# Op Samoa

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/op-samoa-14666/index.md

Te midden van deze ongeregeldheden was mijn vriend Hendrik van Mulifanua aangekomen; bij mijn terugkomst uit de stad, trof ik hem ten huize van den directeur aan. Aan tafel vertelde ik mijn chef, wat ik van den consul en later van den eigenaar van het Hotel International, die altijd goed op de hoogte was, over de bijeenkomst aan boord der “Philadelphia” en den uitslag daarvan, vernomen had.

De directeur was reeds onderricht van de opheffing van het voorloopig bestuur en van de proclamatie. “Ik begrijp niet,” zeide Petersen, “waarom de commandant van de ‘Falke’ niet strenger opkomt tegen deze ingrijpende handelingen der Engelschen en Amerikanen.”

“Dit zal ik je verklaren, mijn vriend,” antwoordde mijnheer Beckmann. “Ik weet het van onzen consul, dat de commandant uit Berlijn strikt bevel heeft ontvangen, elk krachtdadig optreden tegen de hedendaagsche oneenigheden en verwarringen zooveel mogelijk te vermijden; de handen zijn hem dus als het ware gebonden, en hij heeft hier genoeg verdriet van. Wanneer jullie nu nog een loopje doen wilt in de stad, Heeren,” ging de directeur voort, “dan heb ik daar niets tegen, maar komt niet te laat thuis. Ik ga nog even naar den consul.”

Wij deden een kleine wandeling langs de haven, doch zagen daar niets ongewoons; alleen trok het onze aandacht, dat wij noch een matroos, noch iemand anders van de equipage der vier oorlogsschepen zagen, die op kleinen afstand van den oever voor anker lagen. In den Duitschen biertuin, troffen wij daarentegen veel gasten aan, en naar hun levendige conversatie te oordeelen, waren het onze landgenooten; zij hadden verscheiden tafels tegen elkaar geschoven en bespraken met groote belangstelling de gebeurtenissen van den dag. Wij vroegen verlof bij hen te komen zitten, en maakten ons bekend.

“Mijnheer Petersen, op uw welzijn in het bijzonder!” riep een der aanwezigen mijn vriend toe, terwijl hij zijn glas ophief en op diens gezondheid dronk.

Verwonderd keken wij op, en herkenden den heer, die in Januari aan ons tafeltje had gezeten, toen Hendrik den Engelschen officier zoo kranig den tuin uitgegooid had. Natuurlijk knikten wij den koopman vriendelijk toe en hieven insgelijks onze glazen op. Toch was mij deze ontmoeting volstrekt niet aangenaam, want misschien kon het nu, daar iedereen in een opgewonden, ontevreden stemming verkeerde, tot onvriendelijke toespelingen op onzen consul of president Raffel komen, die ons maar in moeilijkheden zouden brengen. Daarom verzocht ik mijn vriend zachtjes, zijn bier op te drinken en maar gauw te vertrekken; hij keek mij wat verwonderd aan, maar ging toch mee, toen ik opstond en mij bij de heeren verontschuldigde, daar de directeur ons wachtte.

Den volgenden dag vonden wij de straten, die naar het binnenste gedeelte van het eiland voerden, bijna alle gebarrikadeerd en door de soldaten van Tanu bezet; voor het huis van den Britschen consul, het Gerechts-hof en de woningen der aanzienlijkste Engelsche kooplieden, stonden Engelsche mariniers en matrozen op de wacht; op dezelfde wijze werd het Amerikaansche consulaat bewaakt. Dien dag kwam het niet tot een gevecht. Den morgen daarop zond Admiraal Kautz een laatste opdracht aan Mataafa, inhoudende, dat deze met zijn soldaten op den middag van 15 Maart de gemeente Apia moest ontruimd hebben en dat, als hij hieraan niet voldeed, met het beschieten van het door hem bezette gedeelte der stad een aanvang zou worden gemaakt.

Mataafa stoorde zich in het geheel niet aan dit bericht, maar begon van zijn stelling de stad aan te vallen en de hem tegenoverstaande soldaten van Tanu terug te dringen; niet voordat de duisternis inviel, kwam er een eind aan dezen strijd. Toen de soldaten van Tanu den volgenden morgen op nieuw werden aangevallen, haalden de Amerikaansche en Engelsche consuls admiraal Kautz over om reeds een halfuur voor den vastgestelden tijd van de “Philadelphia” en de “Royalist” met het schieten op de dorpen te beginnen, die door Mataafa en zijn aanhangers bezet waren. Terzelfder tijd ontving de commandant van de “Porpoise” bevel de dorpen ten Oosten en Westen van Apia te bombardeeren, waarvan eenige, die aan den oever lagen, zeer spoedig in brand stonden.

