Op reis en thuis: Novellen en schetsen

Part 13

Chapter 13 3,926 words Public domain Markdown

Hij kende allerlei vroolijke soldatenliedjes en voor één borrel blies of zong hij er met zijn schorre stem wel drie. De groenteboeren en venters, die de kroegjes waar hij kwam bezochten, kenden den "leuken blaasmof"--zoo heette hij dáár--allen en vermaakten zich met hem als hij op de kentering van nuchterheid en kennelijken staat, allerlei dwaze verhalen opsneed of op zijn cornet populaire deuntjes blies, totdat hem de borrel werd geschonken, die den doorslag gaf. Dan kreeg hij een oogenblik van mélancholie, smeet zijn instrument op of onder een stoel, trok zijn ouden ronden hoed diep in de oogen en beweerde half grienend, dat hij eigenlijk een "verdammter jemeiner schweinhoend war" en dat hij gevoelde, dat aan hem een "groot kunstenaar" was verloren gegaan. Somber voor zich uitstarend, 't geledigde glaasje in de hand, een afgekouwd eindje--hij accepteerde ook graag een sigaar--tusschen de lippen, bromde hij:

"I bin 'n verlor'ner mann, aber schlecht bin i niet!"--en aan dengeen die 't hooren wilde, vertelde hij dan, dat hij altijd "ein lustiger, tüchtiger, braver kerl" was geweest, dat zijn talent, zijn kunst in zijn "Vaterland" genoeg bekend waren, maar dat hij nooit naar Holland had moeten komen omdat hij, wanneer "dass verdammte Weib hem niet an der verdammte Holländische sjenever had geholfen, bestimmt Musikdirector in Baireuth war geworden."

Zijn droefgeestige bui duurde gewoonlijk niet lang.

Als niemand zich over zijn dorstige keel ontfermde, liep hij de straat op, ging ergens staan blazen en keerde meestal terug in de kroeg, grabbelend in zijn zak, waar hij dan zooveel vond, dat hij zuchtend zeggen kon:--"Ich bin zoe misérabel--Hum!--'s ischt ein teufels trinken der sjenever, der mensch jeht dabei zoe groende mit leib oend seel, dass weiss er voraus--aber trinken moess er ihn doch! Sjenk mir in Kottesnamen nog 'ris in!"

Met een huivering van genot dronk hij dan in één teug zijn glas uit, smakte met de lippen, likte met 't puntje van zijn tong het laatste druppeltje uit zijn knevelharen en schudde zich als een hond, die uit het water komt, heesch brommend: "Hè, hè dass thoet wohl, noen hin ich wieder ein mensch!"

De Oempah vergat gewoonlijk, zoodra hij "ein mensch" werd, zijn dagelijksche ellende en werd weer grappig, zóó grappig zelfs, dat de boeren en aakschippers zich slap lachten over den "blaasmof", die niet alleen zulke vroolijke liedjes speelde, maar ook komieke boerendansen kende, waarbij hij jodelnd zong en met de vingers knipte.

Maar al te dikwijls vergat hij echter ook in die oogenblikken de worst en 't brood, die hij bij zich had, liet ze in de herberg liggen of herinnerde zich later, als de borrels uitgewerkt hadden, dat hij alles zelf had opgegeten, om niet zoo gauw "doezelich" te worden.

Dan wachtte de half lamme "muziekmoffin" te vergeefs op haar middagmaal en wist de Oempah zich, zoodra hij haar onder de oogen kwam, niet beter tegen haar rechtvaardige verwijten en aanvallen te beschermen, dan door opnieuw de deur uit te gaan en er uit te blijven, totdat hij, zooals hij 't noemde: "Woerscht oend brot wieder herausgepustet hatte!"

