# Op Samoa

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/op-samoa-14666/index.md

“Ik kom u bezoeken, mijnheer,” begon Tamasese, nadat hij had plaats genomen “om u te bedanken voor uw tijdige waarschuwing van heden morgen, en ook Mataafa laat u dank zeggen; hij kan zelf niet komen, omdat hij onze soldaten niet zonder toezicht wil laten, daar hij ieder oogenblik op een nieuwen aanval van Tanu voorbereid moet zijn. Als u mij niet opmerkzaam hadt gemaakt op het gevaar, waarmede ik bedreigd werd, zouden wij licht in groote moeilijkheden geraakt zijn.”

“Het was niet meer dan een staaltje van mijn plicht, een vriend van mijn landgenooten en zulk een geacht opperhoofd te helpen,” gaf ik ten antwoord, terwijl ik de mij toegestoken hand hartelijk schudde.

Inmiddels had Gaedecke op een wenk van mij den bedienden bevolen eenige flesschen bier naar de veranda te brengen, daar ik de voorliefde van Tamasese voor dezen drank kende; ook de zes krijgslieden, die zich in de schaduw der bananen hadden nedergelegd, kregen een flesch whiskey en eenige sigaren. Met zichtbaar welgevallen dronk Tamasese zijn glas uit en at een weinig koud vleesch en brood, dat Sufa eveneens had klaargezet.

“De soldaten van Tanu en de matrozen hebben zich bijna geheel tot aan de kust teruggetrokken,” begon hij vervolgens, nadat hij een sigaar had aangestoken “en ginds, in de buurt van Vailina een kamp opgeslagen. Zooals Mataafa mij heeft meegedeeld, wil hij hen zoo mogelijk reeds morgen aanvallen en tot Apia terugdringen om weder in het bezit te geraken der dorpen, die hij na het bombardement heeft moeten ontruimen. Wij zullen den strijd niet eerder opgeven, voordat het ons gelukt is Tanu en zijn partij geheel te vernietigen, in weerwil van de hulp, die hij van de Engelschen ontvangt. Nooit zullen wij ons onderwerpen aan de heerschappij van dezen knaap.”

Wij wenschten hem en Mataafa oprecht een schitterend succes en begeleidden Tamasese en zijn gevolg een eind weegs het dal in, toen zij twee uren later vertrokken.

Den volgenden dag scheen er geen gevecht te hebben plaats gehad; ten minste wij vernamen noch het knallen der geweren, noch het bulderen van het geschut op de kust, die toch slechts een kilometer van ons woonhuis verwijderd was. Den 17en April, echter, hoorden wij in de eerste middaguren het gebulder van zware kanonnen, hetgeen wij ons zelf in het geheel niet konden verklaren, tot ik op de gedachte kwam, dat waarschijnlijk de “Philadelphia” of de twee Engelsche oorlogsschepen van Apia gekomen en de golf ten Westen van Laulii binnengeloopen waren om Tanu en zijn soldaten te ondersteunen.

Ik deelde mijn vermoeden aan Gaedecke mede, die dadelijk voorstelde naar Laulii, aan de overzijde, te rijden om het gevecht, van den berg af gade te slaan. Enkele minuten later zaten wij in den zadel en draafden door het dal. Hoe dichter wij bij de kust kwamen, hoe duidelijker wij het dreunen der groote scheepskanonnen hoorden. In Laulii zelf konden wij intusschen niets van de oorlogsschepen te zien krijgen; daarom reden wij naar den uitlooper van den bergrug, die zeer steil naar de zee afhelde en zich ten Westen van den ingang van ons dal bevond. Daar genoten wij een verrassend schoon uitzicht.

De “Philadelphia” zoowel als de Engelsche kruiser “Porpoise” waren, zoover het met het koraalrif mogelijk was, in de golf voor anker gegaan en beschoten de geheele vlakte aan beide zijden van den mond der Letoga, met groote granaten, voornamelijk het dorp Vailina, dat spoedig op verscheidene punten in brand stond. Van Mataafa’s troepen konden wij aanvankelijk niets ontdekken, totdat ik eindelijk door mijn tooneelkijker bespeurde, dat zij zich in de dichte Mongrove-bosschen ten Westen van het dorp teruggetrokken hadden, nadat dit door het kanonvuur in brand gestoken was. In alle geval had Mataafa den vijand uit dit door hem bezette dorp verdreven, dat daarop dadelijk door de oorlogsschepen beschoten werd, waardoor Mataafa genoodzaakt was het te verlaten. Wij konden het einde van het gevecht niet afwachten, daar er reeds verscheiden granaten in onze nabijheid gesprongen waren, waarvan de ver uiteenspattende stukken ons licht hadden kunnen treffen. Ik kwam namelijk nu eerst tot het besef, dat onmiddellijk onder ons niet bijzonder hoog standpunt, zich slechts enkele minuten geleden een zeer hevig geweervuur geopend had, ongetwijfeld tusschen een grootere legerafdeeling van Mataafa en de krijgslieden van Tanu; door het dichte struikgewas konden wij echter niets van het gevecht zien. Thans waren de scheepskanonnen begonnen hun vuur op de krijgslieden van Mataafa te richten, die zich tusschen de boomen en het kreupelhout bevonden.