Daar de door Mataafa bezette plaatsen door een dicht woud omringd waren, was het voor de kanonniers der “Philadelphia” en van de “Royalist” zeer moeilijk de juiste standplaats der vijandelijke partij te bepalen; het gevolg van deze onzekerheid was, dat verscheidene schoten aan beide zijden der verdedigingslinie hun doel misten. Zoo barstte onder anderen een bom van de “Philadelphia” in de onmiddellijke nabijheid van het Amerikaansche consulaat uiteen en doodde een groot aantal van de aldaar op post staande mariniers. Ook in de woning van den Duitschen consul zeer dicht bij ons, kwam een groote bom door het lichte dak in de keuken terecht, waar zij al het keukengereedschap vernielde.

Op verlangen van den directeur liep ik er vlug heen om te informeeren, of de granaatkogel soms ernstig kwaad aangericht en een der bewoners van het consulaat gekwetst had, maar tot mijn blijdschap vernam ik dat, zooals reeds gezegd, alleen de breekbare waar in de keuken kort en klein geslagen was.

Een groot aantal Duitsche inwoners van Apia begaf zich nog denzelfden avond aan boord van den kruiser “Falke” om zich in veiligheid te brengen, niet alleen voor de granaatkogels der Engelschen en Amerikanen maar ook voor mogelijke aanvallen van de aanhangers van Tanu, hun beschermelingen.

Zoowel consul Rose als directeur Beckmann bleven in hun huizen, te meer omdat de eerste van den commandant der “Falke” een veiligheidswacht had gekregen, die zoo noodig ook ons hulp zou kunnen verleenen, daar de woning van den directeur slechts enkele schreden van het consulaat verwijderd was. Bij het vallen van den avond hield het bombardement op, maar lang zouden wij ons niet in onze rust verheugen. Midden in den nacht deed Mataafa met zijn soldaten een hevigen aanval op de stad en sloeg het leger van koning Tanu een heel eind terug, totdat deze van een afdeeling Britsche matrozen ondersteuning kreeg. Toen er verscheidenen van dezen, door de kogels hunner aanvallers gevallen waren, trokken zich de krijgslieden van Mataafa weder in hun verschansingen terug.

Mijnheer Beckmann, Petersen en ik hadden het geheele gevecht van het terras voor ons huis gadegeslagen; dit terras lag vrij hoog en was door een sterke borstwering omgeven, zoodat wij voor eventueel verdwaalde kogels beschut waren.

“Een flinke, dappere kerel, die Mataafa!” riep Hendrik uit, toen wij den koning met zijn troepen zoo moedig voorwaarts zagen rukken. “In weerwil van de vijandelijke granaatkogels, die hem sedert vanmiddag om de ooren vlogen, grijpt hij den vijand nog in den nacht aan en drijft hem terug om te toonen, dat hij den moed nog lang niet verloren heeft.”

“Ronduit gesproken, vind ik het al heel schandelijk van de Engelschen en Amerikanen om een bombardement te beginnen op niet ommuurde dorpen en menschen, die zich niet verdedigen kunnen!” riep ik onwillekeurig uit.

“Het is niet voor het eerst, dat de heeren Engelschen zulk een heldendaad verrichten, beste vriend,” zeide de directeur op zijn bedaarde manier van spreken. “Denk maar eens aan het bombardement van Alexanderië in het jaar 1882, en den opstand van Arabi Pacha; dat was ook een open stad.”

Het overige van den nacht ging ongestoord voorbij. Den volgenden dag begon het beschieten opnieuw en een volle acht daag hield het thans aan. Bijna de geheele blanke bevolking nam de vlucht op de oorlogsschepen; velen verlieten Samoa voor altijd.

In weerwil van de talrijke verliezen aan menschenlevens hield Mataafa zich gedurende het geheele bombardement dapper staande en gaf geen enkele der door hem ingenomen stellingen op. Toen het schieten gestaakt werd, dat geen ander gevolg had gehad dan een groote slachting onder de inboorlingen van Samoa, waarvoor bovendien geen bepaalde aanleiding was geweest, werd het langzamerhand weer rustig. De vluchtelingen verlieten de oorlogsschepen, waarop zij bescherming gezocht en gevonden hadden en keerden naar hun woningen terug, waarvan er zeker niet weinige door de granaatkogels of de plunderende krijgslieden van Tanu in deerniswaardigen toestand gebracht waren.

