Part 9
“Natuurlijk” was mijn antwoord. “Maar wie had nu ook kunnen denken, dat een Britsch officier en een geheele afdeeling matrozen van een Engelsch oorlogsschip, gemeene zaak zouden maken met het krijgsvolk van den jongen koning Tanu! Het is een maar al te zeker teeken van den fellen haat, dien de Engelschen en Amerikanen tegen ons, Duitschers, koesteren. Mataafa en zijn aanhangers moeten hem wel tamelijk onverschillig zijn. Daarom doet het mij dubbel genoegen, dat die brutale luitenant en zijn soldaten zoo flink klop gekregen hebben van Mataafa en de zijnen. Ik kan mij zoo goed voorstellen, hoe woedend de commandant van de ‘Porpoise’ over deze ongelukkige nederlaag van zijn soldaten zijn zal.”
“Ja, dat denk ik ook,” zeide Gaedecke. “Het zal mij benieuwen, welke gevolgen deze zegepraal voor Mataafa hebben zal. Hij, zoowel als onze vriend het opperhoofd, moeten toch dappere, voorzichtige mannen zijn; gedurende het geheele gevecht, kon men ze steeds in de voorste rijen hunner krijgers zien. Maar jou heb ik toch ook bewonderd, hoor! Je hebt je geheel alleen tot bij de vechtenden gewaagd; hoe licht had je door een kogel getroffen kunnen worden!”
“Och kom! Zoo erg was het niet,” antwoordde ik. “De Engelschen hielden op met schieten, toen zij mijn wel wat vreemde parlemetairsvlag zagen, en, daar de inlanders over het algemeen vrij slechte schutters zijn, staakten zij ook gauw het gevecht. Het was mijn hoofddoel gedeeltelijk de strijdende partijen van ons terrein af te houden, gedeeltelijk het in het nauw gebrachte opperhoofd eenige hulp aan te brengen; en ik ben er in geslaagd.”
Toen wij bij onze woning kwamen, ontsloegen wij de werklieden, die naar hun hutten konden gaan, daar het intusschen te laat geworden was hen weer aan het werk te zetten. Den opzichter Hendriksen noodigden wij uit, den avond bij ons door te brengen en in ons gezelschap een glas bier te drinken.
Eenige dagen na dit gevecht, bracht een bode van directeur Beckmann mij een brief van dezen laatste, met het verzoek, dat ik mij nog dien zelfden dag in de kano van dien bode naar Apia zou begeven, om mij bij den directeur te vervoegen.
“Dat staat zeker in verband met de geschiedenis van laatst, Arendt,” zeide Gaedecke, toen ik hem bij het lunch den brief gaf. “Je zult zien, dat ik gelijk heb; de Engelsche officier zal je bij zijn commandant aangeklaagd hebben.”
Toen ik nog voor het vallen van den avond bij den directeur kwam, vroeg deze mij dadelijk: “Hebt gij onlangs bij het gevecht tusschen Mataafa en de Tonga’s, aan den eerste bijstand verleend?”
“Volstrekt niet, directeur,” antwoordde ik en vertelde daarop uitvoerig, welke maatregelen Gaedecke en ik genomen hadden om het grondgebied der factorij tegen iedere schending onzer neutraliteit te beschermen, en op welke wijze ik tegen den Britschen officier opgetreden was.
“O, dan heeft de ellendeling u maar belasterd om de schande zijner ongelukkige nederlaag te verkleinen. Gij moet dadelijk mee naar kolonel Rose, die van zijn Engelschen collega, den intrigant Maxse, een aanklacht tegen u heeft ingediend, wegens het verleenen van hulp aan den vijand. Vanmorgen vroeg heeft de consul mij laten weten, dat hij ons vanavond na het sluiten der kantoren bij zich wacht.”
Na een korte begroeting ging de consul ons voor naar zijn studeervertrek, dat door verscheiden lampen verlicht werd, en stelde mij, nadat wij plaats genomen hadden, een breedvoerig schrijven in de Engelsche taal ter hand.
