Op reis en thuis: Novellen en schetsen
Part 2
Twee figuren, waaronder de artist, om mogelijke verwarringen te voorkomen, de namen Apollo en Erato schreef staan in dansende houding op een nogal soliede, vettige wolk.
Klokslag half negen waren alle plaatsen bezet--ook op 't schellinkje zat een gedistingeerd publiek, n.l. de eerste officier en de eerste machinist met andere officieren en gewone stervelingen. Zelf "leelijkerd" de hond van den bootsman, had daar een plekje gevonden, van waar hij met den ruigen kop op de voorpooten, met zijn verstandige oogen het schouwspel kon aanzien.
Het was heerlijk weer, erg warm, maar daaraan raakt men op 11°.38 NB. en 53°.40 OL. wel gewoon. De boot slingerde niet zoo veel als 's morgens, toen er zelfs nog even sprake van was, dat de voorstelling niet zou doorgaan, maar onze komandant had gezegd: "'t zal wel losloopen van avond"--en 't liep los!
Na een schitterende ouverture, door "de gloeiende pook," het puik-muziek-corps der stokers, met veel brio gespeeld, begon de voorstelling.
't Publiek had bepaald plezier--er heerschte een echt prettige toon en van 't schellinkie af werd met stalles en ander publiek menig hartig woordje gewisseld. Soms klonk het heel familiaar--"O! Hein geef de flesch reis an, we zullen 'n krakertje nemen!"
De voordrachten slaagden uitmuntend en eenige millitairen, die acrobatische toeren en platische standen ten beste gaven werden uitbundig toegejuigd.
De entre-actes werden verdienstelijk aangevuld door Soli op groote trom, triangel, harmonica of tamboerijn of ensemble nummers van "de gloeiende pook." Trots het slingeren van 't schip slaagden de gymnastische standen van twee en drie hoog menschen op elkaar vrij goed en toen ze éénmaal door de zee werden omgeworpen lachten de executanten het hardst.
De kommandant, die zeer bescheiden, achter de stalles een plaatsje had gezocht, om meteen een oogje te kunnen houden over 't publiek daar achter, dat nog al gemengd was, deed intusschen met groote vrijgevigheid allerlei versnaperingen ronddienen.
Hij blijft altijd even kalm en vriendelijk, maar toch ziet men het hem aan, dat hij schik heeft in zóó'n uitvoering, al zou 't maar alleen zijn, omdat zijn passagiers er een aardige afleiding door hebben.
't Was heel eigenaardig, zoo'n voorstelling bij te wonen, terwijl de boot, nu en dan sterk overhellend, gedurig zachtkens schommelend door de deining van den Indischen Oceaan, met den gewonen spoed van 70 mijlen per etmaal door de golven sneed.
't Gedruisch van 't water, 't gedreun en gestamp der onvermoeid, onophoudelijk doorwerkende machine merkte men nauwelijks meer,--men raakt allengs aan die geluiden gewend. Alle aandacht was op tooneel en spelers gevestigd. Men vergeet feitelijk voor enkele oogenblikken, dat men zich op een bodem bevindt, die, hoe groot en stevig ze ook moge zijn, toch als een notendop kan worden heen en weer geslingerd, zoodra het verraderlijk element zich weren wil.
't Moet, dunkt mij, voor den kommandant aangenaam zijn om te zien, te ervaren, hoe gerust al die menschen daar te samen zijn. Hij moet juist in zulke oogenblikken gevoelen dat men het volste vertrouwen in zijn kunde en ondervinding heeft,--maar tegelijk zal hem ook zijn groote verantwoordelijkheid te binnen schieten, als hij zóó veel menschen voor zich ziet, die aan niets anders denken dan aan hun amusement.
* * * * *
Op 't achterdek klinkt vroolijk het orkest van "de gloeiende pook"; wals, mazurka en pas de quatre wisselen elkander af, luchtig en jolig draaien de paartjes rond, puffend van de warmte, met wangen rood en gloeiend van pret en vóór in 't logies der Javanen ligt Sariman, de jongen van den kommandant, te sterven. Niemand weet het, want niemand heeft opgemerkt, dat Sariman vroeg ter kooi is gegaan.
