Part 4
In gespannen verwachting had ik zeker wel een goed uur daar gestaan, zonder dat Mertens, die bij mij was, en ik nog het minste geruisch vernomen hadden, dat het naderen van menschen deed vermoeden. Juist had de opzichter tot mij gezegd: “Ik geloof niet, dat de kerels vannacht komen zullen; zij hebben zeker op de een of andere manier lont geroken,” toen plotseling, vlak voor ons een donkere gedaante van den grond opdook, die ons zacht toefluisterde: “Zij komen, mijnheer Arendt! Een heele hoop, hoor!”
Vlug trokken wij den dapperen jongen, want het was inderdaad Frans, de deur in, sloten en grendelden deze, en gingen op onzen post bij de schietgaten, waarna Frans ons vertelde, dat hij geruimen tijd aan den kant van het suikerrietveld op den grond had gelegen en oplettend geluisterd had, zonder eenig verdacht geruisch te vernemen. Eindelijk had hij duidelijk gehoord, dat iemand op de helling, op een dorren tak trapte; toen was hij overeind gekomen en had uit het aanhoudend geruisch opgemaakt, dat er een groot aantal menschen naar beneden kwamen; ook had hij enkele uitroepen gehoord, waarna hij zeker van zijn zaak geworden was en zich snel uit de voeten had gemaakt.
Het duurde nauwelijks een kwartier, toen wij reeds in de flauwe schemering, die slechts hier en daar door het licht eener ster tusschen de wolken verhelderd werd, een groot aantal donkere gedaanten konden onderscheiden, die voorzichtig, zonder het minste geruisch, door den tuin de groote deur van onze loods naderden. Zij konden nog nauwelijks tien stappen verwijderd zijn, toen Mertens en ik op de voorsten een schot losten. Bijna gelijktijdig vielen ook uit de loodsen, door Petersen bezet, schoten, waarop onmiddellijk een luid gehuil volgde; dit hield slechts kort aan; toen werd alles stil.
Klaarblijkelijk hadden de inlanders, in den eersten schrik over deze zeker niet verwachte ontvangst, zich zoo snel mogelijk door den tuin tot aan den rand van het suikerrietveld teruggetrokken.
“Wij zullen de kerels wel weer gauw weerom hebben, Mijnheer Arendt, zeide Mertens,” die sedert verscheiden jaren in Samoa woonde en den aard der inlanders goed kende. “Zij zijn woedend, dat wij op hun komst voorbereid waren, maar nog meer verbitterd over het verlies der hunnen, wier dood of zware verwonding zij ongetwijfeld zullen wreken.” Het bleek, dat Mertens goed had gezien. Kort daarop riep Frans Hüsmann, die bij een der schietgaten aan den voorgevel post had gevat, ons toe: “Zij komen dezen kant uit, een heele menigte!”
Vlug sprong ik er heen, en zag inderdaad een troep donkere gedaanten ijlings naderkomen. Zonder aarzelen schoot ik mijn geweer met dubbelen loop af, en bemerkte bij het flikkeren der schoten, dat de voorsten groote takkenbossen droegen, dus waarschijnlijk van plan waren de loodsen in brand te steken.
Ik was niet weinig verschrikt bij de gedachte, hoe de muren, die uit dunne, door de zon uitgedroogde planken bestonden, als tondel moesten branden, doch spoedig wist ik, wat mij te doen stond; ik riep mijn Tonga-mannen, rukte de deur open en vloog naar den voorgevel, aan Mertens en den jeugdigen Frans, de bewaking voor de deur overlatend.
Wij kwamen geen oogenblik te vroeg op de bedreigde plaats. Wel een dozijn inlanders hadden reeds een heelen hoop takken beneden aan den gevel neergeworpen en stonden op het punt dien in brand te steken, toen ik aan den hoek der loods verscheen, en onmiddellijk de zes kogels van mijn revolver op den verrasten vijand afschoot, terwijl mijn Tonga’s met vreeselijk krijgsgeschreeuw op de gehate Samoaners toesprongen en hen met hun lange messen te lijf vielen.
In den eersten schrik weken de aanvallers terug, maar spoedig drongen zij, met wel dertig landgenooten versterkt, woedend op ons in, zoodat wij na weinig minuten tot aan den muur moesten terugwijken. Daar ik geen tijd had, mijn revolver opnieuw te laden, moest ik met mijn hartsvanger de messtooten afweren, die op mij gemunt waren, en reeds had ik verscheiden steken in den rechterbovenarm ontvangen, toen de zaak een andere wending nam.
