klassiek geschoolde commissieleden er geweest waren, en met name wanneer niet STOKVIS zijne groote belezenheid en zijn eeuwig jeugdig enthousiasme aan onze taak had doen ten goede komen, er van dit boek bitter weinig terechtgekomen zou zijn. Want één ding stond, na de eerste voorloopige besprekingen, al spoedig bij ons allen vast: wij moesten de feestuitgave doen bestaan in herdrukken van Nederlandsche klassieke schrijvers over geneeskunde. Maar wie moest onder de klassieken, en wat van hun werk gekozen worden? En hoe moest het uitgegeven worden? Vragen die, tendeele althans, slechts beantwoord konden worden door hen, die de klassieken kenden. Toen dan ook omtrent het "hoe" beslist was, dat de feestuitgave geen bloemlezing, maar een bundel van zooveel mogelijk op zich zelf staande stukken zou zijn, kwamen de drie genoemde kenners der klassieken met verschillende werken aan, waaruit de commissie na kennismaking zou kunnen kiezen.
Moeilijke bezigheid, voorwaar! Gelukkig, wij zijn Hollanders, wij waren in commissie vereenigd en wij hadden dus het recht, om niet te zeggen de nationale plicht met bedachtzaamheid voorttegaan. Zoo waren wij dan ook nog slechts nauwelijks tot eene definitieve keuze gekomen, toen in September 1902 STOKVIS ons ontviel. Wanneer ons werk, gelijk wij hopen, ten slotte bruikbaar is geworden, dan zij hier gezegd, dat dit in de allereerste plaats te danken is aan het initiatief en de krachtige medewerking van STOKVIS.
De commissie was zoo gelukkig in zijn plaats door de algemeene vergadering benoemd te zien de heer C. A. PEKELHARING, die aan hare verdere werkzaamheden een zeer actief deel heeft genomen.
Besloten werd tot een herdruk van vier redevoeringen. De eerste is van ERASMUS (1467-1536). De groote humanist, schoon zelf geen medicus, heeft toch in eene oratie den lof der geneeskunst verkondigd. En, waarlijk, beter lofredenaar kon de geneeskunst moeilijk verlangen. Zoo uitbundig is zelfs hier en daar zijn loftuiting, dat men, gedachtig aan den schrijftrant van den auteur van den lof der zotheid, geneigd is zich nu en dan af te vragen, of niet meer zachte ironie dan welgemeende lof uit ERASMUS' woorden spreekt. Toch zal men bij doorlezing van dit weinig bekende geschrift van den geleerden Rotterdammer bespeuren, dat het hem met den lof, deze moge dan overdreven zijn, ernst is, daar hij niet nalaat de slechte geneeskunst-oefenaars te vermanen. Hoe weinig het oude stuk nog verouderd is, blijkt wel uit wat hij o.a. zegt:
"De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die maakten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden."
Immers dit kon nu nog, helaas! goeddeels dienst doen als politieke wenschlijst voor een medicus.
De tweede redevoering is van BOERHAAVE (1668-1738), en door hem gehouden ter gelegenheid, dat de curatoren der Leidsche hoogeschool hem, door eene traktementsverhooging, hadden weerhouden naar Groningen te gaan. Al had het particularisme dier dagen niets anders goeds uitgewerkt dan ons dit heldere en logische betoog omtrent de waarde der iatromechanica te bezorgen, dan mochten wij het nog dankbaar zijn. Als men BOERHAAVE's klare taal leest, die zijn gedachtengang zoo scherp weergeeft, waarin geen argument te weinig en nauwelijks een woord te veel is, dan begrijpt men den grooten invloed door BOERHAAVE als leermeester uitgeoefend.
Versterkt wordt deze indruk door de volgende redevoering, die van GAUBIUS (1705-1780), wiens gezwollen welsprekendheid BOERHAAVE's eenvoudige duidelijkheid beter doet uitkomen. Evenwel, niet om, doch ondanks deze tegenstelling werd Gaubius' werk door ons gekozen. Immers ziet men af van de voor ons minder smakelijke rhetorische versierselen, dan geeft het betoog van GAUBIUS, op zichzelf voor dien tijd van groot gewicht, tevens een eigenaardig beeld van de snel wisselende geneeskundige opvattingen. Nog geen dertig jaar toch na BOERHAAVE's enthousiaste verdediging der iatromechanica komt, op zijne plaats en in zijn tegenwoordigheid, de door hem aangewezen leerling de waarde der scheikunde als wetenschap en in het bijzonder hare waarde voor de geneeskunst bepleiten.
