Op Samoa

Part 7

Chapter 7 3,808 words Public domain Markdown

De kinderen bleven aan den ingang angstig tegen elkander staan en waagden het volstrekt niet een stap verder te komen; met groote oogen en open mond staarden zij naar de brandende lichtjes en de mooie dingen, die op de tafels uitgespreid lagen. Eerst toen Sievers, Hendrik en ik de voorsten bij de hand namen en hen met vriendelijke woordjes naar de tafels brachten, kwam er wat leven in het troepje. Mijnheer Sievers, die al de kinderen bij den naam kende, riep hen en ook de moeders, hardop tot zich, en gaf ze dan aan ons over, om hen naar hun plaatsen te brengen. Toch durfden de kleintjes, die van alles wat er voorviel, zoo goed als niets begrepen, de aangeboden geschenken niet aan te nemen; mijnheer Sievers had zich voor het harmonium geplaatst, dat tusschen de twee tafels stond, en na een kort voorspel, zongen de kinderen in koor het altijd schoone: “Heilige nacht! Stille nacht!” Dit lied, dat ik als knaap zoo dikwijls gezongen had, maakte door de zachte, welluidende stemmen der kleinen, natuurlijk in de Samoaansche taal, op mij een onvergetelijken, diepen indruk. Toen het lied uit was, riep de dominee tot de kinderen, dat zij nu al het moois, dat bij de briefjes met hun naam lag, moesten opnemen. Binnen enkele minuten klonk in het groot lokaal een gelach en gejuich, waaraan zich spoedig de klank van trompetten en tromgeroffel paarde, want de jongens probeerden hun instrumenten. De meisjes lieten elkaar haar poppen zien, beten kleine stukjes van de heerlijke peperkoeken, die zij nog nimmer gezien hadden en lieten onophoudelijk de mondjes gaan als een troep jonge ganzen.

De vrouwen, die in hooge mate verrukt waren over de verrassende geschenken van mooie stoffen en sieraden, gingen naar mevrouw Forstner en bedankten haar met van vreugde stralende gezichten voor haar goedheid. Toen deze haar uitlegde, dat zij de kerstgaven voornamelijk aan mijnheer Krüger en de beide jonge Duitsche heeren te danken hadden, kwamen de vrouwen, meest allen jong en schoon, naar ons toe, gaven ons de hand en waren onuitputtelijk in dankbetuigingen.

Op dit oogenblik drongen de twee dochtertjes van den dominee door de kinderen en vrouwen naar hun moeder heen en riepen met glinsterende oogen:

“O, moesje, kijk eens, wat het Kerstkindje ons gegeven heeft!” En tegelijkertijd hielden zij de pop, die zij van Hendrik en mij gekregen hadden, in de hoogte.

“Mijn pop kan ‘Mama’ zeggen,” riep Marietje uit.

“En de mijne roept heel duidelijk ‘Papa,’ als ik op haar borst druk,” voegde de kleine Betsy er bij.

De domineesvrouw wisselde een vriendelijken blik van verstandhouding met ons en gaf ons de hand.

“Bij de poppen ligt nog een papiertje met uw naam er op, in een mandje, moesje.” kwam het oudste zusje vertellen.

De moeder begaf zich dadelijk naar de aangewezen tafel, en nam het mooie werkmandje op, dat zij vol bewondering bekeek.

“Wien van de twee heeren mag ik voor die lieve attentie bedanken?” vroeg zij, terwijl zij Hendrik en mij beurtelings aanzag.

Toen mijn vriend op mij wees, stak de beminnelijke vrouw mij, vriendelijk lachend, beide handen toe en bedankte mij met een paar hartelijke woorden.

Een uurtje later, toen de eerste vreugde wat bedaard was, nam de dominee de kinderen bij zich en hield hij een kleine toespraak, waarin hij hun de beteekenis van het Kerstfeest voor het geheele Christendom uitlegde.

Nadat de Samoaners, ouden en jongen, belast en beladen, vertrokken waren, namen wij, Europeanen, de uitnoodiging van den predikant aan, om ten zijnen huize een eenvoudig avondeten, door zijn gemalin gereed gemaakt, te gebruiken. Daarna brachten wij nog een gezellig uurtje door, onder een glas bier en een fijne sigaar en van deze gelegenheid maakte ik gebruik, mijnheer Krüger het barnsteenen sigarenpijpje, en mijn vriend Petersen de pijp van meerschuim te overhandigen. Beide cadeautjes werden met hartelijken dank ontvangen en dadelijk in gebruik genomen.

