Part 10
“Die Petersen moet toch een prachtstuk van een kerel wezen; ik zou hem gaarne persoonlijk willen leeren kennen,” zeide mijn collega, toen ik hem de scène in den biertuin afschilderde. “Hij schijnt in alle geval de eenige manier te bezitten om met deze pleizierige heeren ‘Beefs’ om te gaan. Wat nu de jongste politieke gebeurtenissen in Apia betreft, die verontrusten mij niet bijzonder; dokter Raffel zal wel de noodige maatregelen weten te treffen, om aan den huidigen overmoed der Engelschen paal en perk te stellen.”
De eerstvolgende weken gingen met rustig werken op onze afgelegen plantage voorbij. Directeur Beckmann was zoo attent, ons iederen Zaterdag de Duitsche courant te zenden, die in Apia in druk verschijnt; ook bracht de bode de brieven mee, die uit het vaderland voor ons waren aangekomen; zoo bleven wij van alles goed op de hoogte.
Op een Zaterdagavond zeide collega Gaedecke, dat hij mij voor een paar dagen alleen zou laten, daar hij den volgenden morgen vroeg naar Apia zou vertrekken en van daar te paard naar de plantage Vaitele gaan; hij had een schrijven ontvangen van mijnheer Tiedemann, die hem dit had opgedragen.
“Ik kom niet later dan Dinsdag terug, beste vriend,” voegde Gaedecke er bij. “Hendriksen kan heel goed alleen het opzicht houden over de nieuwe cultures, zoodat jij zelf volstrekt niet gestoord zult worden.”
Toen ik den volgenden Dinsdag tegen den avond van mijn ronde op de plantages, aan den oostelijken rand van het rivierdal naar huis keerde, bemerkte ik beneden in het dal twee ruiters; in den voorsten herkende ik tot mijn groote verbazing Gaedecke, terwijl de andere een Samoaner was. Ik haastte mij zoo gauw ik kon, de helling af te loopen en kwam bijna tegelijk met de ruiters aan het woonhuis.
“Maar om ’s Hemels wil, vriend, hoe kom jij nu van de bergen hier en dan nog wel te paard?” riep ik uit. “Ben je misschien uit Apia over het gebergte komen rijden?”
“Zoo dadelijk zal je alles vernemen,” antwoordde Gaedecke. “Laat mij eerst voor mijn metgezel en de paarden zorgen.”
Onze bedienden, die intusschen waren komen aanloopen, ontvingen nu bevel, de paarden in de nabij zijnde loodsen onder dak te brengen, en den Samoaner mee te nemen naar hun woning, waar de kok hem te eten moest geven.
Toen mijn vriend een verfrisschend bad had genomen en wij op de veranda ons avondeten gebruikten, bevredigde hij eindelijk mijn nieuwsgierigheid.
“Voor wij iets anders doen,” ving hij glimlachend aan, “zou ik vanavond niet gaarne bier, maar een glas wijn met je drinken, vriend Arendt, en wel op iemand, die mij onuitsprekelijk dierbaar is!”
“Drommels! Je bent toch niet hals over kop verliefd geworden en je hebt je toch maar niet dadelijk verloofd?” riep ik verrast uit, terwijl ik Sufa order gaf een flesch wijn uit den kelder te halen.
“Verliefd ben ik reeds lang, verloofd pas sedert gisteren. Luister maar eens, oudje!” zeide Gaedecke met een van vreugde stralend gelaat. “Je herinnert je nog wel mijnheer Tiedemann, in de factorij Vaitele, dien wij kort na onze landing in Apia met directeur Beckmann bezocht hebben? Tiedemann is gehuwd met een Samoaansche, een zeer mooie, jonge vrouw, die wij toen niet gezien hebben, omdat zij haar man juist een baby geschonken had.