Om niet voor onze nieuwsgierigheid door de in het rond vliegende granaatsplinters gestraft te worden, daalden wij in de richting van Laulii de helling zoo vlug mogelijk af en keerden naar huis terug.

Naar wij later vernamen, had Mataafa zich ten gevolge van de inmenging der oorlogsschepen in het gevecht, gedrongen gezien dit te staken en zich in de bergen terug te trekken, om zich buiten bereik te stellen van het vernielend granaatvuur; toen daarop de Tanu-krijgers, aangemoedigd door dit terugwijken, hem vol vuur achtervolgden, viel hij met zooveel moed en dapperheid op zijn vervolgers aan, dat zij zeer spoedig alle mogelijke pogingen om zich van hem meester te maken moesten opgeven.

Deze veldslag bij Vailine was het eerste groote gevecht tusschen de vijandelijke partijen. Den 13n Mei kwam eindelijk de internationale commissie te Apia bijeen, om de verwikkelingen en oneenigheden op Samoa bij te leggen. Nadat de vertegenwoordigers der drie beschermende mogendheden, zich nauwkeurig op de hoogte gesteld hadden van de gebeurtenissen op de eilanden der Samoagroep, waarbij de voorzitter van den gemeenteraad, dokter Raffel, hen door zijn mededeelingen flink ter zijde stond, besloot de commissie, den 10n Juni, Tanu als koning te erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat hij dadelijk alle aanspraken op die waardigheid zou laten varen; daarna werd het koningschap onvoorwaardelijk afgeschaft en de regeering aan de drie consuls overgedragen. Voorts werd er een bevel gegeven, dat allen inboorlingen gebood hun wapens in Apia te komen brengen. Om den Duitschers eenige voldoening te geven, werden admiraal Kautz en de president van de rechtbank Chambers, teruggeroepen; dezen hadden door hun intriges en dwingelandij veel bijgedragen tot de oneenigheden en het bloedvergieten.

De ontwapening der inlanders ging zonder moeilijkheden gepaard en spoedig heerschte er volkomen rust op dit door de natuur zoo rijk bedeelde, verrukkelijk schoone eiland.

Ook op onze plantages bloeiden al de cultures zoo heerlijk, dat wij na eenige weken een overvloedigen oogst, aan kopra, katoen, suikerriet en cacao naar Laulii op buffelkarren konden laten vervoeren, waar hij op een kotter, die uit Apia overgestuurd was, overgeladen werd. Zelfs was onze proef met het telen van de tabaksplant zeer gunstig uitgevallen; wij hadden zooveel tabaksblaren geoogst, dat wij niet alleen genoeg voor ons zelf hadden, maar ook een vrij aanzienlijke hoeveelheid naar Matafele konden zenden. Onder onze Samoaansche werklieden waren er verscheidenen, die van de ruwe bladeren heel goed sigaren konden maken, die Gaedecke en mij ten minste bijzonder lekker smaakten.

Toen ik in het begin van Juni naar Apia voer, om de noodige gelden voor ons en het werkvolk in ontvangst te nemen, vond ik het grootste gedeelte der huizen, die door het bombardement vernield waren, reeds hernieuwd of in aanbouw. In de bijna geheel verbrande en verwoeste dorpen in den omtrek der stad, hadden de inlanders hun eenvoudige, maar toch zeer aardige en geriefelijke hutten weer opgebouwd; alleen zag het er in de plantages, die erg door de granaatkogels geleden hadden, zeer treurig uit. Wel hadden de eigenaars schadevergoeding verlangd, maar er konden maanden verloopen voor de regeeringen van Engeland en Noord-Amerika, het over het uitbetalen dier sommen eens waren geworden. Directeur Beckmann gaf zijn tevredenheid over den bloei den factorij te kennen en prees Gaedecke, die haar zoo voorzichtig en uitstekend bestuurd had; hij gaf mij een brief voor mijn collega mee, waarin hij dezen zijn hartelijken dank betuigde.