Ook mijn vriend Hendrik en ik zeiden het huis van onzen directeur, dien wij in dezen veelbewogen tijd als een dierbaar familielid hadden leeren kennen, vaarwel en keerden naar onze woonplaatsen terug—hij naar Mulifanua, ik naar Laulii.

TIENDE HOOFDSTUK.

SAMOA WORDT EEN DUITSCHE KOLONIE.

Weinig dagen na mijn terugkomst lazen wij in de courant, dat den 23en Maart in tegenwoordigheid van de Engelsche en Amerikaansche consuls de feestelijke kroning van Tanu had plaats gehad, dus onmiddellijk na het bombardement van Apia. Deze handelwijze van den kant der beide consuls was hoofdzakelijk slechts een openbaring hunner vijandelijke, verbitterde stemming tegenover Duitschland en in den grond zonder eenige practische uitwerking, daar Mataafa, zooals reeds is vermeld, in weerwil van het langdurig beleg, al zijn stellingen dapper had weten te handhaven.

Zoowel onze consul Rose als president Raffel hadden dadelijk bij het Duitsch bewind een flink gesteld protest ingediend tegen deze slachtingen door de Engelsche en Amerikaansche scheepscommandanten op de bewoners van Samoa gehouden, waarvoor, zooals hier boven reeds is gezegd, geen enkel geldig motief bestond.

De gevolgen van dit protest waren, dat het bestuur der veiligheidswachten de zaak in handen nam en vooral Engeland zijn instemming betuigde met de voorslagen van het Duitsch gouvernement, om voorgoed een eind te maken aan de vijandelijkheden en daarom een commissie naar Apia te zenden, die bestaan zou uit drie vertegenwoordigers der veiligheidswacht.

Voor deze commissie de plaats harer bestemming bereikte, kwam het in April nog tot twee gevechten. Mataafa was er in geslaagd onzen ouden vriend Tamasese voor zijn partij te winnen, die zich met het grootste gedeelte zijner aanhangers met Mataafa’s strijdkrachten vereenigde. Tamasese was tot dit verbond overgegaan, minder uit bijzondere sympathie voor zijn vroegeren mededinger, dan wel uit haat tegenover zijn oude vijanden, Malietoa en diens zoon Tanu; ook had hij meer vertrouwen op de macht van Duitschland dan op den invloed van de door hem van ouds zoo bitter gehate Engelschen.

Zooals ik bij mijn eerste bezoek aan Apia vernam, waarheen ik mij begeven had om de noodige gelden in ontvangst te nemen tot uitbetaling der salarissen, waren door het bombardement niet alleen een groot aantal inboorlingen gedood, maar ook verscheidene dorpen geheel verwoest, vooral die, welke dicht bij den oever gelegen waren. Eveneens hadden vele Europeanen en Amerikanen aanzienlijke schade geleden; hun woonhuizen waren door de granaten gedeeltelijk verbrand en alleenstaande aanplantingen geheel verwoest. Zij wendden zich met hun bezwaren tot den consul, wien het aanging, en ontvingen van hem het voorloopig antwoord, dat zij geduld moesten hebben tot de bijeenkomst der internationale commissie.

Den 15en April zat ik ’s morgens met Gaedecke aan het ontbijt, toen wij duidelijk kanongebulder hoorden, gevolgd door het zwakker geluid van geweervuur.

“Het zou mij niet verwonderen, als er in de bergen westwaarts een gevecht plaats had tusschen Mataafa en de mannen van Tanu,” riep ik, terwijl ik opsprong en naar buiten ging.

“Dat geloof ik ook,” antwoordde mijn collega, die mij gevolgd was. “Maar hoe is het kanonvuur te verklaren, daar de twee partijen toch moeilijk over kanonnen zullen kunnen beschikken?”

“Ja wel, ik herinner mij heel goed, dat de Amerikaansche admiraal zijn beschermeling Tanu twee lichte kanonnen heeft geschonken, toen diens aanhangers met de Engelsche kruiser ‘Royalist’, vervoerd werden; als ik mij niet vergis, over de tweeduizend man. Ik heb de twee stukken geschut zelf gezien, toen deze voorbij het huis van onzen directeur getrokken werden, om tegen een verschansing van Mataafa te worden aangewend. Ga mee, vriend,” ging ik voort, “wij zullen onze paarden laten zadelen en naar den top van den berg rijden; daar zullen wij zeker iets van het gevecht kunnen zien.”