Voormiddags had de kommandant hem nog laten roepen om iets voor hem te doen--een kleine reparatie aan een kleedingstuk.
Sariman had de jas gehaald en was er zwijgend mee naar beneden gegaan.
Een inlander zegt altijd zoo weinig mogelijk en Sariman was een dergenen, die nog minder zei: hij was niet jong meer en had reeds herhaalde malen op vroegere reizen kleine ongesteldheden gehad. Wat een Javaan scheelt, komt men bezwaarlijk te weten; hij klaagt zelden en zegt alleen wanneer hij zich niet wel gevoelt "Sakit!" Is 't heel erg dan noemt hij 't "Sakit kras," meer kan men niet van hem te weten krijgen en obat-blanda (geneesmiddelen) neemt hij hoogst ongaarne in.
Zóó had ook Sariman gedaan. In 't begin van den avond had hij gezegd "Sakit!" en tegen 't vallen van den nacht "Sakit kras!" Meer niet. Hij was gedurende de feestvoorstelling ongemerkt ter kooi gegaan en toen de Mandoer (de opperkellner) hem 's morgens om 5 uur, als naar gewoonte wilde wekken, vond hij hem dood en reeds verstijfd.
Arme kerel! misschien had hij daar in zijn donker benauwd logies nog een oogenblik gedroomd van zijn land--hij was een Orang-Soerabaia--van de groene bergen van Java, van den Klapperboom, die bij zijn geboorte was geplant en zijn ouderdom vertegenwoordigde. Wellicht was hij nog in gedachten bij zijn vrouw en kinderen geweest, terwijl hij zich "sakit kras" voelde--en misschien ook niet, want een Javaan, zegt men, denkt zeer weinig, niet verder dan 't oogenblik. Ik wil voor Sariman hopen, dat hij een dier gelukkigen was!
De dokter constateerde den dood en uitte als zijn meening dat de Javaan ingeslapen en in den slaap door stilstand van het hart gestorven was. 't Lijk werd dadelijk in een zak genaaid, gezwaard met een aantal zware ijzeren roosterbaren en op de plank gelegd.
* * * * *
Eén glas aan de klok!--half negen.
Op 't voorschip is 't plechtig stil, de soldaten zitten in afwachting, hier en daar op den bak of tegen de verschansing. De Javanen, die op het schip in dienst zijn, naderen in hun witte baadjes met den hoofddoek om, de Mandoer gaat voorop. Midden op 't schip ligt het lijk van Sariman op de plank, overdekt met een vlag; de kommandant staat aan stuurboord bij de verschansing en wenkt.
De eerste officier in groot tenue, met witte handschoenen aan, geeft een teeken en de Javanen vatten de plank aan de touwen hengels op. Zij dragen hun gestorven makker langzaam het voorschip rond.
Voorop gaat de eerste officier met den dokter, dan volgen twee matrozen in 't wit, hun zondagspak, en daarna komt het lijk, twee matrozen sluiten den kleinen stoet.
Met korte doffe slagen luidt de scheepsklok. 't Is nu de doodsklok; men hoort dat onmiddellijk! Er klinkt een eigenaardig-droeve sombere toon uit die groote metalen bel, die anders zoo vroolijk klinkt.
Bom! Bam! Bom! Bam! in een langzaam en getrokken tempo galmen de slagen door de zuivere heldere lucht.
Ernstig kijken de militairen en matrozen naar den omgaanden stoet; de enkele passagiers, die zich haastig hebben aangekleed, staan van verre en de sergeants salueeren als 't lijk hen voorbij gaat.
Driemaal is de doode rondgedragen. Bom-bam! Bom-bam! luidt de klok, iets minder krachtig, terwijl de plank bij de verschansing wordt neergelegd.