Van de rechterschuur, die in het geheel niet was aangevallen, kwam Petersen met de twee opzichters, Nicolaas Hüsmann en zijn zes Tonga’s haastig aanloopen, en overviel de Samoaners met revolverschoten en kolfslagen, terwijl bijna gelijktijdig Hüsmann met zijn zoon Karel en twee zijner bedienden uit het woonhuis kwam, om mij en den mijnen te hulp te komen. Wij tastten de inlanders nu van twee zijden aan en joegen ze, na een korten tegenstand, door den tuin tot aan den zoom van het bosch, aan den voet der berghelling, terug. Petersen zette de vluchtelingen nog een eind weegs met de Tonga’s na, die zich als razenden midden onder de Samoaners wierpen en hen met hun messen aanvielen. Ik voelde hevige pijn in den rechterbovenarm en volgde den directeur Hüsmann daarom gaarne naar het woonhuis, terwijl zijn zoons met Mertens en de overige opzichters de ronde deden om de gebouwen en den tuin, ten einde zich te vergewissen, of geen inlanders zich daar verborgen hadden.
Mevrouw Hüsmann onderzocht mijn gewonden arm en bevond, dat ik een vrij diepen en breeden steek, benevens twee kleine verwondingen had bekomen; nadat zij de wonden had uitgewasschen,—waaruit duidelijk bleek, dat zij van dat soort van dingen veel verstand had,—bestreek zij ze met een koele, heilzame zalf en deed een linnen zwachtel om den bovenarm.
Toen Petersen en de overige Europeanen terugkwamen, vertelden zij wel een dozijn dooden, maar geen enkelen zwaar gewonde gevonden te hebben; ook hadden zij opgemerkt, dat niemand der inlanders, den witten doek, het herkenningsteeken der partij van de opstandelingen, om het hoofd gewonden had.
“O, dat is nog volstrekt geen bewijs, dat de kerels niet tot de aanhangers van Tamasese behoord hebben!” riep Hüsmann uit. “Een doek kan gemakkelijk afgedaan en na den gepleegden roof weer omgebonden worden. Ik ben er vast van overtuigd, dat het opstandelingen geweest zijn, die weer eens groot gebrek aan de noodigste levensmiddelen hebben, en zich bij mij van nieuwen voorraad hebben willen voorzien. Zonder uw flinke hulp, zouden de schelmen hierin zeker geslaagd zijn. Ik en de mijnen danken u hartelijk,” zeide de wakkere Mecklenburger, terwijl hij ons zóó krachtig de hand drukte, dat ik een kreet van pijn niet weerhouden kon, hetgeen hem een verwijt van zijn vrouw berokkende.
“Pardon, Mijnheer Arendt, ik was een oogenblik vergeten, dat u tot de gewonden behoort,” zeide hij zich verontschuldigend. “Hoe staat het overigens met onze lieden?” vroeg hij zijn oudsten zoon.
“Er is niemand dood,” antwoordde Nicolaas, “maar wij hebben allen schrammen en weinig beteekenende messteken opgeloopen, voornamelijk met de schermutseling bij den voorgevel.”
“Twee van onze Tonga’s zijn nog al erg toegetakeld geworden,” zeide Petersen, “de anderen zijn vrijgekomen met enkele steken in gelaat en armen. Ik heb ze in de loods gebracht, en mijnheer Mertens verzocht, hen morgen op een buffelkar naar de factorij te laten brengen.”
“Ik ga direct eens naar die stakkers kijken, anders bloeden zij misschien nog dood!” zeide Mevrouw Hüsmann. Nadat zij eerst van een laken een draagband gemaakt had, waarin ik mijn rechterarm moest leggen, ging de goede vrouw naar de loods, om de diepe wonden der beide Tonga’s te onderzoeken en te verbinden.
Bij haar terugkomst deelde zij ons mede, dat de gekwetsten weliswaar eenige diepe messteken in de borst gekregen hadden, maar dat zij toch na eenige uren rust vervoerd zouden kunnen worden.
Na ons met een kop sterke koffie verkwikt te hebben, begaven wij ons, onder geleide van Frans, weer op weg naar onze plantage, over de heuvelen en door het woud, daar de zon intusschen opgegaan was.
