Op Samoa

Part 5

Chapter 5 3,917 words Public domain Markdown

De hemel was nog altijd met wolken bedekt en weldra viel een echt tropische regen in stroomen op ons neder. Nu de kotter minder hevig slingerde, waren wij niet meer genoodzaakt ons zoo krampachtig vast te klemmen, en dat was gelukkig, want onze krachten waren werkelijk uitgeput. Wij begaven ons naar onze kajuiten om, voor wij iets anders deden, droog ondergoed en droge kleeren aan te trekken, want wij waren tot op het hemd nat. Daarna kwamen wij in de roef bij elkander en versterkten ons met een paar glazen cognac, om onze levensgeesten, die door den doorgestanen angst en de groote vermoeienis zeer verzwakt waren, wat op te wekken. Juist hadden wij een sigaar opgestoken, toen de stuurman, doornat van den regen, bij ons binnentrad en den kapitein met een ernstig gelaat meedeelde, dat een der matrozen hem was komen zeggen, dat er in het voorste gedeelte van het schip, onder het benedendek, zeker een lek moest zijn, daar hij duidelijk het ruischen van water in het ruim had vernomen,

Onmiddellijk haastte kapitein Johannsen zich daarheen, om zich van den toestand te vergewissen. Na een half uur keerde hij terug met de tijding, dat de kotter inderdaad een lek bekomen had, en dat het geheele ruim reeds vol water stond. Waarschijnlijk was de legger of steekbalk van den hoofdmast beneden in den kolsem (dwarse, dikke kielbalk) door het breken van den mast, los gaan staan, waardoor eenige planken aan bakboordzijde van elkander geweken waren.

“Ik zal trachten,” zeide de kapitein, “het schip door uitpompen zoolang vlot te houden, tot wij op een der eilandjes kunnen landen, die hier in de buurt moeten liggen. Tot mijn spijt kan ik volstrekt niet bepalen, waar wij ons op het oogenblik bevinden, want met deze duisternis ben ik niet in staat de vereischte berekeningen dienaangaande te maken. Voor zoover ik echter kan nagaan, moeten wij honderd zeemijlen noordelijk van Savaii zijn. De vreeselijke orkaan heeft den kotter zelfs met razende snelheid juist naar het Noorden over het water gejaagd. God geve, dat wij spoedig land mogen zien, anders zijn wij verloren, want het uitpompen zal wel niet veel helpen.”

“Het spreekt van zelf, kapitein,” zeide mijnheer Krüger, “dat wij, zooveel als in ons vermogen is, onze hulp bij het pompen verleenen; uw Tonga’s zullen wel spoedig geheel uitgeput zijn.”

“Ik neem uw aanbod in dank aan, mijnheer Krüger,” antwoordde kapitein Johannsen. “De stuurman zal zich ook naar de scheepspomp begeven, terwijl ik het roer overneem.”

Gelukkig had de regen opgehouden, toen wij naar den romp van den gebroken mast gingen, waar de scheepspompen waren; wij bleven dus ten minste van boven droog, want tot aan de knieën stonden wij in het water, daar de onstuimige zee nog van tijd tot tijd hooge golven over het dek wierp.

Langer dan een uur hadden wij onafgebroken den pompslinger op en neer bewogen; het zweet brak ons van alle kanten uit. Een massa vuil water hadden wij uit het ruim op het dek gepompt; het vloeide nu door de spuigaten (opening in het dek) in de zee, maar toch bleef de waterstand in het ruim even hoog, zooals de stuurman door dikwijls herhaalde peilingen gewaar werd; maar stijgen deed hij ook niet. Het kwam er dus op aan, het werk met alle kracht voort te zetten. Eindelijk, het liep tegen vijf uur, riep een der matrozen, die vooraan op den boeg stond: “De branding vlak voor ons!”

Werkelijk zagen wij recht voor ons uit, een geweldige branding, maar wij waren er nog wel een zeemijl van verwijderd. Het was duidelijk, dat zich daar een uitgestrekt koraalrif bevond, waartegen de golven met groot geweld braken, zoodat wij het schuim hoog zagen opspatten. Noch de kapitein aan het roer, noch de stuurman konden met hun verrekijkers een opening ontdekken in het rif, waar de wind ons in rechte lijn heen dreef; een schipbreuk kwam ons dus onvermijdelijk voor. Op dit oogenblik riep de kapitein verscheiden matrozen op het achterdek, liet het zeil aan den bezaansmast inbinden en wierp het roer naar stuurboord om, hetgeen tengevolge had, dat de kotter niet veel vooruitkwam en spoedig eenigszins afdreef. Toen daarop de grootere bezaan, evenals het kleinere stormzeil vastgemaakt waren, veranderde het schip na enkele minuten van koers en voer langzaam in oostelijke richting langs het rif, nauwelijks een kwartmijl van de gevaarlijke branding verwijderd.