De Javanen laten de touwen los en de vier matrozen, twee voor, twee achter, grijpen de plank aan.
--Stoppen! beveelt de kommandant.
De machine komt een oogenblik in rust. Zonderling stil is het eensklaps geworden, men hoort alleen 't zacht ruischen van de golven en 't langzame kleppen van de klok, die steeds zachter schijnt te klinken: Bom-bam!
--Mannen doet uwen plicht!--de kommandant neemt na die woorden zijn uniformpet af, en wacht een oogenblik, totdat hij ziet dat het lijk met de voeten over de verschansing ligt. Dan zegt hij duidelijk en langzaam, plechtig, met vaste stem, op ieder woord klem leggend:
--Eén--twee--drie--in Godsnaam!
Bom--bam!... Bom--Bam! doet nog zachter en weemoediger de klok--de plank wordt aan de achterzijde opgelicht, het lijk glijdt er af, plonst in de golven en is in 't zelfde oogenblik in de diepte verdwenen.
Bom--Bam! heel zacht sterft tegelijk met het wegzinken van het lijk de galm van de klok, die over een kwartier twee heldere slagen, de glazen van negen uur zal doen hooren.
Er is een ziel minder aan boord--de meesten hebben het niet gemerkt, want door de pret van den vorigen avond zijn bijna allen laat opgestaan.
Zóó is het leven!--Komen en gaan--onopgemerkt en stil of met groote staatsie en ophef. 't Is maar de vraag wie--wat men is!
III.
IN DE ROOKKAMER.
--Minta ajer djeroek! riep ik den tegen de kajuitskap leunenden Javaanschen jongen toe.
Kròmò hief slaperig het hoofd op, antwoordde half luid:--Saja toewan! en staakte de regelmatige beweging van zijn bijzonder ontwikkelde groote teenen, waarmee hij, als met vingers, de maat sloeg van het liedje, dat in de rookkamer op een accoord-cither werd gespeeld.
Een oogenblik later dronk ik het glas verfrisschend citroenwater waarom ik gevraagd had en vroeg:--Siapa bekin sitoe moesiek? (Wie maakt daar muziek)?
--Toewan dokter, di roemoh roko! en Kròmò, die voor een inlander bijzonder veel en lang gesproken had, keek weer onverschillig in zalig dolce far niente naar zijn bloote voeten, leunend tegen de witte kap, waarop de heete zonnestralen brandden.
De meeste passagiers, die de warmte in de Roode Zee ondragelijk vonden, deden, in hun hutten, een middagslaapje, of lagen puffend en duttend op hun lange stoelen onder de zonnetent.
't Was stil aan dek, want de lieve kindertjes, die anders door hun stoeien en gejoel er wel voor zorgden dat de rust der passagiers niet al te diep werd, waren beneden. De klanken van de accoord-cither bereikten ongehinderd mijn oor, zelfs het ruischen van het water en het gedreun der machine schenen mij minder luid en krachtig dan gewoonlijk.
Ik luisterde, evenals Kròmò, naar de zacht trillende tonen, die aan het instrument werden ontlokt.
Nieuwsgierig keek ik even in de rookkamer.
Kom binnen, meneer van Maurik, zei de dokter en wendde zijn, door de tropen gebruind, gelaat vriendelijk naar mij toe.
Ik wil u niet hinderen: u is zeker aan 't studeeren?
--Och ja! ik neem de gelegenheid waar; nu hinder ik niemand door mijn getjingel.
--Hoe bescheiden dokter! u speelt heel goed.
--'t mocht wat, ik probeer het, maar het is nog lang niet gemakkelijk om op zoo'n machine te spelen. 'k Heb het even voor mijn afreis in Holland gekocht en oefen me nu een beetje, volgens de methode, die er bij is.
't Klinkt al heel lief, dokter.
--Ja, dat is het woord, het geluid is nog al sympathiek, maar mijn spel is alles behalve artistiek, Betoel!
--Al doende leert men!
