Op reis en thuis: Novellen en schetsen

Part 12

Chapter 12 3,969 words Public domain Markdown

Daar krijgen we het beiden bepaald benauwd van--verbeeld u eens, in de middaghitte van een dag, die 's morgens om halfelf reeds 28° in de schaduw had, op 't hoofd te staan; 't is om er een beroerte van te krijgen, alleen door het te zien.

We werpen hun wat geld toe en de jeugdige acrobaten verdwijnen, om elders weer te beginnen.

Wat is dat voor een boot, kelner? die daar van den kant van Mainz komt?"

"Dass ist der Lokaldampfer der nach Rüdesheim fährt!

"Naar Rüdesheim?

"Jawohl."

"Wie lange dauert die Fahrt?"

"Ungefähr anderthalb Stunde."

"Wat zou u er van denken," vraagt plotseling mijn reisgenoot, "indien we eens naar Rüdesheim stoomden--'t moet heerlijk zijn op 't water--we kunnen vanavond met 't spoor nog wel driemaal terug."

"Jongens meneer! we zitten hier zoo kalm en lekker."

"Ja maar op zoo'n boot is 't toch nog lekkerder, zoo midden op 't water, daar bekomt men. Als u er niets tegen hebt dan zou ik wel willen."

"Met pleizier! ik ga mee...."

Vijf minuten later zitten we op den Lokaldampfer en stoomen stroomaf naar Rüdesheim. 't Is vol op de stoomboot, tevergeefs zoeken we naar een aangenaam plaatsje onder de zonnetent.

Rustig vervolgt zij haar weg, door het blauwe water. De raderen wentelen onvermoeid voort en zweepen het schuim met kracht aan beide zijden omhoog. Nu en dan steunt en dreunt de boot, die niet van de nieuwste constructie schijnt, als viel het haar zwaar, bij de heete temperatuur, die zelfs op 't water heerscht, haar plicht te doen.

Soms blaast de schoorsteen plotseling hoestend en proestend een zwarte rookmassa uit, die over 't water blijft hangen en op onze gezichten zwarte moesjes plakt, die door de zweetdruppels veranderen in plekken, veel overeenkomst hebbend met inktvlakken.

De Rijn is buitengewoon kalm en rustig, en het eenige levensteeken dat hij geeft is een lichte rimpeling van zijn oppervlak, als hinderde het hem door het dampend en snuivend gevaarte te worden gestoord in zijn zacht gekabbel.

Een bonte menigte passagiers zitten, liggen en hangen op de banken, taboeretten en stoelen op het dek.

Allen zuchten, want niettegenstaande de boot vrij snel stroomafwaarts snelt, brandt de zon geweldig en puffen allen van de warmte, terwijl ze hun heil zoeken onder de zonnetent, de eenige plaats op het schip, waar schaduw is.

't Is nu bepaald 32° warm, want we hebben de volle middagzon.

Alles transpireert aan boord; de kapitein, de passagiers, de stuurman aan 't roer, de kelner die met zijn servet over den arm tusschen de reizigers heen en weer draaft, ja zelfs de planken van het dek zweeten een kleverige vloeistof uit haar naden.

Met innig medelijden zien wij de stokers aan, die beurtelings uit de machinekamer opduiken om een mondje vol lucht te scheppen.

"'t Is of 't gezicht van die zwarte kerels iemand nog warmer maakt!" zegt mijn reisgenoot.

"Bepaald, ik geloof zelfs dat zij hitte afstralen."

De kok kijkt met een gezicht als een pioen uit zijn kombuis. Zijn wit buis is door en door vochtig, dat zien wij als hij ons den rug toedraait om naar zijn pan met kalfscoteletten te zien.

Hoe is 't mogelijk om bij zulke hitte warme kalfscoteletten te gebruiken, vraag ik mij zelf af, als ik zie dat de kok met onnavolgbare snelheid de eene cotelet na de andere bakt, uit de pan pikt en met zijn niet overzindelijken duim en wijsvinger op de schaaltjes rangschikt.

