# Op reis en thuis: Novellen en schetsen

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/op-reis-en-thuis-novellen-en-schetsen-13705/index.md

Ik hoef het eigenlijk niet te vragen; ik steek slechts even mijn hoofd om 't hoekje van mijn bed en ik zie genoegzaam hoe 't weêr is, door 't vale grauwe licht; dat tusschen de reten van de gesloten stores binnenvalt.

Ik sta op; 'k heb het land door al het water, dat ik hoor neervallen, ik trek mijn kousen en mijn chambercloack aan. Ik gaap nog even en stoot knorrig raam en store open. Ik kijk naar de lucht, ze is grauw, grijs. De regen slaat mij in 't gezicht, want 't waait vrij sterk. "De Kochbrunnen" vlak voor mij dampt en borrelt; de "Brunnenmädchen" staan achter de tafels op haar post. De eene heeft een wollen doek om, dat maakt mij kwaad: een "Brunnenmädchen" met een zielenwarmer om! Ik kan er niet naar kijken--de andere heeft een leelijken wipneus--goeie hemel! wat een wipneus! 't regent er in.

Dat had ik gisteren toen 't mooi weer was niet eens gezien. Hoe meer ik naar de lucht kijk, des te knorriger word ik! 't Is of de zon een vieze, grauwe slaapmuts op heeft--net als die vent, die hierover in "der Europäische Hof", uit het raam ligt.--Bah; wat een ordinair gezicht: wat kijkt die kerel knorrig als hij gaapt.--Heer in den hemel! wat heeft die man leelijke tanden; 't is of ik in een kolenhok kijk.--Hou je mond toch dicht, akelige vent: daar gaapt hij waarachtig al weer.

Ik kijk er niet meer naar; 't eene bronnenmeisje ziet mij aan 't venster staan. Ze knikt mij toe, kijkt omhoog naar de lucht, trekt haar mondhoeken omlaag en schudt met het hoofd, haalt de schouders op, knikt mij nog eens toe en geeft aan een magere Engelschman, die met den kraag van zijn demi saison omhoog voor haar tafeltje staat, een glas "Kochbrunnenwasser".

Wat een misselijke vent is die Engelschman; hij heeft een paar voeten als strijkijzers; 't is precies een lat met een demi-saison aan. Daar komt een juffrouw bij hem staan; zeker zijn dochter, want ze is even plat en houterig als hij. 'k Zie aan haar lippen dat ze "morning" zegt. Hij draait zich even om, zegt iets dergelijks en slurpt zijn glas leeg.

Wat ziet die Trinkhalle er saai uit--er is nog niemand anders in dan drie natte droogstokken.--Ja! toch wel; heelemaal aan 't eind er van zie ik een parapluie, die neêrgedaan wordt.--Er waggelt iets nader; 't is die vette Sakser, dien ik gisterenavond in de restauration Engel een portie haché (Gulasch) zag eten, om tien uur 's avonds.--Hoe kan iemand 't verdragen.--Almachtig! wat is hij dik; met zijn grijze paletot lijkt hij nog dikker; compleet een bal.

't Is kil in de lucht en toch transpireert die vent.--Zooveel vet op mijn nuchtere maag, bah! ik kan 't niet velen--ik doe m'n raam dicht, maar 'k hoor hem nog juist zeggen: "Ai, Herr Chjaeses! was e Wetter!"

.........................................................................

Voor het gesloten venster blijf ik nog een oogenblik staan, want ik zie dien langen, beenigen schoolmeester uit Barmen, die aan de table d'Hôte altijd water drinkt, aankomen.--Hoe is 't mogelijk, dat iemand zoo 'n hoed kan dragen--een bol van lage drukking en een rand als een duivenplat. Wel zeker! Herr, ga je gang maar! staat alléén bij de bronnenmeisjes en geeft de knapste stiekum een handje. Ga gerust je gang, oude zondaar, je vrouw ziet 't immers niet--ze zit zeker thuis met een dozijn kinderen.--Zeg eens, hei! niet zoo erg familiaar--hij knijpt haar in de bolle wangen.--Och 't is maar een eenvoudig kneepje--hij denkt er niets bij, de brave man is geheel zonder erg; dat kun je wel aan zijn gezicht zien, want hij trekt een pruimensnoetje;--Schlechtes Wetter, ach! furchtbar, zum verzweifeln"--ik hoor het niet, maar ik zie, dat het Brunnenmädchen het zegt.

