Op reis en thuis: Novellen en schetsen
Part 7
't Begon er nu aan te wanhopen, dat ik mijn vurig begeerd tukje zou kunnen doen, niettegenstaande de kwartiermeester zich nu ernstig met de zaak bemoeide en zooals hij beweerde: "zooveul als opschòoning hield" door eenigen van de ergste levenmakers boven op de campagne van de rookkamer te brengen met de hartige woorden: "nou doen ik jelui boven op de rookkamer, dáár ken jelui mekaar voor mijn part om hals brengen, als je de passagiers maar niet hindert.
't Scheen nu waarlijk rustig geworden in de kinderkamer, maar mijn slaap was over, ik kleedde mij weer aan en toen ik mijn hut uitkwam bleef ik een oogenblik staan kijken naar de drie baboes, die slaperig aan tafel bij elkanker zaten. Met kracht drong zich eensklaps de theorie van Darwin aan mij op. De eene, ongekapt en met reeds grijze haren, zag me lodderig aan, lachend met breedgetrokken mond, die evenals de kin, wat den vorm betreft, aan den chimpansé deed denken, terwijl haar voorhoofd, koonen en ooren weer aan den brul-aap herinnerden. Haar buitengewoon ontwikkelde buste rustte als een zak nat zand op de tafel en haar handen, die op de bruine klauwen van een waschbeer geleken, hielden spelend een lepel vast, waar zij nu en dan aan likte.
De tweede Javaansche kindermeid, minder oud en ook minder gezet, was misschien eenmaal in haar soort een "knap stuk" geweest, maar nu zag zij er uit alsof ze een paar maal voor oud en half fatsoen was opgeknapt, versteld en overgedaan. Als zij sprak dook haar stem uit haar onderbuik omhoog en baande zich met moeite een weg door haar ingedeukten neus.
Toch was zij ontegenzeggelijk van deze drie gratiën de bevoorrechte, aan wie Paris den appel, in dit geval bepaald een gedroogden, zou kunnen geven, want de derde baboe heb ik nooit voor een vrouw kunnen houden--ik geloof heusch nu nòg dat ze een verkleede "ouwe kerel" was. Zij bracht me onmiddellijk een half suffen bothobbelaar voor den geest, die behebt met pokputjes en bruin van vel, aan de vischmarkt met den naam van "Janus liplap, de spons" werd aangeduid.
De aanblik van die trits aanminnige vrouwen maakte mij somber, want ik dacht, zijn dat nu menschen naar Gods beeld geschapen?--Waar moet ik heen met mijn geloof? Weg dus! aan dek, in de frissche lucht! maar 't was daar ook niet frisch, integendeel warm, broeiïg--doch in ieder geval beter dan beneden ... ik stak een sigaar op en bleef over de verschansing kijken.
* * * * *
--Wèl? vroeg de controleur mij familiaar aanstootend, dat's u zeker goed bevallen, die siësta in de hut. Heeft u nu niet rustiger geslapen?
--Vraagt u dat maar eens aan den kwartiermeester, die komt daar juist aan. Hé! Arie, zeg, vertel jij meneer eens hoe 't beneden was van middag!
--Met je welnemen meneer, ik laat me liever niet posetief verklarend over zulke dingen uit, want ik ben 'n loontrekkend persoon hier aan boord en niet eigen familjaar genoeg met de ouwers van de diverse rakkers en kleinighedens--maar dat kan ik je met de hand op 't hart verklaren, ze hebben allemaal d'r eigendommelijkheid--en een passagier die in 'n hut naast de kinderkamer wil slapen overdag mot iemand wezen, die doofstom geboren is met een goed humeur!
MULLER'S BUSTE
Muller was niet meer; de dichter, de hoog begaafde had eensklaps het aardsche tranendal verlaten.