Ondertusschen gingen wij onafgebroken met pompen voort, tot de kotter de oostpunt van het rif omzeilde, waarin wij zeer spoedig een opening ontdekten. De zee was daar aanmerkelijk kalmer dan aan de zuidzijde; de branding was er ook niet zoo sterk en vlak voor de opening was de zee zelfs zoo effen als een spiegel. Het gelukte den kapitein, den kotter veilig door den tamelijk nauwen ingang, in een breede lagune (strandmeer) te brengen, waarvan het water zoo kalm en helder was, dat wij tot op den bodem konden zien. Juist hadden eenige matrozen mijnheer Krüger en mij afgelost en stonden wij vooraan op den boeg, toen ons in het midden der lagune een eiland in het oog viel, dat, voorzoover wij zien konden, niet heel groot was. Het geheele strand van het eiland was met hooge kokospalmen bedekt, waar tusschen wij verscheiden hutten zagen; in de nabijheid lagen ook eenige kano’s aan den oever. Toen ik mijn bevreemding uitdrukte, dat men in het ongewoon heldere water den bodem kon zien, legde mijnheer Krüger mij uit, dat de kleine koraaldiertjes alleen in zulk helder, schoon water hun riffen kunnen vormen; dit kan men bij alle eilanden in de Zuidzee waarnemen.

Niet ver van het strand liet kapitein Johannsen het anker vallen, en dadelijk hierop zagen wij, dat een kano, met een twaalftal inlanders bemand, van den oever stak en snel den kotter naderde. Na een paar minuten legde de boot bij onzen kotter aan en de eilanders klommen langs de valreep op het dek. Te oordeelen naar hun lichtbruine huidkleur, behoorden zij tot het Polynesische ras; tot kleeding hadden zij niets dan een lendendoek, gemaakt van palmvezels; de armen en het bovenlichaam waren overal getatoeëerd en ieder had in de linkerhand een korte speer.

Het opperhoofd van de kleine schaar, die zich alleen van zijn metgezellen onderscheidde door een snoer van kralen, gekleurde steenen of schelpen, dat door het dikke haar geslingerd was, sprak den kapitein, die hem tegemoet trad aan, in een taal, waarvan wij geen enkel woord verstonden. De kapitein riep toen een van zijn Tonga’s en nu bleek het, dat deze zich, al was het dan ook gebrekkig, bij de eilanders verstaanbaar kon maken.

“Vraag het opperhoofd eens, hoe dit eiland heet,” gebood de kapitein.

“Olosenga, kapitein,” luidde het antwoord.

“O, nu kom ik op de hoogte,” zeide Johannsen, terwijl hij zich tot ons wendde, want wij waren natuurlijk dadelijk op het achterdek gekomen, toen de inboorlingen aan boord kwamen. “Zooals de kaart aanwijst, is het een klein eiland, aan alle zijden door een koraalrif omringd, en ongeveer honderd zeemijlen noordwaarts van Savaii gelegen. Het heet Olosenga of Swain, als ik mij niet vergis. Wij zullen hier, vrees ik, niet in de gelegenheid zijn, den kotter weer zeevaardig te maken, mijneheeren, maar, komaan, een echt zeeman verliest niet gauw den moed.”

Op een wenk van den kapitein volgde het opperhoofd ons nu in de roef, waar wij hem een groot glas cognac gaven, dat hij met zichtbaar welgevallen ledigde. De eilanders, die op het dek gebleven waren, ontvingen van den stuurman eveneens een glas van het geliefkoosde vuurwater.

Nu liet de kapitein het opperhoofd door den matroos, die als tolk diende, vragen, of er aan het strand van het eiland ook een open vlakte was, waar de kotter onmiddellijk aan den oever, in het ondiepe water vastgelegd kon worden.

