Op reis en thuis: Novellen en schetsen

Part 6

Chapter 6 4,109 words Public domain Markdown

Met het geld van Sina begon ik weer zoo hier en daar een klein werkje aan tenemen. 'k Had nog genoeg relaties en 't gelukte me er weer in te komen. Eerst vlotte 't niet te best, maar eindelijk kreeg ik beter werk en binnen een groote anderhalf jaar had ik weer een dikke vijfduizend gulden over. Sina administreerde mijn duiten, begrijp je? En ze deed dat zóó goed, ze hield van zóó weinig huis en paste zóó op alle kleintjes, dat ik zelf verwonderd was dat we 't in ieder opzicht royaal hadden en toch zoo bitter weinig uitgaven. Daar kreeg ik op eens een groote aanneming voor Menado op Celebes, een werk waar een ferme duit aan te verdienen was. Ik moest er natuurlijk zelf heen, maar wou Sina niet mee nemen--'k had haar genoeg geld gegeven en voor alles gezorgd, zoodat zij 't goed kon hebben zoolang ik weg was--ze scheen zich te schikken in de scheiding, maar toen ik goed en wel op de boot zat, zag 'k haar op eens voor me, met haar vader. Ze kwamen me smeeken haar meê te nemen. Eerst wou ik er niet van weten; 'k was nijdig, want 'k vond het onhebbelijk dat ze me tegen mijn zin gevolgd was, gaf haar een frisch standje en zei tegen haar vader:--neem haar weer mee; 'k kan haar op reis niet gebruiken, maar ze lei als een hond aan mijn voeten, ze omvatte mijn knieën en riep: "ik zal sterven als mijn heer heengaat en ik weet hij kan mij niet missen, hij heeft Sina noodig om voor zijn geld te zorgen. Och! neem me meê anders kom je arm terug" en vader zei: "Sina heeft geen ander in haar hart, laat haar niet sterven?"

't Was een allernaarste historie, een scène van belang aan boord. Enfin! ik liet me verbidden en zei:--nu in Gods naam dan, blijf! Toen zoende ze mijn handen, mijn voeten, ze kroop voor me op den grond, meneer en met al die malligheid was de boot onder stoom gegaan en waren we al een heel eind van de pier. Schoonpapa had er evenmin op gelet als wij, maar toen hij zag dat ik Sina bij me hield, kreeg hij het in eens in de gaten.

Slamat djalan! riep hij ons toe, trok achter uit zijn hals zoo'n lang mes, dat hij op zijn rug onder zijn baadje had, nam 't tusschen zijn tanden en jumpte overboord. Hij zwom naar land, dat is voor zoo'n Boeginees maar een kleinigheid....

--En dat mes, meneer Verbeke?

--O! dat was voor 't geval dat hij een haai tegenkwam, maar 't is overbodig geweest, hij is goed en wel aan land gekomen. Sina en ik hebben sàmen--ja bepaald _samen_--dat werk te Menado afgemaakt en toen 't op zijn eind liep werd ik daar zwaar ziek; hevige koortsen. Toen was ik toch blij dat ik haar bij mij had. Ze heeft me verpleegd--dat doet geen soeur de charité beter--achttien dagen lang is ze niet van mijn bed weggeweest en toen ze zag dat de dokter mijn ziekte niet meester werd, heeft zij zelf in 't bosch kruiden gezocht en een drank gebrouwen, die me heel gauw er boven op hielp, 'k Herinner me niet alles van die ziekte, want ik was soms buiten westen, maar ik weet nog best dat ik niet kikken kon of ze stond voor me. Ze lei op een matje voor mijn bed, en was er met geen stok weg te slaan. Ja, 't was in haar soort een kranig mensch, maar ten slotte werd zij ook ziek en toen keerden we de rollen om en heb ik haar opgepast. Zij was gauw weer op dreef, want bij haar was 't alleen maar overspanning en vermoeienis en ze zei:

--Sina wordt van zelf beter nu jij beter bent.

