Part 8
“Ik vrees echter zeer.” vervolgde de directeur, “dat de dood van den ouden, onschadelijken Malietoa, groote onrust en verwarring in geheel Samoa veroorzaken zal. Gij, waarde Krüger, zijt met de tegenwoordige omstandigheden nauwkeurig bekend, maar voor Arendt is het zeer goed, wanneer hij hiervan wat op de hoogte komt, opdat hij niet te eeniger tijd een onvoorzichtigheid bega. Sedert in 1889 de u bekende mogendheden een zoogenaamd beschermend-tractaat over Samoa hebben gesloten, is het volk dikwijls onrustig geweest, hetgeen grootendeels toe te schrijven is aan den naijver van Engeland en de Vereenigde-Staten tegen Duitschland. Onze handel in Samoa, bedraagt ruim het dubbele van dien der beide mogendheden te zamen, hetgeen een doorn in hun oog is. Onze grootste vijanden zijn de rechter Chambers, een geboren Noord-Amerikaan en de Engelsche consul Maxse, die er in de laatste jaren ijverig op uit zijn, onzen dokter Raffel, den voorzitter van den gemeenteraad in Apia, voortdurend moeilijkheden in den weg te leggen. Dit ondervindt ook consul Biermann, die bij de hier wonende Duitschers, evenals bij de inboorlingen zeer bemind is.”
“Het zal mij benieuwen, of onze vriend Tamasese van den dood van zijn ouden vijand partij zal trekken, om zich tot koning te doen kiezen,” zeide mijnheer Krüger.
“Ik acht dit zeer waarschijnlijk,” antwoordde de directeur, “doch de aanhangers van den verbannen Mataafa, zullen dit niet kalm aanzien, maar hun best doen, hun vroegeren koning weer op den troon te krijgen.”
“U hebt zooeven gezegd, directeur, dat deze Mataafa, naar de Maarschalks-eilanden verbannen is,” zeide ik. “Maar deze groep ligt op zulk een afstand, dat hij onmogelijk tijding van Malietoa’s dood ontvangen kan.”
“O, dat is geen bezwaar, beste Arendt,” antwoordde de directeur. “De Samoaners zijn uitstekende zeelieden en kunnen in hun groote oorlogsbooten, die van outsiders [3] voorzien zijn, zeer groote reizen ondernemen. Evengoed als zij in vroeger tijd naar de Tonga- en Vitschi-eilanden konden varen, en krijgsgevangenen te maken, die zij hier tot viering van de overwinning opaten, kunnen zij ook naar de Maarschalks-eilanden zeilen.”
De eerstvolgende dagen besteedden mijnheer Krüger en ik tot het doen van inkoopen wat huisraad en keukengereedschappen betrof, voor het nieuwe woonhuis in de factorij Laulii, en voeren toen daarheen terug.
Verscheiden weken gingen onder flink werken voorbij. Kapitein Johannsen bracht ons in zijn kotter ongeveer dertig Tonga’s, die spoedig door een twintigtal inboorlingen gevolgd werden, zoodat mijnheer Krüger de geleende werklieden van de factorijen Veilele en Vaitele weer naar hun plantages kon terugzenden. Op de plaatsen, waar de boomstammen geveld waren, werden deze, die niet voor timmerhout konden gebruikt worden, met takken en bladeren in brand gestoken, om door de achterblijvende asch den bodem tegelijk te bemesten. Toen alles op deze manier behoorlijk voorbereid was, begon de eigenlijke arbeid voor den aanleg der verschillende cultures. Verscheiden hectaren in de laagst gelegen gedeelten werden met kokosnoten bezaaid, die zooals ik wist, pas na zeven of acht jaar winst afwierpen. Ten einde de grond, tusschen de gezaaide noten niet geheel braak te laten liggen, werden in de open plekken katoenheesters geplant. Gaedecke wilde ook in de hooger gelegen gedeelten, de proef nemen met koffie, thee en cacao, hetgeen de goedkeuring van mijnheer Krüger ten volle wegdroeg; bovendien beloofde deze zijn jeugdigen collega nog, hem, zoodra hij in de gelegenheid was, een hoeveelheid tabakszaad te zenden, dat hij mijnheer Koning, uit Matautu, zou bestellen.