Gaedecke nam met mijn voorstel genoegen; tien minuten later bestegen wij de door de knechten vlug gezadelde paarden, nadat wij uit voorzorg onze revolvers in den zak hadden gestoken; men kon nooit weten, of men niet genoodzaakt zou zijn er gebruik van te maken.

Wij draafden langs den linkeroever der rivier voort tot beneden aan de plaats, waar Mataafa in November van het vorige jaar de mannen van Tanu met hun Engelsche bondgenooten in den rug aangevallen en over de bergen teruggedreven had. Zoo vlug het met onze kleine paarden gaan kon, reden wij vervolgens in schuinsche richting de helling op en, toen wij den top bereikt hadden, konden wij het vrij breede dal van de Letoga-rivier overzien en ons spoedig overtuigen, dat ik mij in mijn vermoeden niet bedrogen had. Ongeveer een kilometer het dal in, werd inderdaad een levendige strijd gevoerd op den nog slechts met enkele boomen en struiken begroeiden linkeroever, juist tegenover een plaats aan den rechteroever, het Samoaansche dorp Muliangi, zooals ik later vernam.

Nadat wij nog een eind de westelijke helling van den bergrug afgereden waren, kwamen wij aan een plaats, waar de boomen minder dicht bij elkander stonden, zoodat wij het dal goed konden overzien en zelfs de gestalten der strijdvoerenden vrij duidelijk onderscheiden.

“Kijk, daar ginds, aan den voet van de helling zijn de twee stukken geschut opgesteld,” zeide ik tot mijn metgezel; “zooals ik zie, worden zij echter niet door inboorlingen bediend, maar door Amerikaansche matrozen. Ook is daar ginds tusschen de boomen een heele afdeeling Engelsche mariniers en matrozen vol ijver aan het schieten op de mannen van Mataafa. Dezen schijnen door het vijandelijk vuur niet veel verliezen te lijden, want zij houden hun stelling aan de rivier tusschen de boomen staande. Zie je daar, een beetje hooger en meer naar ons toe, dien flinken Samoaner, die met een heele schaar inboorlingen uit het boschje aanrukt om de twee kanonnen in de rechterflank aan te vallen? Dat is nog een oude kennis van mij uit Mulifanua, de vroegere tegenkoning van Malutoa, Tamasese; een kranige kerel, hè? Kijk eens aan! Door het onvermoeid vuren zijner soldaten dwingt hij de kanonnen hun stelling op te geven en zich langs de rivier terug te trekken. Ook schijnt Mataafa’s volkje door het zwijgen van het geschut nieuwen moed gevat te hebben; ten minste hun koning leidt hen van twee kanten naar de Engelschen en hun vrienden, die zich ook niet lang meer zullen staande houden.”

Met behulp van mijn vrij sterken tooneelkijker, dien ik aan een riempje over mijn schouder droeg, kon ik de afzonderlijke gestalten der strijdenden aan weerszijden nauwkeurig onderscheiden, daar wij nauwelijks een kilometer van hen verwijderd waren. Op dit oogenblik, terwijl ik nog bezig was de bewegingen der strijdenden in het dal gade te slaan, riep Gaedecke, die eenige meters lager dan ik stond, mij toe:

“Richt je kijker eens op gindsche helling aan den overkant, Arendt; als mijn oog zich niet bedriegt, daalt daar een groote troep inboorlingen den berg af en het dal in.”

“Ja, waarlijk! Je hebt je niet vergist, beste vriend,” antwoordde ik, na eenige oogenblikken de tusschen de boomen zichtbaar wordende gestalten te hebben gadegeslagen. “Het zijn gewapende inboorlingen, waaronder ik zelfs eenige ‘Blauwjakken’ heb opgemerkt; het kunnen dus alleen mannen van Tanu zijn met eenige Britsche en Amerikaansche matrozen. Nu wordt mij ook duidelijk, wat die luitjes in het schild voeren; zij willen op dezelfde wijze de helling afgaan, totdat zij zich een vier en twintig meter boven de strijdenden in het rivierdal bevinden en dan Mataafa’s soldaten in den rug aanvallen, hetgeen voor onzen vriend licht hachelijk zou kunnen worden. Als het mij echter eenigszins mogelijk is, zal ik er een schotje voor steken. Blijf jij hier rustig wachten, Gaedecke, dan rijd ik onmiddellijk de helling af en het dal in, zoo hard als mijn paard loopen kan, om Tamasese of een ander opperhoofd van Mataafa van het dreigend gevaar in kennis te stellen.”