Zooals de directeur reeds gezegd had, bevatte dit een aanklacht van den Engelschen consul tegen mij, wegens het verleenen van hulp aan den afgezetten koning Mataafa, tegen de soldaten van den rechtmatigen koning Tanu en diens landgenoot, een officier van het schip van Hare Majesteit “Porpoise” en zijn equipage; hierdoor had ik mij schuldig gemaakt aan het schenden der neutraliteit.
“Welnu, beste Arendt,” met deze woorden op zeer vriendelijken toon gesproken, wendde consul Rose zich tot mij, “wat is uw antwoord op deze vrij zonderlinge aanklacht?”
“Dat er geen enkel woord van waar is, consul!” riep ik hartstochtelijk uit, daar ik mij ontzaglijk over deze gemeene leugen, dezen schandelijken laster ergerde. “Als u het goed vindt, zal ik u het voorgevallene naar waarheid mededeelen.”
“Dat is goed, vriend, ga uw gang,” antwoordde de consul.
Toen ik mijn verhaal eindigde en er de opmerking bijvoegde, dat mijnheer Gaedecke, zoowel als mijnheer Hendriksen, de waarheid mijner woorden konden bevestigen, daar zij getuigen van mijn onderhoud met den Britschen officier geweest waren, zeide de consul, terwijl hij opstond:
“Ik heb het wel gedacht, dat de heele zaak gaan zou, zooals u ze mij hebt afgeschilderd. Luitenant Robert, of hoe die waarde heer heeten mag, heeft er behoefte aan gevoeld, zijn niet zeer roemrijken aftocht voor de soldaten van Mataafa, door dit voorwendsel eenigszins te vergoelijken. U zoudt den koning met een talrijke schaar van zijn aanhangers, in den rug van het Tanu-leger hebben doen vallen, waardoor Robert tot den terugtocht genoodzaakt was geworden.”
“Wilt u nu zoo goed zijn, mijnheer Arendt,” vervolgde mijnheer Rose, “morgen hier te komen, dan zal ik aan een mijner bedienden uw bescheiden dicteeren en deze als officiëel verslag meenemen, dat u dan onderteekenen moet. Thans verzoek ik den beiden heeren, mij naar de veranda achter het huis te willen volgen, waar wij onder een glas Pschorrbräu en een sigaar, nog wat gezellig kunnen praten.”
Den volgenden morgen begaf ik mij op het vastgestelde uur, naar het kantoor van onzen consul; ik moest mijn verklaring aangaande mijn beschuldiging, herhalen, die door den secretaris woordelijk opgeschreven en door mij onderteekend werd.
“Ik zou het zeer wenschelijk achten, mijnheer Arendt,” zeide de consul ten slotte, “dat gij nog twee dagen hier kondt blijven. Ik ben namelijk voornemens, mijn secretaris nog heden of morgen op zijn laatst, vroeg naar Laulii te laten gaan, om ook van uw collega Gaedecke en den opzichter Hendriksen, als getuigen, een officieel verslag op te maken. Om nu zelfs den schijn te vermijden, dat u op beide heeren invloed hadt kunnen uitoefenen, is het beter, dat u wacht, tot dat mijn secretaris teruggekeerd is. U wilt den directeur hiervan wel in kennis stellen, niet waar, en trachten, zoolang u in Apia zijt, elke ontmoeting met de Engelschen te vermijden?”
Toen ik afscheid wilde nemen, hield de consul mij tegen, zeggende:
“Ik vind het toch noodig, dat dokter Raffel, als eerste ambtenaar van het Duitsche rijk, onderricht wordt van de beschuldiging van den Engelschen zee-officier, alsmede van de aanklacht van den consul Maxse tegen u; daarom zou het het beste zijn, waarde mijnheer Arendt, dat u met mij meegingt naar den voorzitter van den gemeenteraad.”