“Ongeveer een half jaar na mijn komst in Vaitele, nam mevrouw Tiedemann haar jongere zuster bij zich in huis, die tot dien tijd in een naburig dorp, met haar moeder samengewoond had. Je hebt mij zeker als een tamelijk nuchter, in het minst niet romantisch persoon leeren kennen, niet waar, beste Arendt? Welnu, ik kan je verzekeren, dat deze kleine Filina, zoo heet de jonge Samoaansche, het bekoorlijkste schepseltje is, dat mijn oogen ooit aanschouwd hebben; de belichaamde bevalligheid, een fee, in den waren zin des woords. Lang heb ik tegen mijn hartstocht voor die kleine gestreden, die mij zoo hoogst onverwachts, als een felle koorts, te pakken had; maar, toen ik verleden jaar Vaitele moest verlaten, om het bestuur over deze plantage op mij te nemen, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen, van Filina te scheiden zonder haar te bekennen, hoe het met mij stond. In kinderlijken eenvoud beleed mij dit zonnekind, dat ik ook haar niet onverschillig gebleven was. Ik kon toen onmogelijk bij Tiedemann mijn hart uitstorten, omdat ik nog geen vaste aanstelling had; maar nu de factorij, die aan mij is toevertrouwd, bloeit en mij een ruim bestaan belooft, zijn de omstandigheden veranderd. Nu heb ik dadelijk na Nieuwjaar aan Tiedemann geschreven, en hem de hand van zijn schoonzuster gevraagd; verleden Zaterdag ontving ik zijn toestemming en de uitnoodiging om zoo spoedig mogelijk naar Vaitele over te komen. Dat was nu de reden van mijn reis.”
“Hartelijk, hartelijk gefeliciteerd met je engagement, vriend Gaedecke, en dit glas op de gezondheid der bekoorlijke Filina!” riep ik uit, terwijl ik de glazen vulde uit de flesch, die Sufa intusschen op tafel gezet had.
“Je bent eigenlijk toch een leelijke stille-in-den-lande!” zeide ik, toen wij het glas geleegd hadden. “Wij wonen nu bijna een half jaar samen, en met geen enkele syllabe, geen enkel gebaar, heb je je hartsgeheim verraden.”
“Ik houd er niet van over dingen te spreken, die onzeker zijn, of nog niet tot een eindbesluit zijn gekomen,” antwoordde Gaedecke.
“En leg mij nu eens uit, wat je genoopt heeft, van Vaitele over het gebergte hierheen te komen rijden, in plaats van naar Apia en van daar uit, per boot naar Laulii te varen?” vroeg ik.
“Een knecht van mijnheer Tiedemann, die geboren is in een dorp in het dal van den Vaivasa-stroom, vertelde mij, dat het volstrekt niet noodig was, den grooten omweg over Apia te maken, om naar Laulii terug te keeren. Hij wist een weg, die hoewel smal van de factorij Vaitele over het gebergte naar het dal van het riviertje leidde, dat bij Laulii in de zee uitloopt. De weg was wat moeilijk, maar te paard zeer goed binnen vier uur af te leggen. Ik vertelde Tiedemann het voorstel van zijn knecht, en mijn aanstaande zwager was het met hem eens; hij schonk mij twee paarden, om voortaan de bezoeken bij mijn meisje ook langs dien weg te komen brengen en gaf mij den Samoaner mee, om mij naar onze factorij terug te brengen en mij tevens den weg te wijzen. Morgen zal deze te voet naar Vaitele teruggaan, terwijl ik aanstaanden Zondag met mijn vriend Arendt over de bergen daarheen zal rijden, om hem mijn kleine lieveling voor te stellen. Is dat goed?”
“Aangenomen, beste vriend, dat doe ik!” riep ik uit, terwijl ik mijn rechterhand in de zijne sloeg.