't Is om er wee van te worden. Wanneer men de oogen sluit en den twijfelachtigen geur opsnuift, weet men waarlijk niet _wat_ men ruikt, want door de temperatuurhitte en noodzakelijke verhooging van 10° door de warmte van het fornuis, ruikt alles even vies, scherp en branderig. Ik geloof haast dat de vettige lucht der ranzige olie, die gebruikt wordt om de assen en krukken der machine te smeren en die uit het luik der machinekamer tot ons komt, nog de voorkeur verdient.

Onder de zonnetent praat iedereen over de hitte.

De een blaast naar links, de ander naar rechts, onophoudelijk zijn de zakdoeken en hoeden in de weer om koelte aan te brengen door er mee te wuiven. Gelukkig zij, die een waaier heeft.

"Entsetzlich heiss!" roept een bejaarde dame.

"Kolossal, piramidal!" schettert een luitenantje.

"Unausstehlich, fürchterlich!"--zucht een jong meisje met een hoed à la Kate Greenaway op--en beschut door het reuschachtige gevaarte, dat haar lief jong gezichtje niet al te bevallig omgeeft--maakt ze ter sluiks een knipoogje tegen een heer, die tegenover haar, met een monocle in 't oog, onophoudelijk aan zijn scherpgepunte knevels draait.

Hij is "de Hij"--van die Zij.

't Is haast te warm om verliefd te zijn, maar wat vraagt Amor naar graden Celsius of Réaumur of Fahrenheit.

Hoe warm het ook moge zijn, hoe zeer ook het kwik in den Thermometer stijgt, toch zijn er op de boot twee wezens, wier harten een hooger warmtegraad aanwijzen.

Bovendien, dat er op een Lokaldampfer met zulk een menigte passagiers een Hij en een Zij gevonden worden, is niet meer dan natuurlijk.

En welk een Hij! Verrukkelijk gepomadeerd trotseert zijn glimmende haardos hitte en zweetdroppels. Een heerlijke hyacintkleurige das begrenst een schitterend wit boordje (ik geloof vast dat de man het pas heeft aangedaan). Een prachtig wit vest waarop 't zwarte koordje van zijn oogglas scherp afsteekt, strijdt èn door snit èn door fijnheid om den voorrang met een lichtgrijs jacquet en een bijna hemelsblauwe pantalon, die zijn beenen nauw omsluit.

Onafgebroken staart hij door het lorgnet zijn schoone aan; wel glijdt het glas nu en dan uit zijn oog door de glibberigheid van zijn huidplooien, maar telkens doet hij het instrument zijn plaats hernemen en onvermoeid tuurt hij naar 't knipoogend meisje.

En zij!--Zij bloost van warmte en verliefdheid.

Haar teere vingertjes in glacé, gris-perle geperst, spelen met een roosje, dat half bezwijmd aan den dunnen stengel hangt. Een licht grijs kleedje omsluit haar wespentaille en doet haar verdere bekoorlijkheden alle recht wedervaren. Naast haar dommelt een individu met een kanariegele, veel te wijde pantalon en een lustren jasje aan, dat hem als een zak om 't lijf hangt. Zijn stroohoed rust op zijn knieën en zijn handen hangen slap langs zijn omvangrijk lichaam.

Dikke droppels parelen op zijn voorhoofd en zelfs zijn kale schedel is als met een zachten dauw overtogen--terwijl langs zijn breeden, dikken, rooden neus een dun waterstraaltje afloopt.

Plotseling laat de man zijn dikke onderlip zakken, zijn neusgaten worden wijder en een geluid als 't zuchten van een nijlpaard doet de jonge schoone opschrikken uit de mijmerende beschouwing van haar "hij".

Met een niet zeer lieve uitdrukking op haar gezicht stoot zij den naast haar zittenden man aan met de woorden.

