Op reis en thuis: Novellen en schetsen

Part 5

Chapter 5 4,084 words Public domain Markdown

--Je moet 'm ook over je ooren hangen, hofmeester.

--O, zóó ja! nou is ie goed!--ben je nou klaar, juf?

--Dèdelijd! nog even je borstplooitjes en de kenten slippen nèzien.

--Dat geveugel an m'n lijf kan ik niet velen, laat dat maar waaien.

--'t Stèt zoo leelijk, wècht nu even, hé? Zoo, nu ben je klèr! Wèr is je vers, ken je 't vèn buiten?

--Geen steek d'r van juf--maar dat's niks. Hij moet 't me maar voorzeggen.

--Souffleeren! jè, dèt kèn wel. Vooruit nu mèr!

De hofmeester gaat de hut uit, deftig, met zijn bisschopsstaf in de hand; 't koksmaatje springt van de couchette, keert de mand met snippers om, doet de pakjes er in en gaat dan, met den zak op zijn rug en de mand vol pakjes aan de hand, hem achterna.

--Goddori! zegt de hofmeester, omkijkend, je bakkes!

--Wat zou m'n bakkes?

--'t Is nog wit--je bent immers 'n zwarte knecht.

--Dat 's waar ook! Zeg juf, geef me gauw een gebrande kurk.

--Dat duurt te lang, ik zal je wel anders helpen, neem maar inkt, dáár staat 't fleschje.

--Maar hofmeester, dat gaat er zoo moeilijk weer af.

--Hindert niet, je hoeft morgen niet naar je meissie: gauw, vooruit!

Een paar minuten later treedt Sint Nicolaas, gevolgd door zijn zwarten knecht, het salon binnen.

Deftig begroet hij al de aanwezigen met een--Dames en Heeren! ik ben Sinterklaas en ik kom jelui ereisies opzoeken en dat is m'n zwarte jongen, die--maak je buiging roetmop--de cadeautjes brengt.

--Hum! hum!... hij begint zijn vers:

Ik kom op last van God Neptuun, Den Heerscher van de zee, En breng voor ieder hier aan boord Een klein cadeautje meê! Ik kom op 't land wel ieder jaar Bij kinderen groot en klein.....

Maar 'k kom nu ... Hm! Hm!... Ik kom nu ook ter zeehm! hm! Bliksem!--Hm! ter zee!--Hm!... Ja, Dames en Heeren of ik 't nou zeg of zwijg, ik ben m'n vers vergeten en die stommeling soeffleurt me niet, maar.... hij neemt het papier uit handen van den zwarten knecht, legt het op tafel en zegt:--Die er lust in heeft, kan 't zelf lezen, 't is heel aardig!... d'r zit 'n beetje inkt an, maar dat komt omdat we in de gauwigheid geen kurk hadden, Hm!... en nou zal ik ieder 't zijne geven.--Moriaan, strooi jij ondertusschen reis 'n beetje!

Met zijn groote handen grijpt de zwarte knecht in den zak en werpt bonbons, chocolaadjes, noten, amandelen, koekmoppen en pistaches om zich heen en over de passagiers, die gierend van 't lachen, als kleine kinderen aan 't grabbelen gaan.

Dan, terwijl de vroolijkheid steeds stijgt en de jongens warme wijn en Sintnicolaasgoed presenteeren, ontpakt de hofmeester zijn mand en geeft aan iedere dame en heer het voor hen bestemde pakje.

--Leve Sint Nicolaas! Leve de zwarte knecht! Hiep, hiep hoera!

--Sinterklaas, een glas champagne?

--Asjeblieft meneer Vinkers!

--Ha! Ha! Ha!

--Zwartje, jij ook een glas?

--Nou meneer, drinken we in ons apenland niet dikkels. Asjeblieft, wel twee!

--Bravo! Lang zullen ze leven!