'k Ga in "chambercloak" mijn kamer uit: de barometer in de vestibule is alweer gedaald, ik tik er op:--hij gaat nog een eindje terug. Een miserabel ding, die barometer.

"Morgen!" zegt de portier.

"Morgen!"

"Miserabeles Wetter, Meinherr!"

"Jawohl!"--nare vent, dat zie ik zelf immers wel.

Voordat ik de trap naar 't badhuis afga, komt mij de Oberkellner tegen met een blad vol koffiekoppen en broodjes.

"Morgen!"

"Morgen."

"Unglückseliges Wetter!"

"Jawohl!"--Ringelingeling! klinkt een kamerschel naast mijik schrik er van,--dom dat ze hier nog geen electrische schellen hebben!

De Oberkellner ziet naar 't bruine klepje, dat aan den deurpost No. 16 is opgeslagen en roept: "Zimmerkellner, auf 16 hats geklingelt." De Zimmerkellner is er reeds en zegt, terwijl _hij_ in No. 16 en _ik_ in 't badhuis ga: "Hundewetter heute!"--Weet je niets anders, kerel?

De warmte der baden komt mij bij het binnentreden tegemoet; zij doet me goed, anders puf ik er van.

De "bademeister" doet mijn badkamertje open.

"Morgen Herr!"

"Morgen Bademeister!"

"Scheussliches Wetter heute."

Flap! ik gooi de deur van 't kamertje achter mij toe.

't Bad komt mij veel te warm voor, veel warmer dan gisteren.

"Bademeister!"

"Gefälligst!"

"Mein Bad ist zu heiss."

"Bitte sehr? 27 grad präcis!"

"Unmöglich!"--de badmeester komt bij mij binnen.

De bad-thermometer overtuigd mij dat ik ongelijk heb.

"Sie haben doch Recht, Bademeister!"

"Sie finden es wärmer, weil es heute draussen kühler ist durch den Regen."

'k Blijf alleen, tot aan den hals in het warme water.

Achter mij hoor ik een dakgoot loopen, en 't kletteren van den regen op een plat. Regelmatig niet te hard, niet langzaam maar zonder ophouden klettert het voort; 'k word er melankoliek van. En tusschen dat geluid door, hoor ik het choraal "Jesu meine Zuversicht" dat de muzikanten bij de Trinkhalle spelen.

't Choraal stemt mij anders aangenaam, ik hoor het zoo graag; nu wordt ik er nog melankolieker door.

Zou ik al 20 minuten in 't bad zitten?

"Bademeister!"

"Sie befehlen?

"Sinds es schon 20 Minuten?"

"I bewahre; noch kleine zehn!"

Ik hoor de deur van 't Badhuis opengaan.

Hè, wat piept die deur, waarom smeeren ze hier die scharnieren niet! olie is toch goedkoop.

"Uche! uche! uche!" dat is die oude heer van No. 3--ik herken hem aan zijn volheid op de borst, ik logeer in No. 2 en hij heeft me al een paar maal uit den slaap gehouden!

"Uche! uche!--Uche! morgen!--uche!"

"Morgen Herr Schwiepelmeier?"

Kristenenzielen wat een naam! wie heet er nu Schwiepelmeier?

"Uche!--Morgen Bademeister, hundsgemeines Wetter"!

"Jawohl Herr--Schwiepelm...."

Ik hoor niets verder, want ik trek aan 't touwtje naast mij en ik krijg mijn douche. Brrr! wat is die koud van daag.

De reactie is voorbij, mijn huid begint te gloeien, ik grijp mijn badlaken en wikkel er mij in; ik wrijf, ik schuur, ik zaag met de ruwe oppervlakte langs mijn rug en ik word droog.

Buiten is 't des te natter.