“Het is totaal onmogelijk,” zeide kapitein Johannsen, “het schip nog langer vlot te houden. Wij moeten het zonder mankeeren op het strand laten loopen, om de verschillende lekken te kunnen stoppen. Daar de orkaan onze eenige boot uit de davids (draaibare kranen) losgerukt en in zee geworpen heeft, kunnen wij het eiland niet verlaten, voor de kotter weer zeevaardig is. In de kleine kano’s der inlanders mogen wij het niet wagen, de reis naar het meer dan honderd zeemijlen verwijderde Savaii te ondernemen; het zou zelfs in onze boot, die maar een jol was, gevaarlijk geweest zijn, daar wij, bij den thans heerschenden west-moesson, ieder oogenblik door storm konden worden overvallen.”

Op dit oogenblik kwam de Tonga-matroos ons mededeelen, dat volgens zeggen van het opperhoofd, het strand aan de noordkust van het kleine eiland veel vlakker was, dan de kust, die voor ons lag. Dadelijk liet de kapitein het anker weer lichten en zette den kotter langzaam in beweging, terwijl het opperhoofd met zijn metgezellen in de kano steeg en vooruit roeide om ons tegelijkertijd tot loods te dienen. Daar enkele matrozen voortdurend waren blijven pompen, was het water in het ruim ten minste niet gestegen en behoefden wij niet te vreezen plotseling in de diepte te verzinken.

Door den zwakken wind verliep er wel een half uur, vóór wij de noordkust van het eiland bereikten, waar wij, ongeveer tien minuten later, een kleinen bocht in het lage, zandige strand ontdekten. Het opperhoofd wenkte met de hand en wees op de uitmonding van een klein riviertje in het verst gelegen gedeelte van den bocht. De kapitein liet de zeilen reven, en de kotter gleed langzaam in die uitmonding en zat weldra in het ondiepe water aan den grond, zonder een hevigen stoot gekregen te hebben.

De matrozen moesten met pompen ophouden en eenige planken aan den oever leggen, die ons tot loopplank dienen konden. Wij haalden onze kleine bagage uit de kajuiten en gingen aan land, waar wij ons voorloopig in de schaduw van eenige bananen en oranjeboomen nedervlijden.

Intusschen waren er nog verscheiden eilanders bij gekomen, die onder aanvoering van hun opperhoofd, den kapitein en den matrozen de behulpzame hand boden om den kotter, op de lekke bakboordzijde, zoo dicht mogelijk aan den oever van de beek op te trekken, waar hij vervolgens vast gelegd werd en dus geen water meer kon innemen. De matroos, die als kok fungeerde, had zijn ketels en eenige eetwaren aan land gebracht, en was, op een haard van eigen vinding, begonnen een krachtigen maaltijd klaar te maken, waaraan wij allen dringend behoefte hadden, want sinds vele uren hadden wij niets gegeten.

Het opperhoofd en de overige eilanders kregen tot belooning voor hun hulp eenige flesschen brandewijn en verwijderden zich toen weer in hun kano’s.

VIJFDE HOOFDSTUK.

MIDDEN IN DEN GROOTEN OCEAAN.

Terwijl de kapitein en de stuurman het opzicht hielden over de matrozen bij het lossen van den ballast, uit het scheepsruim, nadat het binnengestroomde water na weinig tijds uitgepompt was, hingen mijnheer Krüger en ik onze buksen over den schouder en gebruikten wij de weinige uren voor het invallen van de duisternis, om ten minste eenigszins op de hoogte te komen van den naasten omtrek onzer landingsplaats.

Wij gingen in westelijke richting langs het strand, dat overal met kokospalmen, bananen en broodvruchtboomen beplant was, doch konden noch beek, noch bron ontdekken, zoodat het kleine, nietige stroompje, waarin de kotter vastgelegd was, het eenige water op het eiland scheen te zijn. Ook zagen wij enkele hutten, maar deze waren geheel anders dan die op Upolu en Savaii; zij waren veel eenvoudiger, uit boomstammen opgetrokken en de daken bestonden uit breede bananenblâren. De bewoners dezer hutten schenen goedaardige menschen te zijn, want de mannen lachten ons vriendelijk toe; enkele gaven ons zelfs de hand en spraken eenige woorden, die wij natuurlijk niet verstonden, maar die in ieder geval een groet moesten beteekenen.

Het binnenste gedeelte van het eiland scheen geheel vlak; wij konden ten minste geen enkele verheffing van den grond bespeuren; een dicht bosch bedekte de geheele oppervlakte.