Zeeziekte en schommelingen zijn totaal vergeten, hooger kleuren zich de aangezichten, lachend en schertsend vallen de passagiers nu en dan tegen elkander aan door 't stampen van het schip, maar niemand heeft er hinder van.

De dokter ledigt de gewonnen flesch champagne met de andere heeren.

Buiten huilt de storm; de opgezweepte golven slaan over 't schip en op de brug staat de kommandant in zijn oliepak en tuurt oplettend in de duistere verte!

* * * * *

In zijn hangmat in het halfduistere soldatenlogies ligt een fuselier. Het flauwe schijnsel van 't licht dat er brandt, beeft over zijn ingevallen wangen, 't glijdt langs zijn slappe rimpelige oogleden, waaronder de oogballen rusteloos trillen en laat even de klamme haarvlok zien, die, onder uit zijn politiemuts komend, tegen 't gele, beenige voorhoofd plakt. Hij is afgekeurd voor den dienst. Jenever en vrouwen hebben hem vóór den tijd oud gemaakt, buikziekte en moeraskoortsen deden het overige. Als een jonge grijsaard, een vroeg gesloopt organisme, ligt hij, half sluimerend, half soezend, onverschillig voor alles, behalve voor het "mokje" jenever, dat hem tweemaal per dag toekomt.

--Mo'je d'r niet is uitkomme? vraagt een kameraad, die in de eene hand een kom koffie houdend, met de andere een stuk tulband naar den mond brengt.--Ze benne knappies in de pret, hoor je wel? en hij wijst op een aantal soldaten en stokers, die achter in 't logies bij elkaar zitten, lachend en pratend.

--Kom! kerel, kruip d'r nou ook is uit, je lach je dood, ze hebben Sijbrands te pakken met een surprisie.

--Och la' me liggen.

--Mo' je tulband?

--Nee, stik!

--Nou dan niet! en met een schouderophalend: "Hij wordt suf," gaat de soldaat terug naar de anderen, die, bij, over en half op Sijbrands leunend, toekijken hoe deze een groot, in zeildoek genaaid, met teer en verf besmeerd pak openpeutert.

Een oogenblik wendt de zieke fuselier het hoofd om naar de zwak verlichte groep en terwijl een smadelijke glimlach om zijn bleeke, dunne lippen speelt, mompelt hij:--Flauwe mop!--sluit de oogen en draait zich zoover mogelijk om. Zijn oogen gaan weer een poos open staren naar den geligen scheepswand, waartegen nu en dan reusachtige schaduwen glijden van de heen en weer bewegende mannen, dan sluimert hij even in om dadelijk weer te ontwaken, door 't gelach en gejoel der anderen.

"Sunter klaassie bonne, bonne, bonne!" zingt er een met ruwe stem. "Gooi wat in de leege tonne!" kraait een ander. "Gooi wat in de huize!" blért een derde en lachend, vloekend en gillend vallen de overigen in met: "Dankie Sinterklaassie!" als een zwartgemaakte kolentremmer met een binnenstbuitengekeerde kapotjas aan, een ketting als gordel en een roode fez op 't hoofd, uit een linnenzak eenige handenvol noten, amandelen, koekmoppen en rozijnen, over de hoofden heen op tafel gooit.

--Flauwe mop! bromt de zieke nog eens en tracht den slaap te vatten, maar eensklaps rijst voor zijn geest het beeld van een vredig, eenvoudig tehuis in een groote stad, vol lichte straten en pleinen. Hij ziet lachende, stoeiende, grabbelende kinderen in een warm, gezellig vertrek; hij ruikt de chocolade en koeklucht in de kamer. Hij ziet de goedige, dikke moeder, die voor ieder een verrassing bereidde--de altijd bezige vader, zich nauwelijks tijd gunnend om even naar zijn jolig troepje te komen kijken en ... langzaam dommelt hij in, half droomend, half wakend. Allerlei herinneringen dwalen door zijn weeker wordend brein:--Een doorboemelde jeugd, leuke vrienden, lastige schuldeischers, bedrogen meisjes ... als in een warreling van beelden vliegen ze aan zijn gesloten oogen voorbij.