Tegen tien uur keerden wij naar ons woonhuis terug en nog dien zelfden nacht reed Mertens ons naar de plantage. Den volgenden morgen, eersten Kerstdag, woonden wij allen, ook directeur Beckmann, de godsdienstoefening in de kerk bij, en na afloop daarvan nam de directeur afscheid van den dominee en diens echtgenoot, alsook van mijnheer Sievers, daar hij dadelijk, na het tweede ontbijt naar Apia wilde terugkeeren.

“Ik heb mij wezenlijk goed geamuseerd op uw feestje, er eere van den heiligen avond, heeren,” zeide mijnheer Beckmann, toen wij hem naar de boot brachten. “Het was mij, alsof ik weer thuis was bij de mijnen en dit is het eerste Kerstfeest, dat ik in ruim tien jaar gevierd heb.”

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OP DE NIEUWE PLANTAGE LAULII.

De eerste maanden van het jaar 1898 gingen kalm onder beurtelings werken en rusten voorbij en de eenige afwisseling bestond in het regelmatig heen en weer reizen naar Apia, om de gelden tot uitbetaling van salarissen en arbeidsloon, in ontvangst te nemen. Deze tochtjes waren mij zeer welkom, daar zij wat vroolijkheid brachten in mijn anders zeer eentonig bestaan.

In het begin van de maand April, wanneer op de Samoa-eilanden de winter begint, die tot November duurt, toen er een Oostenwind woei en het minder heet was, kregen wij een bezoek van directeur Beckmann, die zich, na ons even gegroet te hebben, naar het bureau begaf van mijnheer Krüger.

“Dat beduidt wat,” zeide Petersen, die bij mij op de veranda thee dronk. “Nu, mij laat het koud,” ging hij voort, “ik ben mij ten minste van geen kwaad bewust.”

“Het zou je waarachtig ook moeilijk vallen, hier grappen uit te halen, vriendje,” gaf ik ten antwoord, terwijl ik lachen moest om het ernstige gezicht van mijn vroolijken makker.

Kort hierop kwamen de twee heeren ook op de veranda, namen een kop thee en staken een sigaar op.

“Beste Petersen,” zeide de directeur na een poos, “uw neef heeft mij zooeven verzekerd, dat gij volkomen in staat zoudt zijn, alleen het bestuur eener drukke factorij op u te nemen; wat dunkt u, zoudt gij het aandurven, jongeheer?”

“Directeur,” antwoordde Hendrik tamelijk verbluft, “niemand, die mij eenigszins kent, zal beweren, dat al te groote bescheidenheid van jongs af een mijner deugden was; daarom ben ik zoo vrij, uw vraag met een oprecht gemeend ‘ja’ te beantwoorden. Ik moet u echter eerlijk bekennen, dat dit vleiend oordeel van mijn neef, mij ten hoogste verrast.”

“Je bent een eerste deugniet geweest, Hendrik,” zeide mijnheer Krüger ernstig, “maar in de laatste jaren ben je zeer in je voordeel veranderd en een flink, bruikbaar mensch geworden. Met een gerust geweten kan ik van je getuigen, dat je je volkomen op de hoogte gesteld hebt, van het aanleggen en kweeken van al de cultures op onze plantage, en er ook uitstekend slag van hebt, met de Tonga’s en andere eilanders om te gaan en ze naar behooren te behandelen, zoodat de arbeiders je meer gehoorzamen dan den rentmeester of mij, Daarom heb ik den directeur aangeraden, het bestuur onzer factorij in de eerstvolgende maanden aan jou toe te vertrouwen.”

“Maar, waarde neef, gaat u Mulifanua dan verlaten?” riep de jonge man verwonderd uit.

“Slechts voor enkele maanden, beste Petersen,” antwoordde de directeur, vóór mijnheer Krüger kon antwoorden. De zaak is deze, Mijneheeren. Een paar weken geleden, vernam ik, dat een kleine plantage dicht bij het dorp Laulii, oostelijk van Apia, maar nog in het district Tuamasanga gelegen, door den eigenaar, een Noord-Amerikaan, te koop werd aangeboden. Ik begaf mij in persoon naar Laulii om de plantage te bezichtigen en vond deze vrij verwaarloosd, hoewel de aard van den bodem even gunstig is als op het geheele eiland. De man had er zeker geen verstand van gehad, de verschillende cultures ieder naar haar aard aan te kweeken. Naar hij mij vertelde, wilde hij naar Amerika terugkeeren, waar hem, in den staat Ohio, een groote boerderij door erfenis ten deel was gevallen; ook kon hij niet best tegen het tropische klimaat.”