--'t Is in ieder geval muziek; ik weet niet in welk garnizoen, op welken buitenpost ze mij misschien stoppen zullen. Een pianino heb ik niet en ik ben een liefhebber van muziek, ja! Bij gebrek aan brood eet men de kruimels!
--Is 't moeielijk om op zoo'n cither te spelen?
--Volstrekt niet, met 'n beetje oplettendheid en wat maatgevoel breng je het een heel eind ver. Kijk maar! al de snaren en toetsen zijn genummerd en de muziek ook.
De dokter sloeg een paar bladen om van het muziekboekje, dat op 't lessenaartje lag en speelde à prima vista "_Freude schöner Götterfunken_!"
--Zie je wel dat 't goed gaat, als je maar oplet, het klinkt, betoel, heel aardig!
Weer sloeg hij een blaadje of wat om, maar toen hij het daarop staande lied, "_Leise, leise, frommer Weise_," Agathens gebed uit _der Freischütz_, begon te spelen, trilden zijn vingers en zuchtte hij een paar maal. Hij hield eensklaps op en zei, met een min of meer vreemden blik mij aanziende:
--Ik kan dat ding nooit hooren zonder beroerd te worden, ik wist niet dat het in dit boekje stond. Ik heb het in lang niet gehoord. Vroeger was het een aria, die ik machtig graag hoorde, maar later ging het me altijd koud door de leden als iemand ze speelde. Zelfs nu nog word ik er zenuwachtig van.
--Hoe zoo dokter?
--Hij zag me een oogenblik aan.--'k Wil het toch uitspelen, zei hij zacht, maar zijn lippen beefden. Nog een paar maten van de liefelijk-melancholische melodie trilden uit de snaren, toen hield hij op:--Arme kerel! zei de dokter binnensmonds--'t is eeuwig zonde en jammer geweest!
Met nerveus bewogen vingers speelde hij tot het einde en toen, terwijl hij het boekje haastig dichtsloeg, als wilde hij die noten niet meer zien, vroeg hij:--vindt u me niet kinderachtig?--maar het was ook zoo'n trouwe kameraad, zoo'n beste jongen!
Zijn goedige bruine oogen werden vochtig en ik zag hoe zijn onderlip beefde, hij beet een paar maal op zijn knevel, voor hij vertelde:
--Dat eenvoudig stukje muziek brengt me altijd een treffende episode voor den geest, uit den tijd toen ik in Atjeh was. 't Waren moeielijke dagen, die we er doorbrachten, menig makker heb ik daar verloren, gedurig hadden we te lijden van de verraderlijke overvallen van de Atjehers. Je was geen oogenblik zeker, ze beschoten ons, waar en wanneer ze maar konden. Soms lieten ze ons weken achtereen met rust, maar je bleef natuurlijk altijd in spanning.
Ik ben wel dikwijls 's nachts plotseling uit mijn bed geblazen. 't Is een angstig gehoor zoo'n signaal. "Om den dokter!" het klinkt onheilspellend uit de verte, van de posten.
Destijds had ik een goed vriend, een tweede luitenant, jong en opgeruimd evenals ik. 't Was een kranig officier, een kerel als een boom en kern gezond. Hij had altijd schik in zijn leven, geestig en grappig was hij de ziel van onze gezellige bijeenkomsten. Als hij er maar bij was, kon je zeker zijn dat een fuif goed afliep. En een hartelijke jongen!--uitstedend, humaan, goed voor iedereen. 'k Herinner me nog dat ik eens van een rit langs de posten terugkwam in een hevige koorts--ik voelde dat ik wat onder de leden had. 'k Zag geen kans meer om mijn huis te bereiken--'k viel dus bij hem binnen. Kerel! riep ik, geef me gauw wat brandy-soda, 'k ga anders van m'n stokje. 'k Had nog juist de kracht om dat te zeggen. Hij heeft me verpleegd, totdat er andere hulp was; hij holde zelf naar de Soos om champagne en ijs.--Enfin! hij heeft alles voor me gedaan, alles beredderd, want ik werd zwaar ziek en de champagne--ik heb heel wat fleschjes gebruikt--kostte zijn lieve duiten, het tractement van 'n luitenant permitteert anders zoo'n luxe niet, ja?--Maar hij was van die kracht, weet je, dat hij zei:--'t _moet_ er wezen en dan kwam het er!