't Suist in zijn ooren--die drukke geluiden om hem heen roepen andere klanken terug in zijn slappe hersenen; lang vergeten stemmen komen weer!... Kind! alles is nu vergeten en vergeven, kom als een flinke kerel weêrom--was dàt niet moeders stem? Voelde hij daar niet vaders handdruk bij 't afscheid aan boord, toen hij wegging als koloniaal? Hoorde hij daar niet de muziek op den wal, het joelen en schreeuwen der vertrekkende troepen?

Hij ziet als in nevel moeders bleek, betraand gelaat, haar lang nog wuivenden zakdoek, en dan ... dan springt hij eensklaps als geëlectriseerd op uit zijn hangmat, want: "Extra oorlam!" aan de klok, heeft zijn oor getroffen.

Hij schudt zich een paar malen, smakt met de lippen, herhaalt nog eens:--Flauwe mop! en gaat zijn "mokkievol" halen.

-------------------------------------------------------------------------

Zes December.

't Sint Nicolaasfeest is voorbij.--Eenige passagiers zitten pratend aan 't ontbijt--de meesten zijn nog in hun hutten.

Aan dek is Kees bezig met het vastsjorren van een paar stoelen, voor de twee dames die betoel, betoel ziek zijn en op last van den dokter elken dag even aan dek _moeten_.

Een passagier, die ook lucht hapt, vraagt hem:

--En heb jij ook 'n goeie Sinterklaas gehad, Kees?

--Ik, meneer? 'k Heb gemaft in m'n kooi, 'k moest er niks van hebben. De pret is nou voorbij--maar je zal wel d'ris rare gezichten zien van daag--'t is maar de vraag waar 't door is, door de zeeziekte of door al de buitengewoonhedens die ze gisterenavond in d'r maag hebben gestouwd!

EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.

We zaten samen in 't hotel Egener te Probolingo aan 't ontbijt. Hij was na mij binnengekomen en had zich, op de in Indië gebruikelijke wijze, aan mij voorgesteld met de woorden:--Mag 'k eens even met u kennis maken. Mijn naam is Verbeke.

--Ik heet van Maurik!

--Justus van Maurik?

--Juist.

--Och! dat doet me plezier--ik heb in de kranten wel gelezen dat u een bezoek aan Indië brengt, maar 'k had nog niet het genoegen u te ontmoeten. En toch heb ik, vooral in den laatsten tijd, dikwijls aan u gedacht.

--Ei, hoe komt dat zoo?

--Wel! ik heb zoo nu en dan wat van u gelezen en daarbij dacht ik: als ik dien man sprak zou ik hem voor de curiositeit mijn levensgeschiedenis eens willen vertellen. Een auteur moet, dunkt me, graag zoo iets hooren, al is 't maar om zijn menschenkennis te verrijken of er later stof in te vinden voor een schets of novelle. 'k Heb dikwijls gedacht; hoe halen de schrijvers de dingen bij mekaar? Ze moeten zeker hier en daar lui vinden, die hen op de hoogte brengen van een en ander....

--Dat ziet u aan u zelf meneer ... hum?...

--Verbeke. Willem Frederik Hendrik Verbeke. Ja, 'k ben een Toewan! 'k heb drie mooie voornamen, maar daar koop je niet veel voor.... Dus 't zou u interesseeren als ik u vertelde, welk toertje ik al zoo door de wereld heb gemaakt?

--Natuurlijk, maar mag ik even mijn notitieboekje halen, dan teeken ik de hoofdpunten aan--mijn geheugen laat mij soms in den steek.

Hij lachte eventjes en streek met zijn hand over zijn dunnen rossigen knevel;--Ga gerust je gang, meneer, maar wanneer je 't avond of morgen mijn lotgevallen vereeuwigt, zet dân een anderen naam in je boek, asjeblieft? Ik heb nog veel familie in Holland en die lui mochten zich eens ergeren; 't zijn daar zulke brave zielen, weet u! Steunpilaren van de kerk. 'k Heb twee dominees in mijn familie en ettelijke ouderlingen. De witte das is erfelijk in ons geslacht.