Zooals afgesproken was, stegen wij den volgenden Zondag dadelijk na zonsopgang te paard en reden wij eerst ongeveer twee kilometer bergopwaarts, vervolgens sloegen wij rechts, een bijna onzichtbaar, smal pad in, dat ons boven op den westelijken rand van het dal voerde, waar wij een hoogvlakte met zwaar geboomte begroeid, aantroffen. Het was een heerlijke rit tusschen de prachtige boomen, door wier dichte bladerkronen geen zonnestraal kon dringen, zoodat een koele, verkwikkende schemering ons omringde. Na een klein half uur bereikten wij het westelijk gedeelte der hoogvlakte, waar wij van de paarden moesten stijgen en hen bij den teugel leiden, daar de helling tamelijk steil was; in het dal gekomen, waardoor een vrij breede bergstroom vloot, de Letoga, zooals Gaedecke hem noemde, reden wij een eind stroomopwaarts tot aan een punt, waar weer een pad langs de oostelijke helling opliep, dat ons naar een smallen bergkam leidde, van welks top wij op kleinen afstand verscheiden watervallen zagen. De Letoga-val leverde werkelijk een prachtig schouwspel op, want zijn zilverhelder water stortte over den bergrand, die met bloeiende gewassen begroeid was, van een hoogte van dertig meter, in een door de natuur gevormd bekken. Ook den noordelijken rand van het 2570 voet hoog, liggende kratermeer Lanuto, zagen wij duidelijk voor ons. Nadat wij door den tamelijk ondiepen stroom Vailele, die aan den westelijken voet van den bergkam in noordelijke richting loopt, zooals de meeste bergstroomen van het eiland Upolu, gereden waren, kwamen wij door een ravijn, dat zich dwars door de bergen van het Oosten naar het Westen uitstrekte, in een derde rivierdal, Vaisasa genoemd, waarin ongeveer twee kilometer meer zuidwaarts, de factorij Vaitele ligt, waar wij tegen negen uur aankwamen. Mijnheer Tiedemann ontving ons zeer hartelijk en wist zich mijner nog heel goed te herinneren, ofschoon er bijna twee jaar verloopen waren, sedert mijn bezoek in de plantage.
Toen wij ons door een bad verfrischt hadden—want de rit van drie uur had ons zeer warm gemaakt—begaven wij ons naar het schaduwrijk terras in den tuin, waar wij door den rentmeester en de twee dames verwacht werden. Mevrouw Tiedemann was een zeer knappe vrouw, wier lichtbruine gelaatskleur haar op een Spaansche deed gelijken, en haar jongere zuster, de verloofde van mijn collega Gaedecke, was inderdaad een allerliefst, mooi meisje; klein, gracieus en slank van gestalte, zonder direct mager te zijn, met de bekoorlijkste handjes en voetjes, die ik ooit gezien had, zou men ze voor een kind hebben kunnen houden, als de uitdrukking der groote, donkere oogen, met de buitengewoon lange wimpers, niet de jonge, liefhebbende vrouw verraden hadden. Filina had eveneens de lichtbruine tint der Samoaanschen, die haar nog een eigenaardige bekoorlijkheid verleende. Mijn geleerde en overigens zoo ernstige vriend was waarlijk te benijden.
Beide dames waren op zijn Europeesch gekleed, maar het toilet was natuurlijk gewijzigd naar het tropisch klimaat; een lichte blouse van dunne zijde en een rok van dezelfde stof; sierlijke, witte schoentjes, maar geen kousen; zooals mijnheer Tiedemann verzekerde, konden zij het zelfs in fijne zijden kousen niet uithouden; zij beweerden ook, dat ze deze zeer hinderlijk vonden, omdat zij van jongs af blootsvoets geloopen hadden.
Na het ontbijt ging ik met den rentmeester de cultures in de buurt eens rond; de cacaoboom groeide er buitengewoon goed. Bij deze gelegenheid vertelde mijnheer Tiedemann mij, dat er onder de dicht bij wonende inlanders, allen trouwe aanhangers van den in November gekozen koning Mataafa, sinds eenige dagen een ongewone drukte en levendigheid heerschten, zoodat hij wel vreesde, dat er weldra een nieuwe strijd zou ontbranden. Ik deelde hem daarop mijn avonturen mee met den Engelschen officier in Apia, en de aanklacht van den Britschen consul tegen mij, hetgeen hem zeer scheen te interesseeren; van de politieke gebeurtenissen was hij, deels door de courant, deels door directeur Beckmann, die nog kort geleden de factorij bezocht had, op de hoogte.