Ik kom terug in mijn kamer, en ga curgemäss weer te bed. Eerst kijk ik nog even naar de Trinkhalle. Een hoop natte in elkander gedoken menschen staat voor de muziektent; natte parapluis, opgespannen, dichtgeslagen en druipende regenschermen en anders niet. Er komen meer parapluies, meer menschen, dames en heeren, ze kijken allen naar de lucht en ze schudden allen op ongelijke wijze en op verschillende oogenblikken het hoofd.

't Is lekker om nog even in bed onder de wollen deken te kruipen--behaagelijk rek ik mij uit, mijn oogleden worden zwaar.

Buiten speelt de Curmuziek,--"Am schönen blauen Donau"--in gedachten wals ik in mijn bed mede; 't is me alsof ik draai--ik dommel in en ik droom van ... mooi weêr.

_9 uur_.--Ik ontbijt; de thee smaakt mij niet. Zouden ze hier in Duitschland dan nooit leeren hoe men thee zet;--'k heb een duf ei bij mijn brood. Bah! ik schei er uit. Ik ga mijn bottines aantrekken en de deur uit--om mij te laten scheren.

Van de stoep van 't Römerbad tot aan den winkel van den coiffeur Rosener op den Kranzplatz is een kippeneindje--ik druip als ik er binnen kom.

"Rasiren?"

"Bitte!"

Onder 't inzeepen maakt de barbier de gloednieuwe opmerking: "Schlechtes Wetter heute!"

Als een wandelende dakgoot treedt, na mij, een Pruisische luitenant binnen.

"Janz verfluchtes Wetter! Aèh!"

"Jawohl Herr Lieutenant!"

"Aèh!--Ziehen sie mir den Scheitel janz durch."

"Zu befehl Herr Lieutenant."

De kapper trekt met den kam een scheiding door de donkerblonde stekelharen van den Germaanschen Mars, zoodat zijn hoofd er uit ziet als een gespleten wilde kastanje.

"Thun sie mir etwas mehr Harzpomade im Haar; bei diesem verfluchten Regenwetter hält die Frisur sonst nicht."

"Zu befehl Herr Lieutenant."

De kapper smeert minstens een decagram of vijf cosmetique in des krijgsmans lokken, zoodat diens hoofd glimt als een gepolitoerde deurknop.

Wel tien of twaalf klanten komen gedurende den tijd, dat ik onder 't mes zit, binnen en evenveel keer hoor ik geestige opmerking dat 't slecht weer is.

Als ik buiten kom, stortregent het niet meer; 't is geen bui meer, maar 't is een regen voor den geheelen dag geworden.

Langzaam met dunne stralen, maar dicht, onverdroten en onverpoosd vliedt het hemelwater neer. De dakgooten stroomen over; de straat is hier en daar in een beek herschapen. De hemel is egaal loodkleurig, er is geen denken aan dat er kans is van ophouden; de wolken zijn het volkomen eens.

Ik loop even naar het postkantoor: mijn parapluie begint iet of wat door te regenen; mijn schoeisel wordt week.

In de "Langgasse" ontmoet ik een paar boerinnen.

Ze houden haar rokken buitengewoon hoog op, haar kousen lijken op alles behalve op wat ze zijn.

De zware mand op haar hoofd houden ze met de eene hand vast, met de andere zijn ze voortdurend bezig, om haar neus af te vegen, want op dat lichaamsdeel verzamelen zich alle druppels, die van den rand der korf en uit haar hoofddoek lekken.

Zij spreken met elkaar over----den regen, over slechten oogst, zieke aardappelen, dure boter en schaarsche eieren. Mijn parapluie begint zeer onaangenaam te worden, zij heeft bijna 't onmogelijke gepresteerd, maar 't gaat haar vervelen, zij kan met den besten wil niets meer doen. Aan de punten der baleinen zijn kleine watervallen ontstaan en bovenaan bij den stok is een opening in een der naden gekomen; dikke droppels vallen er doorheen op mijn hand.

Wat ziet er alles op straat vies en grauw uit; 't is of de huizen grienen.

