Op Martinique en Sint-Vincent, de veelgeteisterde eilanden De Aarde en haar Volken, 1904
Part 4
De heer S., de reiziger, van wien ik spreek, was met een opdracht van zijn regeering gegaan naar Dominica, Sint-Lucia, Grenada, Sint-Vincent, Antigua en Sint-Kitts, en na een bespreking met de verschillende gouverneurs had hij er lezingen gehouden en aankondigingen gezet in plaatselijke bladen over de voordeelen, die de kleinere eilanden zouden kunnen trekken uit een geregelde en verstandige aankweeking van de verschillende vruchten, die geregeld aftrek konden vinden in Engeland. Daar de medewerking van de londensche stoombootmaatschappijen verkregen was, zoowel in zake verlaging van de vrachten, als wat betreft de inrichting van verkoelingsapparaten aan boord, hing het slechts van de bewoners af, zich een degelijke bron van inkomsten te openen en terzelfdertijd mee bij te dragen tot de verheffing van hun land, dat zeer beslist achteruitgaande is, sedert de aanplanting van suikerriet om voldoend bekende redenen niet meer dezelfde voordeelen oplevert als vroeger.
Het voornaamste artikel, waarop de heer S. de aandacht vestigt, is de banaan, die zeer gemakkelijk vervoerbaar is, als men ten minste een voorbeeld wil nemen aan Jamaica, de Kanarische eilanden en andere streken en de vrucht niet gaat inschepen, dan wanneer zij dien graad van rijpheid heeft verkregen, waarvan de ervaring leert, dat hij geëischt moet worden. Maar buiten deze uitstekende en meer en meer op den juisten prijs gestelde vrucht, heeft men dan nog de oranje, de ananas en zelfs de manga, waarvan men nog niet lang geleden het vervoer voor onmogelijk hield en die tegenwoordig in zeer goeden staat in Europa wordt aangevoerd.
Het voorbeeld, dat Jamaica heeft gegeven, is treffend. Als zooveel andere koloniën ging het eiland sinds verscheidene jaren sterk achteruit. De energie der planters, samen met den krachtigen steun van den vorigen gouverneur, hebben deze kolonie geheel doen opleven. Men heeft zoo goed als geheel afstand gedaan van het planten van suikerriet en is begonnen, op groote schaal bananen te planten. De Vereenigde Staten zijn eerst de voornaamste afnemers geweest; daarna is Europa gevolgd, en op dit oogenblik beloopt de jaarlijksche uitvoer drie-en-een half millioen trossen bananen. Ik noem slechts pro memorie den uitvoer van honderd millioen oranjeappelen per jaar en van een kolossaal aantal ananassen.
Ik was verbaasd, toen ik in Maart jl. Jamaica bezocht, waar ik in twintig jaren niet was geweest, alles zoo veranderd te vinden. De kolonie van toen vergelijkend met het bloeiende land van heden, vond ik in de hoofdstad, in plaats van de bescheiden herberg, waar ik was afgestapt indertijd, twee groote hotels, geheel europeesch ingericht, verscheiden tramlijnen, een aanzienlijke drukte en in één woord een stad, zesmaal grooter dan de plaats, die in mijn herinnering leefde, en jaarlijks stroomen van toeristen lokkend, zoowel uit Amerika als uit Engeland. Iemand, die er lang had gewoond, en wien ik mijn verbazing te kennen gaf over de groote veranderingen in die betrekkelijk korte periode, antwoordde mij laconiek: "Dat komt alleen van het telen van bananen; daar hebben wij dat alles aan te danken en ook aan onzen gouverneur, Sir Henry Blake, die overal goede wegen heeft laten aanleggen."
Een der meest gewaardeerde variëteiten op de amerikaansche markten is de banaan van Martinique, die bij uitstek geurig is, en toch is Martinique juist het eenige eiland der Antillen, dat ze niet uitvoert. Ik beweer volstrekt niet, dat ik iets nieuws vertel aan de autoriteiten, die in deze zaak iets te zeggen hebben; verschillende schrijvers hebben het reeds gehad over de quaestie, die ik hier heb aangeroerd en in enkele koloniën heeft het openbaar gezag de aandacht der planters op de cultuur van bananen gevestigd. Maar kan het overbodig zijn thans, met het gezag van cijfers tot steun, de resultaten aan te wijzen, die Jamaica heeft verkregen, in dezen tijd juist, nu het arme Martinique meer dan ooit behoefte eraan heeft, zich te verheffen? En is het geen tijd voor de opmerking, dat de centra van cultuur, daar op verstandige wijze in het leven geroepen door den gouverneur Lemaire, zich zeer goed zouden leenen voor proefnemingen, waarvan het groote belang een ieder in het oog moet springen?
Wat men dan terzelfder tijd moet trachten te verkrijgen, is de medewerking der goede stoombootmaatschappijen; want het is noodig, dat zij hun paketbooten voorzien van de noodige inrichtingen voor 't vervoer van vruchten van de Antillen naar Europa.
AANTEEKENING
[1] Dit is de heer Sapper, wiens reisverhaal "Uit Middel-Amerika" wij voor eenige maanden, blz. 337 vlgg. van den vorigen jaargang, gaven.