* * * * *

In den laatsten tijd gaat het ellendig slecht met "die koenscht". Het politietoezicht is overal verscherpt. Straatmuzikanten worden nergens meer geduld en vooral op de Oempah's wordt steeds jacht gemaakt. Alleen de orgels hebben nog het privilegie om de arbeidzame burgers, die zitten te schrijven, te denken of te rekenen, razend te maken. De orgeldraaiers lachen in hun vuistje en wijzen elkander met leedvermaak den enkelen Oempah aan, die nog beproeft om aan het valkenoog der agenten te ontsnappen.

Als een gejaagd hert zwerft hij door de straten en langs de grachten--zijn instrument verbergend zoo goed hij kan.

Een blikslager heeft den beker voor hem #mobiel# gemaakt, zoodat hij dien afzonderlijk in zijn broekzak verstoppen kan, want overal loert op hem het verderf, uit elke straat of steeg, van iederen hoek der gracht dreigt de sterke arm des gerechts en toch #moet# hij "voor das fraumensch ergens in abendbrot zoesammenblasen."

Bij voorkeur kiest hij daartoe, tegen het vallen van den avond, een der hoofdgrachten bij een straat en een brug; dan heeft hij altijd twee wegen, twee kansen om zijn vijand te ontloopen.

Voorzichtig speurt hij rond, zijn mageren hals rekkend uit den groezeligen boord van 't sporthemd.--Geen agent is op de gracht vóór hem te ontdekken, achter hem evenmin. Ook de overkant is, zoover hij zien kan, veilig.

Een paar passen terug gaande kijkt hij even de straat in, op de teenen staande; hij is vrij lang en kan dus een eind ver het terrein verkennen.

Nergens dreigt gevaar--Wacht! nog even de brug op--ook in de andere straat ziet hij niemand; hij zal 't dus maar wagen.

Haastig nu de gracht op; voor een groot heerenhuis, waar de gordijnen der zijkamer nog open zijn, blijft hij staan. Er zitten dames voor de vensters en daarom zet hij zich in postuur, één been vooruit, het lichaam rechtop.

Terwijl hij nog even schichtig rondziet, haalt hij de cornet uit de borstplooien van 't sporthemd, den beker uit zijn broekzak en voegt beide stukken aaneen.

--Pfuut! pfuut! pfuut!--even door 't mondstuk geblazen, de pistons een paar malen snel op en neer bewogen en hij is gereed.

Hij begint te spelen en uit zijn instrument klinkt als uit de zeere keel van een versleten bariton, de sentimenteele melodie:

Ich kenn' ein Auge, das so mild....

Zijn hoofd draait links en rechts, zijn oogen puilen angstig uit, terwijl hij verder blaast:

Und gläzend wie ein Sternenbild,

Hij ziet snel achterom, dan weer voor zich, liefelijk voortkweelend:

Voll Huld auf mich hernieder sieht,

Zijn gemoed wordt rustiger, want er komen allengs menschen en kinderen om hem heen staan en die waarschuwen wél als er gevaar op til is; zijn toon wordt smeltender als hij verder speelt:

Und mich hinauf zum Himmel zieht, Dort prangt ein Stern so hell und rein-- Wie jenes Auges Sonnenschein."

"Baas speel d' ris wat lolligs--dit is zoo'n drensdeun!" roept een jongen, maar een dienstmeisje, dat ook luistert, geeft hem een vinnigen duw en snauwt: "Hou je mond, aap! 't is wat 'n mooi duis liedje."

"'t Is wat moois," lacht een kruier, "'t lijkt de overture van de bedroefde hond wel."

"Kijk 'm z'n best doen!" giegelt een magere fabrieksmeid, "hij haalt 't uit z'n toonen op--z'n oogen rollen haast z'n kop uit!"

De Oempah stoort zich niet aan de kritiek; hij raakt nu eerst goed op dreef, zet den linkervoet nog een eind vooruit, gooit 't hoofd meer achterover en slaat de oogen verrukt omhoog, want 't mooiste refrein komt nu:

Du liebes Aug, du lieber Stern,--

Toch dwalen zijn blikken, als van zelf weer omlaag, links en rechts rond spiedend, als hij, de cornet sierlijk in de hoogte stekend, met diep gevoel de laatste maten begint:

Du bist mir nah und doch so fern, Du liebes Aug'....