Van deze gunstige stemming maakte ik gebruik, om mijn chef verlof te vragen een paar dagen naar Mulifanua te mogen gaan, waar ik zoo heel gaarne, mijnheer Krüger en vooral mijn vriend Petersen, een bezoek zou willen brengen. Nu de oogst binnen was en ik betrekkelijk weinig te doen had, kon ik gemakkelijk een poosje gemist worden.

“Met alle genoegen, beste Arendt!” gaf de directeur minzaam ten antwoord. “Breng morgen het geld naar de factorij en leg het zoo aan, dat gij aanstaanden Maandag weer terug zijt; ik ben namelijk van plan op dien dag zelf naar Mulifanua te gaan en wil u dan meenemen.”

Toen ik op onze plantage terug was, deelde ik Gaedecke mede, dat ik verlof had gekregen en voegde er bij, dat ik hem aanstaanden Maandag voor een paar dagen verlaten zou, om mijn vrienden in Mulifanua te bezoeken.

“Je hebt gelijk, vriend, dat je dien vrijen tijd zoo gebruikt,” antwoordde mijn collega, “maar ik zou heel gaarne zien, dat je het zoo kondt schikken, aanstaanden Zaterdag weer hier te zijn. Ik ben voornemens, den Zondag daarop naar Vaitele te rijden, om bruiloft te houden, en ik noodig je bij dezen hartelijk op mijn feest. Nu de vrede op het eiland, Goddank, en wij willen hopen voorgoed, hersteld is, zie ik niet in, waarom ik mijn hartewensch nog langer zou moeten uitstellen.”

“Ik denk er eveneens over en neem je uitnoodiging heel gaarne aan,” antwoordde ik. “Je kunt er vast op rekenen, dat ik prompt op tijd weer terug zal zijn.”

Dadelijk na zonsopgang voer ik ’s Maandags in onze kano van Laulii naar Apia en ging onmiddellijk naar directeur Beckmann, met wien ik ontbeet en mij daarna aan boord van de groote boot begaf, waarin de directeur gewoonlijk kleine tochtjes naar de factorijen aan de kust, ondernam.

In de eerste uren van den middag liepen wij de haven van Mulifanua binnen, en begaven wij ons onverwijld, naar het woonhuis, waar wij zonder ons te laten aandienen mijnheer Krüger en Petersen op het terras in den tuin aantroffen, onder het gebruik van een kop thee.

Met een luiden vreugdekreet sprong Hendrik op, toen hij ons zag, begroette eerst den directeur en omhelsde mij toen, met de woorden: “Mijn jongen! Mijn beste Herman! Blijf je nu weer bij ons?”

Ik beantwoordde deze begroeting even hartelijk, en drukte daarna de hand van mijnheer Krüger, die hij mij vriendelijk lachend toestak, terwijl de directeur zeide:

“Neen, waarde Petersen, uw vriend Arendt kon zijn verlangen naar u en zijn vroegeren chef niet langer bedwingen en wilde u beiden heel gaarne weer eens zien. Ik moest het gevraagde verlof wel toestaan en heb hem nu maar meegebracht, omdat ik ook verlangde eenige bijzonderheden met u, mijnheer Krüger, te bespreken.”

“U weet wel, waarde directeur, dat uw bezoek, mij altijd welkom is; jammer, dat het zoo zelden plaats heeft,” antwoordde mijnheer Krüger. “Verkwikt u nu met een kop thee, Heeren, en geniet van de heerlijke koelte in deze kamer, na den langen tocht in den brandenden zonnegloed.”

Terwijl wij nog aan de theetafel zaten, kwamen twee onzer roeiers mijn handkoffer en dien van den directeur brengen. Behalve eenig onontbeerlijk ondergoed en wat dunne bovenkleeren, die in dit tropisch klimaat zoo noodig zijn, had ik tweehonderd stuks van onze eigengemaakte sigaren uit de zelf gekweekte tabak, ingepakt; deze overhandigde ik nu aan mijnheer Krüger en Petersen. Beiden waren, zooals ik wist, hartstochtelijke rookers; zij staken direct eens op en prezen zeer den smaak en geur der heerlijke tabak.

