Op reis en thuis: Novellen en schetsen
Part 8
--Aangenaam kennis te maken! Twee vingers van den criticus raakten even Bruins hand aan.
Dr. Operling zei niets, maar hij liet zijn hoofd als een geknakte bloem op zijn gesteven overhemd vallen, even steunend.
--Daar zijn we nu,--zei Capelli, zijn hoed en stok op een stoel leggend:--Je hebt toch mijn briefkaart ontvangen, niet waar?
--Zeker!
--We stonden juist op 't punt hierheen te gaan, toen mijn vriend Coquenard 't magazijn kwam inloopen. Zoodra hij hoorde, wat we bij je gingen doen, zei hij: dan ga ik mee, want Muller was een intieme, goeie vriend van me, niet waar Coquenard?
--Zeker 's--Oui certainement, 'k 'ebbe monsieur Mullere so dikwijlse keziee. O! 'ij was 'n éminente poéte--un homme charmant. Isse dat y?--Hij wees op de buste.
--Ja! vindt u dat hij lijkt--wacht! ik zal 't gordijn dáár 'n beetje laten zakken, de zon is wat fel--dat doet niet goed; de reflex van die witte huizen aan den overkant hindert.
--O, ne faites pas de façons--ikke kan eele koete sien, hm! hm!
Giovanni draaide als een kat om een stuk spek een paar malen rondom de buste, bekeek haar oplettend, voelde even, heel voorzichtig, met den vinger langs de nog vochtige klei en zei in zichzelven: 't Is goed gedaan, 't zit flink in mekaar;--toen, luid:--Nu, wat zeggen de heeren er van;--is 't Muller?
Monsieur Coquenard, die intusschen 't atelier rondwandelde, scheen hem niet te hooren, omdat hij zich in Roosje's rug verlustigde en zijn oogen niet kon afhouden van een kleine Venus-callipigos, die hem verleidelijk scheen toe te lonken.
Capelli nam intusschen Bruin even apart en zei:--ik breng je daar drie eminente lui--Mr. Drogers is één kluit geleerdheid--een man die je als artist heel nuttig kan zijn--en Assman en Dr. Operling, hm!--hij kuste zijn vingertoppen--zijn critici, zooals er maar weinig zijn. Zij behandelen alles wat kunst is. Sculptuur, muziek, tooneel-, schilderkunst, enfin alles en ... zie je, niet ouderwetsch, om den dood niet! Modern vat je? Kranig; Assman vóóral zet niet één, maar twee puntjes op de i.... Je moet je voordeel doen, vriend, met deze gelegenheid. Assman kan je onwaardeerbare wenken geven waarvan je als jong artist ontzaggelijk kunt profiteeren; 't is heusch waar, zoo'n kennismaking is wel een buste waard.
--Wèl, wèl! zei Bruin en keek met een benauwd wantrouwen naar den kunstcriticus, die, na met een diepzinnig gelaat het atelier te hebben rondgekeken, zonder plichtplegingen in den grooten lederen fauteuil was gaan zitten, die tegenover de piedestal met Muller's buste stond; hij zonk er in weg als 't ware.
Met de beenen over elkander, achterover geleund, drukte hij zijn hals en kin vóór in zijn hoogen staanden boord, zoodat zijn wangen over den boord kwabden, zette langzaam een gouden pince-nez op, trok nadenkend een paar malen aan het puntige bakkebaardje, dat zijn kin versierde en zei, gewichtig de wenkbrauwen fronsend, met neergetrokken mondhoeken:--Hum, hum! hum!
Dr. Operling stond achter den stoel met gekruiste armen, somber voor zich uit te staren en zei niets.
Capelli keek de critici vragend aan, zei ook: hum! hum, hum! en de heer Drogers, die op een afstand stond en de rechterhand boven de oogen hield, alsof hij in de verte een zonnig landschap of een schilderij wilde beschouwen, liet na een geleerd hum, hum, hum! een beschroomd lachje hooren, waarin iets blatends klonk. De Franschman was inmiddels alweer bij Roosje's torso en de Venus; 't was alsof hij aan die twee naaktstudies smulde.