“Daar hij een matigen prijs voor de plantage vroeg,” vervolgde mijnheer Beckmann, “werden wij het spoedig over den koop eens, waarop de Amerikaan mij nog meedeelde, dat de gronden, die er aan grensden, voor het grootste gedeelte nog met oerwoud bedekt, van de eigenaars, (inlanders) voor weinig geld te krijgen zouden zijn. Tot 1 Mei, wil de tegenwoordige bezitter nog in de factorij blijven; dan wordt zij het eigendom van onze maatschappij. Ik heb nu mijnheer Krüger verzocht, mij tegen dien tijd naar Laulii te vergezellen, om ons op de hoogte te stellen van den toestand, en de landerijen te schatten, die gekocht moeten worden, want over die soort van dingen kan hij veel beter en practischer oordeelen dan ik; daarna zal ik het bestuur en de verdere uitbreiding der plantage aan mijnheer Gaedecke overdragen. Gij moet weten, dat mijnheer Tiedemann, bij wien Gaedecke tot nu toe in de factorij Vaitele geweest is, mij dien jongen man heeft afgeschilderd als bijzonder begaafd in alle zaken, die betrekking hebben op den aanleg van plantages en tropische cultures. Mijnheer Krüger zal, op mijn verzoek, Gaedecke den eersten tijd met raad en daad bijstaan, tot deze wat op de hoogte van een en ander gekomen is. Ook gij, beste Arendt, vervolgde de directeur, zich tot mij wendend, zult uw chef naar de nieuwe plantage vergezellen, om de noodige boeken in orde te brengen en de boekhouding over te nemen, waarvan de geleerde heer Gaedecke misschien geen begrip zal hebben.”

“Moet ik dan die afschuwelijke boeken weer gaan houden, directeur?” vroeg Hendrik met een verschrikt gezicht.

“Neen, vriendje,” antwoordde mijnheer Beckmann glimlachend, “uw neef heeft mij vroeger reeds in vertrouwen gezegd, dat, hoe knap en bruikbaar gij buiten op de plantages ook zijt, het boekhouden nu juist niet tot uw talenten behoort. Aanstaande week zal ik een bediende van Matafele hierheen zenden, om de boeken van mijnheer Arendt over te nemen.”

Toen ik den directeur en mijnheer Krüger mijn dank betuigd had voor het in mij gestelde vertrouwen, reden wij naar de plantage, waar mijnheer Beckmann den bloei der cultures in oogenschouw nam en ook den rentmeester Mertens kennis gaf van de aanstaande veranderingen.

In de laatste dagen van April reed mijnheer Krüger met mij en onze twee knechts naar Apia waar wij in het Hotel International onzen intrek namen. Wij troffen daar mijn vroegeren reisgenoot, Gustaaf Gaedecke, reeds aan, die mij hartelijk welkom heette; wij hadden elkander sinds anderhalf jaar niet gezien. Het verblijf in het boschrijke binnen-gedeelte van het eiland, scheen mijn landgenoot veel goed gedaan te hebben; zijn vroeger, door het studeeren, bleek en smal gelaat was door de tropische zon gebruind en zijn geheele verschijning maakte een flinken, aangenamen indruk.

Onder het eten vertelde Gaedecke ons van zijn werkzaamheden in de factorij, waar hij onder leiding van den bekwamen heer Tiedemann geleerd had, zijn theoretische kennis in practijk te brengen. Toen ik hem daarop onze lotgevallen gedurende onze reis op den kotter van Matautu naar het eiland Olosenga beschreef, riep hij in verrukking uit:

“Wat moet dat interressant geweest zijn! Ik benijd je om dat merkwaardig avontuur, beste vriend!”

“Nu, wij zouden gaarne het interessante en merkwaardige van dien tocht hebben willen missen, waarde heer,” antwoordde mijnheer Krüger droogjes. “Wat zegt gij, Arendt?”

“Ik weet het nog zoo net niet,” zeide ik. “Onze toestand op het kleine schip, gedurende den vreeselijken orkaan, was weliswaar bijzonder onaangenaam, maar het verblijf op het lapje gronds in den onmetelijken oceaan, toch hoogst belangwekkend.”