"Muziekantje! d'r komt 'n smeris an in de straat," roept eensklaps een klein jongetje, dat met zijn groezelige handen op de rug staat te genieten van de mooie muziek.

... Du lieber Sté-hé-ern

gilt overslaand, als in doodsangst de cornet en met onnavolgbare vlugheid verdwijnt het instrument in des Oempah's sporthemd en zwelt zijn broekzak eensklaps door den beker, die halverwege zichtbaar blijft.

De muziekant is dadelijk veranderd in een particulier, die met alle aandacht een aan den walkant staande kruierskar fluitend bekijkt, totdat de agent, die in den voorgeschreven pas de straat uit en de brug over wandelt, verdwenen is.

't Gevaar is voorbij!

"De smeris is de brug over!" waarschuwt het ventje, dat veel van cornet á pistons schijnt te houden. "Uwe kan wel weer doortoeteren!"

De Oempah heeft 't reeds opgemerkt--'t instrument is bliksemsnel weêr in orde en smeltend klinkt nu door de lucht:

Du bist mir na-áh und do-hô-och so fern!

met een verbazend langen, mooien, bibberenden uithaal op de laatste halve noot.--

Met een armoedig gezicht naar de dames in de zijkamer ziende, neemt nu de muziekant zijn hoedje af, als wilde hij zeggen: "ik heb waarlijk wel iets verdiend--voor mijn moed!"

Men neemt daarbinnen echter nog geen notitie van hem--en slechts enkele omstanders geven een paar centen, waarvoor hij met een tikje van den rechter voorvinger aan 't weer opgezette hoedje bedankt. Dan begint hij opnieuw zoo liefelijk mogelijk:

Ich kenn' ein Aug, das wunderblau

"Muzikant let op, ze maken binnen een pampiertje voor je," en een dikke, goedige vrouw geeft hem een stoot aan den elleboog, waardoor zijn vinger van de piston glipten de strophe:

D'rin spiegelt sich des Himmelsblau!

met een akelig valschen kwaak eindigt.

Schuin naar het in aantocht zijnde papiertje kijkend brengt hij het nog tot:

Und wenn dies Auge nicht mehr lacht, Da-än wird es ewig, ewig Nacht!

Dan gaat het venster open, en 't kleine witte pakje vliegt door de lucht. Hij vangt het in de vlucht in zijn haastig afgenomen hoed en speelt met gevoel verder:

Du--hu!--liebes Aug'l....

maar als een paar vriendelijke toehoorders haastig roepen: "daar kom er weer een an op de gracht!" rekt hij zich op zijn teenen omhoog, om te zien of hij 't refrein nog voleinden kan.

't Zal wel lukken, met mannenmoed blaast hij:

Du--hu! lieber Sté-he-rn!

Een paar geldstukken vallen, door onzichtbare handen geworpen, voor zijn voeten.

Met de ééne hand de piston beheerschend, snel bukkend en daardoor afgebroken blazend, neemt hij met de andere het geld op en juist als hij 't hartroerend:

Du--hu, bist mir na-áh!

ten tweeden male doet hooren, roept een meisje met schelle stem: "Pak nou je beenen op, van de andere kant komt ook een agent!"

Daar valt een grooter pakje voor zijn voeten neer; een lachende dame heeft het uit 't opengeschoven zijkamervenster geworden.

Even dankend zijn hoed oplichtend "für das Abendbrot", de Oempah blijft bij al zijn tekortkomingen toch een hoffelijk man, raapt hij het op, al klinkt daardoor het:

Und doch so fé-hérn!

ellendig valsch en uit de maat.

De agent is nu zeer dicht bij hem en reeds dwingt hij zijn beenen tot een hompelenden aftocht, als een man hem naroept: "Hei! ho! Blaasmoffie daar valt nog 'n pampiertje!"