Zoo ben ik dan weer een heelen tijd in de aannemerij gebleven, totdat ik ineens lust kreeg om een poos naar Holland te gaan. Natuurlijk kon ik Sina daarheen niet meênemen, mijn heele familie zou een onzedelijkheidsstuip hebben gekregen als ik met mijn bruine huishoudster was komen aanzetten. Ik sprak er met haar over; ze was in die dingen nog al beredeneerd en bevattelijk en zei zelf:--Ja, ik begrijp heel goed dat je eens naar je familie wilt en ook dat ik niet mee kan gaan, maar mijn hart zal bij je zijn--en kom je weerom?

Natuurlijk, zei ik, maar hoe vraag je dat zoo? Och I zei ze, misschien blijf je in Holland en zoek je daar een blanke, Europeesche vrouw. Dat zou ik je niet kwalijk nemen, want dat moet er voor ons vrouwen toch te avond of morgen van komen--maar kijk goed uit wie neemt. Je bent goedig en je moet een vrouw hebben die van je houdt,--ze wees op mijn been--die begrijpt dat Toewan Allah je al genoeg misdeeld heeft en die je goed behandelt. Als je met haar terug komt en ze is _niet_ goed voor je--laat ze dan uit mijn weg blijven!

'k Had Sina nog niet zóó gezien, ze was compleet in de war en begon te huilen dat 'k er bepaald beroerd van werd. Ze heeft alles voor me in orde gemaakt, keurig, alles nieuw. Slaapbroeken, kabaaien, flanellen, zelf genaaid op de machine. Ja, ze was verduiveld handig en zorgzaam ook, want--hij lachte hartelijk--ze had zelfs een flesch obat (medicijn) in mijn koffer gedaan, voor 't geval dat ik weer eens zoo'n koorts mocht krijgen.

In Europa heb ik ruim anderhalf jaar genoten van alles wat te genieten was, te Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Hamburg en Amsterdam, 'k Heb overal een lieve duit laten zitten. Wat 'k oververdiend had, was glad weg, maar gelukkig dat ik ook nog wat in Indië op de bank had gezet. Met dat kapitaaltje ben ik weer begonnen toen ik terug kwam. Sina was blij als een kind--verbeeld je.--Ze was mager geworden en stil, 't was net alsof ze zich mijn afwezigheid aangetrokken had--nu, misschien had ik haar ook eens moeten schrijven, maar ze kon niet lezen, daarom had ze er toch niets aan gehad, niet waar?

Ze fleurde heel gauw weer op en werd weer dik en vetjes, die inlandsche vrouwen hebben gauw aanleg tot corpulentie, als ze geen soesah hebben. Zij had zuinig geleefd terwijl ik weg was en wat ze over had kwam ons goed te pas, want we moesten 't toch zuinig overleggen, omdat door mijn verblijf in Europa mijn zaken een knauw hadden gekregen. De aannemerij lukte niet erg meer, maar Sina wist raad en toen hebben we een soort van handel opgezet. Zij had er een ongekenden slag van om voor weinig geld allerlei producten te koopen, ik liet haar maar scharrelen met de inlanders en leverde dan weer als tusschenpersoon aan exporteurs en handelaars. Onfortuinlijk ben ik eigenlijk nooit geweest, want als ik op droog geloopen was, kwam al gauw weer iets wat me vlot maakte.

We hebben aardig geld verdiend en omdat ik begreep, dat als ik 'reis uitkneep, Sina toch wat moest hebben, had 'k een heel flink huis van circa drie duizend gulden voor haar gekocht, op haar naam gezet, een aardig duitje op de spaarbank geplaatst en verschillende juweelen van iemand overgenomen.