Na verloop van een maand waren alle toebereidselen afgeloopen, en mijnheer Krüger verliet ons, om naar Mulifanua terug te keeren, daar hij overtuigd was, dat Gaedecke volkomen in staat zou zijn, het bestuur over de jonge plantage op zich te nemen en deze tot bloei te brengen.
Intusschen was de oogst der weinige cultures van de oorspronkelijke plantages Laulii binnengebracht; een kotter werd uit Apia ontboden om dezen af te komen halen en ik had de handen vol met het in orde maken der boeken en die bij te houden. Mijn vroegere makker en ik zagen elkander alleen bij de maaltijden, als ik hem niet in mijn vrije uurtjes een bezoek bracht op de verschillende plantages, die onder zijne leiding aangelegd moesten worden en waarover hij het toezicht hield. Hij had hiervoor al zijn tijd noodig. Alleen des Zondags bleef Gaedecke in onze gemeenschappelijke woning, die wij zoo gezellig mogelijk ingericht hadden. Alles was er zindelijk en frisch; enkele schreden van onze deur, stroomde het heldere, koele water van het riviertje, terwijl de bloeiende boomen en heesters de lucht met hun welriekende geuren vervulden. Het had veel van een liefelijke idylle!
ACHTSTE HOOFDSTUK.
KONING MATAAFA.
Ongeveer tegen het midden van de maand Augustus keerden Gaedecke en ik op een morgen van de hooger gelegen koffie- cacao- en theeplantages, die een rijken oogst beloofden, naar ons huis terug, toen wij heel onverwachts in het rivier-dal een talrijke menigte inlanders tegenkwamen, die allen met buksen gewapend waren en een gordel met patronen aangegespt hadden. Aan het hoofd der Samoaners marcheerden twee mannen, waarvan een ons bekend voorkwam.
“Is dat niet het opperhoofd, van wien directeur Beckmann de nieuwe landerijen gekocht heeft?” vroeg mijn vriend, die wat bijziende was.
“Ja, hij is het,” antwoordde ik, want ik herkende hem, “wat zou hij in het schild voeren, om met zooveel volk hierheen te komen?”
Op dit oogenblik herkende het opperhoofd ons eveneens; hij zeide een paar woorden tot den man, die naast hem liep, bleef toen staan en riep ons heel vriendelijk zijn: “Talofa!” toe. Wij beantwoordden zijn groet op dezelfde wijze en gaven hem de hand, toen wij bij hem gekomen waren. Zijn metgezel, een groot, reeds bejaard Samoaner, wiens bovenkleed en lava-lava van een fijne zijden stof vervaardigd waren, nam zijn buks van den schouder en gaf ons toen ook vriendelijk lachend de hand.
“Onze aanstaande koning, Mataafa!” zeide het opperhoofd, op plechtig ernstigen toon, terwij hij op dezen wees.
Gaedecke en ik bogen zeer beleefd en eerstgenoemde begroette met een paar woorden, den koning, die uit de verbanning teruggekeerd was.
“Zoudt gij de twee mannen niet vragen, of zij bij ons willen rusten?” vroeg ik mijn landgenoot in het Duitsch. “Wie weet, of deze dienst ons later niet nuttig kan zijn.”