In één woord: hij was een kerel met een hart als van goud, 'n beetje zieltje zonder zorg, die soms dacht dat een dubbeltje twintig centen had, maar overigens een officier, die hoog stond aangeschreven; een vent waar ze op aan konden. Hij had verbazend goed slag om met de soldaten om te springen, hij kreeg alles van ze gedaan, want hij behandelde ze als menschen, zie je? Ze vlogen voor hem en toch was hij streng, hard als 't noodig was. Van tijd tot tijd had hij, wat hij zelf noemde, "zwarte buien." Dan was hij somber en in zichzelf gekeerd, soms dagen lang. Meestal hield hij zich dan schuil en wou niemand zien:--"hij wou geen mensch met zijn mistroostig bakkes vervelen," zei hij en piekerde liever alleen.
Wonderlijk genoeg had hij dan, na zoo'n bui, altijd een voorgevoel. Soms zei hij dan plotseling: "Over een paar maanden is die of die er geweest. Zeg 'm maar goeien dag, als je 'm nog ontmoet!" In den beginne lachten we hem uit, we noemden hem de ongeluksraaf en ik zei: "ik zal je 'ris wat geven, kameraad, je digestie is bepaald weer niet goed."
Maar toen zijn profetiën een paar malen waren uitgekomen, konden we er den draak niet meer mee steken. 't Was te akelig. We zeien dus: "Amice, hou die dingen liever voor je." Dan keek hij je meestal zoo zonderling aan en zei: "'k Wou dat ik het kon!"
't Was alsof langzamerhand die eigenaardigheid bij hem uitsleet, want hij zei niets van dien aard meer en was de joligste, prettigste makker, dien we verlangen konden, maar eens op een avond, wel een jaar later, begon hij weer. We hadden met een clubje makkers in zijn voorgalerij gezeten, heel gezellig bij mekaar. We dronken brandy-soda en zetten een boom op, over allerlei dingen. Hij was de gezelligste van allen, tapte de eene ui na de andere en was nog moppiger dan anders. We soupeerden wat, staken lekkere Havana's op, die ze hem van huis, uit Holland, hadden gezonden en toen we eindelijk opstapten, hield hij mij terug en zei:
"Doktertje, jou moet ik nog even apart spreken."
Ik dacht dat hij een of andere kleinigheid mankeerde en ging weer zitten, de anderen marcheerden af, lachend en zingend.
--Wel, wat is er? vroeg ik, pillen, poeiers of drankjes noodig?
--Neen! antwoordde hij kalm, ik heb geen van je viezigheden meer noodig. Steek nu eerst nog een van die lekkere Havana's op en luister dan even met attentie, ja?
--Kerel wat ben je opeens ernstig geworden; ik zei het, omdat ik min of meer ontstelde toen ik hem goed aankeek. Hij was bleek, met blauwe kringen en dikke wallen onder de oogen. Was dat zoo opeens gekomen of had ik 't niet eerder opgemerkt, door de jool die we samen hadden gemaakt. Ik wist het niet, maar ik kreeg een koude rilling over mijn rug toen hij, met een flauw glimlachje zei:--Steek nog wat van die sigaren bij je, doktertje! Jou smaken ze en ik ... zal ze niet meer noodig hebben. 'k Heb weer een voorgevoel gehad....
--Och, Soedah!--malle dwaasheid!
--...over me zelf, ging hij, kalm en ernstig sprekend voort, zonder zich aan mijn uitroep te storen.--'k Heb me zelf gezien--dood! Over een paar dagen ga ik er van door!