Op den morgen van den eersten Mei, voer directeur Beckmann met ons in zijn groote boot langs de noordkust naar het dorpje Laulii, dat ongeveer vijf zeemijlen oostelijk van Apia ligt; Laulii is even ver van het grootere dorp Saluafata, het Duitsche kolenstation, verwijderd. Van een eigenlijke haven is bij het kleine Laulii geen sprake; door een nauwe opening in het koraalrif kunnen de booten naar het strand komen; voor grootere vaartuigen zou dit onmogelijk zijn.

Aan het strand kwam ons de Amerikaan, dien de directeur ons als Mr. Mason voorstelde, reeds tegemoet; hij ging ons voor naar zijn woning, die een kilometer verder landwaarts in lag, terwijl onze bedienden, met een paar onzer roeiers, de bagage nadroegen. Het huis was niet groot en uit gegolfd blik opgetrokken, dat in zulk een heet land als een zeer onpractisch bouwmateriaal beschouwd mag worden; niettegenstaande de woning in een boschje van oranje- en bananenboomen lag, heerschte er in de kamertjes een snikheete temperatuur.

“Ja, gentlemen,” zeide Mr. Mason, toen hij ons het zweet van het voorhoofd zag wisschen, “het is wel wat warm in huis; daarom blijf ik meest achter op de veranda, die ik daar heb aangebracht. Mijn vrouw en kinderen hebben het hier ook niet lang kunnen uithouden, en wonen nu reeds sedert eenige maanden in Apia. Als het uw goedkeuring wegdraagt, gentlemen, zullen wij ook maar naar de veranda gaan, waar ik een klein lunch heb doen klaar zetten; onder het gebruik kunnen wij dan de zaken afdoen.”

Onder het zeer primitieve op palen rustend bladerdak, gebruikten wij een glas brandewijn-grog, met koud vleesch en scheepsbeschuit, en volgden daarna den Amerikaan naar de plantage, die een paar honderd meter verder gelegen was. Deze bestond voornamelijk uit eenige honderden kokospalmen, broodvruchtboomen, en een uitgestrekt suikerrietveld, waarop ongeveer twaalf arbeiders bezig waren, die mijnheer Krüger als inboorlingen van de Gilbert-eilanden herkende.

Naar het woonhuis teruggekeerd, gebruikten wij het middagmaal, dat onze bedienden intusschen uit den meegebrachten voorraad toebereid hadden, waarop Mr. Mason, nadat hij van den directeur Beckmann een wissel op ons eerste kassiershuis in Matafeli als koopsom ontvangen had, afscheid nam, om zich in zijn eigen boot door eenigen zijner arbeiders naar Apia te laten roeien.

“In de allereerste plaats moeten wij een geschikter verblijf zien te krijgen dan deze broeikas,” zeide mijnheer Beckmann, toen Mr. Mason ons verlaten had. “Mij dunkt, wij moesten voorloopig een paar eenvoudige hutten opslaan, zooals de arme Samoaners hebben. Als onze drie knechts en de werkman van de plantage ons helpen, kunnen wij in een paar uur wel twee zulke hutten gereed hebben. Vannacht moeten wij ons met de matten, die de Amerikaan achtergelaten heeft, als legerstede behelpen; morgen zal ik de knechts met de boot naar Apia zenden om nieuwe matten, dekens en kussens uit mijn huis te halen; zij moeten ook levensmiddelen meebrengen, want ik ben voornemens hier nog minstens vier à vijf dagen te blijven, om met de heeren Krüger en Gaedecke, den gekochten grond in den naasten omtrek eens te onderzoeken. Natuurlijk gaat gij met ons mee, Arendt,” voegde hij er glimlachend bij, toen hij mijn verwondering op mijn gelaat las. “Gij zoudt u hier alleen doodelijk vervelen, daar er vooreerst niets voor u te doen valt.”

Toen de zon onderging, waren de twee hutten inderdaad kant en klaar. Zij bestonden ieder uit een dozijn jonge boomstammen, die in den grond geheid waren; het dak was gemaakt van groote, aan elkander gebonden bananenbladeren, en rustte op een eenigszins sterkeren paal, die in het midden van de hut was aangebracht. Eenige naast elkaar geplaatste matten vormden de muren, en deze konden over dag weggenomen worden. Zoo hadden wij een onderkomen voor den nacht, dat wel heel eenvoudig, maar daarom ook zindelijker en veel koeler was, dan het verblijf in het snikheete blikken huis.

Na een rustigen nacht, ontbeten wij den volgenden morgen vroeg en gingen toen op weg om den naasten omtrek in oogenschouw te nemen.

