Op reis en thuis: Novellen en schetsen
Part 9
--Och! schei uit, 'k ben misselijk van dien Muller--kijk die beroerde kerel daar nou staan--Is 't niet of ie me uitlacht?--Goddorie, kerel! ik wou, dat jij nooit beroemd was geworden, dan had je mij niet zoo verveeld--wat is 't toch lam, als je voor zoo'n paar ellendige guldens je tijd moet verknoeien aan zoo'n leelijke, vieze, ouwe mannenkop, terwijl er zoo'n eeuwige boel mooie vrouwen zijn, die je inspireeren.--Allo, vent, ga mee--'k heb er m'n buik van vol--neen, ik moet er juist m'n buik dóór vol krijgen, anders gooide ik dien Muller tegen die vervelende wijze kerels, dat de kluiten om der ooren stoven!
--Jules, je wordt landerig. Komaan, ouwe jongen, ga meê--dan pakken we samen een borrel--ik heb vandaag een résédatje voor je over.
--Mooi, vooruit dan!--Ajuus, leelijke ouwe verzenpikker--dáár!--Bruin trok zijn kiel uit en smeet die opgerold naar de buste.
--Pas op, je klei is nog week!
--Och, 't beroerde ding kan me niks meer schelen. Kom meê!
IV.
Meneer Capelli gaf de zaak echter zoo spoedig nog niet op; hij was te veel koopman, om niet alle moeite te doen, goede waar voor zijn geld te krijgen en daarom zond hij reeds 's anderen daags en nog een paar dagen daarna, verschillende menschen, die beweerden den grooten Dichter van aangezicht tot aangezicht te hebben gekend, naar Bruins' atelier.
De modelleur kreeg hoe langer hoe meer het land, door de zoo wijd uiteenloopende meeningen en kritieken, die hij moest aanhooren; hij werd gejaagd en zenuwachtig, zoodra de schel van het bovenhuis driemaal tingelde, maar toen er eindelijk twee belletristische dames kwamen, die elkander haast bij de haren kregen, omdat de oudste beweerde, dat Muller-zaliger een schippersbaardje en een kaal hoofd had gehad, terwijl de jongste snikkend volhield, dat "_de lieve man lange, artistieke lokken droeg_," werd het hem tè benauwd en liep hij in wanhoop de deur uit, met de woorden:--Moeder, als d'r nu weer iemand komt met 'n visitekaartje van Capelli, gooi 'm dan vierkant de trappen af!
--Och, Puckie, zei juffrouw Bruin op dien middag tegen den kleinen décoratieschilder, die zijn dagelijksch kopje koffie bij haar kwam halen--Sjuul is heelemaal in de war, d'r is geen land met 'm te bezeilen--'t wordt een mooie boel hier; die akelige dooie versjesmaker--zij wenkte met haar hoofd in de richting van het atelier, waarvan de deur openstond--bederft z'n heele humeur. Hij voert geen steek uit, en als die Fransche mesjeu dat nakende vrouwtje en die rug van Roosje niet van 'm had gekocht, zoüen we d'r nou heel akelig voór zitten; dat's ten minste nog een meevallertje geweest. Zij schudde bedenkelijk 't hoofd:--'t Is bedroevend dat ik 't zeg, maar ik geloof nou toch ook, dat Sjuul maar in blootigheid moet blijven werken; daar zit 'n broodje an, want 't is de mode, maar onchristelijk en goddeloos is 't toch. Heere, Heere, wat leven we in een verdorven tijd!
--Ja, juffrouw, zei Puck, terwijl hij langzaam zijn koffie dronk,--de wereld is boos en vol zondige wulpschheid en als ik je zoon was zou ik er m'n voordeel mee doen.
--Hoe zoo dan?
--Wel, ik zou dien dichter ook in de blootigheid, ten voeten uit, modelleeren, misschien vinden ze dan dat ie lijkt, want zooals 't nu is gegaan kan ik me best begrijpen, dat Jules half dol wordt. Hij haalde een papier voor den dag:--Luister eris, ik heb uit aardigheid opgeschreven, wat al die lui hebben gezegd, en als je nu alles bij mekaar neemt, weet je precies hoe die zalige verzensmid er bij zijn leven heeft uitgezien.