Een vrachtwagen komt mij te gemoet, de remketting rammelt veel doffer dan gewoonlijk en de wielen maken een geluid als 't rad van een watermolen in de verte. De voerman heeft een blauwen kiel aan, die zwart ziet door de nattigheid. Hij klapt met de zweep, maar 't is geen knal meer zooals anders, een knal scherp en kort, zoodat men onwillekeurig opspringt. De vochtigheid van de lucht dempt het geluid, dat dof en saai klinkt, alsof men met een beddekussen slaat.

"Ho!"--het paard staat stil, geduldig, met den kop diep gebogen, alleen schudt het nu en dan met de ooren als een bijzonder dikke regendroppel er in valt en zijn staart is een hevel geworden. De voerman staat op de stoep van een huis, neemt zijn druipenden hoed af, slaat hem uit, ('t is monnikenwerk!) krabt zich even achter de ooren, haalt den roodbonten zakdoek uit den broekzak en droogt er zijn gelaat meê af.

De eigenaar van het huis, waarvoor de kar stilstaat, komt naar buiten, bromt, pruttelt en haalt eindelijk de schouders op.

De voerman begint de steenkolen, die hij bezorgen moet, af te laden, en weldra heeft de huisheer een groote zwarte plas op zijn stoep, in zijn gang en op zijn trappen.

Op de trottoirs glimt het asphalt alsof het vernist was, een paar oude juffrouwen staan onder een parapluie te babbelen, haar deert de regen niet; babbelen moeten zij, al ging de wereld ook onder.

Ik caramboleer met een anderen parapluiedrager.

"Pardon!"

"Entschuldigen Sie!"

"Bitte!"

Voor den winkel van een koopman in parapluies sta ik even stil, ik ben in twijfel of ik de mijne ook zal laten repareeren--daarom kijk ik naar binnen.--'t Is om woedend te worden, daar staat de eigenaar met een van pleizier glimmend gelaat achter zijn toonbank en ziet naar de lucht.--De gemeene vent lacht met z'n geheele gezicht.

Goddank! 't is eindelijk één uur geworden--de table d'hôte zal me eenige afleiding geven.--Ik kom naast een allerliefste jonge dame te zitten van plus minus zeventig jaar, met een teint als een sinaasappel en een gezicht, alsof zij er al haar leven meê te koop heeft geloopen. Over mij zit nog zoo'n exemplaar, maar met meer levervlekken, daardoor denk ik aan de schaal van een schildpad--en krijg plotseling een aversie voor de potage á la tortue.

In stilte maak ik de opmerking dat het damespersoneel aan de table d'Hôte over 't algemeen veel heeft van een muséum van antiquiteiten en ik word sterk herinnerd aan de mummies te Leiden.

Mijn appetijt is zoo goed als weg, maar toch eet ik.

De gesprekken aan tafel zijn aangenaam en leerrijk tevens.

"Furchtbares Wetter."

"Oh! entsetzlich!"

"Es regnet heute wie verrückt."

"Touren kann man nicht machen durch diesen abscheulichen Regen."

"Ich reise ab wenn es nicht besser wird!"

"'s Ist fast nie zum aushalten"

"Mein Koffer ist schon gepackt!"

"Ich bin sechs Wochen hier, und immer Regen! Regen!"

Een vrouw met rozen komt binnen:

"Rosen gefällig meine Herrschaften."

De stumperd druipt en maakt de ruggen der gasten aan tafel nat.--De kellner zet haar de deur uit.

De tafel duurt veel langer dan gewoonlijk, want niemand heeft haast; clubjes heeren zitten na het dessert bij elkaar, rook sigaren en drinken champagne. Ik ken geen dier clubjes en uit verveling ga ik naar mijn kamer.

Mijn rechter voet is nat geworden, de naad der bottine is gebarsten, ik trek andere kousen aan, ga op mijn kanapée liggen, doe mijn oogen dicht en kan niet slapen.

Ik neem een boek, 't helpt niet--op het boekenrekje in mijn kamer, staat een bundel "Predigten vom Superintendent Zäh"--ik lees er in--helaas! zelfs daar slaap ik niet van.