"Aber Papa!"

"Hé was ist?"

"Du scharchst ja!"

"So ja! 's ist auch so verdammt heiss."

"Aber Papa?"

Papa doet alle mogelijke moeite om wakker te blijven, maar de natuur eischt haar recht, en trots alle "aber Papa's" van de jonge dame en de min of meer spotachtige aanmerkingen van den monocledrager, dommelt de brave man telkens weer in, tot dat we Rüdesheim naderen.

Ik haak naar het oogenblik, dat we zullen landen; mijn reiskameraad doet niets dan blazen en zich 't gelaat afvegen. Als wij eindelijk den voet op de loopplank zetten, zegt hij:

"'k Geloof dat we toch wijzer hadden gedaan, om kalm te Biebrich te blijven; dat watertochtje is mij niets bevallen."

"'k Ben 't met u eens; we hadden 't daar goed, maar we haakten naar beter."

De boot stoomt verder.

Wij zoeken in den tuin van 't hotel "Zum Rhein" een schaduwrijk plaatsje aan den Rijnkant, drinken overheerlijk koelen Rüdesheimer en als 't langzaam avond wordt, lachen wij om het denkbeeld dat wij bij 28° in de schaduw, op een "Lokaldampfer" koelte zochten.

DE LAATSTE DER OEMPAH'S

't Begint al meer of min te schemeren, de lucht is donker en zwaar van buien, langzaam uit 't Zuidwesten opkomend, nu en dan sneller voortgestuwd door den wind, die soms met een plotselingen stoot henenvaart tusschen de hooge huizen en spichtige schoorsteenen der groote stad, enkele dikke druppels en sneeuwvlokken voor zich uit jagend als de voorboden van ruw, koud weer.

't Wordt allengs donkerder--op enkele plaatsen in de tochtige stegen en sloppen, waar de oude, bouwvallige, kille huisjes, als bij elkander steun en warmte zoekend, zich opèèndringen, schemert reeds roodachtige lampenschijn door de stoffige ruiten en gore gordijntjes, waarachter arme menschen huiverend en hongerig hun leven vol zorg, in doffe onverschilligheid voortleven.

Uit een dier smalle steegjes, uit een huis waarvan de trapdeur nooit gesloten wordt en waarin een aantal huisgezinnen opeengepakt zijn, is hij langzaam, moeilijk loopend, bijna hinkend te voorschijn gekomen, de ongelukkige Oempah!

Hij is gewond, hij bloedt nog, want gisteren heeft hij in een potscherf getrapt, toen hij vluchten moest voor zijn vijand den politieagent. Zijn schoenen beschermen zijn voeten niet meer, ze zijn gescheurd en versleten en bedekken nauwelijks de grove wollen sokken vol gaten.

Treurig sluipt hij voort over de glibberige straat.

Hij, die eens een fiere krijger was, die, trotsch en moedig een brieschenden schimmel bereed, hij sukkelt nu langzaam verder met knikkende knieën en met gebogen hoofd. Zijn moede, donkere oogen, waterig door alkohol en verkoudheid, staren dof en doelloos voor zich uit.

Snuffelend haalt hij den rooden, kouden neus op en in zijn ongeschoren, reeds grijs wordende stoppel-baard rollen nu en dan een paar zilte tranen,--zóó erg heeft de arme Oempah het beet.

Schurkend met de schouders en rillend--het grijs-groene, rafelige jasje, dat hij over zijn eenmaal rose sporthemd draagt, is, evenals zijn te korte geruite broek, veel te dun voor 't seizoen--schommelt hij een der minder bezochte hoofdstraten in. Onder zijn jasje, tegen zijn borst gedrukt, verbergt hij iets wat hem heel dierbaar schijnt te zijn, want hij drukt het met den linkerarm stijf tegen zijn hart en met de rechterhand voelt hij er nu en dan naar, als meende hij het te zullen verliezen. Zijn rechterbroekzak puilt geweldig uit door iets glimmends, dat hij telkens zorgvuldig met een pand van zijn jasje zoekt te bedekken.