Dat is misschien "die Woerscht" denkt hij en met zijn instrument nog ongedeeld in de hand gaat hij hinkend terug.

Er kome dan van, wat er van komen moet--hij zal 't wagen. Hij gaat zijn noodlot te gemoet en ... geen zes pas van den agent verwijderd grijpt hij het pakje, vóór zijn vijand hém grijpen kan.

De politiedienaar, misschien een zeldzaam medelijdend man wandelt echter doodkalm door en kijkt zelfs niet om als hij op de volgende gracht is en uit de verte hoort, hoe een oogenblik later de Oempah, in een zijstraat, wreedaardiglijk "die wacht am Rhein" vermoordt.

* * * * *

En zóó dwaalt de laatste der Oempah's door de duister wordende straten, totdat de nacht valt en hij in 't slopje bij de "muziekmoffin" terugkomt. Op een ouden muffen stroozak liggend, tracht hij te slapen, terwijl zij hem de buitengewone radheid en scherpte van haar tong, 't eenige lichaamsdeel dat haar nog geheel ten dienste staat, doet gevoelen omdat hij volgens haar begrippen, altijd te weinig thuis brengt.

Als hij eindelijk inslaapt, droomt hij soms van de bergen zijner Heimath, van zijn vroolijken regimentstijd of van zijn vrienden de andere Oempah's, die vrij rondtrekken in steden en dorpen, waar de orgels niet anders mogen komen dan in kermistijd, waar geen politieagenten op hen loeren en waar 't zoo goed en goedkoop is, dat niemand denkt aan "der Holländische sjenever, das Teufelstrinken."

VOOR 'T LOKET--HOLLANDSCHE SPOOR.

't Is twee minuten vóór zessen; een menigte passagiers maakt queue voor het loket, om met den trein van 6.9 naar Haarlem, Den Haag of Rotterdam te kunnen vertrekken. Het aantal reizigers groeit even snel aan als hun ongeduld, want een dikke, oude juffrouw met een parapluie, die gevaarlijk achteruit steekt onder den linker- en een taschje aan den rechterarm, staat voor het loket, schijnt niet de minste haast te hebben en neemt volstrekt geen notitie van de ongeduldige uitroepen en 't onwillekeurige opdringen der overigen.

--Hoe laat gaat er een trein naar Haarlem, m'neer? vraagt ze met een hooge, neuzige stem.

--Zoo dadelijk, zes uur negen--klinkt 't van binnen terug.

--En gaat er gauw weer een, na dien, want 't is nou al bij zessen, weet u?

--Niet vóór 6.47.

--O Commies neen, dat is me veels te laat man, maar weet u 't wel zeker? In me spoorwegboekje staat toch duidelijk dat....

--Moet u 'n kaartje hebben of niet? Er staan 'n menigte passagiers op u te wachten.

--Jawel, jawel, maar vergissen is menschelijk ziet u? ik heb me verlejen week nog zelf vergist in 't kijken op 't predikbeurtenbriefie, waarom zou uwe dus hiermee niet een abuis kunnen hebben; kijk assieblief nog eris....

--Nu kort en goed, wil u een biljet?--geen praatjes meer....

--Nou! dat's wel mogelijk, maar maak zoo'n kouwe bereddering niet! u staat hier toch voor 't publiek als een betaald persoon, die z'n centen an 't publiek verdient, o zoo! Ik behandel u beleefd, niet waar? Dus mag ik billijkerwijs van u ook hetzelfde dito dito weerom verwachten.

--Natuurlijk?--maar wil u nu meê of niet, en welke klasse, 1e, 2e?

--O zoo! als uwe 't maar begrijpt, ziet u--ik ben wel 'n burgermensch, maar ik hoef niet onder te doen voor anderen, 'k heb niemand naar de oogen te zien, neen, Goddank!

--Welke klasse dan?

--Geef me maar tweede.

--Retour?

--Wat kost 'n retourtje?