--Maar Coquenard, kijk nu toch eerst eens naar de buste? vroeg Capelli verwijtend.--Jij als leek kunt misschien nog het objectiefst oordeelen, jij bent hier de Vox populi!
--Ah, oui! certainement--ik ebbe dadelijk kezien datte monsieur Muller wasse, zei hij als terloops en keerde zich weer om, magnetisch aangetrokken door de kleine Venus-figuur, die op een tafeltje stond:--Admirable, mooie meid! zei hij in zichzelf en toen luid: Monsieur Bruin, isse dat naare levend model?
--Natuurlijk!
--'Eele mooie vrouw, superbe forme--wone dat meissie 'iere in die stadte?
--'t Is 'n beetje geïdealiseerd natuurlijk, glimlachte de artist.
--O, maar toch en réalité bepaald 'eele skoon meissie.
--Kom, Coquenard! ouwe snoeper, kijk nu liever naar Muller--lijkt ie?
--Décidément--maare als ij een 'oed oppe 'adde, zou ik beter kan zekke--ik 'ebbe 'm nooit tête nue kezien, altijd met zijnen chapeau--zoo kroote 'ooge 'oed!
--Och kerel, je zeurt! Capelli werd knorrig, maar vroeg niet meer, omdat mijnheer Drogers, die een paar malen eenige stappen voor- en achteruit gedaan had, steeds met door de hand beschaduwde oogen, de buste beziende, eensklaps zijn min of meer geaffecteerde stem verhief en verklaarde:
--Ik ben misschien geen bevoegd beoordeelaer, wèt de èrtistieke uitvoering betreft, wènt ik ben niet meer den een kèmergeleerde, maer ik heb de waerdige men toch goed gekend--hij wès 'n collègae ven me--jèren lèng....
--Dus u zou hem dadelijk herkennen? vroeg Giovanni.
--Dèt is te zeggen--jae en neen--èls _U_ me niet gezegd hèd, we gaen Muller's buste zien, zon ik niet zeggen, dèt dit Muller wes.
--C'est ça! zei Coquenard, even omziende; hij streek juist met zijn vleezige hand als liefkozend over Roosje's torso;--ç'est ça! alse Capelli niette 'adde kezekd--wij kaane Mullere zien, zou ikke mete wete dat het le brave homme was.
--Pèrdon! viel Drogers in,--de suggestie speelt hier wel een kleine rol, maer.... 't oordeel ken toch individueel en objectief zijn.... Els ik mijn meening ronduit zeggen mèg...?
--Zeker, asjeblieft! zei Bruin, die in zijn linnen kiel, met over elkander geslagen armen tegen den muur leunde. Fijntjes glimlachend keek hij met afwachtende oogen naar de drie heeren.
--Nu, den permitteer ik me deze opmerking: Ik heb hem in mijn herinnering veur me, toen we sèmen in de littéraire club: "_De honingbij vèn den Hélikon_" lid wèren. Daar zegen we mekaèr elken Woensdègèvend. Nu is het buiten kijf, dèt lèmplicht heel ènders is dèn dèglicht, mèr ... de mensen, "dés denkende Wesen èn sich," zooèls Kènt zegt, 't individu, blijft toch 't zelfde, niet waer?
--Jawel, natuurlijk! antwoordde Bruin, omdat meneer Drogers hem met zijn kleine grijze oogjes scherp aankeek.
--Begrijpt u? Drogers wees op de buste,--dit is geen levend wezen--dit is geen soort vèn fèntoon in soliden vorm gebrècht en èls zoodènig heeft 't groote verdienste zonder twijfel, mèr....
--Lijkt ie nu, of lijkt ie niet? vroeg Capelli kortaf.
--Jè, dèt is uiterst moeilijk te bepèlen--èls ik 'm goed bekijk--de littèrator deed een stapje nader met vooruitgestoken hoofd--dèn is 't Muller _wèl_ en toch is 't Muller _niet_....
--Dat snap ik niet goed, waarde heer!
--Meneer Capelli, permitteer me? U laet me niet uitspreken ... ik bedoel, ik herken in sommige opzichten den ontslèpene wèl, bijv. zijn dèsje 's frèppènt juist geobserveerd; hij droeg, zoo lèng ik hem kende, èltijd vèn die kleine vierkènte zijden strikjes onder een omgeslègen boord met overvêllende puntjes--juist zooèls de mijne--we kochten in één winkel.... Dèn zie ik--U neemt me tech niet kwèlijk, meneer Bruin?...