Binnen weinig minuten waren wij in het huis van dokter Raffel, dat eveneens van hout gebouwd, en gelijkvloers door een breede veranda omringd was; het lag op geringen afstand van het consulaat. Toen wij bij den voorzitter kwamen, zat deze juist aan het lunch en, nadat de consul mij had voorgesteld, werden wij uitgenoodigd daaraan deel te nemen.
Onder dit tweede ontbijt, vertelde mijnheer Rose de toedracht der zaak en legde toen de aanklacht van den Engelschen consul en het door mij onderteekende verslag, voor den dokter neder.
“De geheele historie is eigenlijk zoo dom en plomp verzonnen, dat men ze bijna niet ernstig kan opnemen,” zeide de dokter, toen hij de twee geschriften doorgelezen had. “Mijnheer Maxse is anders zoo’n sluw, geslepen man, dat ik werkelijk verbaasd ben over dit kinderachtig knoeiwerk; hoogstwaarschijnlijk heeft hij op bevel van den commandant der ‘Porpoise’ zoo gehandeld, die zeker woedend is over de schade, welke zijn matrozen door de inlanders geleden hebben, en nu alles beproeft om anderen de schuld van dezen smaad te geven.”
Na een korte pauze vervolgde hij: “Ik kan het niet anders dan goed vinden, waarde consul, dat u de twee Duitsche heeren op de factorij Laulii, eveneens als getuigen, een officieel verslag laat opmaken, en dat u mijnheer Arendt zoolang hier houdt. De aanklacht van den Engelschen consul, die ik u verzoek zorgvuldig te bewaren, is mij eigenlijk zeer welkom, daar zij mij het onomstootelijk bewijs is, dat de commandant van de ‘Porpoise’ werkelijk een afdeeling van zijn compagnie onder bevel van een officier afgezonden heeft, om de Tanu’s tegen de aanhangers van Mataafa bij te staan; hiertoe had hij volstrekt geen recht, want zoo schond hij de neutraliteit. Ik zal van deze omstandigheid ter rechter tijd gebruik weten te maken.”
Hierop nam de president met een paar vriendelijke woorden afscheid van mij en verzocht den consul hem in zijn studeervertrek te volgen, daar hij nog iets gewichtigs met hem te bespreken had.
Ik begaf mij onmiddellijk naar mijnheer Beckmann om hem, zoo het behoorde, alles mede te deelen omtrent het officiëele verslag op het consulaat en ons bezoek bij dokter Raffel.
“Hm! hm!” kwam de directeur peinzend, toen ik vertelde, welk gewicht de voorzitter hechtte aan de aanklacht van den Engelschen consul. “Gij zult zien, dat er al heel spoedig iets gewichtigs gebeuren zal; ik heb dokter Raffel als een bijzonder verstandig en energiek man leeren kennen, die den Engelschen, deze belachelijke aanklacht zeker wel betaald zal zetten.”
In mijn hotel teruggekeerd, vond ik tot mijn groote verrassing op het terras, de heeren Krüger en Hendrik Petersen, die wel wat laat hun lunch gebruikten.
“Hallo! Daar is zoo waar onze Arendt!” riep Petersen uit, van zijn stoel opspringend en mij haastig tegemoetkomend. “Welk gelukkig toeval voert je juist vandaag naar Apia, kerel?” vervolgde hij, terwijl hij mij hartelijk omhelsde. “Kom je ons misschien een laten nieuwjaarswensch brengen?”
Nadat mijnheer Krüger mij ook zeer vriendelijk begroet had, nam ik plaats, bediende mij zelf van een glas bier en een sigaar, en vertelde toen mijn beiden vrienden uitvoerig, wat mij naar Apia gevoerd had.
“Maar dat is alleraardigst, Arendt!” riep Hendrik uit, terwijl hij zijn glas tegen mij ophief, “dat je die verwaande Engelschen zoo getracteerd hebt! Nu zal jij de belhamel geweest zijn, die den twist heeft doen ontbranden! Het is al te dol!”