In de factorij bestegen Petersen en ik onze paarden, die wij daar gelaten hadden en kwamen een uur later weer in onze woning, waar mijnheer Krüger ons met ongeduld wachtte. Ik gevoelde mij zoo verzwakt door het bloedverlies, dat ik mij zeer spoedig naar mijn kamer begaf en naar bed ging, en het aan Petersen overliet, zijn neef een uitvoerig verslag te geven van alles, wat er dien dag was voorgevallen.
VIERDE HOOFDSTUK.
OP SAVAII. DE TAIFUN.
Twee weken na dezen nachtelijken strijd met de opstandelingen vroeg mijnheer Krüger mij, hem op een tocht naar Matautu, een haven aan de noordkust van Savaii, te vergezellen. In de nabijheid van Matautu lag een kleinere plantage Vaipuli, die ook het eigendom was der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij en door een mijnheer Koning bestuurd werd. Mijn chef was echter met het oppertoezicht over deze ver verwijderde plantage belast, en moest meer dan eens in den loop van het jaar daarheen varen, om zich persoonlijk te overtuigen van den toenemenden bloei van elke cultuur. Op deze reis zou ik hem nu vergezellen en de boeken van den directeur nazien.
Daar de haven van Matautu meer dan dertig zeemijlen van Mulifanua verwijderd is, en de tocht in een open boot, dus vrij ongemakkelijk en ook niet zonder gevaar zou geweest zijn, te meer, omdat met den juist ingetreden West-moesson (Passaatwind) gewoonlijk zeer hevige winden waaien,—had mijnheer Krüger den directeur Beckmann een van onze kotters gevraagd, waarmee wij de terugreis zouden aanvaarden.
De wonden in mijn rechterbovenarm waren nu volkomen genezen, en ik kon hem weer goed gebruiken. Op den morgen na het binnenloopen van den kotter, ging mijnheer Krüger met mij en onze twee bedienden aan boord, waarop het kleine, aardige schip dadelijk het anker lichtte en ons uit den bocht van Mulifanua bracht.
Nadat wij het eilandje Manono gepasseerd waren, moest de kotter verder van de kust afhouden, daar er uit het Noordwesten een vrij stevige bries opstak; de hemel was overigens helder, zoodat ik de geheele noordkust van Savaii duidelijk voor mij zag. Kapitein Johannsen en mijnheer Krüger waren zoo vriendelijk mij op enkele zeer vooruitstekende punten en de belangrijkste dorpen opmerkzaam te maken; ook maakten zij mij eenigermate bekend met de plaatselijke gesteldheid van dit grootste eiland der geheele Samoagroep.
Savaii wordt van het Oosten naar het Westen door twee bergketenen doorsneden, die bij enkele toppen een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereiken en zeer vulkanisch zijn; uitgestrekte lavavelden bedekken den grond en bemoeilijken den landbouw zeer; door het gemis van groote rivieren is de bodem ook niet zeer vruchtbaar. In het binnenste gedeelte van het eiland bevinden zich slechts hooge bergen en eenig hoogland met ondoordringbaar oerwoud bedekt; daarom is het bijna geheel onbewoond; alleen aan de kusten liggen vrij talrijke dorpen, voornamelijk aan de noordoost- en de zuidwest-kust. Langs de eerste strekt zich, ongeveer een zeemijl lang, een koraalrif uit, waarin zich slechts enkele openingen bevinden, die echter zoo weinig breedte hebben, dat alleen booten er door heen kunnen varen; de eenige haven aan de noordkust, die voor groote vaartuigen geschikt is, is de baai van Matautu, het doel van onzen tocht. Een indrukwekkenden aanblik geeft het scherp getande voorgebergte Tuasivi, de oostelijke punt van het eiland, dat meer dan duizend voet hoog is; aan zijn voet ligt het dorp Tofua, een station van het Engelsche zendelinggenootschap; het kerkje kan men op zee reeds van verre zien. Onder de talrijke, daaropvolgende dorpen langs de oostkust is Safotulafai wel het belangrijkste, omdat daar de residentie der opperhoofden gevestigd is, aan wie de bewoners van de geheele landstreek gehoorzaamheid verschuldigd zijn.