--O! in 't minst niet! De artist kwam wat dichterbij, met een uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij in meneer Drogers een clown zag, die hem amuseerde.
--Dèn zie ik iets in de oogen daerentegen, dèt me _niet_ bevèlt. Muller hèd heel licht blauwe oogen, die herken ik hier volstrekt niet, 't lijkt net een blindemèn. En dèn, om je de waerheid te zeggen, z'n neus, die wès énders.--De philoloog bewoog zijn hoofd naar links en rechts, bekeek den neus van den zaligen dichter aan alle kanten en zei:--Wonderlijk! 't is Muller's neus wèl en toch is 't z'n neus niet! Wèt er èn schort, zou ik niet kunnen zeggen, wènt ik ben geen modelleur-èrtist of beeldhouwer; 'k ben mèr 'n gewoon sterveling ... hè, hè ... mèr ... Muller hèd 'n kèrèkteristieke neus en dit is 'n bènéle neus. De mond is best, hij had die min of meer dunne lippen ... en toch ... Ik ben immers niet onbescheiden--u neemt toch niet kwélijk èls ik soms iets zeg, dèt u niet toegeven kèn?...
--Neen! neen! Waarachtig niet; ik luister met allebei m'n ooren--u spreekt zoo verstandig--ik leer van u--ik ben u dankbaar!
--O, meneer Bruin! De letterkundige trok een pruimenmondje en hief zijn rechterhand met een afwijzend, bescheiden gebaar op.--U is een welwillend mèn ... ik wou dèn maer zeggen, dat ik zijn mond wèl groot vind, en dèn heb ik dèt kuiltje op zijn bovenlip, onder zijn neus, nooit opgemerkt--misschien kwèm dèt wel, omdèt Muller destijds een knevel droeg en daerdoor zèl waerschijnlijk z'n mond niet normaal hebben geschenen--ook z'n kin vind ik niet weerom, hèd hij zijn kin wel zoo leelijk èchteruit?
--De photografie geeft die juist zóó aan.
--Jè, maer hij hèd er destijds zoo'n dingetje òp--hoe noemen ze 't ook weer, zoo'n sikje!
--Een jeune-France?
--Dèt is 't--jèwel, juist. Ziet u, meneer Bruin, dèt zèl 't verschil zijn; veur 't overige zit er mèchtig veel in die buste in! summæ summærum kèn ik toch niet ènders zeggen dan: 't Is Muller! Bovendien, --hier lachte de geleerde heer allerminzaamst tegen den artist--u heeft de photo en die kèn niet jokken--ik maek u wel m'n compliment--'k ben blij, dèt 'k uw chef-d'oeuvre gezien heb en kennis met u maekte....
Dank u! Bruin drukte, met meer vuur dan natuurlijk was, de hem toegestoken hand en op zijn gelaat stoeide even een lach, die in zijn donkerbruine oogen weggleed en daar bleef lichten, terwijl hij kalm en bescheiden vroeg:
--En wat is uw opinie, meneer Assman?
De critikus was in de houding, die hij had aangenomen, blijven zitten, schijnbaar geheel verdiept in de beschouwing der buste. Hij had geen enkel teeken van goed- of afkeuring gegeven, terwijl de heer Drogers sprak; nu draaide hij langzaam zijn hoofd naar Bruin, en met een zucht, als ontwakend uit diep gepeins, sprak hij, op ieder woord de noodige klem leggend:
--Laat me u eerst zeggen, dat ik de uitvoering van 't model, "l'oeuvre," _het werk_, begrijpt u, zeer verdienstelijk vind--u ziet, ik begin niet, zooals veel collega's van me doen, met _af te breken_, ik prijs uw habiliteit--Assman stak zijn gekromden rechterduim vooruit.--Ziet u, er zit _dát_ wel in, dát weet u--dàt zeker iets, dat hm!--dat lekkere, dat smeuïge als 't ware, waardoor je, als u 't er nog meer in kon brengen, zou kunnen vergeten dat 't ding een bonk klei was, maar ... wat nu de gelijkenis betreft zeg ik, die den overledene herhaaldelijk zag: _'t is 'm niet!_
Dr. Operling schudde, langzaam somber voor zich uit starend, het hoofd--en zei niets!