Na een goed uur kwamen wij weer op de landingsplaats en deden den kapitein verslag, van hetgeen wij op onze wandeling gezien hadden. “Ja, het is een zoogenaamde Atol (koraalrif) met een eilandje in het midden, waarop de storm ons heengedreven heeft,” antwoordde de kapitein. “Ik heb vroeger de zeekaart van dit gedeelte van den Grooten Oceaan, benevens de daarop betrekking hebbende verklaringen, bestudeerd en herinner mij nu, dat Olosenga tot de groep der Tokelau-eilanden behoort en het zuidelijkste eiland dezer groep is. Het is nog niet eens zoo groot als Apolina, dat, zooals gij ziet, het kleinste der Samoa-eilanden is en heeft een oppervlakte van ongeveer anderhalve Engelsche vierkante mijl; ook is het slechts schraal bevolkt. Toch moeten wij den goeden God van ganscher harte danken, dat wij dat eiland bereikt hebben, vóór de kotter lek werd; het zou onmogelijk geweest zijn, hem, bij die hooge zee ook maar enkele uren vlot te houden.”

“Gij hebt gelijk, kapitein, wij hebben groote reden tot dankbaarheid,” antwoordde mijnheer Krüger. “Hoe lang, dunkt u, zullen wij op dit kleine lapje gronds midden in den Grooten Oceaan moeten blijven?”

“Dat kan wel verscheiden weken duren, beste mijnheer Krüger,” was het antwoord. “Mijn Tonga’s zijn niet zeer geoefend in het kalefateren (dichtstoppen) en het uitwerpen van den ballast neemt minstens vier of vijf dagen in beslag, en, voor het scheepsruim geheel leeg is, kan er met het dichtmaken der planken volstrekt niet begonnen worden.”

“Dat is een heel treurig vooruitzicht, kapitein,” zeide mijn chef. “Mijn neef in Mulifanua zal zeer ongerust worden over ons lang uitblijven en zeker gelooven, dat wij op de een of andere manier verongelukt zijn. Mijnheer Beckmann zal dit ook denken, als er in zulk een langen tijd geen bericht van den kotter in Apia komt.”

“Zou het niet mogelijk zijn, kapitein, dat ik in een kano van de inlanders, met het opperhoofd en een paar zijner lieden naar Savaii overvoer, om ten minste mijnheer Koning bericht te geven van ons tegenwoordig verblijf,” vroeg ik. “Daar hij van het losbreken van den vreeselijken Taifun, kort na ons vertrek van Matautu, gehoord moet hebben, zal hij zeker overtuigd zijn, dat de kotter in den storm is vergaan.”

“Aan een tocht naar het eiland Savaii, honderd mijlen hier van daan, in een kano, valt niet te denken, mijn waarde heer,” antwoordde kapitein Johannsen. “Deze kleine bootjes kunnen alleen op de lagune, voor de vischvangst gebruikt worden; zij kunnen zich niet eens op de zee, buiten het rif wagen, daar zij bij de geringste hooge zee dadelijk zouden omslaan. Als de inlanders hier zulke groote oorlogsvaartuigen als de Samoaners hadden, zou het eerder te beproeven zijn. Wij moeten dus geduld hebben, heeren, tot de kotter weer zee kan bouwen. Bovendien is geduld een noodzakelijke deugd voor iederen zeeman, en voorloopig moet gij u maar als zeelui beschouwen, wien een ongeluk overkomen is.”

“Tot mijn spijt moet ik u volkomen gelijk geven, kapitein Johannsen,” antwoordde mijnheer Krüger. “Met deze ontzettende hitte is het verblijf in de kleine roef en in de kajuiten bijna ondragelijk; dus daarom stel ik voor, om onder de bananen een tent op te slaan, waarin wij ten minste de nachten wat aangenamer kunnen doorbrengen.”

“Uitstekend, mijnheer Krüger. Ik zal den stuurman dadelijk last geven, om uit een paar reservezeilen en stokken zulk een tent in orde te doen maken, die voor ons vieren ruimte genoeg tot slapen heeft; ik zal het linnen ook met teer laten bestrijken, dan hebben wij ten minste bij de nu dikwijls neerstroomende regens een droog verblijf.”

In den loop van den volgenden voormiddag was de tent geheel gereed; de grond werd met matten belegd, die ons tot legerstede zouden dienen.

De scheepskok had zijn tijd besteed, om in een kano, die het opperhoofd ter onzer beschikking gesteld had, naar het koraalrif te varen, en daarvan verscheiden stukken af te breken, die hij gebruikte om een tamelijken haard in elkaar te zetten, want noch op het strand, noch in het binnen-gedeelte was een enkele steen te vinden. Naar de kapitein ons meedeelde, bevatten de meeste der kleinere eilanden in den Grooten Oceaan geen steenen.