Toen wij tegen zeven uur van tafel opstonden, namen wij afscheid van de vriendelijke familie en gingen naar huis; mijnheer Tiedemann wilde ons een knecht meegeven, die goed met den weg bekend was, opdat wij in de duisternis niet verdwalen zouden, daar de maan pas na achten opkwam; doch Gaedecke bedankte voor het vriendelijk aanbod, met de opmerking, dat hij den weg, dien hij tweemaal gegaan was, heel goed kende.
Uit het dal van den Vaisasa kwamen wij in het ravijn, dat dezen stroom met de Vailele-rivier verbindt; de maan was nog niet boven den oostelijken bergkam opgekomen; slechts enkele sterren verlichtten het landschap, dat met een dicht oerwoud bedekt was; doch haar zwakke stralen konden den grond van het ravijn niet bereiken, zoodat wij in het stikdonker voortgingen.
“Zouden wij niet wachten, tot de maan opgekomen is?” vroeg ik mijn vriend, “het zal nog maar een half uur duren; men kan geen hand voor oogen zien.”
“Beste Arendt, wij kunnen onmogelijk verdwalen,” antwoordde Gaedecke. “De paarden zullen ons veilig tot aan het andere einde van het ravijn brengen.”
Meer dan een half uur konden wij in de duisternis verder zijn gekomen, en nog kwamen wij niet aan den oostelijken uitgang van onzen weg; wel was het mogelijk op enkele plaatsen, waar de boomen wat minder dicht stonden, te bespeuren, dat de maan eindelijk boven den bergkam opgekomen was, maar toen bemerkten wij tevens, dat wij ons niet meer in het ravijn bevonden. Van een voetpad was geen spoor te ontdekken, en bovendien gevoelden wij duidelijk aan den gang onzer paarden en hun sterk snuiven, dat wij een steile helling opgingen.
“Ik begrijp volstrekt niet, hoe de paarden er toe gekomen zijn, uit het ravijn dezen heuvel op te gaan,” zeide Gaedecke, die vlak voor mij reed. “Wilde dieren zijn er op het geheele eiland niet, anders zou men kunnen denken, dat zij er een geroken hadden.”
“Waarschijnlijk zal je je paard door een trek aan den teugel of een lichten druk met het dijbeen, uit de rechte richting gebracht hebben,” gaf ik ten antwoord, “en mijn Rossinant is jou ros gevolgd. Laten wij ons hoofd daarover maar niet breken; wij moeten alleen een kleinen omweg maken, want het dal van den Vailele kunnen wij niet misloopen; het wordt voor ons uit al wat lichter, zoodat wij wel gauw weer op den rechten weg zullen zijn.”
Werkelijk kwamen wij na een kleine poos, op een, naar wij meenden, vrij groote open plek, die door de maan helder verlicht werd, en afgaande op haar stand aan den hemel, reden wij dwars over deze vlakte heen tot aan haar oostelijken rand, om van daar in het dal van den Vailele af te dalen. Daar deze helling vrij steil en ook met boomen en struiken bedekt was, moesten wij afstijgen en de paarden bij den teugel leiden; het ging alles behalve gemakkelijk, om door deze verwarring van struiken en boomen heen te komen, maar eindelijk bereikten wij dan toch den voet van den rand om het dal. Ongeveer tweehonderd meter zuidelijk van de plaats, waar wij in de open ruimte gekomen waren, zagen wij enkele hutten, die, zooals wij heel spoedig gewaar werden, tot een grooter Samoaansch dorp behoorden, dat vlak aan den linkeroever van de rivier lag.