Met een leuk gezicht las het ventje: "Volgens het oordeel van vrienden en vereerders, die den overledene van zeer nabij hebben gekend, had de begaafde dichter een smal, langwerpig, breed gelaat met vooruitstekende, wegzinkende jukbeenderen; _kleinen_ mond, die _groot_ was door de _dikke_, vooruitstekende, saamgeknepen _dunne_ lippen een stompen, spits opwippenden, rechten arendsneus en een laag voorhoofd, dat hoog, gewelfd en geniaal was. Zijne uitpuilende oogen zonken weg in de kassen en zijn ooren waren klein van grootheid. Zijn rond, spits voorhoofd rustte op een inééngedrongen hals, mager van dikte. Lang artistiek krullend haar versierde zijn kalen schedel en een schippersbaard en knevel orneerden zijn gladgeschoren gezicht."--Zie je, juffrouw Bruin, dat is nu 't résumé van al de opinies.
--'s Jongés, 's jonges! wat 'n raar model, en zou ie d'r nou warentig zóó hebben uitgezien, Puckie?
--Als je al die lui gelooven wilt, ja--maar misschien was ie nog anders, dat hangt nou maar af van degene, die hem gekend heeft en.... Stil! wat is dat? Is Jules in 't atelier?
--Neen! maar ik hoor toch ook iets--d'r valt wat, d'r is toch iemand bezig ... 'k zal 'ris even gaan kijken.... Zij slofte naar voren.
De kleine decoratieschilder bleef rustig zijn pijpje zitten rooken en schonk zich nog eens in, terwijl de oude vrouw de kamer had verlaten, maar met één sprong was hij, een oogenblik daarna, bij haar toen hij haar met verschrikte bevende stem hoorde roepen:
--O, mens! O, Heere! Tommy,--ommy, wat begin je me nou. O, Puckie! kom eris gauw hier, dat's me een geschiedenis!!
--Wat is er an de hand, juffrouw?
--O, genade! wat 'n ding!
In 't atelier stond de oude vrouw en keek met groote angstige oogen naar de buste; de kat namelijk had een sprong gedaan en in haar vaart een langen stok omgesmeten, die tegen Muller's kop was terecht gekomen en in de nog weeke klei een deuk had gemaakt.
--Zoo'n stinkende kat! Allo, ketsch! Vort! schreeuwde Puck en schopte met zijn korte beentjes een bankje voort, maar Tom, met dikken, hoogen rug wreef zich tegen een stoel.
--Neen, doe 'm niks! 't Stomme dier kan 't toch niet helpen; kom hier m'n poessie! 't Is zoo'n goeie lobbes--zij nam de kat op--'k zal 'm zoo lang in 't keukentje opsluiten, want als Sjuul thuis komt en 't merkt, krijgt ie d'r van langs. Sjuul heit toch al zoo 't land aan Tom, nietwaar lievert? Met de poes in haar armen bekeek ze de buste:--'t Is nogal goed afgeloopen, hij had heelemaal kapot kunne weze.
--'t Is wat moois, bromde de kleine en drukte zooveel hij kon de klei weer in haar fatsoen;--dat moet er nou nog bij komen!
--Gauw! naar achteren, gauw! daar hoor ik Sjuul op de trap. Laat maar staan, Puck! kom mee, laat 't 'm in Godsnaam niet dadelijk merken; hij is toch al zoo uit z'n humeur. Hier! pak an, gooi dien doek d'r maar zoolang over, gauw dan! O, heere, heere! Wat 'n gedoe met dat miserabele ding!
In een oogwenk zaten beiden, alsof er niets gebeurd was weer bij de koffie en de kat in de keuken.
Angstig luisterden ze, want Bruin was niet alleen, ze hoorden hem met iemand spreken.
--Wie zou ie bij 'm hebben? vroeg fluisterend de juffrouw.
--Misschien weer een kijker, een criticus.
O goeie genade, dan merkt ie 't direkt, dan hebben we de poppen aan 't dansen.