En daar gaat ze me nu waarachtig dood, jammer! ze is tot 't laatst bij haar positieven gebleven en geen uur voor haar dood zei ze nog tegen haar vader: "Kijk eens voor hem--dat was ik, vat je?--naar een andere vrouw, want hij kan niet zonder, hij staat als een kind op z'n beenen"--hoe denkt zoo'n schepsel in zoo'n oogenblik aan zoo iets, hé? Ze is heel kalm gestorven en ze liet mijn hand niet los, dan toen haar vingers slap werden door den dood.

Ja! 't was een heele vreemdigheid toen ze weg was, 't kwam zoo plotseling; ze was maar een dag of acht ziek. 'k Was heusch erg onder den indruk, want je hecht je aan zoo'n mensch en u weet niet hoe ze je hier van alle kanten beduvelen en exploiteeren als je célibatair bent.

Sina's vader, dit wou ik u straks vertellen, was niets inhalig. Volgens de wet was hij haar erfgenaam, maar hij kwam bij me en zei:--Toewan, 't is allemaal van u gekomen, wat doe ik met al dat geld? Geef mij vijfhonderd gulden, dan koop ik een huisje, en haar juweelen, maar zoek er eerst alles uit wat je zelf hebben wil tot gedachtenis. De Boeginees viel me betoel mee! Hij ging zelf naar den notaris en liet het huis weer op mijn naam overschrijven. Ik betaalde hem vijfhonderd gulden en nam dezen ring, een mooie steen hé? En een paar brillanten oorknoppen, ze hadden me vierhonderd pop gekost, want ik dacht, die ouwe man heeft er toch niets aan en ik kan ze allicht voor een andere vrouw gebruiken.

Mijn vrouws broêr, de tuinman, kwam de vorige maand bij me en zei: 'k heb een goeie vrouw voor u, jong en zachtaardig, en de ouwe had er onderwijl ook al een opgescharreld, maar ik heb geen van beiden genomen--ik wil nu eens een Chineesche hebben, die zijn wat meer ontwikkeld en nu is er me een door een sobat aan de hand gedaan. Daarom zit ik nu hier in 't hotel, begrijpt u? 'k Heb met dien staartknaap afgesproken, dat we mekaar hier zouden treffen, dan zou hij me bij de familie van mijn aanstaande brengen. De vader wil haar niet te duur afgeven--en 't moet een lief vrouwtje wezen. Bevalt ze me, dan neem ik haar meê--anders ga ik alleen een poosje naar Japan, dat moet zoo'n mooi land zijn. Nu Sina dood is heb ik toch geen idée dat ik onze zaken kan doorzetten, dat inkoopen is mijn fort niet. Enfin! 'k zit nu nog goed in mijn duiten, die moeten weer eens rollen.

'k Heb voor alle eventualiteiten een levensverzekering van 3000 gulden genomen, dat 's voor mijn begrafenis en 't beredderen van mijn boel.

Die me er onder stopt mag dan de rest, die overschiet, houden--Ah! daar komt mijn Chinees--adieu! meneer, tot het genoegen u weer te zien, ik ga eens kijken of 't nieuwe inventarisstuk, dat hij offreert, me bevalt. Salut!

EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER.

--Ik zou u heusch aanraden om na de lunch zoo van tweeën tot vieren een dutje te doen, zoo'n kleine siësta is bepaald noodig in de warmte, zei de vriendelijke, jonge controleur, die met zijn ega tegenover mij aan tafel zat.

--Weldadiger dan zoo'n slaapje bestaat er niets! voegde het blonde vrouwtje er lachend bij.

--Gisteren heb ik 't al geprobeerd, Mevrouw, maar ik kon den slaap niet vatten; 't is altijd zoo druk aan dek, je hoort er allerlei geluiden, ze loopen voortdurend heen en weer en ...

--Ongewoonte, meneer! en terwijl 't controleursvrouwtje haar man guitig aanzag, zei ze:

--Charles kon in den beginne overdag ook niet slapen, maar nu ... soms moet ik manlief om half vijf schudden, ja? en heusch hij snurkt, foei!