De dagbladen hadden, met een zwart randje omlijst, vermeld, dat Johan Friedrich Adalbert Muller overleden was. Duitschland en Nederland betwisten elkander de eer hem te hebben zien geboren worden, maar Nederland triomfeerde, omdat Muller geen twee titteltjes op zijn U had en het bewezen werd, dat er vóór dezen Muller nog een andere leefde, die ergens in Holland kadetjes bakte, en bij den burgelijken stand als zijn vader stond ingeschreven. Eén rouwkreet klonk door 't gansche land en vond zijn echo in de harten van allen, die hem en zijn werken gekend hadden.
Toen hij nog leefde, waren velen zijn bewonderaars en aanhangers geweest, anderen hadden hun schouders opgehaald, om aan te duiden dat ze hèm niet heel veel en zijn werken zoo zoo vonden, en nog anderen hadden eenvoudig met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een smadelijken glimlach _gezwegen_, om daardoor te _zeggen_, dat hij _niets_ en wat hij dichtte nog minder was.
Na zijn dood echter waren alle partijen het plotseling met roerende smart er over eens, dat er in Nederland nooit eerder zoo'n Muller geboren was, en dat er ook waarschijnlijk nooit weer zóó een zou sterven. Niemand durfde meer iets ten nadeele van den afgestorvene zeggen, want _de critikus_ van het _grootste litteraire blad_ had Muller _de eenige_ ware poëet van Nederland genoemd en de critikus was buitengewoon knap, die wist het, zei men--en _men_ heeft altijd gelijk!
De uitgevers van Muller's gedichten maakten buitengewoon goede zaken, door op de nog onverkochte exemplaren de woorden _tweeden druk_ te doen aanbrengen en 't publiek eerde den doode, door de uitgevers er af te helpen.
In alle winkels hingen photographie-portretten van den overledene. Immortellenkransen dienden als lijsten en de winkeliers verhoogden den prijs van 't visiteformaat met tien en van de cabinetsportretten met vijf en twintig cents.
Een comité vormde zich, om op Mullers graf een zijner waardig gedenkteeken--de circulaire vermeldde: "eenvoudig als de man zelf"--te stichten, terwijl eenige meer intieme vrienden bijeenkwamen, om de nagedachtenis van hun voortreffelijken vriend te eeren, door zijn loopende schulden zooveel mogelijk te vereffenen, want Muller was in alle opzichten een wáár poëet geweest en had ruim zooveel onbetaalde rekeningen als verzen nagelaten.
Nooit was er zooveel notitie van den Dichter genomen dan toen de koude aarde zijn eens zoo warm hart omsloot.
Lijkzangen en grafdichten verschenen bij de vleet en vonden plaats in dag- en weekbladen. Zelfs de Reizende Trompetter, het blaadje van den Boerenstand, gaf een nécrologie van den gestorven poëet, en aan het stot daarvan vier treffende regels:
"Treur, Neêrland, treur om Uwen Muller, Nooit zong een Dichter blijer, guller, Tot Godes en der menschen eer. Nu is hij dood en zingt niet meer!"
't Was mode geworden, om over Muller rouw te bedrijven, zijn werken waren eensklaps meesterstukken geworden en zij, die ze vroeger niet begrepen, dweepten er nu mede. 't Scheen wel alsof 't publiek zich verheugde, dat Muller dood was, alleen om in de gelegenheid te zijn, de assche des beroemden te huldigen.
Kort na elkander verschenen bij een muziekuitgever: "Souvenir à Muller," élégie pour piano-forte à 4 mains, en "Sonnette posthume Mullerienne," fantaisie pour contrebasse avec accompagnement de piccolo.
In de modewinkels werden strikjes, en fichu'tjes à la Muller verkrijgbaar gesteld. De dames, begeerig naar een haute nouveauté, tooiden zich met die zaken, als hulde aan den te vroeg ontslapene. 't Stond wel niet altijd mooi bij haar toilet, die sapgroene kleur met geel achtigen weerschijn, maar 't was de geliefkoosde kleur des Dichters geweest; al zijn dichtwerken waren in omslagen van die kleur verschenen--en wat doet een vrouw al niet om naar de mode te zijn en tegelijkertijd gemakkelijk te bewijzen, dat zij ontwikkeld in haar smaak, de Muzen en haar zonen genegen is.