Juffrouw Bruin stond op en luisterde, voorzichtig de kamerdeur op een kiertje houdend. Puck rookte en zweeg, afwachtend en vragend naar haar ziende.
--O! zei ze eindelijk,--'t is onze huisheer maar....
--Stil! sjuut...!
Bruin stond in 't atelier en sprak tamelijk luid.
--M'n goeie meneer Apels, ik geef u volkomen gelijk--'t is heel beroerd als je zoo telkens teleurgesteld wordt, maar ik kan 't waarachtig niet helpen--'t is slap tegenwoordig met 't werk. Gelukkig kan ik u ten minste iets geven vandaag,--'k heb een Venusje verkocht en over een dag of wat hoop ik weer wat te krijgen, ten minste als dat ding--hij keek naar de buste ... wat duivel, wie heeft daar dien doek over gegooid?
Hij nam den doek er af en bleef een oogenblik verbluft staan, toen hij Muller's buste zag.
Voor hij evenwel iets verder zeggen kon, nam de huisheer het woord en zei, met minachtend gebaar op de klei-pop wijzend:
--Dat's ook een mooie jongen geweest, die Muller.
--Hè, wat?--U zegt Muller, hoor ik goed?
--Ja natuurlijk, is 't 'm dan niet? 'k Bedoel de dichter, die is 't immers?
--Ja zeker! zeker! maar....
Hij lijkt sprekend:
--Zoo-o! Ei!
--Frappant!
Bruin bleef met groote, verwonderde oogen èn buste, èn huisheer aankijken en zei niemendal, omdat hij een sensatie had, alsof iemand hem balsem in de ooren goot. Hij luisterde, terwijl zijn gelaat meer en meer opklaarde.
--Je hebt 'm goed getroffen, die lamme vent! 'k Moet nog een half jaar huur van 'm hebben--'t zat er nooit bij 'm an, maar praatjes had die scheefneus genoeg.
--Hè, wat! O, hum! Ja, zoo! Scheefneus zeit u?
--Ja, zeker! Z'n neus stond scheef voor z'n kop, precies zooals je 'm daar gemaakt hebt--verduiveld goed, 't is alsof ie leeft.--Mooi!
O, zoo! Jawel, dank U! Bruin kreeg een gevoel, alsof hij ineens vliegen kon.
Toen de heer Apels vertrokken was, stoof de modelleur de achterkamer binnen en vroeg lachend: Zeg eris, wat is er met m'n klei-pop gebeurd terwijl ik weg was? En zijn moeder, die alles had gehoord en zich ook veel lichter voelde dan een oogenblik te voren, zei haperend--ze was toch nog eenigszins bang voor de veiligheid van haar Tom:--'t Stomme dier kon 't heusch niet helpen, Sjuul; hij zat zeker een muissie na ... en zij vertelde hoe alles zich had toegedragen; maar toen ze eindigde met te zeggen:--Wat 'n toeval, hè nou lijkt ie ineens? zei Puck hoog ernstig:
--Neen, m'n beste juffrouw! 't Is hier geen bloot toeval; 't is de inwerking van Muller's geest, die niet velen kon, dat z'n aardsche tabernakel zoo verkeerd werd afgebeeld. U gelooft toch immers ook aan de metempsychosis?
--Aan de wat, Puckie?
Aan de zielsverhuizing. Heeft u niet gehoord, hoe vreemd Tom sedert een paar dagen heeft gemiauwd--en vooral van morgen?
--Ja, 't beessie deê wel raar, maar ik dacht, dat 't door de warmte was, of....
--Neen, dat waren de zoetvloeiende zangen van den poëet, die niet goed door die kat heen wouen, maar voor den sprong had Muller's geest kracht genoeg!
--"Flauw wurm, hou je nou je mond, 't is welletjes", lachte de modelleur en even teruggaande in 't atelier haalde hij de photo en zei:
--Dáár! kijk nou zelf, 't is niet te zien hierop; dat beroerde Rembrandtieke licht liegt altijd, daar kan geen kat uit wijs worden!