--Och, als ik eens den slaap gevat heb zet ik studdy door, lachtte hij terug en zich over tafel vertrouwelijk naar mij toe buigend:--maar ik slaap in mijn hut, daar leg je rustig, je kunt je ontkleeden, afijn! je totaal lekker maken. Geloof me, doe zooals ik, ga op uw couchette liggen; 't is een afdoend middel....

* * * * *

De rijkelijke lunch had mij loom gemaakt. Ik voelde mijn oogen trekken en een dof gevoel in 't hoofd voorspelde mij dat ik ditmaal slapen zou. 't Was ook nog iets ongewoons voor mij om den ganschen dag, van 's morgens 6 uur af, in de lucht te zijn. De zee maakt meestal in den beginne den nieuweling moe en slaperig--ik besloot dus mijn hut op te zoeken. Aan boord waren reeds de meeste passagiers in in zalige rust; op 't dek lag de gepensionneerde majoor aan bakboord met open mond en afhangende armen in zijn luierstoel te slapen, naast twee Indische dames, die met pruimenmondjes en opgetrokken wenkbrauwen erg fatsoenlijk dommelden; tegen de kajuitskap leunend, snurkte op de bank de anders zoo spraakzame koffieplanter en aan stuurboord lagen, als de broertjes en zusjes van klein duimpje op één rei, zeven jonge dames en heeren, de vruchten van den al te weelderigen echt van een resident, die van verlof terugkeerde. 't Schip scheen als uitgestorven, want in den salon was niemand en zelfs in de kinderkamer zaten de drie Baboes met de aan haar zorgen toevertrouwde spruiten zachtkens druilend bijeen.

Pff, wat was 't benauwd in mijn hut, ze scheen me een oven toe--maar in de Roode zee is het nu eenmaal niet anders mogelijk.

Ik maakte mij lekker, deed jas, pantalon en overhemd uit en ging languit op de couchette liggen.

Zachtkens, regelmatig slingerde de boot heen en weer--van zeeziekte voel ik gelukkig nooit iets--en voor mij was die zachte schommeling zelfs een aangename beweging; 't was mij alsof ik gewiegd werd. Ik kan mij die periode uit mijn kindsheid natuurlijk niet meer voor den geest brengen, maar mij dacht, ongeveer zóó moet de beweging geweest zijn die mijn goede bezorgde moeder met haar voet aan mijn wiegje mededeelde.

Een, twee! E-é-é-n--twee-e-e! heen--terug! hé-é-én--terúg! 't Was inderdaad een weldadig gevoel, maar--in plaats van er door in te slapen, werd ik er helderder door en begon te luisteren naar al de geluiden, in de stilte rondom mij.

Achter, onder mij, hoorde ik de rusteloos wentelende schroefas en het ruischen en bruisen van het water, dat schuimend opspatte langs achtersteven, roer en boord. Onwillekeurig telde ik, ze vijf aan vijf afdeelend, de doffe dreunende slagen der machine en allengs meende ik woorden te hooren in de regelmatig wederkeerende korte rhytmische stooten van het aan stuurboord ontsnappend condensatie-water. 't Scheen mij alsof de boot, als medelijdend met de warme puffende passagiers, de woorden: ik-kan-niet gauwer--ik kan niet gauwer! voortdurend uitstootte.

Oah! ik geeuwde een paar malen. Was 't door slaap of zenuwachtigheid? Ik geloof door 't laatste, want ik bleef wakker en moest nolens volens naar dat eentonig ruischen en dreunen luisteren, terwijl het zweet mij aan alle kanten uitbrak, want de temperatuur in mijn hut was ongeveer 94°.

Groote hemel welk een hitte! en wij zijn nog niet eens midden in de Roode zee, hoe houd ik het verder uit? Die gedachte speelde mij door het hoofd en overweldigd door de benauwde warmte druilde ik eindelijk in en begon dadelijk onrustig te droomen van een grooten glasblazersoven, waarin men mij met de voeten vooruit wilde duwen. Een reusachtige woeste kerel stootte mij voort, steunend en hijgend: ik-kan-niet gauwer--ik-kan-niet gauwer!