“O neen, Arendt, hier blijven doe ik niet!” riep Gaedecke uit. “Ik zou je alleen aan het gevaar blootstellen om midden in het gevecht te geraken! Dat nooit! Ik ga met je mede. Vooruit dus! Geen tijd verloren laten gaan!”

Bij deze woorden steeg hij van het paard en leidde het de steile helling af; natuurlijk volgde ik zijn voorbeeld, ofschoon de gedachte mijn bedaarden, vredelievenden vriend aan het gevaar te zien blootgesteld van door een kogel getroffen te worden mij zeer bezorgd maakte; ik begreep echter Gaedeckes bedoeling zeer goed: hij wilde mij laten zien, dat het hem, den geleerde, als het er op aankwam, evenmin aan moed ontbrak als mij den vroegeren soldaat.

Zoodra wij aan den rechteroever der Letoga-rivier gekomen waren, draafden wij met den stroom mee, tot wij ongeveer op dezelfde hoogte genaderd waren van het leger van Tamasese aan den overkant. Wij reden toen door de vrij ondiepe rivier en stuitten na weinig tijds op de manschappen van mijn ouden bekende, die gedeeltelijk op de, zeker honderd meter breede, ruimte tusschen de Letoga en den voet van den Westelijken bergrand, gedeeltelijk op een uitgestrektheid van de helling een verdedigings-linie vormden, waarop zij en de vijanden elkander beschoten. De hoofdmacht van Mataafa bevond zich iets lager en scheen, zoover ik zien kon, in een hardnekkig gevecht gewikkeld met het leger van Tanu en diens bondgenooten, die blijkbaar het voornemen hadden Mataafa met zijn soldaten over de rivier terug te dringen.

Ik steeg dadelijk van mijn paard, waarvan ik de teugels aan Gaedecke overgaf, met verzoek achter de eerste boomen aan den rand der helling, waar hij en de dieren ten minste eenigszins voor de vijandelijke kogels beschut zouden zijn, mijn terugkomst af te wachten. Nadat ik mij, zoo goed en zoo kwaad het ging, achter struikgewas en boomstammen een poos had schuilgehouden, sprong ik, zoodra ik begreep, dat ik gehoord zou worden, vlug naar voren en riep den Samoaners mijn “Talofa” toe, verwonderd keken de eersten om en beantwoordden mijn groet zeer vriendelijk en, toen ik daarop vroeg, waar hun aanvoerder Tamasese zich op dit oogenblik ophield, wezen zij naar de hoogte op de helling, waarna zij weder met groote bedaardheid hun buksen afvuurden in de richting, waar hun vijanden moesten staan, maar van wie mij geen enkele in het oog viel. Zij hielden zich zeker evengoed achter boomstammen verborgen als het leger van Tamasese; de twee partijen deden elkander waarschijnlijk niet veel nadeel, ofschoon er met veel geestdrift werd geschoten; mij ten minste vlogen verscheiden malen eenige kogels om het hoofd.

Nadat wij een oogenblikje gestegen hadden, zag ik Tamasese bijna op den rand der hoogvlakte staan, die zich tusschen de Letoga- en de Vailele-rivier uitstrekt, waar hij ongeveer dertig soldaten om zich heen had geschaard, waarschijnlijk met het voornemen den vijand van bovenaf onverwachts aan te vallen. Zoodra ik de kleine open plek betrad, kwam mij de voormalige tegenkoning van Malietoa eenige stappen tegemoet, nam mij een oogenblik scherp met zijn groote donkere oogen op en riep toen met een vriendelijk lachje zijn “Talofa” uit, terwijl hij mij tevens de hand toestak; hij had mij dus dadelijk herkend. Nadat ook ik hem vriendschappelijk had begroet, deelde ik hem, zoo vlug mij dit in de Samoaansche taal mogelijk was, mede, welk gevaar hem en de zijnen bedreigde.

Onmiddellijk riep hij zijn krijgslieden bij elkaar en daalde met hen de helling af, in de verdedigingslinie slechts zooveel man achterlatend, als strikt noodzakelijk was, om het vuur te onderhouden en de bewegingen van Tamasese onduidelijk te maken. In het dal aangekomen, nam ik afscheid van Tamasese, die mij op de hartelijkste wijze bedankte, en spoedde mij naar Gaedecke, die rustig achter de boomen mijn terugkeer had afgewacht.