“Gij hebt zoo waar gelijk, mijn beste,” antwoordde Gaedecke. Hij noodigde daarop Mataafa benevens het opperhoofd uit, een weinig te rusten in onze woning vlak in de buurt, en een klein lunch te gebruiken. De uitnoodiging in uitstekend Samoaansch gedaan, scheen den ex-koning te verrassen en te verheugen tevens, want hij gaf ons nogmaals de hand, er bijvoegende, dat het hem bijzonder aangenaam was, al dadelijk in de eerste dagen van zijn terugkomst uit de verbanning, gastvrijheid te mogen ondervinden bij Duitsche heeren, daar hij steeds, voor alles, wat Duitsch was, de grootste achting en sympathie gekoesterd had.
Na een klein halfuur waren wij bij ons huis; Gaedecke bracht Mataafa en het opperhoofd naar de veranda aan de voorzijde, en ik wees het gevolg, dat uit ongeveer veertig inlanders bestond, een plaats aan, in het schaduwrijk boschje, aan den oever van het riviertje. Toen haastte ik mij naar de loods en beval Sufa dadelijk eenige flesschen bier, met wat koud vleesch en versch brood, dat onze kok om den anderen dag zelf bakte, naar de veranda te brengen; Gaedeckes knecht en de kok moesten vier flesschen whiskey, benevens een mand scheepsbeschuit naar het gevolg aan den oever dragen en daar uitdeelen.
Bij mijn terugkomst op de veranda, had mijn vlugge knecht de tafel reeds gedekt en de spijzen er op gezet.
“Op het welslagen uwer onderneming!” zeide Gaedecke, zijn glas tegen dat van den ex-koning aanstootend, en ik volgde zijn voorbeeld.
“Dank u, Heeren, voor uw vriendelijke wenschen, die zeker vervuld zullen worden. Daarvan ben ik vast overtuigd!” antwoordde Mataafa.
Gedurende het kleine maal, dat wij vrij haastig gebruikten, deelde Mataafa uit zijn bijna negenjarig verblijf op het eilandje Jaluit, eenige voorvallen mee, die ons oprecht medelijden deden krijgen met den man, zoo wreed door het lot behandeld. Hij verzekerde ons, dat de inboorlingen der Maarschalks-eilanden ver bij de Samoaners achterstonden, wat beschaving, karakter en levenswijze aangaat; misschien zou hierin echter spoedig verbetering komen, omdat er onlangs op Jaluit een kolenstation voor de Duitsche marine was opgericht; dat was gebeurd in de eerste jaren zijner verbanning.
Na een rust van een klein uur, vertrokken de hoofden weer met hun gevolg. Wij hadden Mataafa het gebruik van onze booten aangeboden, indien hij zijn reis naar Apia wellicht over zee zou willen voortzetten; maar hij had bedankt, daar het hem beter voorkwam, in de haven van Apia niet met zulk een sterk gewapend gevolg binnen te loopen. Het zou de aandacht van het bestuur trekken en hem misschien onaangenaamheden berokkenen. Hij gaf er de voorkeur aan langs de kust verder te gaan, om zich in de enkele dorpen daar, aan zijn aanhangers te vertoonen, die reeds vernomen hadden, dat hij uit de ballingschap teruggekeerd was. Hij bedankte ons vriendelijk voor ons aanbod en zette toen in snellen pas, de reis langs de kust naar Laulii voort.
Toen ik eenige dagen later naar Apia voer, om de noodige gelden in ontvangst te nemen, vernam ik, tot mijn groote verbazing, dat Mataafa, in de laatste dagen van November, inderdaad met groote meerderheid van stemmen, door de Samoaners tot koning gekozen was. Zooals directeur Beckmann mij later vertelde, had deze meerderheid het zesdubbele van de stemmen bedragen, die voor den tegen-candidaat Tamasese, onzen ouden vriend in Mulifanua, waren opgenomen. Tot de keus van Mataafa, hadden de consuls, als vertegenwoordigers der drie mogendheden, reeds hun toestemming gegeven. De directeur geloofde echter, dat deze koningskeuze bezwaarlijk zonder verdere gevolgen zou blijven, daar voornamelijk de Engelschen, met hun consul Maxse aan het hoofd, alle zeilen zouden bijzetten, de keuze van Mataafa te doen mislukken; zij waren er daarom niet mee ingenomen, omdat de nieuwe koning als een verklaarde vriend van Duitschland bekend stond.