--Steek eens op, meneer! 'n lichte sigaar--eigen fabrikaat, 't is meteen een adreskaartje van den fabrikant, al rookend vertelt men gemakkelijker.

--Graag! Ja 'k heb al menig sigaartje van je naar den blauwen hemel geblazen en soms terwijl ik een boek van je las. Dan dacht ik zoo: wat 'n wonderlijke combinatie--sigarenfabrikant en schrijver--die man moet een goed standje hebben. Hij raakt ze van alle kanten ha, ha, ha!

--'t Is een dringende noodzakelijkheid dat ik fabrikant blijf, want van zijn pen kan men in Holland niet leven, daarvoor is 't land te klein, ergo....

--Verkoopt u sigaren. Koko blanda! Hollandsche sigaren in blikverpakking, gegarandeerd tegen wormen, insecten en vocht. Hij sprak snel en op één toon, als iemand die een les opzegt. Je ziet wel meneer, dat ik de reclame-biljetten uit je kistjes van buiten ken, maar je hebt schoon gelijk! Je moet turf opdoen zoolang je turven kunt, komt de oude dag dan heb je een beetje brandstof in huis om je stijve knoken bij te warmen. 'k Heb ook altijd zoo gedacht in den beginne, maar och! mijn turf is me tusschenbeiden door vrienden en buren afhandig gemaakt, en 'k ben er zelf ook wel 'n beetje ruw mee omgesprongen, Sepada!--hij riep den jongen:

--Minta whisky-soda? Mag ik u ook een glas offreeren?

--Dank u, 't is me nog te vroeg, 'k heb hier mijn thee nog staan.

--Och! ik drink ze alleen uit gewoonte om iets te hebben wat m'n tong vochtig houdt; 'k heb zeker 'n droge lever!--Sedikit whisky! zei hij tot den jongen, die hem inschonk. 'k Neem er maar een spoor whisky in, om een smaakje aan 't Apollinariswater te hebben. U zou kunnen denken, dat ik, hij maakte de bekende beweging, van dât hield. Och heer! neen, dat is 't geval niet, zoolang ik onder de tropen ben, heb ik in alle opzichten matig geleefd. 'k Heb dagelijks één enkel bittertje gebruikt uit oud-Hollandsche gewoonte, vóór den eten en 's avonds een toddy of een paar splitjes (half glas whisky soda) anders zag ik er zóó niet uit op mijn vijf en veertigste jaar en 'k ben toch van mijn twee en twintigste al in Indië. Kijk! 'k heb nog een goeien kop met haar en mijn oogen zijn ook nog perfect.

Ik keek mijn nieuwen kennis oplettender aan. Hij was een man van middelbare lengte, met een opgeruimd, bruingelig gelaat en helderblauwe oogen, die frank en vrij onder borstelige, rossige wenkbrauwen rondkeken. Zijn neus was nog al dik, maar met zeer bewegelijke vleugels, die op een zenuwachtig temperament wezen en als hij sprak, trok hij nu en dan zijn bovenlip in 't midden min of meer driehoekig op, zoodat onder zijn overhangenden dunnen knevel, de gave witte voortanden zichtbaar werden. Over 't geheel genomen, had hij iets goedigs zelfs iets kinderlijks in zijn uiterlijk, dat, ofschoon het een zeer burgerlijk type had, toch volkomen fatsoenlijk en volstrekt niet ordinair was.