In weinig woorden vertelde ik hem mijn ontmoeting met den kapitein, steeg vervolgens in den zadel en stelde voor, op de eerste ondiepe plaats de rivier te doorwaden en naar ons eerste standpunt op den oostelijken rand van het dal terug te keeren, daar wij op den linkeroever gevaar liepen midden tusschen de vijandelijke kogels te geraken. Nauwelijks hadden wij dan ook de Letoga overgestoken en een eind den berg opgereden, of wij hoorden al een hevig schieten van geweren en luide oorlogskreten. Iets hooger aangeland, konden wij zien, dat het Tamasese gelukt was nog voor de aankomst van Tanu’s leger een stelling in te nemen, waar de ruimte tusschen rivier en helling nauwelijks veertig meter breed en bovendien met kreupelhout bedekt was; toen zijn vijanden nu laag genoeg gedaald waren, werden zij uit deze verborgen hinderlaag met zooveel geweerschoten ontvangen, dat het gevecht spoedig tot staan kwam. Intusschen drong ook het geluid van levendig geweervuur van den anderen kant van het dal, vermengd met kanongebulder tot ons door, waaruit wij een vrij hevigen strijd opmaakten; van ons standpunt echter konden wij het slagveld niet meer zoo goed overzien als vroeger, daar Mataafa er in geslaagd scheen te zijn, den hem tegenoverstaanden vijand een heel eind terug te dringen.

Plotseling zagen wij een groote schaar inboorlingen op den linkeroever naar boven ijlen, aan wier hoofd een man stond, in wien Gaedecke den ouden kapitein herkende, die het vorig jaar in gezelschap van Mataafa eenigen tijd bij ons gerust had en dien ik door mijn onderhandelen met den Britschen officier uit groote verlegenheid had gered. Voor zoover wij konden nagaan, zond Mataafa den kapitein met een sterke afdeeling soldaten zijn bondgenoot Tamasese te hulp, nadat hij door het aanhoudend schieten in het Noordelijk gedeelte van het dal, op het aldaar plaats hebbend gevecht opmerkzaam was geworden.

Deze versterking van zijn troepen scheen zeer van pas te komen, want Tamasese had het met zijn kleine veertig man hard te verantwoorden tegenover de veel talrijker soldaten van Tanu en de matrozen. Toch hadden zij zich zoo dapper gehouden, dat het den laatsten nog niet gelukt was hen uit het bezette kreupelhout te verdrijven. Thans werd ik tot mijn vreugd en geruststelling gewaar, dat Tamasese den kapitein met het grootste gedeelte zijner manschappen de helling opstuurde, klaarblijkelijk met het doel den vijand van boven af in de flank aan te tasten. Deze omsingeling gelukte ook volkomen, want nauwelijks een half uur later zagen wij, dat de mannen van Tanu dadelijk na de eerste schoten, die hen tegemoet kwamen, weer naar boven trokken en spoedig in het dichte woud uit ons oog verdwenen.

Mataafa scheen er eveneens in geslaagd te zijn, zijn tegenpartij de Letoga verder af te dringen, want wij vernamen van dien kant nog slechts enkele schoten. Het geheele gevecht, dat men wel een slachting had kunnen noemen, had bijna drie uren geduurd, zoodat wij in een verzengenden zonnegloed den terugtocht naar de factorij moesten aanvaarden; wij verheugden er ons echter oprecht over, dat het den dapperen Mataafa wederom gelukt was, zijn erfvijanden en de helpers van hun bondgenooten, de Britsche en Amerikaansche zeelieden te verslaan, hetgeen voor de beide laatsten toch ongetwijfeld een groote schande was.

In den namiddag waren Gaedecke en ik voornemens ons naar de op de oostelijke helling gelegen cultures te begeven, toen wij een troepje inboorlingen ontdekten, die den kant van Laulii uitkwamen en onze woning naderden. Het duurde niet lang, of ik herkende aan het hoofd daarvan mijn kennis Tamasese benevens onzen vriend, den ouden kapitein. Beiden riepen ons een zeer vriendelijk “Talofa” toe, toen zij bij de veranda aan den voorkant van het huis gekomen waren, hetgeen wij op dezelfde wijze beantwoordden met de uitnoodiging bij ons van de vermoeienissen wat te komen uitrusten.