Hij is onrustig; schichtig ziet hij om terwijl hij voortgaat over de natte keien der groote stad, die hem, den vreemdeling, verstoot en vervolgt.

Hij balt de vuisten, zijn lippen trillen en somber fronsen zich zijn dichte, nog donkere wenkbrauwen, als hij plotseling terugdenkt aan den tijd vóór hij zich bij den stam der Oempah's had aangesloten,--aan dien goeden tijd toen hij, de vrije zoon der bergen, jong en sterk, op zijn vurig ros gezeten, het oorlogspad opging en de jonge meisjes haar woningen uitkwamen om hem te zien en vriendelijk toe te lachen.

Toen was hij nog rijzig en welgemaakt, schoon in zijn krijgsdos met den wuivenden vederbos op het hoofd, den fladderen mantel om de schouders! Toen was zijn oog helder en scherp als dat van den valk en als zijn krachtige adem in den krijgshoorn blies, weêrgalmden bosschen en velden van 't geluid en werden de echo's der bergen wakker. Jong en oud begroetten hem juichend als hij door de dorpen trok en overal bood men hem spijs en drank en de eereplaats bij het vuur. En toen hij het oorlogspad verliet, rieden enkele ouderen, wier grijze haren van wijsheid en kalmte getuigden, hem aan, zich bij hen te vestigen, een vrouw te kiezen en rustig in hun midden te blijven en te leven van akkerbouw en veeteelt,--maar hij wilde niet, hij had nog te veel wilde haren, daarom sloot hij zich aan bij een stam Oempah's, die een zwervend leven leidden. Zijn oorlogsdos verwisselde hij voor het kleed der Oempah's, een groenachtige fantasieuniform met geel katoenen passanten op de schouders en glimmende koperen knoopen. Hij zette een platte, groene pet op, zonder klep, met een geel biesje er om en een kleine rood en zwarte kokarde er aan. Zijn beenen omkleede hij met een witte broek, die, ofschoon meestal bemodderd en beklonterd, toch niet gescheurd was, en aan zijn voeten droeg hij groote lederen schoenen met sterke bespijkerde zolen.

In plaats van in den krijgshoorn blies hij nu op een halfsleten cornet à piston--onwillekeurig drukt hij de hand tegen de borst, ze rust daar thans nog; zij is hem trouw gebleven ook in zijn verval.

Hij herinnert zich hoe hij haar kocht van den hoofdman der Oempah's, die den stam verliet om zich ergens in een klein dorp als schoenmaker te vestigen, omdat hij begreep dat er meer brood in 't lappen en maken van schoenen, dan in 't blazen van wals, potpourri of marsch stak.

Met die "cornet" nam hij tegelijk het bevel van den troep over en terwijl hij nu, rillend van kou en met een bonten kiespijndoek om 't hoofd onder zijn roodzwart, rond hoedje, sukkelig, armzalig verder gaat, komt zijn geheele bende hem weer voor den geest. Onwillekeurig glimlacht hij even als hij ze plotseling in gedachten voor zich ziet: de lange magere, sproeterige klarinettist met den rossigen sik en den blauwen bril; de breedgeschouderde, dikbuikige, roodwangige, blonde reus, die 't piccolo-fluitje zoo schel bespeelde; de altijd opgeruimde, goedmoedige, bijziende snorrebaard met zijn schuiftrompet; de scheefgegroeide vlasblonde boerenkinkel die melancholisch in den waldhoorn blies en het allerkleinste Oempah'tje, bijna bezwijkend onder 't gewicht van den grooten bashoorn, waarmeê hij de andere instrumenten begeleidde door het onophoudelijk, blazend en hijgend uitgestooten: Oempah--Oempah--Oempah!