Ah! kwam Giovanni.
--'t Is 'm in 't geheel niet!
--Dat 's ronduit gesproken, meneer Assman.
--Juist, meneer Bruin, dat is zoo mijn gewoonte; ik wind om mijn opinie geen doekjes--ik geef mijn oordeel niet af, vóór ik in mijn innerste overtuigd ben, dat ik _objectief, zonder eenig aanzien des persoons, zonder eenige consideratie van welken aard ook_, oordeelen kan, en daarom zeg ik u nu:--'t Is Muller niet!
--Wat mankeert er dan aan, meneer Assman?
--Voelt u niet als artist, wat ik bedoel?
--Neen, nòg niet!
--Laat me u dan zeggen, wat ik in dit beeld mis.
--Asjeblieft!
--Ik zie daar voor me een beeld; misschien lijkt het goed, wat neus, ooren, mond, voorhoofd, enfin! wat den uiterlijken vorm betreft; die laat ik er op 't oogenblik geheel buiten....
--Maar permitteer me, 't is juist de vorm, die....
--Neen, laat me uitspreken, meneer Bruin, u moet me goed begrijpen--ik ga dieper dan een ander--ik zoek de psyche--en die vind ik in die buste niet--ik mis de ziel!
--De ziel?
--Juist! ik heb den hoogbegaafden man gekend, zooals misschien weinig anderen; ik heb zijn gedichten gesavoureerd, mijnheer Bruin--ik heb hem, waar anderen hem verguisden, altijd de hand boven 't hoofd gehouden--omdat ik zijn mooie ziel kende en waardeerde. Hij was z'n tijd vooruit, hij was een moedig dichter, die radikaal met 't metruim, met 't rhythmus brak; hij rijmde niet met woorden, neen! hij sprak denkbeelden; hij zei z'n ziel uit in zijn sonnetten, in zijn balladen en oden, in zijn ... enfin in alles, wat hij schreef ... en als je hem zag, was zijn gelaat _bezield_: de vorm was voor hem echter heelemaal bijzaak, de inhoud, daar lachte hij meê--hij zei spontaan z'n intens mooie gedachten zóó, als ze opwelden in zijn geweldig brein. En dat vind ik heelemaal niet terug in die klomp grijze klei, die daar voor me staat ... zooals ik hem daar voor me zie, is 't die independente groote ziel niet; hij lijkt op iedereen, op een gewoon mensch!
--Maar z'n gezicht is ook heel banaal!
--Pardon!--zooals _u_ of den ander hem misschien ziet, is hij gewoon, dat wil ik wel toegeven, maar jelui kijkt ook gewoon--Enfin, als u niet begrijpt, niet _voelt_, wat ik bedoel, kan _ik_ het u niet zeggen, maar _'t is Muller niet_--Kan u niet wat meer ziel in dat ding leggen?
--Ik kan hem niet anders maken, dan hij was.
--Maar zóó was hij niet, meneer Bruin; ziet u geen kans den hevigen dichter meer te doen zien?
--Bezwaarlijk! Ik kan alleen den vorm teruggeven.
--Aha I daar heb ik u!--Juist, daar zit 'm de knoop, de vorm! de vorm! maar ik heb niets met dien vorm te maken, wanneer ik zoo'n buste als herinnering aan den Dichter wil koopen--en dát is toch het doel, waarmeê je ze in den handel brengt, nietwaar Capelli?--dan wil ik niet den stoffelijken mensch zien, maar den poëet--en een poëet bij de gratie Gods was Muller--een groot genie.
Dr. Operling keek met gekruiste armen, somber starend, smadelijk glimlachend naar de buste en zei niets.
--Oh! sans doute, un genie! viel monsieur Coquenard, die zijn ontdekkingstocht door 't atelier gestaakt had, eensklaps in.--IJ wasse een kroot genie, un homme admirable, altijdde aan die prak kiseer, veele distrait. Alsse 'y kwam dans mon mahasin, zek ikke tout de suite: Bonjour, monsieur Mullere--alweere parapluie verkete--verlore, éh!