't Is om radeloos te worden--ik spring op--neem een pen en papier, steek een nieuwe sigaar op en begin te schrijven, waarover? Natuurlijk over den regen, over iets anders te schrijven zou vandaag positief onmogelijk zijn geweest.

.........................................................................

't Is den hemel zij lof, prijs en dank negen uur 's avonds geworden, ik berg mijn schrijfmap op en ik ga naar moeder Engel's restauratie om een glas bier te drinken.--ik ontmoet daar kennissen die ook pruttelen....

.........................................................................

_11 uur_.--'t Regent nog steeds. Ik ben weer te huis, maar door en door nat.

EEN WARME DAG TE WIESBADEN.

_Reisherinnering_.

Half elf 's morgens: de Thermometer wijst 28° in de schaduw.

Ik zit amechtig op een stoel voor de Restauratie op den Neroberg. Mijn hoed weent innerlijk tranen van medelijden over mijn dwaasheid om bij een dergelijke temperatuur dien berg te beklimmen. Mijn voorhoofd glinstert als ware het met diamanten bezet, mijn zakdoek wischt ze weg, te vergeefs; de zon doet telkens nieuwe ontstaan.

Daar nadert iemand, ik herken hem, 't is een kurgast evenals ik. Zijn hoed houdt hij in de eene, zijn zakdoek in de andere hand; beurtelings wijft hij zich koelte toe en droogt zich voorhoofd, slapen en hals.

Hijgend en blazend knikt hij mij toe en neemt, ademloos tegenover mij, op een stoel plaats. Eindelijk puft hij:

"Benauwd warm vandaag, meneer! 28° in de schaduw, 't zal in de zon wel 32° wezen--neen! zoo'n hitte geef ik present; met zulk weer is 't in Wiesbaden niet uit te houden--dan is 't hier precies een ketel, een braadpan...."

"De mensch is toch nooit tevreden; verleden week, toen we elkaâr toevallig aan tafel ontmoetten, pruttelden wij om 't hardst over den regen."

"O! maar toen was 't óók niet om uit te houden; zoo'n regenachtige dag hier, is om dood melankoliek te worden, dan nog liever 28° in de schaduw. U is zeker ook hier gekomen om lucht te zoeken?"

"'t Was mij te warm in mijn kamer, ze ligt vlak tegenover den Kochbrunnen en heeft den geheelen dag zon...."

"Een lief plekje hier op den Neroberg, prachtig uitzicht."

"Heerlijk! 'k heb 't al wel twintigmaal gezien, maar telkens ga ik er weer naar toe.--Zouden we niet wat verder gaan zitten? 't Wordt hier al weer te zonnig onder de veranda; in de schaduw is het beter...."

"Laten we dan gaan verzitten, mijnheer!"

"Best.--Kellnèr!--'t Is hier onder de veranda waarlijk nog benauwder, 't schijnt wel alsof de hitte hier nog meer hangen blijft.--Kellnèr!--Wat zijn die kellners lui vandaag."

"'t Is ook zoo warm, moet u denken--je kunt het die menschen haast niet kwalijk nemen.--Ah! daar komt er een.--allemachtig wat transpireert die vent!"

"Sie wünschen?"

"Bringen Sie mir eine halbe Rauenthaler...."

"Goeie hemel, drinkt u Rijnwijn bij die hitte?"

"Waarom niet?..."

"Rijnwijn maakt zoo warm.--Bier is veel beter...."

"Bier? Wie viel, zwei Glas?"

"Bier neen! daar wordt je eerst recht benauwd en opgezet van...."

"Eigenlijk heeft u gelijk. Haben Sie Selterswasser?"

"Gewiss! künstliches und echtes."

"Bringen Sie mir eine Flasche Selters, echtes, aber recht kalt."

"Mir auch! und etwas Eis dazu."

"Schön--"

"In einem kühlen Grunde Da geht ein Mühlenrad, Mein Liebchen ist verschwunden Dass dort gewohnet hat"

zingt uit de verte een frissche heldere stem.