“Ik wil wel gelooven, dat Mr. Mason niet veel vrucht van zijn plantage getrokken heeft,” zeide mijnheer Krüger, toen wij door dat gedeelte der kleine plantage wandelden, waar de cultuur begonnen was. “Het kopra van deze twee à driehonderd kokospalmen kan hoogstens zooveel opgebracht hebben om de helft van het arbeidersloon te dekken, iets gunstiger schijnt het met het suikerriet te staan; de planten zien er goed en sterk uit, en zullen een bevredigende winst afwerpen. Gelooft gij dit ook niet? mijnheer Gaedecke?”

“Ik ben het volkomen met u eens, mijnheer Krüger,” antwoordde Gaedecke. “De eenigszins moerassige bodem in deze vlakte schijnt bijzonder geschikt voor de cultuur van het suikerriet.”

Wij hadden de plantage verlaten en begonnen nu de helling te bestijgen, die tot het noordelijk voorgebergte van den beroemden berg Lanuto behoort. Deze helling is beplant met de prachtigste boomen van allerlei soort, en de top Lanuto, meer dan tweeduizend voet hoog, is een uitgebrande vulkaan, met het kratermeer van denzelfden naam, een der grootste bezienswaardigheden van Samoa. Toen wij nog hooger gestegen waren, konden wij den noordelijken rand van dit kratermeer duidelijk zien en bij den helderen hemel de heerlijke bergpalmen en varenboomen onderscheiden, waarmede de rand omzet is. In westelijke richting konden wij over het laag gelegen voorland de geheele kuststreek tot Saluafata en de Fangaloabaai overzien. Toen wij bij onzen terugtocht—de zon had intusschen het zenith bereikt en het was ontzettend heet geworden—in een vrij eng dal daalden, vonden wij een dal-rivier, een nauwelijks vijftien meter breed stroompje, dat de voortzetting van een waterval scheen te zijn, die ongeveer honderd meter verder, zuidelijk van den bergrand, naar beneden bruiste. Het was inderdaad een verrukkelijk gezicht. De kleine stroom, die niet breeder was dan vier meter, stortte zich tusschen boomen en bloeiende heesters van de hoogte, twintig meter diep naar omlaag, in een soort bassin, dat in den loop der tijden door het water gevormd was, en stroomde dan klaterend en schuimend verder naar het Noorden der kust.

“Vlug! de kleeren uit, Heeren!” riep de directeur verrukt uit. “Een heerlijker, frisscher bad dan moeder natuur ons hier biedt, kan men zich niet denken!”

In minder dan geen tijd, zaten wij alle vier in het kristalheldere water van het bassin en spartelden als ondeugende kinderen daarin rond.

Na deze onverwachte verfrissching, wandelden wij langs een zijweg verder en kwamen binnen het uur op de factorij Laulii, die slechts, zooals wij nu eerst opmerkten, door een kleine verheffing van den grond, van het dal gescheiden werd.

De volgende dagen besteedden wij aan verdere uitstapjes in de buurt van Laulii, waarna directeur Beckmann in overleg met de heeren Krüger en Gaedecke, besloot, ongeveer driehonderd hectaren gronds van het opperhoofd, den eigenaar van die landstreek, te koopen.

Toen de koop gesloten was, gingen de directeur en mijnheer Krüger den volgenden dag naar Apia, om zoo spoedig mogelijk het noodige aantal arbeiders te huren, die de boomen in die boschrijke streek, moesten vellen. Mijn vroegere reisgenoot Gaedecke en ik bleven op de factorij achter, gedeeltelijk om toezicht te houden op het daar aanwezige werkvolk, gedeeltelijk om plannen te maken tot het bouwen van een nieuw woonhuis.

De directeur had ons beloofd, zoo spoedig mogelijk eenige werklieden met het vereischte materiaal aan planken, matten enz. te zenden. Hij had ook in het voorstel van Gaedecke toegestemd, het nieuwe woonhuis in het dal van het kleine riviertje te laten oprichten, daar het dan meer in het midden van de vergroote plantage zou liggen, wanneer de nieuw aangekochte grond eenmaal in cultuur genomen was.

Ik kon mij bij de Gilbert-inboorlingen, die de Amerikaan ons had nagelaten, vrij goed verstaanbaar maken, als ik de taal der Tonga’s sprak, die ik in Mulifanua, door den omgang met dezen, vloeiender had leeren spreken, dan het Samoaansche idioom, dat Gaedecke nu op zijn beurt weer machtig was.