--Wat bedoelt u?
--Eh, monsieur Bruine! eel simplement, dat 'y toujours kwam om een nieuw paraplue te koope--Monsieur le poète Mullere altijd verlieze son parapluie--ikke 'ebbe le pauvre homme verkokt wel 'onderd parapluie....
--Já, dan zal u hem zeker wel goed hebben gekend.
--Maar meneer Coquenard, viel de heer Assman eenigszins scherp in:--Hoe kan u een parapluie in verband brengen met zijn genialiteit?
--Hommes de gènie 'ebbe tokke nooite koeie mémoire--altijdde verkete dan ditte, dan datte....
--Maar dat doet toch aan de gelijkenis van deze buste niets af of toe; dat 's nonsens!
--En die siele dan, waarvan u spreeke? Alsse ik jugeere wil, of de man kelijkke op deze buste offe niete--'eb ik te kijk niete naare zijn siele, maare naare zijnen neuse, zijn oore en ook', (oog) "en un mot": ikke moete inspecteer la matiére, niette die impondérabilité, die qualité psychique; pardonnez moi, maare watte u zek van die _siel_ isse meere nonsens dan mijn parapluie!
--Wat blieft u? Assmans oogen werden boos.
--Ikke blief niemendalle--u 'ebbe miskien meer keleerdheid dan ikke, maar ikke 'ebbe meer bon sens!--Alsse meneer Bruine zou opzetten willen un chapeau aan die buste, zal ikke u zek of la ressemblance, die kelijkenisse koet is.
--Een slappe hoed? vroeg Bruin lachend.
--Pardon! chapeau haute forme.
--Een hooge dop? Dien bezit ik niet.
--Neem den mijne, zei meneer Drogers, zijn hoed aanbiedend--'t kan best zijn dat meneer gelijk heeft.
--Te groot! lachte Bruin; hij verdrinkt er in ... maar wacht! ik zal hem er boven houden.--Zoo! wat dunkt u nu, meneer Coquenard?
--Sal wel luk! Oui, isse al beter, maar die neuse daar mankeere nok wat aan--ikke 'ebbe monsieur Mullere nooite zonder chapeau kezien ... maar tiens nu lijkke 'ij! Oui, oui, la ressemblance y est. Weet u watte: makke u 'm een 'oed van klei op die kop--en dan een andere neuse, tiens!
--Wat 'n laffe onzin! bromde Assman.
Dr. Operling bleef somber voor zich uitstaren en--zei niets. En Drogers vroeg zacht aan Capelli:--Zouden we niet maer liever heengaen--ik geloof dét we geen pés veurwaerts komen--de meeningen loopen te veel uiteen ... en met een blik op Assman, die er hoe langer hoe strijdlustiger begon uit te zien:--De gemoederen worden wèrm--ik geloof dét u beter zou doen, éndere opinies dén de onze in te winnen.
--'k Geloof dat je gelijk hebt, meneer Drogers;--Meneer Bruin, we zijn u dankbaar voor je ontvangst. 't Spijt me dat 't resultaat van ons bezoek niet beter is. U moet nog maar eens kijken, of u aan Muller's neus nog wat veranderen kan, want hoezeer de heeren ook van opinie verschillen, op één punt zijn ze 't eens: de neus van den Dichter deugt niet; daarin ligt de kardinale fout!
--Oui, ikke keloof 'ij 'adde meer zóó neuse.... Meneer Coquenard duwde met zijn wijsvinger zijn reukorgaan iets omhoog.
--Een wipneus? Geen kwestie van! zei Bruin, oplettend photo en buste vergelijkend.
--Neen, neen! dén eerder 'n dikkere, meer volumineuse. Dét réppeleer ik me ten minste wel. Muller héd iets pérticuliers aén z'n neus--maer wét 't wés...? De geleerde heer Drogers haalde de schouders op en trok zijn handschoenen aan. Dr. Operling ontvouwde zijn gekruiste armen, ontrimpelde zijn voorhoofd, keek nog eenmaal met een zucht naar Mullers buste, lachte toen smadelijk in zich zelf en drukte Bruins de hand ten afscheid.