Toen had hij geen gebrek aan brood en bier, àl leefde hij ook van den eenen dag op den anderen, toen sliep hij soms op een bed, soms in een hooiberg of op versch gedorscht stroo in een schuur--maar hij sliep rustig en met een gevulde maag ... en nu? Nu is hij de schim van 't geen hij eens was.

De groote stad is zijn ongeluk geweest. Hij had dáár nooit moeten komen, ten minste er niet moeten blijven, maar zijn noodlot in de gedaante van een dikke, overvriendelijke en al te toeschietelijke vrouw, die in een der buitenwijken een welbeklante tapperij hield, had hem bereikt--en vastgehouden. Zij beweerde een hartstochtelijke liefde voor muziek te hebben, terwijl haar flegmatieke man tegen zijn buren volhield; "dat het meer de muzikant was, die haar aantrok en dat de Oempah #zijn onversneden# in zijn dorstige moffenkeel goot, omdat "de vrouw" zei dat hij er niets voor #mocht# betalen, maar dat 't hèm niet schelen kon, als ze hem maar met rust lieten." Intusschen togen de andere Oempah's, minder gevoelig voor de aanmoedigende blikken der bazin en den Hollandschen jenever, verder onder aanvoering van den klarinettist, die de cornet nooit had kunnen lijden omdat hij zijn instrument overschetterde.

De Oempah hield van zijn gemak en bleef dus bij de vrouw, die hem in haar vleezige armen en bij haar steeds welvoorziene tapkast vasttooverde.

De baas uit de "Visschende reiger", een dikke waterzuchtige man, die, altijd rookend, op zijn gebloemde pantoffels en in zijn overhemd en bretels, in het kleine tuintje achter de tapperij stond te soezen over 't voortreffelijke van zijn eigen consumptie en elken dag onverschilliger, rooder en opgezetter werd, was eindelijk schouderophalend zijn vriend geworden om met "de vrouw" vrede te houden, daar hij den toestand zóó 't gemakkelijkste vond. Zóó deelde de Oempah geruimen tijd met het echtpaar de woning, waarin de "onversneden" hem allengs beter en de vrouw hem langzaam aan minder beviel.

Toch bleef hij, omdat de bazin hem 't leven, "lui en lekker" maakte en niet op een paar gulden keek--totdat eensklaps de wettige man te dik was geworden voor zijn zwak hart, niet meer rookte en de gebloemde pantoffels voor een paar oude wollen kousen en 't uitpuilend overhemd voor een doodshemd verwisselde.

Een begrafenis derde klasse, niet veel bijzonders, vooral wanneer er maar één volgkoets is, waarin slechts één vriend zit, doch er bleef in de toonbanklade en in de linnenkast van "de vrouw" wel zóóveel over dat zij een paar maanden nadat de Oempah haar man de laatste eer had bewezen, een mooien trouw-coupé kon laten voorrijden voor dezelfde deur, waarvoor de eenvoudige lijkwagen had gestaan.

De bazin met al haar goud behangen, en fluweelen mantel om, een toque met roode rozen en oranjebloesem op 't hoofd, en de Oempah in het voor hem pasgemaakte zwart lakensche pak van wijlen den baas en met een nieuwen hoogzijden hoed op, stapten er in en kwamen terug als echtelieden, die voortaan lief en leed zouden deelen.

De habitués van de "visschende reiger" werden dien dag bij gesloten deuren onthaald, totdat al de flesschen leeg en de zingende, joelende menschen overvol waren en toen de laatsten, midden in den nacht waren weggezwaaid, wisselden de echtgenooten de eerste klappen.

Jenever is een eigenaardig vocht, 't verteert op den duur alles wat er mede in aanraking komt, zelfs een weldoortimmerd eigen huisje is er niet tegen bestand, en vooral wanneer echtelieden eendrachtig samenwerken in 't gebruik, doet zij haar werking dubbel snel. Binnen korten tijd benijdde de Oempah den man, die de eeuwige rust was ingegaan en zei de vrouw in arren moede: "Jij bent een doodvreter. Hoepel op, beroerde mof, ga terug naar je land voor mijn part!"