--Dolligheid! riep ik, maar ik kòn niet lachen. Hij nam er geen notitie van en zei eenvoudig:
--Je weet, het is weer gedurig mis aan de buitenlinie, dáár zullen ze me te pakken nemen, let maar op! Overmorgen ga ik er zeker met mijn compagnie heen--gisterennacht wist ik het in mijn slaap.
--Haal je toch zoo'n dwaasheid niet in je hoofd, je hebt misschien te zwaar gesoupeerd en benauwd gedroomd, dat is een gewoon gastrisch verschijnsel! Ik wou hem van dat denkbeeld afbrengen, maar het lukte me niet.
Hij lachte weemoedig en zei:--Je bent een goeie vent, doktertje! Je wilt het me uit mijn hoofd praten, maar dat kun je toch niet. Ik weet, wat ik weet--och! jij kunt dat zoo niet begrijpen, maar het is zóó en niet anders.
Een oogenblikje keek hij naar buiten, waar de boomen en struiken zoo mooi in het heldere maanlicht stonden.--'t Is toch wel mooi en en lekker hier, ja? Jammer dat we niet langer bij mekaar zullen blijven. Wil jij--juist terwijl hij weer naar mij omkeek begon op tafel een speeldoos, die er stond, te spelen. Al pratend had hij, zonder er bij te denken, zijn hand op de doos gelegd en 't knopje van de mechaniek aangeraakt.
--"Leise, leise, frommer Weise!" speelde de doos. Zuiver en helder klonk het eenvoudige lied in den stillen nacht. 't Kan in Indië zoo doodstil zijn 's nachts, dat het schijnt alsof ons gehoor dubbel scherp wordt.
Hij luisterde zwijgend en toen het air uit was zette hij de doos op een aantal waterglazen en deed haar het stuk herhalen.
--Dat is een van de mooiste melodiën, die ik ken, zei hij zacht; ze is zoo innig aangrijpend eenvoudig en lief ... en nu, Soedah: Hij liet de speeldoos ophouden.
--Luister nu even doktertje! Wat ik je zeggen wou is dit: jij bent hier altijd mijn intimus geweest, ja? Doe je me nu ook pleizier en regel mijn boeltje, als ik er niet meer ben. Ik heb nog een paar beertjes, die moet je maar zien te temmen, zoo goed en kwaad als 't gaat, in mijn cassette liggen nog een paar brieven, die moet je maar verbranden en jij, niemand anders dan jij, hoor--moet aan mijn familie schrijven, hoe alles is gebeurd!...
--Maar beste kerel!...
--Neen, val me nu niet in de rede--laten we alle discussie maar staken, 't is tijd verspillen. Geef me nu maar een hartelijken handdruk. Zoo!--flink zóó! nog eens!--Je belooft me alles, ja? En zeg me nu eens ferm goeden dag. Hij omarmde mij en kneep mijn handen bijna fijn--'t was zoo'n krachtige kerel! Toen duwde hij mij vooruit, het erf op en zei:--En nu naar huis, 't is laat! nog eenmaal greep hij mijn handen, drukte die en zei: God zegen je makker, Slamat tidor! en keerde in huis terug.
* * * * *
Twee dagen later klonk van een van de posten, tegen het vallen van den avond, het hoornsignaal "om den dokter!"
Daar lag hij, mijn arme, brave makker. Zoo'n vuile sloeber had hem een kogel midden door het voorhoofd gejaagd. Morsdood! meer kon ik niet zeggen, mijn hart zat me in de keel.
--Hij heeft gevochten als een leeuw, zei een luitenant, die zwart van rook en stof kwam aanloopen.
--Hij viel vlak naast me neer en vóór hij stierf kon hij nog even zeggen:--neem het bevel over, ik heb mijn portie!
De dokter pakte zijn accord-cither in de doos, lei 't muziekboekje er boven op en zei:
--We zullen 't er voor van daag maar bij laten--en in zichzelf, even zuchtend,--'t was een beste jongen, Kasian!
IV.