Spoedig daarop begaven de directeur en ik ons naar onze vertrekken om wat te rusten. Na een verkwikkend bad, vonden wij onze vriendelijke gastheeren weer op het terras, waar zij ons met een heerlijk diner wachtten. Onder het eten vroeg Petersen mij nadere bijzonderheden van de twee laatste groote gevechten bij Muliangi en Vailina, waarvan Tamasese hem verteld had.

“Onze oude vriend bezocht ons dadelijk na zijn terugkomst in zijn vroeger hoofdkwartier ‘Falelatar,’” zeide Hendrik, “en hij heeft ons wonderen verteld van je heldenfeiten in het eerste gevecht; hij sprak met groote dankbaarheid over je tijdige waarschuwing aangaande de dreigende, vijandelijke overrompeling; hoewel de kogels om je heen floten, was je toch bij hem gekomen. Waarachtig! je hebt bewezen, dat een vroeger Duitsch soldaat, niet gemakkelijk den juisten blik op de verrichtingen in een legerkamp verliest. Op je welzijn in het bijzonder, oude vriend en kameraad!”

Toen moest ik uitvoerig het voorgevallene bij dat gevecht, en hoe ik tusschenbeide was gekomen, vertellen, want de directeur wist hiervan nog niets.

Na het diner reden wij naar de plantage, waar de opzichter Mertens ons heel vriendelijk ontving. Al de cultures stonden in vollen bloei en beloofden een rijken oogst, dank zij de voorzichtige leiding van mijnheer Krüger, die hierin flink door Petersen en Mertens geholpen werd. Naar deze mij mededeelde, hadden al de werklieden hun contracten voor drie jaar verlengd, daar zij zich op de plantage zeer op hun gemak gevoelden en vooral veel van Petersen hielden, die er uitstekend den slag van had met het volk om te gaan en hun het leven aangenaam te maken.

Den volgenden dag vertrok directeur Beckmann dadelijk na het ontbijt naar Apia, en verzocht mij nog eens dringend hem op mijn terugreis te komen bezoeken.

Zooals mijnheer Krüger mij vertelde, was hij zeer tevreden over mijn opvolger in het boekhouden; het was een bescheiden jongmensch, die spoedig op de hoogte van het werk was gekomen. Ik kon niet persoonlijk kennis met hem maken, daar hij voor een paar dagen met verlof naar Matafele was.

Na het diner ging ik met Hendrik naar de plantage en reed van daar alleen naar de niet ver gelegen factorij Falelata, om mijnheer Hüsmann en zijn familie een bezoek te brengen. Ik werd er zeer hartelijk ontvangen; zij waren dien nacht nog niet vergeten, waarin Petersen en ik hun te hulp waren gekomen om de overrompeling der inlanders te doen mislukken.

Ik had te kennen gegeven, om, nu ik in Mulifanua was, ook den vorigen koning Tamasese in zijn dorp te bezoeken, wat mijnheer Krüger goedkeurde; vrijwillig stond hij ook Petersen toe met mij mee te gaan. Geheel onverwacht verscheen op den middag, die voor ons uitstapje bestemd was, Tamasese bij mijnheer Krüger, vergezeld van twee zijner voornaamste opperhoofden; nu waren zij ongewapend. Hij had evenals al de overige inlanders zijn wapenen moeten afleggen. Toen wij elkander hartelijk begroet, en op het terras plaats genomen hadden, vertelde hij ons, dat hij van een zijner lieden vernomen had, dat ik mij in Mulifanua bevond, en nu was hij gekomen, om mij nog eens te zien. Nooit zou hij den dienst vergeten, dien ik hem bij Muliangi bewezen had, verzekerde hij mij, terwijl hij mij met groote hartelijkheid de hand drukte.

Evenals vroeger smaakten verscheiden glazen Pschorrbräu Tamasese uitstekend, maar toch schenen de jongste gebeurtenissen hem veel van zijn zelfstandigheid als ex-pretendent naar de kroon, te hebben doen verliezen, hij zag er ten minste tamelijk neerslachtig en ontevreden uit.

Vrijdagmorgen nam ik afscheid van mijnheer Krüger en mijn vriend Hendrik, die mij naar het strand bracht, waar de groote boot der factorij op mij wachtte. Dadelijk na mijn aankomst te Apia, begaf ik mij naar directeur Beckmann, bij wien ik bleef eten. Onder het diner vroeg ik hem verlof, om in de nabijheid van ons woonhuis een klein huisje te laten bouwen, daar ik na Gaedeckes huwelijk toch niet bij hem kon blijven wonen; aanstaanden Zondag zou mijn vriend, zooals de directeur wist, trouwen.