--Niet? En mijn Tommie dan? riep triomfantelijk de oude juffrouw. Ze haalde de poes, die angstig mauwde achter de keukendeur, hield hem in haar armen voor haar zoon en zei:--Sjuul! jij mag 't stomme dier wel bedanken.--Ja, lekkere Torn, kom jij maar hier, lieveling! Jij alléén heb meer verstand, dan al die snuggere bolle samen!
EEN LAUWERKRANS.
--Mag ik zoo vrij zijn, om u mijn lijst aan te bieden? De lijst voor mijn benefiet; ik speel "Henri" in Laurierboom en Bedelstaf--Balkon één gulden vijftig, Loge één gulden vijfentwintig, parterre één gulden.
--O, is ú 't? Ik dacht niet, dat ik....
--U dacht niet, dat u mij zou zien. Ja, weet u, geachte heer, 't is tegenwoordig uiterst moeilijk om accés te krijgen bij de heeren of dames; ze dresseeren er hun dienstpersooneel op, om, zoodra zij iemand zien, die een lijst of zoo iets wenscht aan te bieden, "niet thuis" te zeggen, of een ander onjuistheid ... en eventjes glimlachend:--Ik ken die loopjes en daarom pousseer ik eenvoudig mijn kaartje.
--Ah zoo! Maar, neem me niet kwalijk, op uw kaartje staat Mr. Mansholt--en ik meen u vroeger toch te hebben zien optreden onder den naam....
--Holtsman? Accoord! dat is mijn "nom de guerre", mijn familie was er altijd violent tegen, dat ik op de planken ging. Wij behooren tot een patricische familie en ... enfin! U begrijpt! je wilt geen onnoodige bisbiljes maken, daarom heb ik destijds mijn naam omgezet.
--Ja, dat klopt! Maar dat Mr.?... Heeft u gestudeerd?
--N ... neen!--dat Mr. beteekent gewoon "Mijnheer." Och, 't is een heel klein trucje, dat ik me veroorloof. 't Is zoo verbazend moeielijk, de menschen te spreken te krijgen. Er is zoo bitter weinig animo voor de kunst. Hij keek somber vóór zich en zei met een weinig gemaakte tragiek:--Vroeger jaren was 't beter, toen apprécieerde men een acteur, die conscientieus werkt, die #weet#, wat hij #doet#. Tegenwoordig moet je potsen maken, om de lui te lokken, of 'n reklame-man zijn! Daar ben ik niet voor geschikt. Ik ben een te sérieus artist ... mag ik u noteeren, Balkon? Hoeveel?...
--Geef me liever drie Loges, mijnheer Holtsman.
--Uitstekend, dank u, ... ik zal u eerste rij geven.
Hij haalde uit zijn borstzak een in de lengte toegevouwen, reeds wat smoezelig papier en terwijl hij één handschoen uittrok en naar een potloodje grabbelde in zijn vestzakje, keek ik hem eens goed aan.
'k Had hem in vroeger jaren dikwijls zien spelen en hem wel wat arrogant, maar toch 'n goed acteur gevonden; iemand, die werkelijk zijn best deed, om door te dringen in de rol, die hij vervulde. Op 't tooneel was hij steeds een kranige, jeugdige verschijning, een "gentleman", die zijn uiterlijk verzorgde en goede manieren had. Nu zag ik hem niet op de planken of voor 't voetlicht, en zooals hij daar voor me stond, in gewoon, eerlijk daglicht, scheen hij me oud en vervallen. Zijn kleeding was nog die van een heer, maar ze begon reeds dat zeker iets te krijgen, dat men gewoonlijk "sjofel" noemt.
Een wijde, koffiebruine overjas met breeden, zwarten astrakankraag en omslagen aan de op de naden glimmende mouwen, hing ietwat sopperig over een valig-zwarte, gekleede jas en een geruite pantalon, waaruit zeer lichtgrijze slobkousen kwamen, zijn lakschoenen halverwege bedekkend. Zijn breedgeranden, hoogen, grijzen hoed had hij op een stoel gelegd.
Zijn magere hals leek nog dunner, geler en rimpeliger door den wijden, omgeslagen boord en de lichtblauwe, geelgemoesde das, die met een zwierigen, lossen strik een eindje over de lapellen van zijn jas hing.