--Negentig cents.

--Groote hemel! juffrouw, we komen allemaal te laat door uw gezanik, bromt een oude heer achter haar.

--'t Zal wel losloopén vader, zegt ze, even omziende, en dan:

--En wat kost 'n enkele reis?

--Zestig cents.

--Tweemaal zestig is vierentwintig stuivers, één gulden en twintig centjes, Hm! Neen! dan komt 't toch beter uit als ik 'n retour neem.

--Mevrouw, juffrouw, maak toch asjeblief voort, kijk eens even om, wij moeten allemaal nog mee en 't is al over zessen, roept knorrig een jongmensch, dat een plaats of wat achter haar staat.

Nijdig kijkt de juffrouw om en antwoordt:

--'t Zal nog wel later worden, als 't God blieft.--Ieder z'n beurt; die 't eerst komt, die 't eerst maalt; ik bestee hier net zoo goed mijn geld als uwe, ik betaal en uwe geeft geld, dat's zoogezeid één pot nat. Achttien stuivers dus--'t was immers negentig centen, zei u?--(_zij haalt haar beursje voor den dag_.) wacht ik zal 't u afpassen, hier: twee kwartjes, drie dubbeltjes, twee halvestuivers--och heere, nou kom ik net vijf centen te kort. 't Was anders zoo mooi gepast--net vijf centen te min.

--Hier, alsjeblief, hier zijn ze--Hier! 'n dubbeltje--Pak an! roepen twee, drie stemmen te gelijk.--Hier neem aan, maar maak in Godsnaam voort, 't is nog maar zes minuten....

--Wel ja. Ik ben daar om jullie vijf centen verlegen, 'n mooi ding, neen, ik ben wel 'n burger mensch, maar ik hoef goddank niemand naar de oogen te zien. Maar 'k wou 't m'neer makkelijk maken; 'k heb geld zatter hoor! Hier asjeblief: een bankje van vijf en twin.... Gossiemossie!--daar zit waarachtig men haakpennetje tusschen, daar heb ik me nou de heele week mal naar gezocht.--Assieblief, een bankie van vijfentwintig--kan uwé wisselen? Maar geef me niet allemaal klein geld terug.

--Heb u 't niet kleiner.

--Juffrouw, maak nou toch voort, asjeblief--'t is om dol te worden, roepen eenige stemmen.

Kalm kijkt de juffrouw om, schudt het hoofd langzaam heen en weer en terwijl ze met een pruimenmondje:--Sjonges, wat 'n bereddering! zegt, blijft zij in haar zak grabbelen; dan roept ze in eens: kijk dat's casuweel, daar vind ik nog een losse gulden in me zak; als u nou 'n dubbeltje heeft, dan bennen we in eens van mekaar af. Hier--heerejemel! zóó had ik hem nog in mijn hand en ... de juffrouw pakt achtereenvolgens uit haar zak de volgende voorwerpen: een pepermuntdoosje, een flacon, een paar handschoenen, een naaldenkoker, een zakje met gedroogde pruimen en een zakdoek; eindelijk vindt ze den gulden en legt dien voor den beambte neder, terwijl ze, even omziende naar de woedend haar aankijkende menschen, zegt:--Zie zoo, nou die volgt; ieder z'n beurt, da's niet te veel.

VROEG RIJPE JEUGD.

--En ik zeg dat 't 'n ongepermitteerd schandaal is, dat ze aan zulke apen van jongens tappen--ze bennen mirakel--God zal me bewaren, maar ik zou zoo'n slokkiesbaas kunnen doodslaan, en de kruidenier, die met zijn twee knechts op de stoep is gekomen om, evenals zijn buren, naar het opstootje voor de deur staat te kijken, wordt rood van kwaadheid als hij vervolgt:

--Die eene is waarachtig niet ouwer dan dertien of veertien jaar, hij moest 'r reis frisch voor z'n vermaak hebben.