't Was dus niet te verwonderen dat de Heer Giovanni Capelli, de Italiaansche fabrikaat van gipsen-beelden en statuetten, op de gedachte kwam, om van den algemeen betreurden dichter een buste te doen vervaardigen en in den handel te brengen.
't Moest een sprekend gelijkend afbeeldsel zijn en tegelijk goedkoop opdat een ieder zich er van zou kunnen voorzien en voortaan in geen huis Muller's buste behoefde te ontbreken.
Giovanni Capelli was een ondernemende geest een man van genie, zooals hij 't zelf uitdrukte. Eigenlijk heete hij _Jan Haar_, maar toen hij zijn zaak in gipsfiguren van een echten Piemontees overnam, was hij op 't geniale denkbeeld gekomen om zijn naam in 't Italiaans te vertalen. _Giovanni Capelli_ klonk toch veel beter dan _Jan Haar_, 't scheelde minstens dertig percent op de verkoopprijzen.
Dat zijn limineus denkbeeld met goed gevolg was bekroond, bewees het groote magazijn, dat hij in een der hoofdstraten hield. 't Was een waar Pantheon, zooals Giovanni het met welgevallen noemde, want zijn winkel was altijd ruim voorzien van beroemde gipsen personen van beiderlei kunne, en gros en détail verkrijgbaar.
--Was er maar geen portret van dien snuiter, zei hij in zichzelf, dan maakte ik een brillante affaire--'k heb nog een paar gros staan van dien onverkoopbaren Duitschen philosoof; hm! een mislukte speculatie geweest, geen mensch lustte 'm hier; daar was best 'n Hollandsche van te maken; 'n beetje afnemen van den neus, 't haar wat afvijlen en ... maar enfin, dat gaat nu eenmaal niet, ze kennen den kerel hier te goed, jammer, jammer...!
Hij besloot dus een buste te laten maken door een jong modelleur, die eenmaal zijn adreskaartje had bezorgd. Giovanni was logisch en overlegde:--zoo'n jong artist wil graag naam maken door een bekend persoon te modelleeren--hm! dan moet hij voor mij voor een schuifje werken, dan helpen we mekaar ... d'r zit wel een masseltje aan. Eerst verkoop ik ze voor _een daalder_, dan voor een gulden, en eindelijk, als de loop er zoowat uitgaat, frisch ik de 30-cents-bazars er mee op....
Met die gedachten was Giovanni op weg getogen naar de nieuwe buurt, waar de beeldhouwer woonde en repte zich zoo snel zijn zwaarlijvigheid het toeliet. 't Was warm weêr en op zijn voorhoofd parelden de druppels van inspanning en haast.
Eindelijk had hij het huis bereikt en stond stil voor de deur; een klein bordje met de woorden: J. Bruin, Beeldhouwer, 3 × schellen, toonde hem, dat hij terecht was.
Hij schelde driemaal met duidelijke tusschenpoozen.... Knip! deed de deur en sprong een eindje open. Giovanni trad in 't portaal en ... zag niemand!
--Wie da-a-ar! klonk een schelle, oude vrouwenstem van boven.
--Woont hier Bruin de beeldhouwer?
--Jawel! kom u maar boven!
Is ie t'huis?
Kom u maar boven, drie hoog op de voorkamer!
Even fronste Capelli zijn borstelige wenkbrouwen en mat met één blik de hoogte der eerste verdieping--een oogenblik stond hij besluiteloos en streek over zijn embonpoint, maar in het volgende begon hij, zuchtend, de opstijging.
Toen hij twee hoog was, bleef hij even staan, om adem te scheppen en te pruttelen: "Dat artistenvolk woont ook altijd zoo eeuwig hoog--enfin! in 's hemels naam," en hij klauterde de laatste trap op.
Een kleine, magere oude juffrouw met een bont boezelaar voor en opgestroopte mouwen, keek hem met een dom-vinnig gezicht aan en vroeg, de mouwen over de nog van zeepsop dampende stokkerige armen neerslaande:--Most uwe bij Bruin wezen?