“Zou het niet goed zijn, eens naar die hutten te gaan, en een gids te vragen, die ons naar ons dal brengt?” vroeg mijn metgezel, die zichzelf zeker niet te best vertrouwde, wat de juiste kennis van den weg betrof.
“Dat is heusch niet noodig,” antwoordde ik; “wij slaan hier links zoo ver af, tot wij het eind van het ravijn bereiken; daar gaan wij den Vailele-stroom langs, en vervolgen onzen weg op het pad over den bergkam, die zich tusschen deze rivier en de Letoga uitstrekt. Met dezen helderen maneschijn kunnen wij den weg niet missen; in het pikdonkere ravijn was dit eerder mogelijk.”
Toen wij op het punt stonden weer in den zadel te stijgen, zagen wij tot onze groote verbazing een menigte inlanders, die uit het dorp kwamen en vrij snel langs den linkeroever naar ons toe kwamen.
Voor zoo ver ik zien kon, waren al de mannen met buksen gewapend en hadden zij patroongordels omgegespt.
Verschrikt riep Gaedecke uit: “Gauw! Te paard! Laten wij maken, dat wij wegkomen!”
“Dat zou al heel dwaas wezen, vriendje!” gaf ik ten antwoord. “Die menschen zouden ons dan voor vijanden aanzien en op ons schieten. Ik ben overtuigd, dat het aanhangers van Mataafa zijn, zooals de meesten der Samoaners, die in dit gedeelte van het eiland wonen. Dezen zijn ons, Duitschers, genegen en zullen ons zeker geen kwaad doen, als zij zien, wie wij zijn. Laten wij opstijgen, en hun stapvoets tegemoetrijden; dat zal hen het spoedigste overtuigen, dat wij geen kwaad in den zin hebben.”
Toen wij de vlug naar ons toe marcheerenden tot op een paar meters genaderd waren, lieten wij onze paarden stilstaan en riepen hun ons: “Talofa!” toe, dat door de voorsten vriendelijk beantwoord werd. Een hunner trad daarop naar mij toe, gaf mij een hand en riep hartelijk uit:
“O, nu herken ik u, Mijnheer! U bent de heer, die ons opperhoofd heeft geholpen, toen wij bij uw factorij met de Engelschen en de soldaten van Tanu vochten. Hoe komt ge zoo laat hier, zoo ver van uw huis? Zijt gij verdwaald?”
“Ja, dat zijn wij, beste vriend,” antwoordde ik, zoo goed als ik dit in het Samoaansch kon. “Mijn metgezel hier zal het u wel beter kunnen uitleggen dan ik, want hij verstaat uw taal goed.”
Toen Gaedecke de gewenschte opheldering gegeven had, bood de Samoaansche soldaat dadelijk aan, ons een zijner mannen mee te geven, die ons naar de plantage zou brengen, wat eerstgenoemde op mijn aanraden ook aannam; wij konden best nog eens verdwalen, vooral wanneer de maan achter de hoogere bergen in het Oosten zou zijn ondergegaan.
Terwijl wij nu het dal in reden, zeide de inlander, dat zij op weg waren naar hun koning Mataafa, die zijn aanhangers in den omtrek van Apia bijeengeroepen had, om den strijd tegen Tanu en diens beschermers opnieuw te beginnen.
Bij het eind van het ravijn gekomen, namen wij afscheid van de Samoaners. Wij wenschten hun voorspoed in den aanstaanden krijg, gingen, vergezeld van den gids, dien men ons had meegegeven, door het wad van den Vailele en bereikten na een rit van bijna drie uur onze factorij. Daar het reeds ver over middernacht was, hielden wij onzen gids bij ons, gaven hem den volgenden morgen een paar sigaren en twee dollars en lieten hem toen vertrekken.