Misschien kreeg door die opzichtige das zijn gelaat den zonderlingen tint, die mij opviel, maar 't kon ook zijn, dat Mr. Mansholt, nu hij zelf met zijn lijst rondging, zich, zooals men dat aan het tooneel noemt--"'n beetje had opgemaakt"; immers het donkere streepje onder zijn oogleden, en de onnatuurlijk zacht-rose kleur onder de oogen, de iets te blanke neus, duidden met het donzige waas, dat over zijn geheele gelaat lag, op "rouge de théatre," "poudre de riz" en O.-I. inkt.
Hij was zorgvuldig, glad geschoren en gefriseerd. De kapper had van het beetje haar, dat hij nog bezat, kunstvaardig partij getrokken en op zijn reeds hoogwordend voorhoofd een artistieke lok gelegd, waarin de "coup de fer" zeer duidelijk zichtbaar was.
Op eenigen afstand gezien, kon hij nog voor een knap man doorgaan; zijn gelaat was regelmatig gevormd; de neus met een kleine artistocratische buiging, had zeer bewegelijke vleugels en om den mond lag een soms bittere trek, die vooral zichtbaar werd, als hij het hoofd in den nek wierp en met zijn groote donkergrijze oogen "#werkte#", iets, wat hij voortdurend deed, terwijl hij sprak.
Zijn rijzige gestalte en slank figuur deden hem jonger schijnen, dan hij werkelijk was, want de vijftig lagen reeds ver achter hem.
Hij had het potloodje gevonden en schreef mijn naam op zijn lijst met ietwat onvaste hand.
--Heeft u soms ook kennissen of vrienden, liefhebbers van goede kunst, die u me zou kunnen recommandeeren--en zou u me dan een visitekaartje willen geven als introductie?... Dat zou me zeer veel goed doen, weet u? 't Is toch zoo moeielijk, om een goed benefiet te maken, als men niet 'n beetje aanbeveling heeft.
--Kaartjes geef ik nooit, aan niemand, maar....
--O, neem me dan vooral niet kwalijk!--Hij boog even, zette een zeer deêmoedig gezicht en lei de rechterhand tegen het roode roosje, dat hij op de linker borst droeg.
--Volstrekt niet, ik zal u eenige namen opgeven.
--Gaarne!
--Ik heb u in langen tijd niet zien optreden, meneer Holtsman; 't laatst meen ik in het Salon de Variétés--waar is u nu geëngageerd?
--Dat is juist het fatale van de zaak; ik ben sedert eenigen tijd--laat ik maar zeggen, geruimen tijd--zonder emplooi, en 't is akelig moeilijk, om 'n geschikte plaats te vinden. Iedere directie past mij niet, want ik ben er de man niet naar, om me te vergooien. Goddank! daarvoor ben ik te veel #artist#. 'k Heb aanbiedingen genoeg gehad van kleine theaters. Dáár wil ik niet spelen en bij de betere, och! daar is 't ook al misère tegenwoordig; ze geven stukken, waar ik niet in pas en bovendien, ik kan me toch niet laten terugdringen naar het tweede plan, door jonge spring-in-'t-veld's die zoogenaamd modern spelen. Ze hebben heusch geen notie van serieuze kunst, ze draaien, God beter 't, soms familjaar hun rug naar 't publiek en ze spreken, meneer! alsof ze in hun huiskamer zitten, Bah!
--Ja, ik herinner me, dat ik u altijd in eerste rollen heb gezien.
--Juist; ik was jaren lang "jeune premier". Hij poseerde, een hand op de borst leggend, de andere bevallig op de heup houdend, den rechtervoet een weinig vooruit, het hoofd ietwat achterover. Met een kleine, schuddende beweging, zoodat de gefriseerde lok op zijn voorhoofd even schommelde, zei hij:--Ik heb later karakterrollen gespeeld--'k heb ook gezongen, 'k had een goeden ténorléger; misschien heeft u me wel eens gehoord in "de scheepsjongen" als Julien. Na een paar lichte kuchjes en ahem's zong hij:
Ondanks den wind, ondanks de baren! Ondanks het woeden van de zee, Zal God den braven zeeman sparen! enz.