Nadat wij onze bagage in de tent gebracht hadden, gingen mijn chef en ik naar de oostkust van het eiland, om het opperhoofd uit naam van den kapitein een flesch brandewijn te brengen. Het was in ons belang de vriendschappelijke betrekkingen met dezen man te onderhouden, want hij kon het ons, indien hij wilde, onaangenaam genoeg maken.

Daar wij geen gesprek met hem konden voeren, stelden wij er ons mee tevreden, hem met een vriendelijk lachje de flesch te overhandigen; ze werd aangenomen met een handdruk, een grijnslach en enkele uitroepen, waarvan wij natuurlijk geen woord verstonden. Toen wij na eenigen tijd, van onze wandeling door het binnenste van het eiland weer op onze landingsplaats kwamen, liet de kok ons een vrij groote mand, uit boomschors vervaardigd vol versch gevangen visch zien, die het opperhoofd juist in persoon was komen brengen, waarschijnlijk als een bewijs van zijn dankbaarheid voor den brandewijn.

Mijnheer Krüger en ik hadden op onzen weg door het binnen-gedeelte van het eiland, dat geheel met boomen beplant was, geen andere dieren kunnen ontdekken dan een menigte allerliefste kleine vogeltjes, en bij de hutten, die hier en daar aan het strand lagen, eenige varkens. Mijn chef dacht, dat deze jaren geleden van Savaii, of van een der kleine eilanden der Tokelau groep, ingevoerd waren.

Er was bijna een week verloopen, voor men den ballast zoover verwijderd had, dat men er aan denken kon aan het kalefateren der los geraakte planken te beginnen. Hiertoe moest de kotter zoo ver naar stuurboordzij omgehaald worden, dat de bakboordzij geheel boven water lag, aan dit werk moesten wij allen meehelpen, want de negen matrozen waren niet bij machte het zware schip door middel van hefboomen op een kant te leggen. Tegen den avond waren wij hierin geslaagd, maar wij, Europeanen, waren doodaf, want het was inderdaad geen kleinigheid, onder de gloeiende zonnestralen alle krachten zoo in te spannen.

Daar de kotter slechts een zeer kleine hoeveelheid werk aan boord had, moesten alle touwen uitgerafeld worden, om het noodige stopmateriaal te verkrijgen, dat dan onder toezicht van den stuurman, door de matrozen in de reten der planken gestopt en met vloeibaar teer bestreken werd. Den Tonga’s, die weinig verstand van zulk werk hadden, ging het kalefateren langzaam van de hand, zoodat er bijna een week verliep, voor het lek zoo goed als gestopt was.

Mijnheer Krüger en ik hielden ons in dien tusschentijd bezig met visschen in de lagune, waarbij wij van een kleine kano gebruik maakten, die kapitein Johannsen van het opperhoofd voor een scheepsbijl ingeruild had. Wij deden dit niet alleen voor ons genoegen, maar ook ter wille van onze gemeenschappelijke keuken. De kapitein had ons namelijk op een morgen verteld, dat hij behalve wat pekelvleesch, nog maar enkele scheepsbeschuiten bezat, want de kotter had met de proviand niet op zulk een lange afwezigheid van Apia gerekend. Hij had gemeend, niet langer dan acht dagen op reis te zullen zijn.

Van de eilandbewoners was volstrekt niets te krijgen, wat wij voor ons levensonderhoud hadden kunnen gebruiken, daar zij zich uitsluitend met visch, kokosnoten en bananen voedden. Slechts zeer zelden gingen zij er toe over, een der weinige varkens te slachten, die zij bezaten. Toch was ik zoo gelukkig een varken in te ruilen voor een bijl, die de kapitein mij tot dit doel gaf. Het dagelijksch gebruik van visch met beschuit, zonder een enkelen aardappel, stond ons spoedig tegen, zoodat wij, Europeanen, hartelijk naar een flink stuk vleesch verlangden.

Op een avond zaten wij voor onze tent en gebruikten ons bescheiden avondeten, waarbij kapitein Johannsen een van de weinige flesschen brandewijn schonk, die hij nog bezat, om een glas grog te kunnen drinken, en wij waren zeer in onzen schik, toen de kapitein ons mededeelde, dat de kotter binnen twee dagen dicht zou zijn, en weer te water zou kunnen gaan.