Glimlachend antwoordde mijnheer Beckmann: “Beste Arendt, dit verzoek kan ik u niet toestaan.”

Toen ik hem eenigszins verbluft aankeek, vervolgde hij:

“Mijn secretaris is met de laatste stoomboot naar Auckland vertrokken om van daar naar Duitschland terug te keeren; sedert eenige maanden was hij aan het sukkelen, daar hij niet tegen dit klimaat kon. Daarom heb ik besloten, de niet onbelangrijke betrekking van secretaris aan u op te dragen, en een der jongere bedienden van de Maatschappij in Matafele, in uw plaats naar de factorij bij Laulii te zenden. Vindt ge dit goed, vriend?”

“O, Directeur, hoe zal ik u voor zooveel goedheid, voor dit bewijs van vertrouwen danken!” riep ik vroolijk verrast uit. “Het zal mijn vurigst streven zijn, mij deze goedheid waardig te maken en uw vertrouwen te behouden.”

Mijn chef gaf mij over de tafel heen, vriendelijk lachend de hand, die ik innig dankbaar drukte.

“Mijnheer Hellmann,” zeide mijn chef nu verder, “zoo heet uw opvolger, dien gij bij gelegenheid van uw bezoeken in Matafele, hebt leeren kennen, zal u morgen vroeg naar Laulii vergezellen en voorloopig bij den opzichter Hendriksen wonen, tot er een huisje voor hem in orde gemaakt is. Ik heb een paar dagen geleden reeds aan Gaedecke geschreven en hem van deze schikking op de hoogte gebracht. Wat er mogelijk nog meer te doen valt, kunnen wij overmorgen in Vaitele bij Tiedemann bespreken, daar ik ook op de bruiloft van uw vriend genoodigd ben en met onzen tegenwoordigen predikant daarheen wil rijden. Vannacht kunt ge al in de kamer, die voor u bestemd is, slapen; ik zal uw koffer door een knecht van het hotel doen halen.”

Na den maaltijd bracht de directeur mij zelf naar mijn kamer, een vrij groot vertrek, met ramen, die op den tuin uitzagen, en liet mij toen alleen, nadat hij mij nog gezegd had, dat ik den geheelen avond vrij over mijn tijd kon beschikken, omdat hij een conferentie bij dokter Raffel moest bijwonen.

Ik was zoo opgewonden over de onverwachte onderscheiding, die mij te beurt was gevallen, dat het mij onmogelijk was thuis te blijven. Ik stak een sigaar op, slenterde wel een uur lang de haven op en neer, en belandde eindelijk in den Duitschen biertuin op het strand, waar ik in gezelschap van de vroegere, bekende Duitsche kooplui een glas bier dronk en eindelijk innig vergenoegd naar huis ging.

Den volgenden morgen gebruikte ik met den directeur vlug een kop thee en voer toen in een boot, die men mij welwillend voor dit doel had afgestaan, naar Laulii. Mijnheer Hellmann, die afscheid was komen nemen van onzen chef, ging met mij mede.

Gaedecke ontving mij zeer hartelijk, feliciteerde mij met mijn bevordering, doch gaf tevens zijn leedwezen te kennen, dat wij moesten scheiden, daar wij tijdens ons samenwonen, met elkander op zulk een goeden voet verkeerd hadden. Nadat mijn opvolger voor dien eersten nacht mijn vroegere kamer betrokken had, gebruikten wij een stevig lunch, waarna Gaedecke en ik te paard stegen om naar Vaitele te gaan. Onze feestkleeren waren in een handkoffer gepakt, die achter het zadel van mijn paard vastgegespt werd.

Nog voor het invallen van de duisternis kwamen wij op de plaats onzer bestemming, waar wij met gejuich ontvangen werden, daar de familie Tiedemann ons eerst den volgenden morgen verwacht had. De avond ging onder gezelligen kout voorbij; alleen speet het ons, dat wij op Duitsche manier geen “Polter-abend” [5] konden houden!

Tegen tien uur ’s morgens verschenen directeur Beckmann en de dominee van Apia, beiden te paard, op de factorij en, nadat de heeren een kleine hartsterking genomen hadden, voltrok de geestelijke, achter in den tuin, op het terras, dat bijzonder mooi met bloemen en kransen versierd was, het huwelijk. Veel meisjes, vrouwen en mannen woonden, gedeeltelijk op de treden van het terras, gedeeltelijk op het plein daarvoor, de plechtigheid bij.