O! daarmee had ik altijd succes!
't Viel mij op, dat zijn stem min of meer heesch en beverig was geworden; hij merkte 't zelf wel en zei pijnlijk glimlachend:
--Ahem! 'k ben nu wat verkouden, maar ik heb nòg een goed geluid, dat durf ik zeggen. Ik ben nu 'n beetje in 't achterspit, franchementdit. 't Lot was mij niet gunstig, 'k heb veel pech gehad. 'k Ben laat aan 't tooneel gekomen, 'k was al bij de dertig. Mijn familie hield me altijd tegen.--'k Was in een goeie betrekking, maar,--hij tikte even op zijn borst--hier brandde 't feu-sacré! Ik rederijkte langen tijd, totdat de drang naar de kunst me te machtig werd. 'k Heb 'n heele poos veel succes gehad als artist, heel veel!--maar toen heb ik een dwaasheid begaan: 'k ben gaan trouwen.... Hum! 'n sérieus artist moest eigenlijk nooit trouwen.... Veel kinderen gekregen, 'n lijdende vrouw, altijd in finantieele zorgen gezeten. Je wil gentleman blijven, niet waar? Ieder 't zijne geven ... dat knauwt je, meneer--dat ruïneert je énergie! Hij zuchtte een paar malen.--En dan die moderne richting ... daar kan ik me niet toe schikken. Ik heb altijd mijn eigen opvatting gehad van spelen en die hoop ik te blijven behouden, zoolang ik ademhaal. Is dat spelen, wat ze tegenwoordig doen? Geen zweem van plastiek meer, geen nobele gestes, geen intonatiën, die van inzicht en studie getuigen. Ze rabbelen hun rol af als gewone menschen.
Laat een van die jongere grootheden eens verzen zeggen. Je loopt gewoon de komedie uit, als je 't hoort! Ah, meneer! dat was in mijn tijd anders, toen wist men wat verzen zeggen was. Je hield rekening met 't metrum, met den rhythmus, de scandeering. Enfin!--toen was 't kunst, wat men gaf. Daar heb je bij voorbeeld in Ines de Castro, den Don Pero, die rol heb ik gespeeld, meneer! gespeeld, dat het publiek letterlijk wég was--wég, meneer! van schrik en ontzetting!
Hij deed een stap terug, strekte langzaam zijn rechterhand uit, hief die plechtig omhoog en de twee voorste vingers trillend opstekend, de oogen ten hemel slaande, reciteerde hij met een stem, die nog hier en daar een forschen metaalklank had:
Ik zweer op u, mijn voet zal hier geen rust genieten, Vóór ik het eerloos bloed uws moordenaars zie vlieten, Zijn pezen knarsen en zijn beenderen kraken hooren, Zijn lillend ingewand zie in het bloed versmoren.
Hoort u, hoe ik die claus zeg? Ieder woord slaat in het publiek in; je krijgt zóódoende voeling met je publiek, meneer! Och, dat zoûen ze tegenwoordig zeggen precies als iemand, die z'n knecht roept om een kopje thee. Ik kan me niet anders geven dan ik bén en dat 's mijn ongeluk; bovendien spelen ze die degelijke stukken ook niet meer. 't Is allemaal licht werk ... comédies, grollen, flauwe blijspelletjes! En dan 't proza, van die nieuwbakken acteurs, och! dat is zoo ellendig, geen kwestie van gesoigneerde kunst meer. Iedereen meent maar dadelijk tooneelspeler te zijn. 't Mocht wat!--Ze weten een waarachtig artist niet meer te waardeeren, meneer! Daarom ben ik ook een heele poos uit de kunst geweest; ik verchagrineerde me te veel; de directeuren trappen je; ze willen je voorschrijven, hoe je spelen moet. Dat kan een zelfbewust artist, zooals ik meen te zijn, niet verdragen--ik opponeerde nu en dan misschien iets te heftig, maar dat ligt zoo in mijn temperament en ... 't gevolg is, dat je zonder emplooi raakt.
--U zei, dat u een poos van 't tooneel af was!