“Onze consul zal zijn Engelschen collega wel eens ongezouten de waarheid zeggen,” zeide mijnheer Krüger. “Hij is er juist de man voor. Maar nu zullen wij naar den directeur gaan, Hendrik,” vervolgde hij, terwijl hij opstond, “en dan naar Matafele wandelen, om den collega’s een bezoek te brengen.”
“Als u het goedkeurt, mijnheer Krüger, ga ik met u en Hendrik mee naar Matafele,” zeide ik. “Bij den directeur ben ik al geweest, en ik zal op u wachten, daar u weer hier langs komt.”
Na het diner bij directeur Beckmann, bij wien wij alle drie genoodigd waren, vroeg Petersen, of ik met hem de haven eens langs wilde gaan om wat pleizier te maken. Mijnheer Krüger bleef thuis om met den chef, onder een glas bier nog wat te praten.
“Een collega uit Matafele heeft mij vanmiddag verteld,” zeide mijn vriend Hendrik, toen wij de havenkade bereikten, “dat er kort geleden een nieuwe uitspanning, geheel in Duitschen stijl, geopend is geworden; zij ligt vlak bij het strand, niet ver van de plek, waar Matautu, het oostelijk gedeelte van Apia, begint. Ik heb heel veel zin dit hoog geroemd café eens te bezoeken en er een lekker glas Münchener te drinken. Als wij het strand maar volgen, moeten wij er binnen een paar minuten zijn.”
Werkelijk zagen wij al heel gauw een tuin, die met talrijke Chineesche lampions verlicht was. Hij strekte zich uit tot aan dan rand van de haven en scheen geheel op zijn Duitsch ingericht, behalve dat in plaats van beuken en lindeboomen of oranjeboompjes in potten, de prachtigste waaierpalmen, bananen en oranjeboomen op al de tafeltjes een heerlijke schaduw gaven. Nadat wij den tuin eens hadden rondgeloopen, en al de tafeltjes bezet hadden gevonden, bemerkten wij nog een vrij plekje, vanwaar wij een ruim uitzicht hadden over het geheele oostelijk gedeelte van de haven. Een Samoaansch kellner bracht ons, zonder een bestelling afgewacht te hebben, twee echt Beiersche bierpotten vol schuimend bier, dat wij dadelijk met attentie proefden, en toen eerst begonnen wij meer te letten op de drie andere bezoekers, die reeds aan hetzelfde tafeltje zaten. Wij hadden hen, toen wij plaats namen, alleen door het afnemen van den hoed gegroet, en dit was door hen ook zoo beantwoord.
Mijn vriend Hendrik, die steeds naar de ingeving van het oogenblik handelde, zeide opeens tot den oudste der drie heeren: “Ik geloof, dat wij landgenooten zijn, Heeren! Laat ons eens samen klinken en een flinke teug nemen op ons wederzijdsch welzijn! Ik heet: Hendrik Petersen, en mijn vriend hier, Herman Arendt, beiden in betrekking op de kantoren der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij op de Samoa-eilanden. Gezondheid!”
Na over deze grappige manier van voorstellen gelachen te hebben, klonken wij samen, waarna de oudste heer zich bekend maakte als de bezitter van een grooten Duitschen winkel in Apia. Zijn naam was Eduard Helberg en hij voegde er bij, dat hij zich onzer nog heel goed herinnerde, want wij hadden verleden jaar Kerstmis, groote inkoopen aan speelgoed en peperkoek bij hem gedaan.
“Laat mij u,” ging hij voort, “mijnheer Baumann, dekofficier aan boord van onzen kruiser ‘Falke’ en mijnheer Melberg, mijn collega en vriend, voorstellen.”
Wij konden ongeveer een uurtje prettig hebben zitten praten, toen een clubje van acht of tien man, naar het uiterlijk zeelieden, aan een leeg geworden tafeltje, dicht bij ons, plaats nam en den kellner in het Engelsch, bier bestelde.