In den loop van het gesprek viel 't mij op, dat hij de gewoonte had, om van tijd tot tijd een der punten van zijn langen snor in den mond te nemen en er op te bijten, terwijl hij zijn gedachten scheen te verzamelen. Zijn handen, ze waren zeer goed verzorgd, schoon sproeterig en zonverband van boven, hield hij ze al sprekend, geen oogenblik stil. Nu eens krabbelde hij met zijn lange zindelijke nagels aan de korte stoppels, die aan zijn kin uitbotten, dan weer plukte hij met zijn vingers aan zijn jaslapellen of streek door zijn kort geknipt, dik rosblond haar. Zijn geheele persoonlijkheid was overigens kalm, zijn manier van vertellen klaar, kort en duidelijk, soms bijna cynisch en zeker zou men hem een volkomen rustig man hebben kunnen noemen, indien niet zijn handen zoo voortdurend in beweging waren geweest.

--'k Ben in Friesland geboren, begon hij, op een klein dorp, waar mijn vader plattelands geneesheer was. 'k Heb nog een veel ouderen broer, die dokter is te Amsterdam--en ik ben ook begonnen met 't gymnasium, maar 'k had geen kop voor Latijn en Grieksch. Toen heb ik 't over een anderen boeg gegooid en ben gaan leeren voor den post- en telegraafdienst. 'k Was bijna klaar en zou examen doen, maar daar trof me een ongeluk met schaatsenrijden; ik kneusde mijn been erg, heel erg; 'k was er lang mooi mee! 't Genas eindelijk maar 't eene was cirka een halven decimeter korter geworden dan 't andere. Niets aan te doen, hoor! Ik was gesjochte, want even van te voren was voor de post- en telegraafbeambten de keuring ingesteld en ik kon dus met mijn te korte been naar huis hompelen.

Goeie raad duur! Wát te doen? In Holland liggen de baantjes niet opgeschept. 'k Had een broer in Indië, ook al dokter, dien 't naar den vleesche ging. 'k Had hem geschreven: Jan, mijn eene poot is voor goed opgetrokken en heeft mijn carriére in de war geschopt, kun jij me ook in je apeland gebruiken?

Jan was een goeie, hartelijke kerel en schreef me dadelijk terug: "Wim kom maar over, 'n aap meer of minder hindert hier niet. Ik zal je wel op een koffieland plakken, daar kun je zoo mank loopen als je wil!"

'k Ben een vol jaar bij hem blijven logeeren om aan 't klimaat te wennen en de taal te leeren, want ik kon me beter redden met boerenfriesch, dan met Maleisch of Javaansch, dat snap je wel. 'k Had 't Javaansch vrij gauw te pakken, Maleisch leerde ik van zelf onder de hand en toen ik zoo'n beetje van alles wat de planterij aangaat op de hoogte was, kwam ik als assistent op een koffieland. 'n Hondenbaantje hoor! Toen daarna in de tabak. Ja, ik heb misschien menig plantje verzorgd wat u later tot je onvergelijkelijke sigaren hebt laten verwerken. Van de tabak kwam ik in de suiker en van de suiker weer in de koffie: maar hoewel ik goed mijn brood had en zelfs een aardig stuivertje overlei, begon me dat eenzame leven op die plantage de keel uit te hangen. Eten en drinken heb je plenty, je kunt je zelfs vet mesten als je er lust in hebt--maar leven? Neen! dat doe je op zulke ondernemingen eigenlijk niet, je leidt een plantenleven. Daar ben ik de man niet naar, 'k ben een veel te jolige knaap, 'k hou van pret, van lachen, van dwaasheid op z'n tijd, en op zoo'n land is 't altijd en eeuwig koekoek-één-zang. Soms zag ik weken lang geen ander Europeaan, dan m'n collega, een saaie, droge vent, die me verveelde.

'k Schreef weer aan Jan: "Broêr" schreef ik, "als je niet wilt dat ik hier vastgroei of als een knol in den grond blijf zitten, kijk dan eens voor me uit naar wat anders."

--Kom maar hier--antwoordde Jan--dan zullen we op ons gemak voor je uitkijken.