EEN VERHAAL VAN DEN KAPITEIN.
--'k Ben nooit bang geweest, van mijn leven niet en ik heb gelukkig in alle omstandigheden de noodige kalmte weten te bewaren maar éénmaal heb ik toch mijn lange beenen moeten opnemen en de spat zetten, zei lachend onze stoere kommandant, terwijl hij een versche sigaar opstak.
--U spreekt daar van de spat zetten kapitein, neem me niet kwalijk, maar ik kan 't haast niet gelooven.
--En toch is 't zoo, en ik was nog wel gewapend bovendien: ik had mijn dubbelloops jachtgeweer bij me.
--Dan moet 't wel een heele bende geweest zijn, waarvoor u je beenen opnam, want u zal wel raak schieten.
--Ja! Ik schiet nooit of ik moet weten dat ik tref, anders is 't maar zonde van de patroon, antwoordde hij bedaard en toen even lachend:--maar ik ben ook niet voor een hoop kerels op den loop gegaan!
--Waarvoor dan kapitein?
--Nu, raad eens!
--Voor een tijger!
--Ba! dat is maar 'n poes, zooals de resident te Mechelen[1] zei, die in Indië de tijgerjager bij uitnemendheid was.--Zoo'n poes is bang, die valt nooit iemand vanzelf aan.
--Misschien voor een rhinoceros dan!
--Ook niet! Ik heb 't eenvoudig op een loopen gezet voor een hoop apen.
--Och kom!
--Waarachtig! Je moet zoo min niet over apen denken. Dat is 't gemeenste, kwaadaardigste goed wat Onze lieve Heer op de wereld gezet heeft. Ze zijn zoo leep als menschen en nog kwajer. Je moet niet denken dat je in Artis apen ziet, och neen! dat zijn maar ongelukkige akelige misbaksels, goed om over te lachen. Neen, je moet de monkeys in d'rlui natuurstaat zien, dan spreken we mekaar nader!
--Waren 't dan chimpansées of oerang-oetans?
--Och neen! doodgewone zwarte en grijze apen.
Ik was met mijn sloep, met vier man op de riemen, even voorbij Indramajoe aan wal geroeid om 'n beetje vogels te schieten. Je vindt daar boschduiven en wilde kippen plenty, ze zijn wat mager, maar goed om te eten. Moederziel alleen was ik een eind de wal opgegaan, ik kon niet veel onder schot krijgen en drong al verder en verder, door struiken en heesters heen, naar de rijstvelden toe, totdat ik op een plek kwam en even rustte.
In eens zag ik een paar apen, daar nam ik geen notitie van, maar 't duurde niet lang of er kwamen nog een paar, toen al meer, tot misschien een twintig of dertig stuks. Ze keken me nieuwsgierig aan, liepen heen en weer, klommen in de boomen en schreeuwden mekaar toe.
Toevallig keek ik om, en zag nog net bijtijds dat een heele troep van dat smerige goedje me sluipend van achteren naderde. Ze bleven nog wel op een tamelijke distantie, maar 't beviel me maar niemendal dat ik er zoo langzaam aan door ingesloten werd. Ik zocht dekking in den rug, omdat ik wist dat die rakkers je altijd van achteren aanpakken, maar dat gaat in zoo'n oogenblik niet zoo gemakkelijk. Groote dikke boomen waren daar niet en als die apen, 't was een kwaadaardig soort me in den rug hadden kunnen aanvallen, zouden ze mij gewoon weg hebben afgemaakt.
Daar had ik nu nog geen bepaalden trek in, begrijp je? Ik dekte me dus zoo goed en kwaad ik kon en wachtte de gelegenheid af om er een paar neer te schieten.
Er kwamen er hoe langer hoe meer opzetten, van alle kanten, en ik berekende: of ik er al een paar neerschiet geef me niemendal, ik moet eerst den burgemeester hebben.
[Voetnoot 1: Resident ter zee, de heer te Mechelen.]
--Den Burgemeester?