Tegen den middag kregen wij de landtong bij Matauta in het gezicht, waarop een hooge vlaggestok stond met de Duitsche vlag. Mijnheer Krüger vertelde mij, dat deze vlaggestok toebehoorde aan de woning van den directeur Koning, die zich dit bekoorlijk plekje tot woonplaats had gekozen.
De ingang tot de haven van Matauta was breed genoeg voor grootere schepen, maar, naar ons de kapitein meedeelde, was deze bij hevige stormen uit het Noordwesten, volstrekt niet veilig, daar de inham aan de westzijde geheel open lag, terwijl deze aan den oost kant, beschut werd door de landtong, die ver in zee uitstak.
Daar kapitein Johannsen de aankomst van den kotter reeds van uit de zee, door drie schoten uit de twee kleine kanonnen had aangekondigd, die aan weerszijden van de kampanje op het achterdek geplaatst waren, werden wij dadelijk na de landing, door den heer Koning op het bolwerk ontvangen, en door een heerlijk schoon bosch van oranje-broodvruchtboomen, bananen en waaierpalmen naar het hooge gedeelte der landtong geleid. In een dergelijk boschje zagen wij een huis, dat op een villa geleek; de houten muren waren gewit, een zeldzaamheid op de eilanden, die mij nog niet opgevallen was. Op de veranda van dit fraaie gebouwtje, werden wij door een mooie, jonge vrouw, een inboorling van Samoa, met den gebruikelijken landsgroet, “Tafola” begroet, terwijl twee naast haar staande kinderen, een meisje van ongeveer acht en een jongen van zes jaar, ons de hand gaven met de Duitsche woorden “Grüsz Gott!” Het waren de vrouw van mijnheer Koning, mevrouw Selina en hun kinderen Maria en Jan, allen bepaald allerliefste verschijningen, vooral het kleine meisje, dat er als een fee uitzag. Haar gelaatskleur was iets lichter dan die der inlanders en had veel overeenkomst met die der Spaansche vrouwen; van haar moeder had zij de prachtige, donkerbruine oogen met de lange, zwarte wimpers en het blauwzwarte haar geërfd, en zij had snoezig kleine handjes en voetjes. Het knaapje was ook een bekoorlijk ventje, dat heel vertrouwelijk met mij babbelde en mij, in vloeiend Duitsch, allerlei dingen vroeg. Moeder en kinderen waren op Europeesche wijze gekleed; natuurlijk bestond de stof uit dunne gekleurde zijde.
Kort daarna begaven wij ons achter het huis, naar de veranda, waar wij een heerlijk gezicht op de zee hadden en een rijk voorziene tafel ons met het lunch wachtte. Terwijl ik met de kinderen praatte, onderhield mijnheer Krüger zich met mevrouw Koning in het Samoaansch, daar laatstgenoemde zich maar zeer gebrekkig in onze moedertaal verstaanbaar kon maken. Ons lief Duitsch is, zooals men weet, voor vreemdelingen een zeer moeilijk te leeren taal.
Na het lunch deden wij een middagslaapje, en bestegen daarop de gereedstaande paarden om naar de plantage te rijden, die ongeveer drie kilometer ver lag.
De plantenwereld langs den geheelen weg tusschen de kust en den voet van het gebergte, vond ik nog oneindig weelderiger dan in Upolu; toen ik hierover mijn verwondering uitdrukte, antwoordde mijnheer Koning:
“De smalle, lage landstreek, langs de geheele noordkust bestaat tot op het kleinste deeltje uit vloedgrond; het overige, veel grooter gedeelte wordt door uitgestrekte lavavelden bedekt. Deze lava maakte juist het aanleggen van plantages zoo buitengewoon moeilijk, doch, waar zij verminderd, of van zelf verweerd is, geeft zij een bodem, zóó vruchtbaar, als men zich maar denken kan, waarop iedere cultuur verwonderlijk goed gedijt. U kunt u echter gemakkelijk voorstellen, mijnheer Arendt, hoeveel werkkrachten er vereischt worden om zulk een lavaveld geschikt te maken om bebouwd te worden.”
In de plantage Matuata gekomen, vond ik alles zoo, als de directeur mij gezegd had. Het grootste gedeelte van de vlakteuitgebreidheid was beplant met kokospalmen, die gemiddeld wel honderd twintig voet hoog waren en onder hun prachtige bladerkroon zeer veel noten droegen; de cacaoboom groeide hier eveneens uitstekend en bracht, zooals mijnheer Koning ons verzekerde, reeds een rijken oogst op, hoewel deze plantage slechts enkele jaren geleden, als proef ontgonnen was.