De naaste toekomst zou leeren, dat mijnheer Beckmann goed had gezien.
Den 31n December waren Gaedecke en ik naar Apia gevaren, om aan een uitnoodiging van onzen directeur te voldoen en den Oudejaarsavond ten zijnen huize, in den kring der gezamenlijke beambten der Duitsche Handelmaatschappij, in Matafele, te vieren. Wij konden onze factorij gerust voor eenige dagen aan de hoede toevertrouwen van een onlangs aangesteld opzichter, dien mijnheer Krüger ons uit Mulifanua gezonden had, om Gaedecke bij het toezicht over het werkvolk behulpzaam te zijn. Hendriksen, zoo heette de opzichter, was reeds sedert verscheiden jaren werkzaam geweest op de plantage Mulifanua, en had zich onder de leiding van Mertens tot een flink, bruikbaar ambtenaar gevormd, die het ook verstond, het werkvolk op de plantages, dat tot verschillende volksstammen behoorde, met tact en beleid te behandelen.
Na een heerlijk souper, dat directeur Beckmann zijn gasten had aangeboden, begaven wij ons in den fraaien, goed onderhouden tuin achter het huis, en wachtten daar, onder levendige gesprekken, een glas punch en een sigaar, het begin van het nieuwe jaar af. Juist hadden wij plaats genomen aan de verschillende tafeltjes, toen onze consul, mijnheer Rose, de opvolger van mijnheer Biermann, zich met twee heeren, beambten van den Duitschen consul, bij ons voegde, en zich wegens zijn late komst bij onzen directeur verontschuldigde met de woorden: “Beste vriend, het was mij onmogelijk vroeger te komen. Toen ik op het punt stond mij met deze heeren tot u te begeven, kreeg ik een boodschap van dokter Raffel, om mij zoo spoedig mogelijk bij hem te vervoegen.”
“Is er dan iets bijzonders gebeurd, waarde Heer, dat de voorzitter van den gemeenteraad u nog op zulk een vergevorderd uur wilde spreken?” vroeg de directeur verwonderd.
“Zeker, zeker!” antwoordde de consul. “Ik zal het u en dezen anderen heeren dadelijk vertellen; op hun stilzwijgendheid kan ik toch zeker rekenen, maar geef mij eerst een sigaar en een glas punch, beste Beckmann, ik heb behoefte aan een kleine hartsterking.”
“Zooals gij weet,” begon consul Rose, na zich met een glas punch verkwikt en een sigaar opgestoken te hebben, terwijl hij zich naar de heeren aan zijn tafel wendde, “zooals gij weet, stierf de oude Malietoa den 22sten Augustus in Mulinu en in het begin van November keerde de verbannen Mataafa reeds uit Jaluit terug. Eenige weken geleden is deze met groote meerderheid van stemmen tot koning gekozen en door ons, consuls, ook als zoodanig erkend. Zooals ik gedacht had, viel deze keuze niet in den smaak van de heeren Engelschen en mijn beide collega’s; de Engelsche, zoowel als de Amerikaansche consul, begonnen dadelijk allerlei kuiperijen tegen Mataafa, hoewel zij diens keuze goedgevonden hadden. Zonder moeite gelukte het hun dan ook, den rechter Chambers, die zich jegens al, wat Duitsch is, alles behalve vriendelijk getoond heeft, voor hun plannen te winnen. Naar dokter Raffel een uur geleden medegedeeld heeft, zal morgen, 1 Januari, de keuze van Mataafa een onderzoek moeten ondergaan, hetgeen niets anders dan een ellendige comedie is, en de zoon van Malietoa, de jeugdige Fanu Mafili, tot koning worden uitgeroepen. Deze Tanu is nog heel jong; hij gaat op de Engelsche Zendelingenschool en is een volkomen willoos werktuig in de handen der Engelschen en Amerikanen. U kunt nu gemakkelijk begrijpen, Heeren, welke gevolgen de benoeming van Tanu voor de belangen van Duitschland hebben zal.”