--Pff, Poeh! Pff. Jà, hè-hè! Jawel-juffrouw, sakkerloot-wat-woon-jelui-hoog!
--De trap is 'n beetje stijl; vooral voor dikkige menschen zooals uwe is 't een heele klim....
--Pff, ja, geweldig steil, pff-Poeh!, maar goed licht hier. Capelli zag met zaakkundigen blik, dat 't atelier in de voorkamer was en uitmuntend licht had.
--Ga d'r maar in, meneer!
--O, dank u.... Giovanni trad binnen.
--Ja, ziet u--m'n zoon is op 't moment niet t'huis.
--Hê? pfft!
--Hij is de deur uit!
--Dat-had-je-me-wel eerder kunnen zeggen--Poeh! pfft! dan was ik waarachtig al die trappen niet opgeklommen.
--Dat dacht ik ook al, grinnikte de juffrouw en met een vluggen greep deed zij het bonten boezelaar van haar lichaam verdwijnen;--maar, ziet u, d'r is tegenwoordig al niet veel te doen in 't vak ... en als d'r nou iemand om 'm komt, dan denk je al, die brengt misschien wat te doen en daarom ... ziet uwé?
--Jawel, jawel, ik snap je, moedertje--hum! is dàt werk van je zoon? Capelli was het atelier eens rond gegaan en bekeek aandachtig een basrelief afgietsel.... Hm! dat ben je zelf, oudje.
--Hè, hè, há, ja--dat heit ie zoo ereis gemaakt uit tijdpasseering.
--'t Lijkt goed; heb je er bepaald voor geposeerd?
--N-neen--hij heit 't zoo maar gemaakt uit z'n hoofd.
--'t Is realistisch opgevat; 't doet 't best.... Capelli keek beurtelings de oude vrouw en 't afgietsel aan.
--Ja, d'r is nieks an vergeten, ziet u wel dat m'n wratje d'r ook op zit--'k heb er een op mijn linker wang, kijk maar O, Sjuul werkt heel netjes en sicuur, Heb u soms wat voor 'm te doen?
--Misschien wel; jammer dat ie niet t'huis is.... En dat? Hum! Giovanni bleef met de handen op den rug vol aandacht een vrouwentorso bekijken,--is dat ook werk van uw zoon? Zeker naar 't leven gedaan?
Het oude menschje aarzelde een oogenblik en wreef verlegen haar knokkelige handen over elkander, terwijl zij knorrig antwoordde:--Ja, naar 't bloote model.
--Zoo, zoo! Nu, 't is flink gedaan--hij zag eens rond, en omdat hij veel naaktstudies aantrof, zei hij zonder erg:
--Je zoon schijnt veel van 't naakt te houden.
Juffrouw Bruin kleurde een beetje, en meenend dat die meneer haar misschien minder netjes zou vinden, viel ze plotseling vrij heftig uit:
--Nou meneer, zóó erg is 't Goddank niet. Sjuul is een heel net, fatsoenlijk persoon, maar 't is tegenwoordig de mode; al die blootigheid is mijn anders altijd 'n doorn in m'n vleesch geweest en ik potersteer d'r nog alle dagen tegen....
--Zoo! De kunstkooper keek glimlachend om naar de oude juffrouw, die met opgetrokken neus vervolgde:
--'t Is de rug van Roosie, een jodenmeissie, maar dat's ook ál mooi wat ze an d'r lijf heit; een mond als een hooischuur en een neus commesi, zoo'n bom! Ik heb iedere keer al gezeid: Sjuul, 't komt niet te pas, dat je zoo'n messie in d'r nakendheid afmoderleerd; wat jullie an die akademie doen, kan ik niet beletten, die schandaligheid gaat me niet an, maar hier in huis wil ik 't niet zien gebeuren. Als je dan absoluut een bloote rug noodig heb, kan je de mijne krijge, dat's ten minste nog eigen onder mekaar, maar om zoo'n vreemd mensch ampart bij je te laten komen en priemelnakend voor je te zetten is ergerlijk en onchristelijk, en--zei ik--ik blijf d'r bij, hoor, anders ben ik als ouwer niet verantwoord--heb ik nou gelijk of niet meneer?