--Als 'k mijn jonge zóó trappeerde, sloeg 'k 'm z'n armen en beenen stuk, valt zijn buurman, de bejaarde melkverkooper, die over 't stoephek leunt, in.

--Nou word ik d'r beroerd van, ik ga naar binnen, zegt de kruidenier, en tot zijn knechts: Kom Jan,--kom Gerrit, laat ze maar in d'r vet gaar smoren, 't is te misselijk om er langer naar te zien.

't Zijn drie jongens, tusschen dertien en vijftien jaren oud die de geheele buurt in opschuddig hebben gebracht.

Stomdronken schreeuwend en joelend, razend en vloekend, zijn ze komen aanzeilen uit de dwarsstraat.

--Precies als groote dronke-geweldenaars, beweert de banketbakkersvrouw, in wier winkel ze een glas hebben ingeslagen, omdat de deur voor hun neus werd dichtgedaan.

Nadat ze ieder meisje of vrouw, die ze tegenkwamen, op de meest onhebbelijke wijze hebben gemolesteerd, heeft de groenteverkoopster, die even haar onderhuis had verlaten, het moeten ontgelden. Haar uitstalling hebben ze baldadig door elkander gesmeten en getracht een mandje druiven te stelen. 't Is hun niet gelukt en daarom zijn ze, vloekend en tierend, nog een paar huizen verder gegaan en eindelijk over elkander, op de stoep van den garen- en bandwinkel neergetuimeld.

De jongste knaap leunt, bleek en zonder pet, met de zwarte haren voor zijn lodderige oogen, den mond half opengezakt, schier wezenloos ineengedoken tegen den stoepkant, nu en dan even opkijkend en tegelijk een paar ongearticuleerde tonen uitstootend, die hij als begeleiding bedoelt, van 't gezang der twee oudere, die op aandoenlijke wijs "We gane nog niet dood" blaêren.

De twee magere oude juffrouwen, die reeds sedert jaren als brave fatsoenlijke gezusters, de garen- en bandaffaire drijven, zien met verschrikte oogen en booze gezichten, waarop duidelijk het: en zoo iets moet nu bij ons op de stoep gebeuren, te lezen staat, door de ruit der winkeldeur, die ze op het nachtslot hebben gedaan.

Voor de jongens staat de groote, stoere groentevrouw en slaat met de eene hand heftig en hard klinkend op de andere, terwijl ze luidkeels schreeuwt:

--Laaielichter, gappers ben jelui, maar mijn ken je niet beduvele--ik ben jelui te kwiek af geweest, en tot de omstanders:

--Ja, als ik niet casuweel d'r op ankom, gappe ze me een heel mandje blauwe druiven weg--maar 'k snapte ze en nou blijven ze d'r lekker nuchter van--en weer tot de jongens: Jelui most naar 't buro, maar nou is d'r geen agent te zien, in geen velde of wege. Ja, zoo gaat 't hier altijd!

--Vrouw, maak je niet driftig, dat vee is 't niet waard: 't groeit op voor 't rooie dorp, zegt een burgerman, die geheel het uiterlijk heeft van een rentenierend bakker of slager.

--Nou.... Vee! dat kan wel 'n beetje minder, hé? vraagt een verloopen kerel, met een lompe beweging zich voor den rentenier plaatsend--jij bent zeker nooit sikker geweest, in je jonge dagen, hé? Jij lust ze zeker niet, hé?

--Wel ja, 'k zou nog partij trekke voor dat stelletje, roept de groenvrouw en nijdig bijt ze den kerel toe:--jij bent zeker, toen je zoo'n aap van 'n jaar of vijftien was, ook al aan de jandoedel geweest, daarvan zie je d'r nou ook uit als een vieze vaatdoek--en met den elleboog hem op zij stootend:--Ga weg vuilik!

--En we gane nog niet do-od, niet do-o-od! joelen de jongens, zonder ophouden.

De menigte groeit aan en verspert de nauwe straat, zoodat de rijtuigen niet dan met moeite kunnen voorbijkomen.