Met een schrik, schokkend en trillend ontwaakte ik en keek op mijn horloge. Onbegrijpelijk! 'k had nog geen kwartier geslapen. Mijn gelaat droop van 't zweet, mijn kussen had een natten indruk van mijn hoofd gekregen en mijn goed kleefde me letterlijk aan 't lijf. Weg dus met alles wàt gemist kon worden, alleen mijn flanelletje bleef mij over. 'k waschte mij met het meer dan lauwe water uit mijn lavabo en dronk een half glas limonade.

'k Begon me nu erg moe en slaperig te gevoelen, mijn oogleden werden als lood.

Komaan! nu nog eens ernstig geprobeerd; met den vasten wil van te zullen slapen, zal 't, moet 't gelukken. Weer strekte ik mij op de couchette uit zoover ik kon, maar! ik heb lange beenen en daarom bleef ik, zooals men dat aan boord noemt, "opgeschoten liggen in een flauwe bocht." Iemand die wel eens op last van zijn dokter heete kamillen met vlier en anijszaad heeft gebruikt tegen een verkoudheid, die hij onder een berg wollen dekens en kussens bij een paar warme kruiken moest uitbroeien in een goed gestookte kamer, kan zich een flauw denkbeeld vormen van de warmte in de Roode zee.

Naast mij hoorde ik mijn buurman, een naar Indië terugkeerend ambtenaar snurken. Hij snurkte mooi, geweldig en artistiek. Eerst haalde hij krachtig door zijn neus op, met een kleine ontploffing in de keelholte elken ophaal besluitend--en dan stootte hij een geluid uit, melodisch en forsch tegelijk, als de erotische kreet van een jongen panther.

Aan de andere zijde van mijn hut zaagde een officier, die bij zijn lunch een stevig glas wijn had gedronken, een solo en achter mij hoorde ik van een jong mensch korte, stootende pff!-klanken, als ontsnapte er bij kleine tusschenpoozen stoom uit zijn mond.

'k Werd jaloersch! Gelukkige snorkers!--Waarom kon ik nu toch den slaap niet vatten--ik heb toch anders ook een zekere reputatie wat slapen betreft. Hoor ze nu doorzetten! Hé, hoe benijdde ik mijn buren! Had ik ook maar een stevig glas St. Emilion gedronken--mijn maag kan er niet tegen, jammer genoeg!

'k Besloot te gaan tellen, ik kwam tot driehonderd en vijftig, verder herinner ik me niet, want ik was langzaam ingedommeld om geen vijf minuten later weer klaar wakker te worden door een helsch lawaai naast mij.

Een zevental lieve kleine onschuldige kindertjes, die van het dek waren weggejaagd, omdat ze volgens den kwartiermeester, zoo gezeid, ofschoon 't zoo in haarlui natuur lei, "den beest speelden en de passagiers 't natuurlijk moevement van 't slapen rinuweerden", waren in de kinderkamer gestormd en maakten ruzie met een der baboes, die volgens 't zeggen van "le petit Alfred" lui avait chipée de chocolats praliné's!

In een allerzondelingst mengeloes van Hollandsch, Maleisch, Duitsch, Javaansch en Fransch werd het gesprek gevoerd en terwijl de jonge heer Alfred een blikken mokje greep en dat met een "Sâle bète!" naar 't hoofd van baboe no. I gooide, die grijnzend haar sirih-mond opende en betoel! verzekerde: "pas vrai chamais, moi makan chjocolat!"

"Diam! Tais toi, Alfred!" klonk 't vinnig uit een hut,--stil toch kinderen! schreeuwde een andere damesstem, maar de oproerige jeugd hield niet op met joelen en tieren vóór een paar mama's eenige van haar spruiten met geweld hadden meêgenomen.