Maar de mof hoepelde niet op, hij bleef en verzoende zich kalmpjes met de bazin, die dezelfde uitnoodiging nog herhaaldelijk tot hem richtte, maar toch telkens weer verteederd in zijn armen zonk, omdat hij toch "zoo'n leuk moffie" was als hij 'm niet om had--en hij vond haar, zoolang ze nog geld bezat, zoo kwaad niet, al zeiden de buren ook: "Ze pakt 'm van tijd tot tijd zóó, dat 't zonde en schande is om te zien!"

En zóó leefden zij samen voort, in één roes, in één huis, totdat alles wat er nog was en alles wat er nu en dan inkwam, zich oploste in het vocht, dat volgens het zeggen der habitués: "niet voor de ganzen wordt gebrouwen."

De eigen tapperij was reeds lang verlaten voor een kleine gehuurde kroeg, waar minder te doen en dus nog meer te drinken was en vóór het gras 't graf van den gestorven man geheel bedekte, togen de vrouw en de Oempah ook daaruit naar een achterbuurt van de stad, elkander de schuld gevend van hun verval, schimpend en scheldend, 't toeval verwenschend dat hen samen had gebracht.

Er is iets zonderlings in de menschelijke natuur, waarvoor de psychologen nog geen verklaring hebben gevonden, namelijk het bij elkander blijven van lieden, die feitelijk, zooals men het vulgair uitdrukt: elkander niet kunnen luchten of zien. Zelfs minder ontwikkelden merken dit eigenaardige verschijnsel op, want in het buurtje, waar de vrouw met haar Oempah woonde, zeiden de menschen:--"Je zou zeggen, hoe is 't mogelijk, ze leven als hond en kat, ze spelen mekaar voortdurend op d'r tabernakel--en toch blijven ze samen, die moffenmuzikant en dat dikke ouwe wijf!"

En zóó was het ook: deelden ze vroeger min of meer oneerlijk "de centjes" van den ter rechter tijd ontslapen man, nu deelden ze eerlijk armoede en ontbering, af en toe door een hartige ruzie wat afwisseling brengend in hun eentonig bestaan.

De vrouw was eindelijk, waarschijnlijk tengevolge van overspanning bij de herhaalde verschillen van meening met haar echtgenoot, aan ééne zijde ietwat lam geworden en de Oempah had zijn "embouchure" niet meer zooals vroeger tot zijn dienst; hij had een paar tanden verloren en de cornet à pistons was te lang op non-activiteit geweest.

Dat instrument, 't eenigste voorwerp wat niet in de jenever was opgelost, moest nu weer voor den dag komen om "brood te blazen" voor hem en zijn vrouw, "want," zei hij gemoedelijk, als hij niet in kennelijken staat verkeerde:

"Je kan zoo'n sjepsel, kottorie! doch nich verhoengeren lassen. 's Ist woll ein salamander von 'n wijf, maar sie hèbt doch ein maag, wissen sie? Al hangt d'r eine vlerk d'r voor niemendal bij, sie shaff noch zoo'n bischen, oend früher, als sie noch moneten hatte, war sie schplendied. Daarom bin ich wieder in die koenst jegaan! Dan bekeek hij met zijn waterige, zwakker wordende oogen zijn instrument, poetste met zijn mouw den beker er van wat op, haalde een paar malen lucht heen en weer door 't enkele mondstuk en blies dan, als om zich te oefenen, een fanfare of een aantal schelle maten, die schetterend stuksloegen tegen de brokkelige muren van het nauwe steegje en dan de gebarsten vensterruitjes deden rinkelen, zoodat de buren nijdig hun hoofden uit de lage deuren en vensters staken, elkander toeroepend: "daar begint die sikkere muziekmof weer met z'n valsch getoeter!"