“Goddank!” riep mijnheer Krüger uit. “Het wordt waarlijk meer dan tijd, dat wij dit ellendig eiland verlaten! Het eeuwig visch eten met beschuit, gaat mij al geducht tegenstaan; ik geloof, dat ik in geen maanden visch zal kunnen zien.”

“Dat zal met ons ook wel het geval zijn, beste Heer,” antwoordde de kapitein. “Binnen enkele dagen zal de scheepsbeschuit ook op zijn. Het is nog een geluk, dat het beekje hier ten minste goed drinkwater heeft, anders hadden wij onzen dorst met het brakke regenwater, dat op enkele plaatsen in den grond zakt, moeten lesschen; de eilanders, die verder van de kust wonen, hebben niet anders dan dezen walgelijken drank.

“Wanneer wij overmorgen den kotter te water gelaten hebben,” vervolgde de kapitein, “hebben wij nog een dag noodig, om op de plaats van den afgebroken hoofdmast een noodmast te maken, waarvoor wij een der voorhanden zijnde reservespaken gebruiken kunnen. Met de kleine zeilen aan den bezaansmast, zouden er verscheiden dagen mede heengaan, voor wij Mulifanua bereiken.”

“Kunt u dan niet naar Savaii overvaren, kapitein?” vroeg mijnheer Krüger. “Dat zal toch veel dichter bij zijn dan Mulifanua.”

“Het verschil is niet zoo heel groot, mijnheer Krüger,” antwoordde kapitein Johannsen; “als de kotter, naar ik hoop, zee kan bouwen, zal ik, in plaats van dadelijk naar het Zuiden te gaan, naar het Zuidoosten koers zetten, dan kunnen wij, als de wind eenigszins gunstig is, in vier en twintig uren te Mulifanua zijn.”

Juist wilden wij onze leden in de tent, op de neergelegde matten uitstrekken, toen wij door een luid geschreeuw, dat nader kwam, verhinderd werden; kort daarop verscheen het opperhoofd met een geheele schaar van zijn stamgenooten, en riep ons verscheiden woorden toe, die wij natuurlijk niet verstonden. Met een door angst verwrongen gelaat, wees hij naar de richting waarin zijn hutten lagen.

Spoedig kwam de Tonga-neger, die zich bij de eilanders eenigszins verstaanbaar kon maken, aanloopen en vertelde ons, dat het kleine dorp van het opperhoofd overvallen was geworden door een groote menigte zijner vijandelijke stamgenooten, die in hun oorlogskano’s overgekomen waren van het eiland Fanualoa, dat ongeveer vijftig mijlen verder lag. Het opperhoofd en de zijnen, wier aantal veel te gering was, om zich tegen de vijanden te kunnen verdedigen, waren dadelijk naar ons gevlucht om onze hulp in te roepen.

“Zeker, wij willen de arme stakkers helpen, niet waar heeren?” riep de kapitein.

Vlug namen wij onze geweren en revolvers, terwijl de Tonga’s zich met bijlen en messen wapenden.

Nauwelijks waren de vrouwen en kinderen voor de tent neergehurkt, toen ongeveer zestig eilanders zich door de struiken een weg baanden en onder vreeselijk getier op ons afstormden, terwijl zij hun lange speren boven hun hoofden zwaaiden en korte, dikke stokken naar ons toe slingerden.

Zonder een oogenblik te aarzelen, schoten wij onze buksen op den razenden troep af, die bij het ongewone geluid van het knallen der geweren en het flikkeren van het kruit, eerst doodelijk ontsteld bleven staan, om daarop met groote sprongen in de struiken te verdwijnen.

Na enkele oogenblikken schenen zij zich echter hersteld te hebben, want zij kwamen weer te voorschijn, wierpen enkele speren naar ons toe en drongen op ons in; maar, toen wij een onafgebroken vuur openden, dat op dezen kleinen afstand zijn uitwerking niet miste, keerden zij om en namen onder afgrijselijk geschreeuw de vlucht. Onze Tonga’s, wier krijgshaftige aard opgewekt was, volgden de vluchtenden op de hielen en hieuwen er met bijlen en messen dapper op los; onze eilanders deden eveneens en wierpen hun speren tusschen de vijanden. Toen wij, Europeanen, die de vervolgers wat langzamer achterna zetten, het strand en de hutten der inboorlingen bereikt hadden, zagen wij bij den helderen maneschijn drie groote kano’s, die zoo snel mogelijk over de lagune naar den ingang geroeid werden.