--Zeker, moeder, zeker! antwoordde Capelli zich eensklaps omkeerend: hij scheen opnieuw Roosie's rug met alle aandacht te beschouwen, terwijl juffrouw Bruin voortklaagde:
--'t Is een ramp tegenwoordig, je durft als ouwer niks meer tegen je kinderen zeggen, want ze slaan je, zoo gezeid, in eens dood door d'rlui meerdere geleerdheid. Verbeeld u, Sjuul zei: Och, moeder! je weet'r niks van; 't is immers alleen maar studeeren. Nou, m'n lieve mensch, nou vraag ik je? in mijn tijd was studeeren heel wat anders ... dat deën alleen dominees en dokters.
--'t Is blikslagers mooi gedaan! zei de kunstkooper halfluid.
--O, zoo!--Ja, uwe heit zeker ook zoo iets noodig; 't is treurig, alles wat ze komen bestellen is in de nakendigheid; wat zie jelui toch aan die bloote menschen?
--Wees maar gerust, juffrouw--ik heb nu juist een heel deftige bestelling voor je zoon, een ouweheerenkop.
--O, dat's goed, neem me dan niet kwalijk. Ja, als ik u goed bekijk, ziet u er ook veels te suffisant en te degelijk uit, om je met zulke goddelositeiten op te houwen. Stil! wacht even, daar is Sjuul, ik hoor 'm fluiten op de trap. Dat zal uwe net treffen, meneer! Zeit u maar assieblieft niks tegen Sjuul, assieblief, hij is zoo driftig. Ik ben nog van 'n ouwerwetsche burgerfamilie; men vader was stovenzetter in de Groote Kerk en ik zou d'r niks tegen hebben, dat m'n zoon in de kunst zat, als d'r maar fatsoenlijk brood in stak--maar 't is huilen tegenwoordig--hij kon genoeg werk krijgen, als ie maar niet zoo eigenwijs was--hij wil de onmogelijkheid, weet u--O, daar is ie!--Zij brak eensklaps haar woordenvloed af, deed de deur open en liet haar zoon binnen.
--Sjuul, daar is 'n meneer voor je, ik heb 'm zoolang gezelschap gehouwen ... dag meneer, dienaresse! en toen zachtjes, maar toch zóó dat Giovanni het hooren kon:--'t Eten staat klaar, jongen!
--Goed, moeder, goed! ga u asjieblieft maar heen, zei de jonge modelleur een beetje knorrig....--Meneer, gaat u niet zitten--laat moeder u staan!
--Neen, Sjuul, meneer liep uit z'n eigen rond.
--Jawel, 't is goed, moeder ... hij duwde haar zachtkens op 't portaaltje en toen tot Capelli:
--Waarmede kan ik u dienen?
--Ik heb een buste noodig--ik ben Giovanni Capelli. U kent mijn magazijn zeker wel.
--O ja, natuurlijk!
--'k Wou eens hooren wat u rekent voor een buste, naar een photo?
--Levensgrootte?
--Neen! half....
--Marmer?
--Waarachtig niet! gips--maar in veel exemplaren.
--Dat 's moeilijk zóó te zeggen--U moet 't model in klei betalen en dan later zus of zooveel voor elk afgietsel--heb u de photo bij u?
Capelli nam een zorgvuldig in vloeipapier gevouwen cabinetportret uit den zak en toonde het aan Bruin:
--'n Mooie duidelijke photografie, hé?
--Schikt wel--is dat niet Muller de dichter, die pas overleden is?--de winkels hangen vol van die dingen.
--Juist, de groote Muller.
Bruin ging naar 't venster, hield de photo goed in 't licht, bezag haar aandachtig, nam een loep en keek nog eens met alle oplettendheid naar de details.
--Heeft u geen "en-face" portret?
--Neen, dit is het eenige wat bestaat.