In het geheele buurtje stond hij bekend onder dien naam; zijn vrouw heette: "de muziekmoffin." Hoe hun eigenlijke namen waren had men hun nooit gevraagd; in zulke omgeving kent men elkander meestal alleen bij den bijnaam, dien de een of ander spontaan uitdenkt.

Het bijvoeglijk naamwoord "sikker" dankte hij aan zijn voortdurenden staat van geheele of gedeeltelijke onbekwaamheid en de schoenlappersvrouw, die 't keldertje van 't hoekhuis bewoonde, getuigde van hem: "Zoo'n model heb je nooit eerder gezien--mijn man is ook dikkels in de olie--maar als ik met zoo'n vette vaatdoek permanent most huizen liep ik liever vierkant de wal in." Toch mocht men hem soms wel lijden, namelijk wanneer hij een goeie bui had en voor de kinderen in de steeg een dansje blies.--"'t Is wel mankelieke muziek, maar de schapen springen d'r nog 'ris bij, want orgels komen hier niet; de orgeldraaiers binnen te veel granssinjeur en ze kennen met d'r orgels de steeg ook niet in," beweerde een oppermansvrouw, die, op dezelfde trap wonend, de muziekmoffin wel eens bezocht en daarom er bij voegde: "'t Is een kalf van een vent als ie nuchter is, maar zijn vrouw is een nijdige vuilik, een sloerie; geen blind paard doet schade in d'r lui kamer."

Een tijd lang verdiende de Oempah een schamel stukje brood, door 's nachts in danshuizen of matrozenkroegen te spelen, maar ook dààr moet men muzikanten hebben waarop men rekenen kan en dat kon men op hem niet. Daarom vond hij ook zelfs in die gelegenheden geen plaats meer en begon hij weer zijn zwerftochten door de straten der groote stad, totdat er een stedelijke verordening kwam, die de straatmuzikanten buiten de veste bande.--Toch waagde hij het nu en dan, door den nood gedrongen, zijn cornet à piston te doen hooren. Kwam hij dan thuis, dikwijls zonder een cent op zak, dan klaagde hij zijn nood aan de muziekmoffin:

"'s Ischt versjrikkelijk, die verfluchte polizei laat oens kein oogenblik mit rust, 's wirdt ein beroerder boel hier! Die miserable orjels, die moesiekmolens wo gar keine spoer von koenscht bei ischt, werden tolerrirt oend wir, die doch moesik stoediert haben, werden vervolgt; 's ischt sjande! Ach Kott, war dàs eine sjeene zeit als ich frisch aus Bayern herüber kam,--überrall hab' ich mit orfolg jeschpielt--aber hièr, pfoei!--Ich hatte nooit in Holland kommen sollen!"

"En ik wou dat 'k jou nooit gezien had!" was de eenig troost, die hij van haar kreeg en vinnig voegde zij erbij: "Och leg toch niet te lammenteeren! Ruk liever weer op en ga blazen, we hebben geen krummel meer in huis--en de flesch is ook leeg!"

Had de Oempah, door hier en daar, voornamelijk in de buitenwijken, te spelen, wat klein geld opgehaald, dan--'t zij hem ter eere gezegd, had hij de beste voornemens, en kocht "brot oend woerscht für 's froumensch!" liet 't netjes inpakken en bracht een en ander ook werkelijk thuis, wanneer hij de verleiding weerstond, om hier of daar even in te wippen "oem ein paar auf die lampe zoe jiessen."

't Scheen wel alsof het noodlot hem telkens weer in de tapperijen der buitenwijken voerde, want juist dáár voelde hij zich "gemüthlich"--dáár was hij een gaarne geziene gast. Hij kon zoo aardig vertellen in zijn gebroken Duitsch met Beiersch accent. Hoe hij bij "'s militair, bei der cavallerie stand," hoe hij trompetter was geweest bij de Huzaren en hoe hij later "durch talent oend verdienst erster pistonist" geworden was bij 't muziekcorps.