“Ik ben vast overtuigd, dat Mataafa zich niet zonder krachtig verzet schikken zal in zijn vernedering,” zeide directeur Beckmann, toen de consul zijn verhaal geeindigd had, dat vooral Gaedecke en mij vreemd voorkwam, daar de heeren, die in Apia woonden, natuurlijk beter met alles, wat er gebeurde, bekend waren.
Om twaalf uur begroetten wij het Nieuwe Jaar met onze hartelijke wenschen voor het verdere welzijn der Duitsche Handel- en Plantage- Maatschappij, waarna consul Rose een dronk instelde op het verre vaderland en den Duitschen keizer, waarmee wij juichend instemden; daarop namen wij afscheid van onzen vriendelijken gastheer.
Den volgenden dag legden wij eerst een bezoek af bij directeur Beckmann en feliciteerden hem met het Nieuwe Jaar; wij gaven daarna onze kaartjes af bij den, in de buurt wonenden Duitschen consul, mijnheer Rose, die, zooals de knecht ons zeide, niet thuis was, maar zich naar den voorzitter Raffel begeven had. In Matefele vonden wij de meeste beambten in het huis van den directeur van het Hoofdbestuur, aan een feestelijk ontbijt vereenigd, waaraan wij dadelijk moesten deelnemen. Toen wij tegen den avond naar ons hotel terugkeerden, zagen wij in alle straten en pleinen langs de haven een groote menigte inlanders, die allerlei gebaren maakten, schreeuwden en druk heen en weerliepen, zoodat wij dadelijk begrepen, dat de heeren Chambers en Maxse hun doel bereikt hadden. In het Hotel International gekomen, bevestigde onze landgenoot ons vermoeden; de rechter Chambers had de keuze van Mataafa voor nietig verklaard, en, in overleg met den Engelschen consul Maxse, den jeugdigen Tanu Mafili tot Koning van Samoa uitgeroepen.
Vervolgens begaven wij ons na het late diner naar directeur Beckmann om afscheid te nemen en zijn orders te ontvangen.
“Begeeft u morgen vroeg weer naar Laulii, Mijneheeren,” zeide hij op zijn vriendelijke manier, “en laat de factorij zoo weinig mogelijk alleen. Ernstige gebeurtenissen wachten ons, die al uw waakzaamheid en voorzichtigheid zullen vereischen. Zoodra ik u iets gewichtigs heb mee te deelen, zal ik u een afzonderlijken bode zenden.”
Een paar dagen na onze terugkomst, kwam een boot uit Apia met verscheiden timmerlieden, een paar balken en een hoogen paal, bij de factorij aan, en overhandigden een brief van den directeur, die aan Gaedecke geadresseerd was.
De directeur schreef. “Ik zend u eenige handwerkslieden met het noodige materiaal om een vlaggestok op uw woonhuis te bevestigen. Het is bij de aanstaande vijandelijkheden, die niet zullen uitblijven, meer dan noodzakelijk, onze plantages door het uit steken van den Duitschen rijksstandaard, als eigendom van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, kenbaar te maken, vooral tegenover de aanhangers van koning Tanu Mafili, die door de Engelschen en Amerikanen op den troon verheven is. Wees zoo goed, den vlaggestok zoo spoedig mogelijk te laten plaatsen, en dan onmiddellijk de hiernevens gaande vlag in top te hijschen.”
Binnen drie dagen was de stelling voor den vlaggestok gereed, en de kleuren van ons vaderland wapperden hoog aan den top van den paal.