Als vierde in de rij der oraties komt die van DONDERS (1818-1889), over de harmonie in het dierlijke leven; de oratie, waarmede hij zijn loopbaan als hoogleeraar aanving. Een waardige evenknie van het stuk van BOERHAAVE, waarin met goed gekozen argumenten en in keurige taal de teleologie als wetenschap wordt aangevallen en betoogd wordt, dat het "waartoe" geen antwoord geven kan op de vraag naar het "waardoor", terwijl toch slechts deze laatste vraag voor den wetenschappelijken vooruitgang belang heeft.
Tusschen ERASMUS en BOERHAAVE komen de herdrukken van onderzoekingen van VAN LEEUWENHOEK en van SWAMMERDAM. Onafhankelijk van de hem klaarblijkelijk onbekende ontdekking der capillairen door MALPIGHI (1661), gaf LEEUWENHOEK (1632-1723) HARVEY's leer van den bloeds omloop een krachtdadigen steun door het, met behulp van zijn mikroskoop, geleverde bewijs dat: "De Arteriën en Venae gecontinueerde Bloedvaten zijn"; een bewijs, dat hij in gemoedelijke taal, doch met groote helderheid geeft. Met zóó groote helderheid, dat men verbaasd staat, dat de eenvoudige Delftenaar, als buitenstaander van de officiëele wetenschap, om geloofd te worden zich moest beroepen op het getuigenis o.a. van "d'Heer Mr. ANTONI HEINSIUS, Raad en Pensionaris dezer Stad, voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn Koninklijke Majesteit van Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen Staat aan het Hoff van zijn Koningl. Majesteit van Engeland."
Het stuk van JAN SWAMMERDAM (1637-1680) geeft ten slotte een goed voorbeeld van diens experimenteertalent. Immers, zoowel zijn proef over de uitgesneden, doch in verbinding met de zenuw gelaten kikvorschspier, als die met het door lucht gevulde hart, kunnen ter demonstratie van dat talent dienen; ook al is de eerste, die doet zien dat bij den spiercontractie verwekkenden zenuwinvloed niets ponderabels van de zenuw naar de spier overgaat, bewijzender dan de tweede, die dienen moet om te betoogen, dat het spiervolume bij de contractie niet toe- doch afneemt.
De commissie meende met deze keuze een geschikten aanvang te maken van eene publicatie van Nederlandsche klassieken en zij hoopt en vertrouwt, dat daarmede de stoot tot verdere analoge herdrukken gegeven zal zijn.
Maar, zal zulk een herdruk nut hebben, dan dient, voor de meerderheid der Nederlandsche geneeskundigen, het Latijn door Nederlandsch vervangen te worden. En, zal de publicatie nut hebben om ook in het buitenland den naam der oudere Nederlandsche schrijvers op geneeskundig gebied in eere te houden, dan moeten er ook vertalingen in vreemde talen bij zijn. Deze overweging stelde de commissie voor een nieuwe moeielijkheid, die des te grooter werd, toen de algemeene vergadering besloot, dat niet één, doch drie vreemde talen zouden gekozen worden. Onder de commissieleden was geen LITTRÉ, noch een ERMERINS en de zorg voor vertalingen in Fransch, Engelsch of Duitsch durfden zij evenmin op zich te nemen. Zoo heeft dan de commissie de hulp van anderen, meerendeels niet-medici, ingeroepen en bepaalde zich haar werk in hoofdzaak tot de specifiek medische correctie van het vertaalwerk.
Zij was zoo gelukkig de hulp te verkrijgen van den heer L. HILLESUM voor de vertaling van de redevoering van ERASMUS in het Nederlandsch, van den heer C. GRONDHOUT voor de vertaling dierzelfde redevoering en van de verhandeling van ANTONI VAN LEEUWENHOEK in het Engelsch, van den heer MAURICE PERNOT voor de Fransche vertalingen der oraties van BOERHAAVE en GAUBIUS, van de heeren W. JULIUS en L. HILLESUM voor de Nederlandsche vertaling van BOERHAAVE, van den heer A. H. KAN voor die van GAUBIUS en van den heer E. HUMMELSHEIM voor de vertaling der redevoering van DONDERS in het Duitsch. Haar medelid, de heer DANIËLS, wiens bibliographische speurzin zich nooit verloochent, vond een weinig bekende Duitsche uitgave van SWAMMERDAM's "Bijbel der Natuur" (Leipzig 1752), waaraan de commissie de benoodigde vertaling van diens verhandeling kon ontleenen.