De kinderjuffrouw was reeds op 't rumoer toegeschoten en deelde koekjes uit aan de overige onschuldige kleinen, die nu lief bij mekaar zouden gaan zitten en een spelletje doen.

Een minuut of wat namelijk zoolang de voorraad zoetigheid strekte, bleef 't rustig, maar juist terwijl ik op 't punt was den slaap te vatten, zette een der lieve kindertjes een keel op en schreeuwde zóó erbarmelijk om màmè dat baboe no 2 het noodig vond hem ongemerkt een geniepige kastijding toe te dienen. De jongeheer--'t was bepaald een aankomende basso buffo--begon onmiddellijk een serie geluiden uit te stooten, die tot in de verste hoeken van het stoomschip moesten doordringen.

Zoo'n attaque in G majeur werkt gewoonlijk aanstekelijk, want de sinjo werd dadelijk zeer verdienstelijk gesecundeerd door een anderen knaap en twee kleine meisjes, die--de vrouwelijke natuur verloochent zich zelfs niet bij kinderen van vijf of zes jaar--uit pure goedhartigheid meêgilden.

Allengs ontstond een volkomen cacophonie, de executanten werden versterkt door de baboes, die haar diepe keel- en neusgeluiden--zoo'n Javaansche baboe heeft in haar stem iets onderaardsch--in het koor mengden, als de zware tonen van de contrabas, tusschen al de scherpe oboe en klarinetklanken der kindertjes.

--Ring! Flang! Ring! een blad met een karaf en een paar glazen werd van tafel gegooid. 't Klonk wel mooi! als was het de turksche trom en schel in dat orchest.

--Rang, Ring! Bons! twee blanke kleine vuistjes smeten een kop en schotel met een bordje over den grond.

--Alweer een zoodje kommaliewant naar de weerlich! bromde een basstem tusschen de zich allengs met meer kracht verheffende faussettonen en terwijl de eerste Signo zijn solo fortissimo, con fuoco! doorzette, raapte de toeschietende hofmeester de scherven op en stoof een Mama in sarong en kabaai met loshangende haren en een badhanddoek in de hand de kinderkamer binnen en diende den eersten solist een goed afgewerkten oorvijg toe, die even als het heftig bewogen dirigeerstokje van een orchest-directeur een plotseling forto fortissimo deed ontstaan.

--Mèmè, mèmè, zij slaèt me! O! o! hi, hi! hi!

--Wie slaèt je, kind?--wie? en woedend stoof de andere "mèmè" haar hut uit en begon met een onbeschrijfelijke, bijna elektrische snelheid van tong aan de andere dame te betoogen: "dat het niet te pès kwèm! volstrekt niet te pès kwèm! in 't geheel niet te pès kwèm! om je hènden èn ên èndermèns kind te slèn? Als er wèt te slèn is, ben ik zelf mèns genoeg om het te doen, begrijp u lieve mevrouw? Zoo iets is korang adjar, (gebrek aan opvoeding) en ik verzoek u dus allerbeleefdst om in 't vervolg uw hènden thuis te houden lieve mevrouw, wênt ênders zèl ik er den kèpitein over spreken, lieve Mevrouw!

De lieve Mevrouw, ook niet op haar mondje gevallen, gaf met veel minder snelle maar minstens even liefelijke stem te kennen, dat zij aan boord #recht# had op een rustig middagslaapje en dat het volgens haar bescheiden meening niet bepaald takt en opvoedkunde verried om in 't bijzijn van kinderen zoo'n scène te maken en dat zij haar man ging roepen, want dat zij het niet geraden achtte om met zoo'n hoogst beschaafde en lieve dame alleen te blijven, want een ongeluk zit in een klein hoekje.... De elektrische tong zweeg, gebluft door de vrij kalm gezegde woorden van de andere, die ik nog even en passant aan een der baboes een uitbrander hoorde geven.

't Was iets kalmer geworden; de lieve kindertjes keken ongetwijfeld met hun groote ronde onschuldige oogjes hun lieve mama's verwonderd na.