Ik weer naar mijn broêr; die was toen al aan 't sukkelen. Beroerd hè? dat zoo'n dokter zich zelf niet cureeren kan en nog beroerder dat hij zoo precies weet wanneer ongeveer zijn lampje uitgaat.

Als je je rept Wim! zei hij, dan kan ik je misschien precies nog een handje helpen, vóór ik de pijp uitga. Nu dat heeft ie dan ook gedaan; door zijn toedoen en verlichting heb ik mijn examen kunnen doen als opzichter bij den Waterstaat. Tegenwoordig maken ze die examens heel wat zwaarder, maar toen ik het deed was 't nog zóó erg niet. Wel zat je zes dagen lang tegenover drie inspecteurs, die je, met permissie! 't hemd van je lijf vroegen, maar 't ging goed--ik rolde er heerlijk door met nog een ander; maar de rest werd afgewezen. Enfin! troost jelui je maar, zei ik, drie gekken kunnen meer vragen dan één verstandig mensch beantwoorden kan.

Ik lekker, dat vat je! En m'n broer had er deeg van; hij liep in zijn laatste schoenen, dat zag ik wel en den avond voor we hem dood in zijn bed vonden zei hij nog tegen me: Wim! dat hebben we 'm nog net gelapt, ouwe jongen! Kijk jij nou een beetje, dat mijn vrouw en kinderen goed naar Holland komen.

Goddank! ze konden leven, Jan was altijd zuinig en oppassend geweest.

Een heele poos ben ik opzichter bij den Waterstaat geweest, maar veel vooruitzicht had ik niet en 'k begon ook alweer genoeg te krijgen van dat dwarskijkersbaantje; 'k heb me nooit lang bij één ding kunnen bepalen, dat merk je wel! Daar gebeurde me iets wat je toeval of fortuin zou kunnen noemen. 'k Was te Samarang en maakte er kennis met een Engelschman. Toen die mijn naam hoorde vroeg hij: Ben jij soms een broêr van dokter Verbeke? Ja! dan doet 't me plezier je te ontmoeten ... jouw broer heeft mij radicaal van de spruw genezen, ik was destijds een arme slokker en hij heeft me nooit laten betalen: daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor!

Ik vertelde hem, dat ik mijn bekomst had van den Waterstaat en dat ik wat anders wou beginnen. Well! zei de Engelschman, word aannemer. Je zegt immers dat je wat geld hebt--ik ben toevallig in de gelegenheid om je goed werk te bezorgen. Je kunt op mij rekenen! 'k Hoor hem nog zeggen:--Your brother cured my body, I shall cure your affairs! En hij hield woord! Ik nam mijn ontslag, werd aannemer en hij bezorgde mij plenty werk. Zie je, dat was nog eens een man die voor een ander wat over had.

Jongens, ik bofte toen zoo! In vier jaren tijd had ik een goeie zestigduizend gulden overgelegd, 'k had royaal geleefd en me waarachtig niet verkniesd. Was ik destijds aannemer gebleven dan zou 'k misschien nu een ton of wat in de wereld hebben, maar de duivel mag weten hoe 't kwam, ik kreeg van de aannemerij ook al weer genoeg. 'k Geloof dat ik toen, voor mijn doen, te veel geld had, en dat de broodkruimels me staken. Op aanraden van een goed vriend--de satan mag hem voor mijn part halen--kocht ik een koffieplantage.

De rakker wist wel dat 't ding geen geld waard was, maar hij kreeg zijn provincie en dáárom was 't hem te doen. Dat was God beter 't een landsman. Ja! van je vrinden moet je 't maar hebben.

't Begon me tegen te loopen; in de boontjes lukte 't niet. Eerstens waren de gronden niet goed en tweedens hielp Toewan Allah niet meê. Mislukte oogsten, ziekte in de boonen, slechte prijzen, alles werkte samen om me uit te kleeden. 'k Zat in een minimum van tijd in de beer en wel zóó dik, dat ik geen gat meer zag om er uit te komen.