“Het doet mij genoegen zulks te hooren, waarde Koning,” zeide mijn chef; “bij ons, op Upolu hebben wij van onze cultuur met de cacaoboomen weinig pleizier gehad. Het schijnt, dat de grond hier op Savii gunstiger daarvoor is.”
“Ik zal u nu eens naar een kleine tabaksplantage brengen, mijnheer Krüger,” zeide Koning, toen wij het grootste gedeelte der plantage doorgewandeld hadden. “Verleden jaar lag er een schip uit Manilla in onze haven, voor anker; de kapitein wilde kopra en broodvruchten innemen en eenige averij herstellen; toen ik hem in onze plantage rondleidde, was hij van meening, dat op den ontgonnen lavabodem, de tabak ook wel goed gedijen zou. Hij gaf mij wat tabakszaad, dat hij aan boord had, met bestemming naar Nieuw-Zeeland, waar hij op de terugreis moest aanleggen. Ik heb er ongeveer een hectare mee bezaaid en dit jaar reeds een aardigen oogst aan tabaksbladeren gehad. Een mijner opzichters, een Maleier, heeft wel wat verstand van sigarenmaken, en heeft een honderd stuks voor mij gemaakt, die ik heel lekker vind. Als wij thuis zijn, kunt u ons fabrikaat wel eens probeeren, Heeren.”
Tegen zes uur verlieten wij de plantage en kwamen een half uur later in de villa, op de landtong van Matauta aan.
Na het middagmaal brachten wij nog eenige uren op de veranda door, vanwaar wij een heerlijk uitzicht hadden op het voor ons liggend landschap en op de zee, die nu door de maan verlicht werden.
Het hooge, met dicht oerwoud bedekte, gebergte vormde een heerlijk schoonen achtergrond. Later op den avond dansten de twee bekoorlijke kinderen ter onzer eer een “Siva,” die aan gratie en bevalligheid alles overtrof, wat ik nog ooit gezien had.
Nog twee dagen brachten wij bij de beminlijke familie Koning door. Terwijl ik de boeken inzag, die door mijnheer Koning zelf bijgehouden waren, maakte mijn chef in diens gezelschap, uitstapjes òf naar de plantage, of verder westelijk langs de kust, om plekken uit te zoeken, die geschikt gemaakt konden worden tot het aanleggen van nieuwe plantages.
Na een hartelijk afscheid van mijnheer Koning en de zijnen, gingen wij vroeg aan boord van onzen kotter, om de terugreis naar Mulifanua te aanvaarden.
Wij konden ons ongeveer vijf zeemijlen van Matauta verwijderd hebben en zaten juist in de roef ons tweede ontbijt te gebruiken, toen de stuurman, die de wacht op het dek had, binnenkwam en tot den kapitein zeide:
“Er komt een onweer opzetten, kapitein. De wind begint plotseling te schralen (tegen den boeg te waaien) en in het Zuidwesten is een donkere bank, die snel opkomt.”
Onmiddellijk sprongen wij op en begaven ons naar het dek. Inderdaad, de zeilen begonnen tegen de twee masten van den kotter te klapperen, een onmiskenbaar bewijs, dat de wind gedraaid was, terwijl de lucht in het Zuidwesten met zwarte wolken was bedekt, waarvan de randen een lichtgele tint hadden. Het was zoo donker geworden, dat wij zelfs de hooge bergen op Savaii niet meer konden zien.
“Een Taifun, een cykloon, o, hemel!” riep de kapitein eenigszins verschrikt uit. “Alle man op dek, stuurman!” commandeerde hij vervolgens. “Laat alle zeilen reven en vastbinden, maar vlug! De orkaan nadert met rassche schreden! Binnen weinig minuten zal hij hier zijn!”
Werkelijk zagen wij zeer spoedig, dat de zee zoo glad werd als een spiegel, alsof zij met groote kracht neergedrukt werd; de duisternis nam toe; het werd nacht om ons heen. Plotseling werden in Zuidwestelijke richting, hooge, schuimende golven zichtbaar, die snel naderden, en met zulk een geraas, alsof vele honderden paarden over de straatsteenen galoppeerden, en daar trof opeens de orkaan onzen kleinen kotter zoo geweldig, dat hij letterlijk heen en weer schudde en op bakboordzijde kwam te liggen, zoodat ik elk oogenblik geloofde, dat wij zouden kenteren, d.i. omslaan.