"Hoe is 't mogelijk dat iemand bij zoo'n hitte van "einem kühlen Grunde" kan zingen--'t klinkt als een parodie op de 28°."

Met zijn jas over zijn stok, zijn stroohoed aan het élastiekje over den anderen schouder hangend, nadert de jeugdige zanger, gevolgd door twee andere blonde Duitschers. Hun vesten hangen open en de veelkleurige bretels zijn zichtbaar. De drie gezichten glimmen en van een hunner, een dikkert, die bepaalt 90 kilo weegt, zweemt de gelaatskleur naar 't violet.

"Bier her!--Bier her! Oder ich fall um--" hijgt de zanger, terwijl hij, niet ver van ons, met zijn makkers plaats neemt.

De kellner brengt ons Selters water.

"Wünschen Sie auch etwas zu speisen?"

"Eten, bij die hitte?" ik zie mijn vis-à-vis aan; hij mij.

"Eten?--ik stik als 'k er aan denk."

"Geef me water.--Hé! dat smaakt--dat is lafenis!"

Nu krijgt ook het drietal bier en in één teug ledigen zij de glazen, terwijl zij met de lippen smakkend eenparig uitroepen: "Bringen Sie gleich noch drei Gläser."

"Und etwas Göttinger Wurst dazu?" roept de dikkert den kellner na.

Goeie Hemel, worst bij zoo'n hitte; ... de gedachte aan worst maakt me onwel. Dat Selterwater is overheerlijk.

"Drink niet te snel mijnheer. 't Water is ijskoud."

"Heerlijk!" hij smakt met de lippen--"verrukkelijk!"

Een pauze.--

De Germanen trekken hun vesten uit--en bestellen nog meer bier.

"#Puff#!--ik geloof dat men van dat water nog warmer wordt.--'t Is eigenlijk gekheid om bij deze temperatuur op den Neroberg te gaan zitten.--Ik had wel lust om even naar Biebrich te sporen en dan dood kalm en rustig aan den Rijn te gaan uitblazen. Gaat u meê"

"'t Is geen kwaad idée; heeft u een spoorboekje?"

Er gaat een trein om kwart voor twaalf. Dien kunnen wij nog best halen, wanneer we nu dadelijk opstappen en de tram nemen van Beausite af."

"Komaan! dan vooruit!"

Wij betalen onze vertering en dalen langzaam den berg af.

Heerlijk schoon is het bosch ... maar warm, ontzettend warm. De beukeboomen beschutten niet meer voor de zonnestralen, ze zijn er als 't ware door verzadigd en geven nu op hun beurt weer een gedeelte der opgenomen hitte af. Toch is 't niet zulk een benauwde warmte als onder de veranda, want 't hout geurt en hier en daar op een open plek, komt de fijne reuk van pas gemaaid hooi ons te gemoet.

Onder de veranda rook het naar uien.--Bah!--die eeuwige uien in Duitschland zijn onverdragelijk--en vooral bij 28° in de schaduw is Zwiebelgeruch verfoeielijk.

"'t Afdalen is ook niet verfrisschend, mijnheer."

"Ik weet waarachtig niet wat 't ergste is. 'k Ben _en nage_."

"Kijk! daar loopt een eekhoorn."

"Waar?"

"Over den weg--dáár! dáár! hij gaat tegen den dikken beukeboom op--'t is heusch of het diertje 't meer op zijn gemak doet dan anders."

"'t Zal het ook warm hebben."

We volgen een oogenblik met de oogen den vluggen klimmer, die eindelijk op een vooruitstekenden tak, hoog boven ons, met den staart omhoog blijft zitten en ons met zijn kleine schrandere oogjes aankijkt alsof hij zeggen wil:--"Ik lach jelui uit, ik zit hier lekker tusschen de bladeren en ik heb 't lang niet zoo warm als je wel denkt."

't Is buitengewoon stil in het bosch, geen vogel tjilpt, het schijnt wel alsof ze slapen, een enkele spreeuw vliegt even op tusschen het kreupelhout, gaat een eindje verder weer zitten en pikt onbekommerd over onze nabijheid in zijn vleugels.