--'t Is lastig, om alleen op zoo'n profiel af te gaan,--hij hield Capelli het portret en de loep voor--ziet u, daar zit iets in dien neus, dat ik niet heelemaal verklaren kan--'t is een min of meer gebogen neus, maar ... hm! er is iets vreemds aan ... kan u nergens een "en-face" krijgen? Dit is bovendien Rembrandtiek verlicht en dat liegt zoo--hebt u geen gewoon portretje, al is 't kleiner?
--Neen, ik heb er nog moeite voor gedaan, maar--Capelli gaf de loep en de photo terug--'t is toch een vrij gewone kop.
--Schrikkelijk gewoon, je zou niet zeggen, dat die vent zoo'n kraan is geweest; hij ziet er niets schrander uit; 'n vrij laag voorhoofd, uitstekende jukbeenderen, de mond en kin wat achteruit, geen baard, gewoon glad haar--'t Zal een lastig ding wezen om de gelijkenis goed te treffen.
--Ja, maar lijken moet ie en goed, heel goed ook. Dat is 'n conditio sine qua non, dat begrijp je wel, Meneer Bruin.
--Heeft _u_ 'm persoonlijk gekend?
--Ik? Volstrekt niet, ik hou niks van verzen--maar er zijn genoeg lui, die hem goed hebben gekend. Weet u wat, maak een schets in klei en zie dan, dat je het oordeel inwint van menschen die hem dikwijls zagen, dan kom je er wel--ik zal je wel wat lui sturen....
--Was hij niet getrouwd?
--Neen!
--Geen broers of zuster?
--Ik geloof het niet--enfin! ik zal wel een paar menschen vinden; begin maar vast, want ik heb er haast meê. U begrijpt: 't is een speculatie op de _Mode_--als ik niet heel gauw kom met m'n buste, is er misschien al weer een andere dooie knul in trek en dan zit ik later met die prullen.
Het gelaat van den moddelleur betrok bij dat woord en min of meer kortaf zei hij:
--In allen gevalle lever _ik_ artistiek werk en als u mij de afgietsels laat maken, is de eene zoo goed als de andere--maar u moet me geen hoop-werk laten maken, ik leen mijn naam voor zoo iets niet.
--Kalm, jongmensch! bedaard aan, we zijn nog zoo ver niet, laat maar eens eerst 't model zien; over de rest spreken we nader.
Na een poosje loven en bieden, waarin de heer Giovanni Capelli een schitterend bewijs gaf, dat de natuur in zijn hersens het centrum van den handel tot een buitengewone afmeting had gebracht, werden zij het eens, vooral ook, omdat de kunsthandelaar den jongen artist had weten te overtuigen, dat ieder beginner, hoe knap hij ook was, protectie noodig had en dat één aasje geluk meer waard was dan een kilo verstand.
--Luister eens, jongmensch--zoo besloot Capelli zijn betoog: ik heb hier, terwijl je weg was, je werk eens bekeken; je bent een kraan, hoor, maar je hebt geen connectie en die kun je door mij krijgen. Ik weet niet hoe 't komt, beste jongen, maar zoodra ik je zag, voelde ik iets voor je--ik wil je voorthelpen--maar je begrijpt, ik ben zelf geen gefortuneerd man--het walletje moet bij het schuurtje blijven--als je me te duur bent, haal ik het zaakje niet aan. Doe jij nu je best op de buste van dien verzensmid, dan zal ik je naam bekend maken--dat is nu eigenlijk geen werk voor je, dat weet ik wel, maar ik heb wat in petto. Hm! daar hebben al heel wat artisten duim en vinger naar gelikt! en dat zul jij hebben, want nu ik dat ruggetje van dat model....
--Van Roosje?
--Juist! nu ik dat gezien heb, weet ik, dat jij de man bent dien ik hebben moet. Adieu! groet je Mama!
Bruin keek den vertrekkenden man na en dacht:--Wat 'n nobele vent!--Jonge artisten zijn gewoonlijk goed van vertrouwen. En Capelli keek, op straat gekomen, even omhoog naar 't atelier en grinnikte in zich zelf:
--'n Knap ventje, die lapt 't me voor een koopje!