Terwijl wij daarna aan den keurig met bloemen getooiden bruiloftsdisch aanzaten, en ons het heerlijk toebereide maal uitstekend lieten smaken, kwamen twaalf bekoorlijke meisjes, met bloemkransen op het hoofd en slingers van bloemen om het bovenlijf, binnen, en voerden ter eere van de jonge vrouw, de vriendin harer meisjesjaren, een “Siva” uit, den bevalligsten en liefsten dans, dien men bedenken kan. Dadelijk na het diner keerden de directeur en de dominee naar Apia terug, waarna de jonggehuwden en mijn persoon zich gereedmaakten den tocht naar onze factorij te aanvaarden. De bekoorlijke Filina had bruidsgewaad en sluier voor een eenvoudiger kleed verwisseld en besteeg het voor haar bestemde paard, dat een dameszadel had, om naar haar nieuwe woning te rijden, daar het onmogelijk was, er op een andere manier te komen. Haar uitzet, in groote manden gepakt, was reeds ’s morgens door verscheiden knechts op de factorij bezorgd. Ik reed als wegwijzer vooruit, en het druk redeneerend paar kwam achter mij aan. Zij zouden zeker niet op den weg gelet hebben, en wij hadden dus gemakkelijk kunnen verdwalen.

Toen wij zonder ongelukken tegen den avond de plantage bereikt hadden, sloeg ik mijn nachtkwartier op bij den opzichter Hendriksen, waar ik mijn opvolger reeds aantrof. Ik legde mij neer onder het voorste afdak van het huisje op een mat, dekte mij toe met een plaid en sliep dadelijk in, daar de rit, bij de groote hitte, mij zeer vermoeid had.

Den volgenden morgen ontbeet ik in gezelschap van het jonge echtpaar op de tuin-veranda, pakte mijn boeltje in mijn koffer en reed, na hartelijk afscheid genomen te hebben van Gaedecke—dien ik oprecht lief gekregen had—en zijn alleraardigst vrouwtje, naar het dal. Vóór dien tijd had ik den opzichter Hendriksen en mijn opvolger reeds vaarwel gezegd. Mijn trouwe Sufa had kort te voren al mijn bagage mijn geweren en revolvers op een handwagen geladen, die door twee werklieden naar Laulii gereden werd, waar de boot van de factorij reeds op mij wachtte, om mij naar Apia over te zetten.

Zeer spoedig was ik op de hoogte mijner werkzaamheden, als secretaris van den eersten ambtenaar der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij. Deze bestonden voornamelijk in het voeren der correspondentie met de verschillende factorijen, die onze Maatschappij op de eilanden Upolu en Savaii bezat, en het nazien en vergelijken der berichten omtrent de opgave van den oogst, en tevens den directeur daarvan op de hoogte te houden. Op deze wijze vernam ik toen eerst, dat de Maatschappij ongeveer vierduizend hectaren gronds op Samoa in eigendom had, benevens zestienhonderd stuks rundvee en verscheiden honderd paarden. Op haar plantages werkten meer dan duizend arbeiders, waarvan de meesten van de Tonga- de Salomons- en de Gilbert-eilanden naar Samoa gezonden waren, daar de Samoaners zelf tot geen enkel werk, dat inspanning vordert, te bewegen zijn. De buitengewone vruchtbaarheid van hun schoon vaderland, vergunt hun een ongestoord Dolce far niente; men mocht er hun dus geen verwijt van maken, dat zij dit zoete nietsdoen niet vrijwillig wilden opgeven.

Elke maand bezocht mijn chef geregeld de factorijen op Upolu en Savaii, om ze te inspecteeren en een noodzakelijk onderhoud te hebben met de respectieve directeuren. Ik vergezelde hem bijna altijd op die tochten, en dit was voor mij van veel belang, daar ik zoodoende land en volk beter leerde kennen.

De eerste maanden gingen kalm en rustig voorbij en het jaar 1899 zou niet eindigen, zonder ons de definitieve regeling der staatkundige moeilijkheden op de Samoa-eilanden te brengen.

De overeenkomst, tusschen de Duitsche Regeering en Groot-Brittannië, op den 14en November 1899 te Londen gesloten, bepaalde, dat Engeland in het belang van Duitschland, van al zijn aanspraken op de eilanden Upolu en Savaii, afstand deed; deze kwamen nu uitsluitend in het bezit van Duitschland, dat wederkeerig, ten gunste van Engeland, afzag van zijn recht op de Tonga-archipel.