Een oud moedertje met een ontzettend grooten bos dood rijshout op het hoofd, kruist onzen weg, ziet ons, haar tandeloozen mond tot een vriendelijken grijns vertrekkend, aan, strekt de magere hand uit en vraagt: "Lieber Herr! schenken Sie mir etwas, bitte?"

"Groote Hemel, bij 28° hitte met een vracht hout op 't hoofd, 't is om medelijden te hebben. Daar moedertje."

"Segne's Gott lieber Herr!"

In de verte hooren wij de schel van de tram.

We bereiken haar nog juist, en vinden, vóór bij den koetsier, een plaatsje.

"Verkwikkelijk zoo'n ritje."

Heerlijk blaast ons de lichte wind, door 't voortrollend voertuig geboren, in 't gelaat, maar och! die arme paarden, ze zijn eigenlijk bruin van kleur, af neen! de eene is een vos, maar ze zien tot bijna over de helft van hun lichaam zwart; zwart door de vochtigheid, die met ongestemde kracht uit hun huidporiën dringt. De conducteur glimt als een tomaatappel, als hij uit het binnenste van de tram komt om ons geld in ontvangst te nemen.

Nu en dan schuift een der ongelukkigen, die binnen-in zitten, de deur achter ons open, om in 's hemels naam een aasje verlichting te hebben, maar telkenmale doet een hoestend, uitgedroogd, lederachtig mannetje de deur weder dicht, met de opmerking, dat hij geen tocht verdragen kan, en dat 't waarlijk niet zoo erg warm is.

Juist bijtijds bereiken wij het station, nemen kaartjes en stappen in de 2e klasse.

"Groote hemel, meneer! dat's positief niet uit te houden, dat's erger dan een bakkersoven," roept mijn reismakker uit, als hij 't portier van een "Nichtrauchercoupé" opent.

Geen wonder; de zon heeft met volle kracht op den stilstaanden wagen geschenen en de warmte daarbinnen minstens met 8° of 10° verhoogd; 't is alsof de hitte van een gloeiende kachel ons tegemoet komt.

"Ziet u wel meneer dat ik gelijk had om u te raden 3e klasse te nemen; bij deze temperatuur is...."

"Einsteigen meine Herren!"

"Wir wollen lieber dritter Klasse fahren!"

"Alles besetzt, einsteigen bitte!"

In 's hemels naam dan. Wij stappen in, steken ieder ons hoofd uit een der portieren, en rijden weg. We herademen, maar moeten onze hoofden terugtrekken, omdat onze oogen niet tegen zooveel stof bestand zijn.

"Die Billette, gefälligst?"

Een Duitsch conducteur zal steevast bij 2e klasse passagiers bovenstaande drie woorden gebruiken. Voor de 4e klasse bezigt hij alleen het woord "_Billette?_" In de derde klasse hoort men van hem "_Die Billette?_" terwijl hij bij 1e klasse passagiers vriendelijk vraagt: "_Bitte gefälligst Billette vorzuzeigen?_" Bij hem staat het aantal woorden dat hij gebruikt steeds in omgekeerde rede tot het No. der klasse waar hij zich bevindt.

Eindelijk zijn wij te Biebrich. Heerlijk, verkwikkend kabbelt de Rijn; verrukkelijk tintelt de zon in het water. Gartenwithschaft van 't Hotel "Zur Krone" vinden we een koel plekje.

't Is toch nog warmer geworden, want de zon staat in 't zenith, maar de koelte van 't water reageert tegen de zonnestralen. Mainz ligt links van ons, als in een lichten nevel gehuld. Het is alsof de lucht trilt van de hitte. De groene bergen aan weerzijden van den oever verkwikken ons oog. Wij herleven.

We moeten iets gebruiken, want de kellner nadert en vraagt beleefd:

"Sie wünschen?"

Wij nemen koffie--heete koffie!--'t is homéopatisch; waarlijk de koffie maakt ons niet warmer. Een paar kleine bengels van 10 of 12 jaar gaan vlak voor ons op hun hoofd staan en loopen op hun handen heen en weer, terwijl ze de naakte voeten omhoog steken.