II.
De buste stond op 't atelier in schets, 't was eigenlijk meer dan een schets, zoo mooi was ze uitgevallen.
Capelli zou dien dag met een paar vrienden van den overledene komen, om te zien hoe de gelijkenis was.
Bruin had den natten doek er af genomen en bekeek aandachtig, met het portret in de hand, zijn werk, nu en dan hier of daar even iets aan de klei veranderend of afnemend met een klein boetseerstokje.
Hij was er zelf nog al voldaan over, al kon hij niet weten of de gelijkenis volkomen goed was. Zijn moeder stond naast hem met de kat in haar armen en bromde--'t mensch bromde altijd:
--'t Is toch eeuwig zonde zoo als jij je tijd verleutert. Nou werk je al een week lang aan dat lamme ding en wat verdien je er an? 't Is de peine niet waard. Sjuul, Sjuul! als jij zoo doet, komen we nooit uit de armzaligheid. Is dat ding nou nog niet goed voor die "dikke."
Zij kon den naam Capelli niet goed onthouden.
--'t Is toch precies, zooals ie op 't portret staat.... Stil poessie, we gaan zoo naar de keuken--nou, stil dan liefie, je weet wel, hier op 't atelier mag je niet rond loope, dat wil Sjuul niet hebbe--nou stil dan Tommie!
--Och, moeder, doe toch die nare kat naar achteren, dat beest is zoo wild; verleden week heeft ie 'n beeldje omgesprongen, dat me 'n hoop moeite kostte; 't was totaal weg!
--Nou ja, 'k hou 'm immers vast ... zeurde de oude vrouw.--Tommie, de baas kan je niet lijen, stom dier, maar de vrouw wel. Zeg, Sjuul, heb je nou geld voor den huisheer, de belasting moet ook betaald worden en de kruidenier moet ook al elf gulden hebben; dan bennen ze d'r geweest van de....
--Och, moeder hou op!--'k heb nog 'n paar kwartjes in m'n zak, dat 's alles, maar zoodra ik dit ding heb afgeleverd, zal ik je geld geven.
--Sjuul! je doet veels te veel moeite voor die dikke, je had in dien tijd, dat je aan die kop werkte meer kunnen verdienen, want 't was casueel, hé? Nou kwam d'r juistement werk ... zeg nou maar: 't is af en knoei d'r niet langer an.
--Zeur toch niet ouwe, je begrijpt er geen steek van--je weet niet wat een artist is ... ik kan 't niet zóó afleveren, 't ding bevalt me nog niet heelemaal!
--Nou ja, zóó fijn zullen ze toch ook niet kijken, 't is immers mooi genoeg voor 't geld. Stil Tommie! Jij leit veel te lang aan zoo'n ding te hannessen ... blijf d'r nou dan toch af met je vingers, wat je er aan de ééne kant opplakt, krab je d'r aan de andere kant weer af ... dat is monnikenwerk....
--Daar wordt gescheld, moeder! Ga nou asjeblieft heen en zorg dat er niemand anders boven komt, dan die heeren.
Een gestommel op de trap, een stuk of wat zuchten en kuchende geluiden, en aangevoerd door den blazenden en hijgenden Giovanni Capelli, betrad een viertal heeren Bruins' atelier.
--Pff! Poeh! Wat 'n toren! Ga binnen heeren!
--Verbazend hoog!
--Hé, hé!
--Een opstijging in optima forma!
--Mag ik u voorstellen, heeren! Mijn speciale vriend Jules Bruin, 'n veelbelovend talent, modelleur, beeldhouwer,--Mijnheer Drogers, letterkundige, Mijnheer Coquenard, particulier, Mijnheer Assman, criticus van De Morgenster en de Kunstbode.--Dr. Operling--recensent van de Dichtwarande--zelf ook beroemd door zijn verzen.
--Aangenaam! zei Bruin.
--Engeném! Meneer Drogers boog stijfjes het hoofd.
--Charmé! Een hartelijke handschudding van den heer Coquenard.