En inmiddels snurkte naast mij die ambtenaar onbezorgd verder, de officier zaagde volgens mijn berekening zijn vijfde bos hout en de jongeling stoomde, achter me, poeffend door! Gedempter klonken de stemmetjes. De buikspreektonen van de baboes uit de kinderkamer werden onduidelijker, waarachtig 't werd stil, een ongekende weelde doortintelde mij, en ik begon zachtjes aan in te dommelen. Onduidelijk hoorde ik nog het zeurig neusgeluid van baboe no. 2, die een klagend Maleisch liedje jankte, ik zag, slaapdronken mijn oogen even openend, flauwtjes dat het groene gordijn voor de opening van mijn hut zachtjes bewoog, 'k vernam nog vlak voor mijn deur het fluisteren van een paar kinderstemmen, vergezeld van 't rammelen van aardewerk--toen sliep ik in ... en dadelijk droomde ik. 'k Meende me op eens verplaatst te Amsterdam, midden in den zomer op de Egelantiersgracht. Mijn reukorgaan vertelde 't mij in den slaap en mijn hersens verwerkten half sluimerend het denkbeeld: "Zou die lucht ook besmettelijk zijn?"

De doktoren beweren wel dat zwavelwaterstof geen bacillen bevat, maar.... Ring, rang, flang! daar brak een of ander stuk porcelein vlak voor mijn hut. Onmiddellijk was ik klaar wakker en hoorde de klagende stem van een kleinen jongen, die snikkend uitriep: "ik kon 't niet helpen, Mientje heeft me omgegooid."

--Niet waar! hij doet 't expres--hij heeft er mij ook afgeduwd, hi, hi, hi!

--Hi! hi! hi! ada sapoenja potje! huilde Mientjes zusje, die nog maar enkel Maleisch sprak. Ik begreep volkomen haar droefheid, omdat ik nog kort te voren geleerd had dat ada beteekent: "het is" een sapoenja = mijn.

--Tida! (neen) griende een andere engel van een kind, ada Theodoortje poenja potje.

--Ik dacht wel dat ze daar niet veel zaaks uitvoerden, ze waren zoo erg zoet, riep een dame, haar hoofd uit een der hutten stekend.

--Goeie hemel wat 'n boel! Sepada, jongens? Een van de twee Javaansche jongens, die altijd zoodra ze niets te doen hebben als bruine terra cotta beelden onbewegelijk achter bij de badkamers of 't groote watervat hurken, stond langzaam op en neuzelde een: "Saja njonja!" terug.

--Allo! gauw opredderen, haal een emmer water. Foei, foei! kinderen, wat 'n historie. Met een paar putsen zeewater was, binnen een minuut of wat, alles in orde en ik hoorde den kwartiermeester, die om een of andere reden er bij kwam, zeggen:--'t Is alweer de oude geschiedenis; ze kennen hier niet omgaan met kinderen, daar moet je eigendommelijk slag van hebben, zie je? Ik heb dàt nou van natuurswege en zooveel als door de langdurigheid van omgang met de jeugd. De oudsten hou ik zoet met een praatje, of ik zet ze met een vrindelijk wezen op de'r voorman, maar dat kleine kaliber, dat mot je heel anders bewerken. Als ze schreeuwen, hou ik ze aan één been onderste boven, dat maakt derlui in eens stil, daar ben ze reëel van overdonderd vat je!--Als ze dan 'n beetje groezelig van kleur worden keer ik ze weer om als een zandlooper, dan komt 't bloed weer zooveel als op z'n standplaats terug--Ja! 't is een heele eigenaardigheid in je zelf om kinderen te kunnen behandelen, zooals 't hoort, dat kan je niet geleerd worden--dat's aangeboren--waarom heb jelui mijn niet bijtijds geroepen, dan was die pot ook niet gebroken, nou is d'r nog schade voor de hand....