Een paar dagen later liepen twee groote booten uit Apia de baai van Laulii binnen; de eene bracht drie timmerlieden met een heelen voorraad planken, latten en ander materiaal, de andere een twintigtal plantagewerkers, die mijnheer Beckmann van de plantages Veilele en Vaitele had laten komen, om een begin te maken met het uitroeien der boomen op het aangekocht terrein. Uit een brief van den directeur aan Gaedecke vernamen wij, dat er binnen eenige weken een grooter aantal Tonga’s en inboorlingen van de Salomons-eilanden komen zouden, die in dien tusschentijd door de kapiteins van den naar hier gezonden kotter aangeworven waren.

De timmerlieden werden voorloopig in het blikken huis onder dak gebracht, terwijl het werkvolk hutten voor zich moest bouwen in het dal.

Nadat Gaedecke de plaats voor ons toekomstig woonhuis had aangewezen, werd er dadelijk met het bouwen een aanvang gemaakt. Binnen veertien dagen was het huis geheel gereed. Het had natuurlijk maar één verdieping, die aan al de vier zijden door een breede veranda, op palen rustend, omringd was, zoodat de openingen voor de vensters niet van glasruiten behoefden voorzien te worden. De regen kon door het ver vooruitstekend dak, niet in de vertrekken dringen, terwijl de versche lucht dag en nacht vrij toegang had. Deze practische manier van bouwen in de heete luchtstreek, was gevolgd op raad van mijnheer Krüger, die weer teruggekomen was. Het nieuwe huis bevatte vier afdeelingen: een gemeenschappelijke werkkamer voor Gaedecke en mij: voor ieder van ons een slaapkamertje en een grootere huiskamer. De keuken en een vertrek voor onze twee knechts en den inlander, die als kok fungeerde, bevonden zich in een soort van loods, achter het huis; het geheel was door oranje- en bananenboomen omringd, wier bladerkronen het voor de brandende zonnestralen beschutten.

Mijnheer Krüger van Gaedecke vergezeld, nam dadelijk, toen men met bouwen begonnen was, de leiding op zich over het uitroeien der boomen en het in orde maken van den bodem, op de hellingen van het rivier-dal en ook hooger op, terwijl ik belast werd met het toezicht over de timmerlieden en het andere werkvolk. De kok en de knechts moesten voor het middag- en avondeten zorgen, niet alleen voor ons, heeren, maar voor alle manschappen, daar deze den geheelen dag in de plantage bezig waren.

Toen het huis gereed was, voer mijnheer Krüger met mij naar Apia om de noodige meubelen voor de vertrekken aan te schaffen; ik moest in Matafele geld halen ter uitbetaling van het werkloon. Mr. Mason had in het blikken huis, behalve een paar versleten matten, geen enkel meubel achtergelaten.

In Apia gekomen, vonden wij daar de geheele bevolking, inlanders zoowel als Blanken, in opgewonden toestand. Volgens zeggen van den directeur Beckmann, was eenige dagen geleden, de oude koning Malietoa Laupopa, in Mulinu gestorven. Ik vernam nu ook enkele nadere bijzonderheden over de merkwaardige lotgevallen van dezen Samoaanschen vorst. Malietoa had jarenlang oorlog gevoerd met zijn twee doodvijanden, de zoogenaamde koningen Mataafa en Tamasese; in 1887 werd hij door de drie beschermende mogendheden, Duitschland, Engeland en de Vereenigde-Staten van Noord-Amerika, afgezet, en naar Kamerun getransporteerd, waar hij door het Duitsche gouvernement niet bijzonder vriendelijk behandeld werd. Van Kamerun bracht men hem naar Hamburg en eindelijk naar de Maarschalks-eilanden die onder Duitsche bescherming stonden, vanwaar hij in 1889 weer naar Samoa terugkeerde, en opnieuw als koning bezit nam van den troon, nadat zijn tegenkoning, Mataafa, naar het eiland Jaluit, dat tot de Maarschalks-eilanden behoort, verbannen was geworden. Malietoa kreeg van de Duitsche regeering een klein jaargeld en leefde stil op het schiereiland Mulinu, terwijl hij het aan zijn aanhangers overliet, hun meestal onschuldige veeten met de partij van koning Tamasese, in het westelijk gedeelte van Upolu, zoowel als met die van den afgezetten Mataafa in de oostelijke districten, uit te vechten.