Allerlei meeningen worden door de verzamelde menschen uitgesproken, maar niemand steekt een hand uit om de jongens van de stoep te halen, totdat een fatsoenlijk burgermeisje, dat eerst met uitgerekten hals, nieuwsgierig, tusschen de anderen door heeft gekeken, eensklaps een kreet uitstoot en dan naar voren dringt, tot dat ze vlak voor de stoep is.

Bleek van schrik, bevend en onthutst staart ze de jongens aan; bijna schreiend zegt ze:

--Och God, 't is Piet! En meteen bukt zij zich naar den jongsten knaap, vat hem bij den arm en tracht hem op te heffen.

--Och God! wat zal moeder schrikken, toe kom met me meê dan zal ik je naar huis brengen.

De jongen ziet haar versuft aan, en beproeft op te staan, de andere knapen trekken hem weer naar beneden op de stoep en onthalen het meisje op de gemeenste, liederlijkste scheldwoorden.

--Kom Piet, luister nou niet naar die schooiers, ga nou maar meê; ik zal wel zorgen dat moeder 't niet merkt.--Toe dan, kom! en tot de menschen, die het geval aangapen, zegt ze schreiend:

--Hij is pas dertien jaar en moeder is weduwe,--en dat's nou al de tweede keer van de week,--kom Piet, toe jongen!--hou je maar aan me vast.--Blijf jelui van m'n lijf af, gemeene rakkers, toe Piet!... is d'r dan niemand die me 'reis helpen wil?

Een paar mannen komen eindelijk het meisje te hulp--de jongen wordt op zijn beenen gezet en aan den arm van zijn zuster, die hem met goede zachte woorden zoekt te paaien, gaat hij eindelijk, zonder pet, gehavend en vuil, een eind mee, maar niet verder dan tot op de brug; daar bedenkt hij zich, rukt zich met geweld los en presenteert vloekend zijn zuster, als ze hem nog langer vasthoudt, een pak slaag. Schreiend keert het meisje terug, langzaam haar broer volgend, die zijn kornuiten weer opzoekt.

EEN LANDGENOOT.

We zaten, na 't diner, gezellig pratend en koffie drinkend aan tafel, onder de begroeide veranda van 't hôtel de France te Versailles, toen we op een kleinen afstand een soort heer ontwaarden, die met een slip van zijn zwarte demi-saison de glazen van een kleinen tooneelkijker afpoetsend, langzaam nader kwam. Hij droeg een pince-nez, gooide die met een kort hoofdrukje van zijn neus en keek aandachtig door zijn kijker nu eens schijnbaar oplettend naar het paleis van Versailles, dat door het reeds dalend zonlicht rose werd gekleurd dan weer naar ons.

--Wat 'n brutale man, zei een onzer dames, hij neemt ons waarlijk heelemaal op.

--Wat zou hij willen? Kijk! hij komt dichterbij en hij beziet ons hoe langer hoe scherper; dat 's wel 'n beetje al tè, beweerde een ander.

De man naderde, stak de tooneelkijker in zijn linker jaszak, haalde uit een beugeltaschje, een andere, kleine jumelle, keek nog eens naar het kasteel, toen weer naar ons en trad al poetsend en vegend met zijn jasslip, vlak voor ons tafeltje.

--Bonsoir, mesdames, messieurs! Permettez moi de vous offrir une belle jumelle? Tres bon marché!

--Merci!

--Vraie nacre, verres achromatiques, très jolie, avec étui, un Louis!

--Non merci, nous en avons!

--Nous en avons même a vendre! lachte een der dames.

--Madame veut rire: madame ne fait pas le même article, hein?

Hij lachte en ik zag hoe onder zijn knevel zijn mond reeds tandeloos werd. Zijn grijze baard was netjes geschoren aan de kin en zijn nog heldere, donkerbruine oogen keken met een slimme uitdrukking van onder dichte wenkbrauwen naar ons groepje.