--Pardon, meneer, zei Bruin, U heeft uw opinie nog niet gezegd: Vind u dat Muller lijkt?
Toen opende Dr. Operling zijn mond en sprak:--ik heb den man nooit gekend, wel van 'm gelezen--en als ik naar zijn gedichten oordeel, kan hij er wel zoo banaal hebben uitgezien. Bonjour!
Meneer Assman keek met souvereine minachting Dr. Operling na, en toen naar den parapluienkoopman, die hem met een spottend: á l'avantage; monsieur Assmanne, in den deurpost salueerde. Hij groette met een nuffige handbeweging Capelli, en zei, toen beiden vertrokken waren, op beschermenden toon:--Jonge vriend, je zult later wel leeren begrijpen wat ik bedoel; je bent nog wat te veel onder den indruk van 't genoten akademisch onderricht--je moet vrij, indépendent worden. Tegenwoordig is de vorm geheel bijzaak--'t komt er volstrekt niet meer op aan, of een portret of buste lijkt, zooals men dat vroeger noemde; al geef je, zoo gezegd, iemand, die rood is zwart haar, al zou je een man met een wipneus een arendsneus maken, 't doet er allemaal niet toe--als je maar zorgt, dat het _onzienlijke_ er in zit. Begrijp me goed: al had je nu b.v. deze buste--hij tikte met zijn wandelstok tegen 't piédestal--op Muller's gelaat afgegoten, dan zou hij voor mij toch niet lijken, zoolang ik dat onbeschrijfelijke er in mis, dat psychische, dat niet gezien, maar alleen _gevoeld_ kan worden.--Adieu!
III.
--Oeff! deed Bruin, toen de heeren 't atelier verlaten hadden.--Pff! wat 'n geleerdheid, 'k snap er geen steek van--hij wil er in zien, wat niet gezien kan worden, niet zien wat ie voelen kan--daar mag Joost uit wijs worden ... hij ging in den fauteuil zitten, nam opnieuw de photo en vergeleek die nog eens nauwkeurig met het kleimodel.--'k Laat me villen, als ik weet, wat er aan scheelt; die beroerde Versjesmaker _wil_ maar niet lijken ... 'k weet toch zoo zeker, dat ik de photo conscientieus heb gevolgd, maar toch hebben ze gelijk: dáár in den neus zit de fout--wat blikslagers, kan 't toch wezen?
Nog eens en nog eens weer bekeek hij zijn werk, greep een boetseerhoutje, toetste hier en daar wat aan den kop, nam distantie, keek dan weer vlak bij van links en van rechts, en eindelijk, knorrig en zenuwachtig geworden, smeet hij met een vloek portret en stokje vóór zich uit, ver door de kamer.
Juist ging de deur open, een vlugge hand ving 't stokje op en een vroolijke stem riep:--Heé heé! is dat 'n manier, ouwe jongen?
--O, Karel, ben jij 't? Kom binnen!
--Jawel, ik ben 't en je buurjongentje, Puckie, is vlak achter me.
--Zoo, wurm, kom jij ook 'ris kijken?
--Ja, sliert! En ik kom een beetje tabak halen, heb je nog, zei een klein dik ventje, met een erg wijd, sopperighangend geruit broekje aan, dat uit een fluweelen jacquet over een paar versleten gele fietsschoenen hing.
--Kijk maar in den pot, misschien is er nog shag in.
--'k Schoot niet op vandaag en ik kreeg 't land, daarom loop ik eens over en kom je Verzenpallurk nog 'ris kijken.
--Nou, d'r is geen moois an, hoor!
--'k Wou hier in, maar je ouwe mensch hield me tegen, omdat de OOMES er waren. Puckie zat al bij d'r koffie te lebberen, niet waar, wurm?
--Ja, jouw koffie.--Zeg, sliert, ik heb ze gehad en hij had ze _willen_ hebben.... Wat is je ouwe vrouw mopperig--en hoe vonden de "heeren" je kop?