“Engelsche matrozen, die zeker de brandewijnflesch dapper hebben aangesproken,” zeide mijnheer Helberg zachtjes tot ons.
“Dat zijn geen gewone matrozen,” zeide de Duitsche dekofficier. “Ofschoon zij in politiek zijn, herken ik er toch een paar van als mijn collega’s op de ‘Porpoise’ en zelfs twee die officier zijn.”
“Misschien is de een wel je beroemde kennis van het gevecht bij Laulii, Arendt.” riep Petersen hardop.
“Schreeuw toch zoo niet, Hendrik,” zeide ik verschrikt. “Als die luitenant werkelijk bij die lui is, kon het wel eens een schandaaltje worden, wanneer hij mij herkende, want dat gezelschap komt mij voor vrij sterk boven zijn bier te zijn.”
Inderdaad scheen de officier, die bevel had gevoerd over de equipage van de “Porpoise” in dat bewuste gevecht, Hendriks woorden gehoord te hebben; al had hij ze ook niet verstaan, de namen “Laulii” en “Arendt” moesten hem opmerkzaam gemaakt hebben, want ik kon duidelijk bespeuren, hoe een der twee officieren zich eenigszins van zijn stoel ophief, en een vorschenden blik naar ons tafeltje wierp. Daar hij door een lamp, die juist boven zijn plaats hing, helder verlicht werd, herkende ik dadelijk den officier.
“Heeren,” zeide ik, “ik stel voor, ons bier uit te drinken en den tuin kalm te verlaten, voor het tot twisten komt, hetgeen mij, als man van zaken zeer onaangenaam zou zijn.”
“O, waarde Heer,” antwoordde Petersen, die waarschijnlijk door het wel wat al te ruim gebruik van bier, tot twisten geneigd scheen, “ga gerust uw gang; wij, mijn vriend en ik, zullen toch voor die Engelsche heeren het veld niet moeten ruimen. Niet waar, Arendt?”
Voor ik nog een woord kon antwoorden, kwam de Engelsche officier bij ons tafeltje, nam mij minachtend lachend van het hoofd tot de voeten op en zeide toen, natuurlijk in het Engelsch: “Het verheugt mij, u ook eens in wat fatsoenlijker gezelschap te zien dan zooals onlangs, toen ik kennis met u maakte, omringd van de rebelsche honden van den ellendigen Mataafa.”
“Ik beschouw de soldaten van koning Mataafa voor vrij wat fatsoenlijker dan een laffen, leugenachtigen lasteraar, mijnheer, wiens vernieuwde kennismaking mij volstrekt niet tot eer kan zijn, verstaan?” riep ik eveneens in het Engelsch, terwijl ik van mijn stoel opsprong.
“Insolent fellow!” [4] schreeuwde de Engelschman woedend; hij wendde zich daarop naar het tafeltje, waaraan zijn landgenooten zaten en riep ze bij zich. “Neemt dezen knaap gevangen en brengt hem aan boord. Hij is mijn arrestant!”
“Hoho! Daarin hebben wij ook nog een woordje mee te spreken, Sir,” riep Hendrik uit, zich strijdlustig naast mij plaatsend. “Wie zijt gij? En wie geeft u het recht een Duitscher, een ambtenaar van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij te arresteeren?”
“Ik ben officier van het schip van H.M. ‘Porpoise’ en neem dien man in hechtenis, omdat hij mij beleedigd heeft,” antwoordde de luitenant.
“Waaraan kan men herkennen, dat gij een Britsch marineofficier zijt, mijnheer? Misschien aan uw onbeschaamdheid en omdat gij dronken zijt?” schreeuwde Hendrik hem toe.