Nauwelijks een week later kwam mijn knecht Sufa mijn kamer binnenstormen en riep mij toe, dat het ons bekende hoofd met een groote menigte gewapende Samoaners daar juist in het dal, op weg naar de kust, voorbij gekomen was. Van een der soldaten had hij vernomen, dat hun koning Mataafa, al zijn aanhangers te wapen had geroepen om tegen de partij van Tanu te velde te trekken. Dadelijk liet ik mijn werk, dat ik onder handen had, in den steek, en haastte ik mij naar buiten, om mij van de juistheid van dit bericht te overtuigen, en zag werkelijk nog de laatsten der inlanders, allen met buksen gewapend, op ongeveer vijfhonderd meter van het station, met versnelden pas naar de kust oprukken. Gaedecke was in de hooger gelegen plantages bezig; ik gaf Sufa order hem op te zoeken, hem het voorgevallene te vertellen en hem te vragen zoo spoedig mogelijk bij mij te komen.
Wij zaten aan tafel, toen wij plotseling kanonschoten hoorden, waarop na weinig minuten ook het zwakke geluid van het knallen van geweren volgde. Het was duidelijk, dat in de bergen, westelijk van het rivierdal, een gevecht plaats vond, dat zeer waarschijnlijk tot onze factorij voortgezet zou worden. In overleg met Gaedecke, die mij, als ex-soldaat, de verdediging onzer factorij, als het noodig was, had toevertrouwd, liet ik dadelijk onzen opzichter Hendriksen komen, wien ik opdroeg al de werklieden uit de plantages hier te roepen en voor ons woonhuis bijeen te brengen.
Een uur later stonden ongeveer vijftig man, grootendeels sterke Tonga’s, bij den vlaggestok en keken met vurigen blik in de richting, vanwaar de schoten gehoord werden. Allen waren met groote messen gewapend, en bovendien hielden de meesten nog speren in de rechterhand. Gaedecke, Hendriksen en ik hadden onze buksen en revolvers gegrepen, terwijl onze knecht en de kok eveneens van geweren en messen voorzien waren. Nadat ik de lieden duidelijk gemaakt had, dat het ons te doen was, de vechtenden te verhinderen, het terrein, dat tot onze factorij behoorde, te betreden, en onze gebouwen als een vesting te gebruiken, rukte ik met alle manschappen voort, tot aan den buitensten rand van een groot suikerrietveld, en stelde daar ons legertje op.
Het duurde niet lang, of, tusschen de boomen aan den westelijken rand van het dal, zagen wij de gedaanten van enkele Samoaners, die zich langzaam terugtrokken, terwijl zij onophoudelijk op de snel voortrukkende vijanden schoten, die wij tot nu toe nog niet hadden kunnen zien. Maar heel spoedig bemerkten wij de tegenstanders van Mataafa en ontdekten, tot onze groote verbazing, onder hen een afdeeling Engelsche oorlogsmatrozen en hun bevelhebber, in de uniform van Britsch zeeofficier. Zooals ik later vernam, was werkelijk een luitenant met vijftig matrozen en mariniers van het Engelsche oorlogsschip “Porpoise” naar de aanhangers van Tanu Mafili heengegaan, om dezen in den strijd tegen Mataafa te helpen.
Van Mataafa zelf konden wij intusschen niets ontdekken, maar wel herkenden wij heel spoedig de gestalte van ons opperhoofd, die zijn soldaten tot volharden scheen aan te vuren, want hij liep gestadig van het eene eind der schietlinie naar het andere. Toch duurde het niet lang, of zijn krijgslieden hadden den voet van de helling bereikt en zich gedekt, achter de hooge stammen der palmen, ongeveer vijfhonderd meter van onze stelling; hier openden zij nu een moorddadig vuur op den woest naderenden vijand, aan wiens hoofd de Engelsche officier met zijn manschappen stond. Ten einde het opperhoofd en zijn troep, al was het dan ook geen krachtdadige hulp, tenminste een kleinen stilstand van wapenen te bezorgen, waarvan hij misschien partij kon trekken, om zich op de oostelijke helling in veiligheid te brengen, haastte ik mij naar de kampplaats, terwijl ik mijn witten zakdoek, bij wijze van parlementairsvlag aan den loop van mijn geweer vastgebonden, heen en weer zwaaide. Werkelijk hield het schieten van beide zijden op, toen men mij gewaar werd.