--Juist, 'k heb een affaire gehad, maar daar deugde ik hoegenaamd niet voor ... een sigarenwinkel is een heel eerlijke broodwinning, maar voor een artist--'n gruwel! Ik kon er niet tegen, 't stuitte me tegen de borst.
Zijn gezicht in een heel andere plooi trekkend en met veranderde stem begon hij:
--Een dubbeltje zware, van de vijf!
--Asjeblief, lief weertje, meneer--opsteken? Hij glimlachte zoetelijk en maakte de beweging van 't overreiken eener lucifer.
--Een kwartje van de vier!
--Asjeblief! lief weertje, meneer--opsteken? O, goeie God, meneer, ik dacht soms uit m'n vel te springen, als ik zoo'n dialoog moest voeren, en dan al dat gezanik van de klanten:--te zwaar, te licht, niet trekken, geen witte asch, ruilen, enfin!--ik werd er wee van. Eigenlijk was 't jammer, want 't zaakje was nog zoo slecht niet, we hadden er brood in. Mijn vrouw, ze is een jaar geleden gestorven--hier pinkte hij "een denkbeeldigen traan" weg--kon den winkel waarnemen, als ik hier of daar offertes maakte. Bah! als ik er nog aan denk, dat ik destijds met zoo'n paar kistjes onder m'n arm bij mijn kennissen en vroegere collegas kwam--dan bloosde ik. Waarachtig! ik deed het toen, omdat ik moest.... #Zóó perst de nood zóó dwingt het lot tot buigen!#--reciteerde hij, eensklaps weer in den tooneeltoon vervallend. Later ben ik nog een poos geëngageerd geweest in Rotterdam, maar ze zett'en me ook daar den voet dwars en nu probeer ik het eens met een benefiet; de collega's helpen me. Als u soms door uw relatiën met het tooneel een emplooi voor me wist?--Ik zou nu wel in de pére-nobles willen overgaan, desnoods. Mijn familie is nog bijna geheel en al ten mijnen laste. Ik heb vijf kinderen.
--Is er nog geen van in betrekking?
--De oudste is kinderjuffrouw, externe. Twee werken er op een corsettenfabriek, maar ze verdienen een schijntje en de andere twee gaan nog op school.
--En heeft u geen zoons?
--Eén zoon, meneer! Hij keek een oogenblik zwijgend, met bedroefde oogen als in de verte, zuchtte diep en zei met zachte stem: 't Is een stakkerd, meneer, een stumperd!
--Och, in welk opzicht?
--Geen gehemelte, moeilijk loopend, en ze zeggen, dat ie niet heelemaal wijs is--maar dát is positief niet waar! De doctoren mogen zoo knap zijn, als ze willen, maar daarin dwalen ze heelemaal. De stakkerd weet best wat hij doet, maar hij kan zich niet uiten, ten minste niet goed uiten ... en niemand thuis geeft zich de moeite, om hem te verstaan. Ze hebben een hekel aan 't kind--kan u je dat nu begrijpen van meisjes? Zelfs mijn vrouw mocht hem niet en zei altijd:--Charles, doe hem toch in een gesticht!
--Misschien had ze geen ongelijk; wat kan men voor zoo'n stumpertje doen? Hoe oud is hij?
--Ruim vijftien jaar! maar hij ziet er uit als twaalf.... 't Is m'n eenigste jongen. M'n vrouw kreeg drie meisjes achter elkaar--ja, dat was een bittere déceptie voor me.... 'k Heb aan dat kind heel wat verdokterd, maar d'r schijnt niets afdoende aan gedaan te kunnen worden--en nu ben ik de eenige, die hem begrijpt. Hij heeft zulke mooie donkere oogen, hé! Zoodra hij me ziet, beginnen ze te glimmen ... en de geluiden, die hij maakt, versta ik heel goed. Waarachtig, hij is niet onwijs, meneer, ik kan best met 'm redeneeren, maar dat komt, omdat ik er moeite voor doe. Hij zuchtte diep: wat moet er van hem worden, als ik er niet meer ben.... Enfin! ik sta hier te praten en ik beroof u van uw kostbaren tijd.