“Brutale hond!” riep de Engelschman woedend uit, en hij gaf Petersen een stomp tegen de borst, doch mijn vriend met zijn Hercules-gestalte beantwoordde den slag onmiddellijk door een krachtigen slag in het aangezicht, zoodat de geslagene achteruit waggelde; toen vatte hij hem bij den kraag en den gordel, beurde hem op, en wierp vervolgens den hevig spartelenden en luid brullenden snoever over den lagen afsluitmuur van den tuin in het water. “Ziezoo, laffe schurk,” riep Petersen diep ademhalend uit, “dat frissche bad zal je, naar ik hoop, goeddoen!” Met een grooten sprong kwam hij weer bij ons tafeltje en wilde nu zonder complimenten den overigen zeelieden te lijf, toen ik hem, geholpen door mijnheer Melberg, bij de armen vasthield.
Op het oogenblik dat mijn tegenpartij in het water viel, stonden de Engelschen op, om ons aan te vallen, doch zij bleven plotseling staan, toen mijnheer Baumann hen tegemoettrad. Hij maakte zich bij den tweeden Engelschen officier bekend, als dekofficier van den Duitschen kruiser “Falke”. Enkele Engelschen herkenden hem nu ook, en hij gaf toen met een paar woorden nadere verklaring van het beleedigende en sarrende gedrag van den luitenant.
De officier was verstandig genoeg, den Duitschen zeeman te gelooven en verliet dadelijk met zijn gezelschap den tuin, om iederen verderen twist te vermijden en allereerst naar zijn kameraad te gaan zien, die in het water geworpen was. Door het onvrijwillige bad was deze geheel nuchter geworden en naar den oever gezwommen, zooals mijnheer Helberg ons vertelde, die het van den tuinmuur gezien had. Ik bedankte den Duitschen dekofficier hartelijk voor zijn tusschenkomst, die ons een bijzonder vervelende botsing met de Engelschen bespaard had; daarop lieten wij ons nog een potje bier brengen, dat wij voornamelijk op de gezondheid van onzen wakkeren kampioen ledigden, die op zulk een krasse en energieke wijze den onbeschaamden rustverstoorder uit den weg geruimd had.
Het was bij middernacht, toen Hendrik en ik het Hotel International bereikten.
NEGENDE HOOFDSTUK.
HET BOMBARDEMENT VAN APIA.
Den volgenden morgen deelde de hotelhouder ons verheugd mede, dat er ten gevolge van de bemiddeling van dokter Raffel, door de drie consuls tot herstel van de orde en rust, tusschen de verschillende partijen, een voorloopig bestuur benoemd was, en dat dokter Raffel, als voorzitter van den gemeenteraad, tot president was gekozen.
Hendrik en ik haastten ons met het ontbijt en begaven ons daarna naar onzen Directeur Beckmann, waar wij mijnheer Krüger reeds aantroffen. Deze had met het ontbijt niet op ons gewacht, daar wij den vorigen avond wel wat te veel bier hadden gedronken en dus langer geslapen hadden dan gewoonlijk.
Toen de twee heeren de mededeeling van den hotelhouder bevestigd hadden, vertelde ik, zoo getrouw mogelijk, wat er in den Duitschen biertuin voorgevallen was, en liet daarbij voornamelijk uitkomen, hoe Petersen den ruziezoeker buiten gevecht had gesteld.
“Je bent toch een kraan van een vent, Petersen!” riep de directeur lachend uit, toen ik mijn verhaal gedaan had. “Als je dien driftkop niet zoo gauw op zijn plaats hadt gezet, was het den rekel misschien toch nog gelukt, onzen vriend Arendt, met de hulp van de andere Engelschen, naar de ‘Porpoise’ te sleepen, dat zeker tot zeer onaangename verwikkelingen aanleiding zou gegeven hebben. Ik acht het niet kwaad, onzen consul van dit geval in kennis te stellen, vóór zijn Engelsche collega het hem op zijn manier komt vertellen.”