Gelukkig hadden onze wakkere Tonga-matrozen in dien korten tijd alle zeilen aan den hoofdmast en het groote zeil aan den bezaansmast vastgemaakt, terwijl de kapitein zelf het roer gegrepen had, waarmee hij het schip zoo ver omdraaide, dat het de breedtezijde niet meer aan den storm blootstelde, en weer overeind kwam. De kotter slingerde intusschen geweldig, zoodat mijnheer Krüger en ik genoodzaakt waren, ons uit alle macht aan den wand der kleine kampanje vast te klemmen, wilden wij niet over boord geworpen worden.
Toen de eerste stoot voorbij was, begon de zee zoo hoog te staan, dat de golven voortdurend over het hek (achterschip) zulk een massa water wierpen, dat het ons tot de borst reikte en wij ieder oogenblik vreesden, meegespoeld te zullen worden. Onze kleine kotter vloog als een meeuw, door den storm voortgedreven, over het water en was soms bijna geheel bedolven onder de geweldige watermassa’s, die over het achterschip heensloegen. Het vaartuig was niet hoog, maar bood dapper weerstand aan de woedende golven, omdat het ondanks zijn geringen omvang bijzonder stevig gebouwd was, en de boeg zich telkens veerkrachtig uit de golven ophief, wanneer ik reeds dacht, dat wij in de diepte zouden verdwijnen. Op eens hoorden wij een vreeselijk gekraak; wij dachten niet anders, of het was met ons gedaan. De kapitein, die dicht bij ons, met den stuurman samen, het roer vastgegrepen had, wees met den arm naar voren en riep ons toe, zoo hard hij kon: “De mast is gebroken!”
Toen wij in die richting keken, zagen wij inderdaad, dat de hoofdmast eenige meters boven het dek afgebroken was en met de raas overboord hing. De storm had waarschijnlijk een zeil losgerukt en door den geweldigen druk den mast doorgebroken.
Ondanks het groote gevaar, door de golven van het schip geslagen te worden, liet de wakkere kapitein het roer aan den stuurman alleen over, greep een bijl, die aan den zijwand der kampanje hing, en haastte zich, terwijl hij zich met een hand langs de verschansing voortwerkte, naar voren, waar hij door verscheiden Tonga’s geholpen, met inspanning van al zijn krachten de touwen, tusschen den hoofdmast en de verschansing begon stuk te hakken. Hoe gevaarlijk dit werk ook was, moest het toch noodzakelijk ten uitvoer gebracht worden, daar het gedeelte van den mast, dat over boord hing, licht een gat in den zijwand van het schip had kunnen stooten, en dan zouden wij reddeloos verloren geweest zijn. Na een goed kwartier, dat mij wel een eeuwigheid toescheen, kwam de kapitein op het achterdek en nam zijn plaats bij het roer weer in. De kotter slingerde nu zoo ontzettend, dat Krüger en ik ons nauwelijks meer konden vasthouden; maar, als de krachten ons begaven, zouden wij ongetwijfeld over boord geslagen worden; hiervan waren wij ons volkomen bewust, en daarom deden wij, wat wij konden, en klemden ons aan de deurstijlen vast, zonder die ook maar een seconde los te laten.
Wij konden in dien gevaarvollen toestand wel twee uren, die zeker nooit uit onze gedachte zullen gaan, doorgebracht hebben, toen de orkaan even snel bedaarde, als hij was opgekomen; alleen stond de zee geweldig hoog en voortdurend wierp zij geheele waterstroomen op het dek; het vreeselijke loeien van den storm had ten minste opgehouden.
De kapitein zond nu den stuurman naar voren met het bevel, al de matrozen op het achterdek te roepen, om te beproeven, aan den bezaansmast, die was blijven staan, een zoogenaamd stormzeil, een klein driehoekig zeil van zeer sterk linnen, op te hijschen. Na vele vergeefsche pogingen gelukte dit eindelijk, en de gevolgen bleven niet uit. De kotter slingerde niet meer zoo vreeselijk, en begon weer naar het roer te luisteren, zoodat hij rustiger in het water lag en zich ook vrij snel voortbewoog, daar de wind nog altijd krachtig genoeg was, hoewel niet zoo sterk meer als gedurende den orkaan.