Het is der commissie een plicht, maar een genoegen tevens, aan al dezen haren medewerkers hier oprechten dank te betuigen en hulde te brengen voor den zoo nauwgezet uitgevoerden arbeid.
Wanneer ik ten slotte nog gememoreerd heb, dat het typografisch werk voor den feestbundel afkomstig is van de firma DE ROEVER KRÖBER & BAKELS, dat de portretten, voor zoover bestaande, in lichtdruk zijn gereproduceerd door de firma SENEFELDER, die ook de platen bij VAN LEEUWENHOEK's en SWAMMERDAM's stukken in photolithographie reproduceerde, en dat de band en het titelblad ontworpen zijn door den heer J. B. HEUKELOM, dan behoef ik daarvoor geen dank uit te spreken, want de dank voor hun werk zal hun onmiddellijk gebracht worden door elken beschouwer van het boek.
_In opdracht en in naam der commissie ter voorbereiding dezer feestuitgave,_
HECTOR TREUB.
* * * * * * * * * * * * * *
[Transcriber's Note:
Sidenotes to the Latin text have been collected at the beginning to act as a table of contents. Those that appear at the beginning of a paragraph, along with a few others that function as explanatory notes, have also been kept in their original places.
Footnotes to the Latin text were added by the transcriber, using information in the parallel Dutch text.]
ENCOMIUM ARTIS MEDICÆ
Desiderio Erasmo Roterodamo Autore.
DE LOF DER GENEESKUNDE
van
Desiderius Erasmus.
* * * * * * * * *
_Erasmus Roterodamus_ _D. Henrico Afinio Lyrano_ _insigni Medico_ _S.D._
Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.
Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur aliud nostra necessitudine dignius.
Bene vale.
Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.
[Sidenotes:
_Attentio._ _Propositio._ _Laudandi ratio per comparationem._ _Dignitas et autoritas medicinae._ _Inventio artis._ _Torquet exemplum in suum commodum._ _A difficultate._ _Longum hyperbaton._ _Divina res medicina._ _Laus ab effectu._ _Ars medicorum et mortuos excitare credita est._ _Initium vitae medicis debetur._ _Ab utilitate perpetua._ _Senectam remoratur ars medicorum._ _Totum hominem curat medicus._ _Temperaturam corporis emendat medicus._ _A simili._ _Plato._ _Principibus maxime necessarius medicus._ _Ab exemplo._ _Honos habitus medicinae._ _Honora medicum._ _A similibus._ _Sanitatis custos medicus._ _Exempla._ _Christus non aegrotavit._ _Confutatio._ _Donum curationis._ _Exemplum._ _Detorquet._ _Quibus culta medicina._ _Moses._ _Orpheus._ _Homerus._ _Moly._ _Nepenthes._ _Machaon._ _Paeon._ _Chiron._ _Christus ipse medicus._ _Paulus medicus._ _Raphael._ _A simili._ _Seleucides._ _A quaestu._ _Confutatio._ _Ex Aristophane._ _Proverbium._ _Epilogus._ ]
DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.
[Sidenote: _Attentio._]
Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit effugere.
[Sidenote: _Propositio._]
Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas) medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus.
[Sidenote: _Laudandi ratio per comparationem._]
Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum contumelia depraedicare. Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum praestigiis sit attollenda. [Sidenote: +gnômê+.] Mediocrium est formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.
[Sidenote: _Dignitas et autoritas medicinae._]
Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse.
[Sidenote: _A difficultate._]
Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, discrimina. Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur. Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, saepenumero venenum erit, quod in remedium datur. Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile sit omnes vel oratione prosequi.
Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab ipsis sideribus petere. Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur? Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere, deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut credula, ita gratissima. Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant. Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe (quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit. Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur? An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies complusculos revixerint.
[Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is "balis".]