'k Wist geen raad en dacht: waarom zal ik nou langer al die soesah hebben. Kinderen hou ik er niet op na, mijn familie in Holland zal me niet missen, ik blaas me een blauw boontje in m'n kop en Soedah!

Maar 'k heb het niet gedaan en weet je wie me terug gehouden heeft? Mijn huishoudster!

Je begrijpt wel dat 'k in Indië zoo'n nuttig meubel hebben moest, en toen ik er eenmaal toe overweging om zoo'n inventarisstuk aan te schaffen, heb ik er naar mijn beste weten een uitgezocht van goede kwaliteit. 'k Heb nog al een gelukkige hand in dat soort van zaken--en daarom trof ik 't zeker ook zoo best. Ik kreeg een Boegineesche, Sina heette zij. Mooi was ze zoolang ze heel jong was, later had ze toch een dragelijk gezicht, maar trouw! trouw meneer! als een hond. Ik heb haar achttien jaren lang bij me gehad, nu is ze sedert een paar maanden dood....

Verbeke zweeg even, beet op de punt van zijn knevel, keek naar zijn lange nagels, nam toen een teugje whisky-soda en vervolgde:

--Ja! ze is dood, 't onthandt me erg, want ze deed alles voor me. Enfin je kunt niet eeuwig bij mekaar blijven, hé? Maar om op mijn koffieplanterstijd terug te komen: ik wou me dan maar gewoonweg voor den kop schieten en 'k zou 't gedaan hebben ook, wanneer Sina me niet 't pistool uit de hand had geslagen. Ze gooide 't voor mijn oogen in de kali en zei:--Ben jij een man en kan jij je ongeluk niet dragen? Toewan Allah heeft je eerst rijkdom gegeven, dien heb je aangenomen--nu neemt hij je het geld weer af--moet je je daarom doodschieten? Foei! ik ben maar een zwakke vrouw, maar ik heb meer moed dan jij--Ajo! wees vroolijk; ik heb den goeden tijd met je doorgemaakt, ik zal je ook door den slechten helpen. We zullen er samen wel komen. Zij bracht mij een goede achthonderd gulden, die zij bespaard had en zei: dáár! dat heb ik nog, daar beginnen we weer mee!

Sina's broer was tuinjongen bij me en haar vader had ik als mandoer op mijn land. Je begrijpt, met de familie van je huishoudster bemoei je je nooit--je blijft altijd Toewan tegenover die lui--maar toen ik met Sina 't land afging, waren ze erg beroerd, ze hadden kasian met ons.

--Ja, die vader van Sina was een wonderlijke kerel, goed van hart, maar een driftkop. Hij had in vroeger jaren, voor hij getrouwd was met Sina's moeder, een perkara gehad met een anderen inlander en wel door een haan--dat wil ik u even en passant vertellen, 't teekent zoo'n beetje de toestanden onder die lui.

Hij had namelijk een vechthaan, die zich meten zou met dien van zijn neef. U weet zeker wel dat de inlanders dolle liefhebbers zijn van hanengevechten en dikwijls bij die gelegenheden voor hun doen groote sommen verwedden. Soms zelfs verspelen zij op die manier hun heele hebben en houden, hun huis, hun sieraden, kortom alles! 't Is een passie, die hen volkomen beheerscht.

Nu gebeurde het dat de haan van mijn schoonvader het verloor, zijn neef lachte hem daarom uit, ze kregen woorden en om een eind aan de zaak te maken trok Sina's vader zijn kris en stak zijn soedara overhoop. Hij vluchtte naar Makassar, werd daar aangeworven als cavallerist en kwam in later jaren weer op Java terug. Daar nam hij een andere vrouw, zijn vorige was te Makassar gebleven, en kreeg een dochter, Sina, mijn huishoudster.

Hij was waarachtig een eerlijke flinke kerel, dat heeft hij me later bewezen, maar dat zal ik u strakjes vertellen, laat 'k nu bij mijn eigen lotgevallen blijven.