Zooals wij uit de couranten en bij enkele bezoeken in Apia vernamen, duurde de strijd tusschen Mataafa en zijn tegenpartij de geheele maand Februari. Wij werden er ditmaal niet in betrokken, zooals in November van het vorige jaar, daar de gevechten meer in het westelijk en zuidelijk gedeelte van het district Tuamusanga plaats hadden. In de eerste dagen van de maand Maart, kwam de Noord-Amerikaansche admiraal Kautz, op het Amerikaansche oorlogsschip “Philadelphia” in Apia en nu zouden er zeer spoedig groote dingen gebeuren. Reeds den elfden Maart liet de admiraal bekend maken, dat Mataafa als koning was afgezet, waartegen de Duitsche consul Rose op energieke wijze protesteerde. Natuurlijk stoorden Mataafa noch zijn aanhangers zich aan die afgekondigde afzetting, maar maakten zich in Apia en omstreken tot krachtigen weerstand gereed. Mataafa sloeg zijn hoofdkwartier op, op het schiereiland Mulinu, in de vroegere, zoogenaamde residentie van den overleden koning Malietoa Laupopa, wiens zoon Tanu Mafili, den beschermeling der Engelschen en Amerikanen, hij volkomen verslagen had.
Op den namiddag van den 11n Maart, kwam mij een bode van directeur Beckmann, het schriftelijk bevel brengen, om nog dien zelfden avond in de kano van den bode naar Apia te varen. Ik was niet weinig verrast over deze onverwachte, plotselinge oproeping, pakte, wat ik van ondergoed en kleeren noodig achtte, in een handkoffertje, schreef gauw een paar regeltjes aan Gaedecke, waarbij ik den brief van den directeur voegde, en begaf mij toen, door mijn trouwen Sufa vergezeld, op weg naar Laulii; de bode was reeds vooruitgegaan. Ik kon niet, zooals het eigenlijk behoord zou hebben, de terugkomst van Gaedecke afwachten, om persoonlijk afscheid van hem te nemen, daar hij, zooals hij mij ’s middags gezegd had, in de verst gelegen cultures bezig was.
De roeiers gebruikten hun korte riemen zoo vlug, dat ik nog voor het vallen van den avond in de haven van Apia binnenkwam, waarop ik mij dadelijk na de landing, tot directeur Beckmann begaf, terwijl ik mijn knecht naar het Hotel International zond.
“Wel bedankt, beste Arendt, datje zoo gauw aan mijn verzoek hebt voldaan,” zeide de directeur na de eerste begroeting; “wij gaan een naren tijd tegemoet, want na de komst van admiraal Kauz en zijn vroeger optreden, moet men op alles voorbereid wezen. Zooals je misschien gehoord zult hebben, had Mataafa in zijn verschillende gevechten met de aanhangers van Tanu, meer dan tweeduizend krijgslieden van dezen laatste gevangen genomen. Dezen heeft hij daarna op het vereenigd verzoek der consuls, de vrijheid geschonken, maar slechts onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij naar eenige verder gelegen eilanden, hun eigenlijk vaderland, zooals b.v. Tutuila en Manua, gebracht zouden worden en niet meer tegen hem, Mataafa, zouden vechten. Eenige dagen geleden nu, heeft de admiraal het doorgezet, dat de Britsche kruiser ‘Royalist’ naar die eilanden afgezonden is, om deze tweeduizend vrijgelaten gevangenen hierheen te brengen, en hen natuurlijk ter beschikking te stellen van den jongen Tanu. De geheele maatregel is, hoewel direct tegen Mataafa, echter indirect tegen de Duitschers genomen. Heden morgen heeft mijnheer Kautz, koning Mataafa, die met groote meerderheid van stemmen gekozen is, eenvoudig afgezet; hiertoe had hij niet het minste recht, daar hij zonder toestemming van den Duitschen vertegenwoordiger volstrekt niet bevoegd was, eenig verzoek aan de inboorlingen te doen. Zoodra de ‘Royalist’ nu met de mannen van Tanu hier binnenkomt, wat vanavond nog gebeuren kan, zal het, hoe het ook ga, tot een gevecht midden in de stad komen, want Mataafa zal zich zeker niet zonder hardnekkigen tegenstand overgeven. Al heb ik ook geen aanzienlijke sommen in huis, daar de geldswaarde, zooals gij weet, voor het grootste gedeelte in onze kantoren te Matafele is geborgen, heb ik toch heel veel documenten, contracten en andere belangrijke stukken onder mijn bijzondere berusting, die ik hoogst ongaarne naar Matafele zou zien brengen. Voor het oogenblik ben ik met mijn zwarte bedienden alleen in huis, daar mijn secretaris in Matautu bij mijnheer Koning is, om over den aankoop van landerijen voor een nieuwe factorij te spreken. Daarom, beste Arendt, heb ik je laten verzoeken, naar Apia te komen en een paar dagen bij mij te blijven, opdat ik ten minste niet geheel alleen sta, als er wat gebeuren mocht. Ik heb ook aan mijnheer Krüger een bode gezonden, met het verzoek mij uw vriend Petersen voor een poos af te staan; met twee zulke flinke Hamburgers bij mij, zal het mij en mijn huis niet aan de noodige bescherming ontbreken!” besloot de directeur lachend.
Een knecht werd nu naar het Hotel International gezonden, met de opdracht, mijn knecht Sufa en mijn bagage te halen, daar mijnheer Beckmann de kamer van zijn secretaris voor mij bestemd had. Den volgenden morgen begaf ik mij naar den consul Rose, om hem te begroeten en hem mede te deelen, dat ik door den directeur voor de eerstvolgende dagen naar Apia ontboden was.
“Nu, dan komt gij juist van pas, beste Arendt,” zeide de consul, nadat ik op zijn verzoek plaats had genomen. “Wij zullen dezer dagen zeer vreemde dingen zien gebeuren! Een half uur geleden heb ik uit Mulinu tijding ontvangen, dat admiraal Kautz aan Mataafa ten strengste bevolen heeft, met zijn aanhangers binnen drie uur de stad Apia en omstreken te verlaten. Ik kan moeilijk gelooven, dat Mataafa aan dit onredelijk bevel voldoen zal, en vrees, dat het tot een strijd zal komen, zelfs hier in de stad.”
Dat onze consul het bij het rechte eind had, zou spoedig blijken. Nog in den loop van denzelfden dag, ontbood de Amerikaansche admiraal de drie consuls, benevens de oudste vlootofficieren tot een onderhoud aan boord der “Philadelphia.” Het gevolg van deze bijeenkomst was een besluit, om het provisioneel bestuur en de genomen maatregelen op te heffen, zoowel als de vrijstelling van een afkondiging, luidende, dat Mataafa en zijn opperhoofden met hun soldaten, onmiddellijk naar hun woonplaatsen moesten terugkeeren. De Duitsche consul en graaf Moltke, de commandant van den Duitschen kruiser “Falke” waren in verzet gekomen tegen dit besluit, doch tevergeefs; onze consul liet mij dien zelfden dag een tweede proclamatie afkondigen, waarin hij protest aanteekende. Tegen den avond verzamelden Mataafa zijn volgelingen allen in volle wapenrusting en trok met hen van Mulinu naar de dorpen, ten zuiden van Apia, nog in dat gebied der stad gelegen, die hij deed bezetten en insluiten.
Intusschen was het Britsche oorlogsschip “Royalist,” vergezeld van verscheiden groote kano’s, met de tweeduizend vrij gelaten Tanu-mannen in de haven binnengeloopen. Zoodra deze aanhangers van den jongen Tanu geland waren, namen zij plechtig bezit van de stad en riepen Tanu als hun koning uit. Daar zij door de Engelsche, zoowel als door de Amerikaansche oorlogsschepen, ruimschoots van wapenen en ammunitie voorzien waren, begonnen zij de straten, op het Zuiden, te versperren en te bezetten.