“Draagt het uw goedkeuring weg, directeur, dat ik met u mee ga naar den consul?” vroeg mijnheer Krüger. “Ik wil afscheid van hem nemen, want direct na het lunch, zou ik gaarne naar Mulifanua terug willen keeren.”
Consul Rose was nog onkundig van het voorgevallene; hij feliciteerde Petersen met diens kloek optreden, en maakte zijn excuus, dat hij ons moest verlaten, daar hij een conferentie bij president Raffel moest bijwonen.
Wij zaten nog aan het ontbijt, waaraan directeur Beckmann ook deelnam, toen onze consul op het terras van het hotel verscheen, zich een couvert liet brengen, en ons toen met opgewekten toon, den afloop der conferentie mededeelde.
“Onze dokter Raffel is toch een slim, scherpzinnig man, dat moet hem nagegeven worden,” zeide mijnheer Rose, nadat hij zich een glas wijn had ingeschonken. “Reeds bij het begin der zitting zette hij ons,—d.w.z. den Engelschen en Amerikaanschen consul en mijn persoon—uiteen, dat, door het oprichten van een provisioneel bestuur, mijnheer Chambers voortaan geen recht meer had als president van de rechtbank op te treden; daarom zou hij,—n.l. dokter Raffel,—als voorzitter van den gemeenteraad, het gerechtshof doen sluiten. Ondanks het hevig verzet van de twee andere consuls, zetten dokter Raffel en ik de sluiting van het gerechtshof door, voorloopig ten minste, want ik vrees wel, dat voornamelijk mijn collega Maxse het niet daarbij zal laten, maar al het mogelijke beproeven om zijn vriend Chambers zijn invloedrijken post weer terug te bezorgen.”
Dat onze consul zich hierin niet vergist had, bleek reeds den volgenden dag, 7 Januari. Door toedoen van den Engelschen consul, bracht de commandant der “Porpoise” een afdeeling mariniers en matrozen aan land, onder wier bescherming Mr. Chambers zich naar de zitting van het gerechtshof begaf, en verklaarde, dat hij zijn ambt als president zooals vroeger wilde waarnemen. Een wacht mariniers bleef voor zijn persoonlijke veiligheid voor het huis gestationneerd.
Zoowel president Raffel, als onze consul, moesten, hoewel zij schriftelijk protesteerden, deze daad van geweld lijdelijk toelaten, wilden zij het niet tot een hevige en gevaarlijke botsing met de Engelschen en Amerikanen laten komen. Zooals de naaste toekomst intusschen leeren zou, deden de beide heeren de noodige stappen bij het Duitsche rijk, tot krachtige ondersteuning der Duitsche belangen op de Samoa-eilanden.
Nog op den middag van den 7n Januari liet de consul mij roepen en deelde mij mede, dat er nu geen beletselen meer voor mij waren om naar de factorij terug te keeren, daar zijn secretaris met het officieel verslag van de heeren Gaedecke en Hendriksen, weer thuis was gekomen.
“Ik ben overigens vast overtuigd,” besloot de consul, “dat mijn Engelsche collega kalmpjes deze geheele zaak den kop zal indrukken, al was het alleen om den smadelijken en belachelijken afloop van het optreden van een zijner officieren in den Duitschen biertuin. Mocht echter, onverhoopt, de commandant van de ‘Porpoise’ of mijnheer Maxse, met u willen afrekenen, beste Arendt, dan zal ik u onmiddellijk daarvan op de hoogte stellen. Vaarwel!”
Nadat ik daarop van directeur Beckmann afscheid genomen had, voer ik in een kano, die men mij hiervoor leende, naar Laulii, waar ik nog vóór het vallen van de duisternis aankwam.
“Goddank, beste vriend, dat gij heelhuids en gelukkig aan de handen der Amelekieten ontkomen zijt!” riep Gaedecke uit, en hij begroette mij hartelijk, toen ik op de veranda kwam.
Onder het souper moest ik al mijn wederwaardigheden in Apia uitvoerig vertellen.