“Wat wilt gij, Mijnheer?” riep de Engelsche officier mij in zijn moedertaal barsch toe, terwijl hij mij een paar schreden tegemoet kwam.
“Ik wil er u even attent op maken, dat u hier op den grond eener Duitsche factorij zijt!”
“Dat is mij om het even,” gaf hij minachtend ten antwoord. “Het is mij te doen deze honden van opstandelingen uit te roeien, en ik zal mij hierin in geen geval door u laten verhinderen. Verstaan, Mijnheer?”
“Welaan, dan geef ik u de verzekering, Mijnheer, dat ik, met alle middelen, waarover ik te beschikken heb, iedere schending van ons onzijdig, Duitsch grondgebied tegen zal gaan,” riep ik den Engelschman toe, woedend over diens onbeschaamd optreden.
“All right!” antwoordde deze. “Ik raad u echter aan, te maken, dat u wegkomt, anders kondt gij wel eens een paar kogels oploopen!”
Vóór ik nog kon antwoorden, vielen er achter de matrozen en de soldaten van Fanu verscheiden schoten, en dadelijk daarop, zag ik koning Mataafa aan het hoofd van minstens tweehonderd inlanders, die zich onder een hevig vuur en al schreeuwende, op den vijand wierpen. Tegelijkertijd liet ook het opperhoofd een gillenden krijgskreet hooren; hij stortte zich op zijn tegenstanders, die onmiddellijk de helling afstormden en het aan de matrozen overlieten, de soldaten van Mataafa tegen te houden.
In een oogwenk begreep ik, dat de sluwe, ervaren Mataafa, deze list met het opperhoofd had afgesproken, om den vijand tusschen twee vuren te brengen; daarom moest het hoofd het gevecht zoolang aanhouden en zich van lieverlede tot in het rivierdal terugtrekken, om den koning den tijd te laten, den omweg over Laulii tot aan de kampplaats te kunnen afleggen.
Ik liep, zoo hard ik kon, tot den rand van het suikerrietveld terug, om niet onder de vechtenden te geraken en daarbij, mogelijk, een kogel op te doen; mijn doel, om het met mij bevriende opperhoofd een korte staking van het gevecht te bezorgen en tegelijk, hoewel heel toevallig, koning Mataafa tijd te geven, zijn tegenpartij in den rug aan te vallen, was bereikt.
Van onze standplaats af, konden wij waarnemen, hoe Mataafa, wiens strijdkrachten die der Tanu-partij in aantal ver overtroffen, deze steeds meer en meer de helling opdrong, ondanks den hardnekkigen tegenstand der Engelsche matrozen, die zich dapper verweerden, maar ten slotte toch moesten terugtrekken, wegens de zware verliezen, die zij leden.
Noch Mataafa, noch het opperhoofd keerden dien avond in ons dal terug, waaruit wij konden opmaken, dat zij de volkomen verslagen Tanu-soldaten tot in Apia vervolgd hadden.
“Het is toch een groot geluk voor ons, dat wij niet genoodzaakt zijn geweest, ons land tegen de vijanden van koning Mataafa te verdedigen,” zeide Gaedecke op onzen weg naar huis. “Wij zouden met onze lieden, die alleen met speren en messen gewapend waren, tegenover de Engelsche matrozen een vrij armzalige rol gespeeld hebben, niet waar Arendt?”