--Nou, maar zóó--zóó; de eene vond 'm te dit, de ander te dàt.--Och! ze hebben me een poos geamuseerd met d'r lui gewauwel, maar eindelijk hebben ze me nijdig gemaakt--de duivel mag dan ook weten, wat er aan dien neus scheelt--kijk jij nu 'ris, Karel--daar leit 't portret bij de deur. Toe, Puckie, raap jij 't is op, jij bent 't dichtst bij den vloer....
--Ja ... en jij 't laagst bij den grond,--grinnikte het ventje, maar zocht meteen de photo op en gaf die aan Karel.
Met hun drieën bekeken zij nu aandachtig Muller's buste, een heele poos, zwijgend, met kritische oogen. Eindelijk zei Karel:--ik snap d'r niks van, 't ding zit toch best in mekaar en 't is goed gedaan naar 't portret. Puck nam een stukje klei, rolde er handig een klein balletje van, plakte dat op Muller's neus en streek er met zijn natgemaakten vinger overheen, met schuins gehouden hoofd kijkend, hoe 't deed. Bruin, die de photographie in handen had, riep eensklaps:--D'r af, Puckie! Gauw d'r af! Zóó is 't heelemaal donderen--veel te dikke ponem. Neen, dàt is 't ware niet!
--Geef 'ris hier, Jules; de kleine nam de photo uit Bruin's handen, ging er meê bij 't venster staan, keek met ingespannen aandacht en riep eindelijk snerpend:--Wat sakkerloot! d'r is aan dien ponem (neus) geretoucheerd.
--Hè! is 't waarachtig?
--Wat ik je brom, hoor! d'r is aan geknoeid--God weet, hoe 'n kinderklomp die vrijer voor z'n kop heeft gehad--ze hebben 'm mooier gemaakt, dan ie was--mijn kop af, als 't _niet_ zoo is!
--Maar Puck, wat zou ie dan wel voor 'n snuit gehad hebben? Geef 'ris op! Karel nam 't portret uit Puckies vingers, keek ook met alle oplettendheid en zei:--Jules, gooi eris links een moppie klei tegen z'n gevel--en zet vóórop een klein korreltje met 'n deukie.
Bruin deed zooals Karel zei, maar vóór hij er mee klaar was, riep Puck teleurgesteld:
--Mis, 't deugt niet, nou lijkt ie zelfs niet meer op 't photo'tje.
--Dan maar d'r af! Bruin bracht Muller's neus weer tot den primitieven vorm terug en zei knorrig:--Dat beroerde ding verveelt me, 'k heb er al acht dagen aan gewerkt en als ik geen "en face" heb, breng ik er nooit wat van terecht.
--Hou nou eens even je gemak, ik geloof, dat ik er ben!
Karel riep Bruin bij zich, vlak voor 't venster.--Kijk! zie je daar die retouche--geef je loup eris--nou, kijk nou zelf; ze hebben 'n eind van z'n kajim afgenomen.
--Waarachtig dat lijkt wel.
Puck stond op zijn teenen bij de anderen en vroeg:--Laat me ook eris kijken, ik kan d'r zóó niet bij.
--Kom hier, hobbelbroek, kijk!--Bruin pakte 't ventje eensklaps beet en tilde hem op.
--D'r is van voren wat afgehaald en aan de eene zij bijgebracht. Die neus is goed, om iemand gek te maken!... riep Puck.
Bruin zette hem weer op den grond; hij liep naar de buste; duwde den neus wat in elkaar, rondde hem aan één kant af en vroeg: "Is ie zóó beter?"
--Neen, schei maar uit; je bent ook al geen professor, blijf maar bij je decoraties--die schilder je ten minste nogal dragelijk.
--Dankje wel! Puckie tikte met één vinger aan zijn slappen hoed,--ik zal je groeten--God geve je sterkte met dien mooien jongen dáár--misschien komt van nacht z'n geest en maakt zelf z'n facie in orde--Dà-ag!
--Dag hobbelbroek!
--Dà-ag!
Karel, meer serieus artiest, bleef nog een poosje met Bruin aan 't zoeken, maar eindelijk gaven ze 't beiden op.
--Ik zou niet graag zoo'n koopie snappen, Bruin; als ik 'n dingetje schilder, heb ik er lang niet zóóveel gehaspel mee.