Op Martinique en Sint-Vincent, de veelgeteisterde eilanden De Aarde en haar Volken, 1904
Part 2
De wolk, die volgens hem bestond uit heete asch en kokend water, zonder eenige toevoeging van steenen, kwam van den berg naar beneden met verwonderlijke snelheid, alles wat zij op haar weg vond, op zij schuivend en vernielend. Veel menschen werden oogenblikkelijk verstikt; anderen kregen afgrijselijke wonden, waarin de asch een korst vormde. Er waren er, die neus en ooren hadden verloren en verscheiden van deze ongelukkigen bezweken na eenige dagen van afschuwelijk lijden. Als men zich tusschen de ruïnen beweegt en een blik werpt op de hoopen puin, is het, of men de uitwerking van een cycloon vóór zich ziet. Er zijn huizen totaal versplinterd, alsof ze in een vijzel waren fijngestampt.
Van Morne-Rouge, dat coquette dorpje, dat ieder toerist vroeger ging bezoeken, is nu niets anders over dan een deel der kerk en een paar huizen.
Voordat ik Lorrain weer bereikte, hield ik mij te Assier op, waar de heer Lacroix een tweeden post heeft opgericht, om den gevaarlijken buurman te kunnen observeeren. Het hoofdobservatorium is bij Fond-Saint-Denis op een hoogte, van waar men het verwoeste gebied geheel beheerscht; het is een soort van kazemat, een echt fort, met den ingang natuurlijk aan de van den vulkaan afgekeerde zijde. Men kijkt er op een deel van den krater, en onophoudelijk wordt de bewaking volgehouden. Elken dag wordt een bulletin naar Fort de France getelefoneerd, waar het wordt aangeplakt en van waar het wordt bekend gemaakt in alle gemeenten van het eiland.
Toen ik in Assier was, stond de post onder leiding van den franschen zeeofficier Le Cerf, die zoo vriendelijk was mij te vergezellen op mijn tocht door de omstreken. Ik daal zelfs af in de kleine onderaardsche schuilplaats, waarvan de toegang door een zeer stevige steenen deur is afgesloten en die in geval van onraad dienst moet doen. Nog had ik het geluk, te Assier bij toeval den top vrij van damp te zien; maar de beide vingers zijn verdwenen; ik zie nu slechts een reuzensuikerbrood, dat opsteekt in de lucht.
De brave gendarmen deelen mij, zoowel te Lorrain als op de andere plaatsen, waar ik hun gastvrijheid heb genoten, zeer aangrijpende bijzonderheden mee omtrent allertreurigste tooneelen, die zij hebben bijgewoond. Hun taak is zwaar geweest en hun toewijding is alle lof waard. Velen van hen zijn omgekomen, zoowel te Saint-Pierre als te Morne-Rouge, en herhaaldelijk hebben zij geweervuur moeten doorstaan van plunderende benden. Bedreigd door den vulkaan en tevens door de gloeiend heete en gespleten terreinen, waar zij van den morgen tot den avond moesten bezig zijn en vaak ook 's nachts, gebroken van vermoeienis, waren zij maar blij, als ze hier en daar een gewonde ontdekten, die nog door dadelijke hulp misschien te redden was. Als deze flinke kerels er niet waren geweest, zou er veel meer geplunderd zijn, en tal van ongelukkigen, die geen hulp kregen en geen lafenis, zouden omgekomen zijn, zonder dat een menschenoor hun klachten en hun smartkreten opving. Het ambt van gendarme in de koloniën is een moeilijke post, vooral omdat men ieder uur en in allerlei weêrgesteldheid naar groote afstanden kan worden geroepen, en eerst na zes jaren dienst heeft deze bescheiden landsdienaar recht op een verlof van zes maanden, terwijl de kantoorman, eenige uren per dag over zijn lessenaar gebogen, en bijna altijd door de politiek in beslag genomen alsook door de zorg, zijn sigaret niet te laten uitgaan, eindelooze malen verlof krijgt...... tot herstel van gezondheid!
Mijne vrienden, de gendarmen, vinden nog den tijd, om in hun vrije oogenblikken een tuintje in orde te houden en een formeel tegenbewijs te leveren tegen de bewering van de ledigloopers, dat het klimaat niet geschikt is voor het kweeken van europeesche groenten. Ik zie die echter niet enkel groeien, maar ik proef ze aan den disch, zoowel knolletjes als doperwten, tomaten, salade, wortelen, kool en druiven zelfs.
"En de slang, de beruchte Trigonocephalus, de gevaarlijke met den driehoekigen kop, die eertijds altijd op Martinique onderwerp van gesprek was, komt die nog evenveel voor als vroeger?" vroeg ik op een dag aan een brigadier, die mij vergezelde op een uitstapje te paard, waar we een met dicht struikgewas bezet terrein hadden te passeeren.
"Veel minder dan vroeger," zei hij mij, "sedert men hier en op Sint-Lucia den ichneumon heeft ingevoerd, die onrustbarend snel in aantal toeneemt en een ware slachting aanricht onder de gevaarlijke kruipende dieren. Maar diezelfde ichneumon, die geen slangen genoeg meer vindt om te verslinden, begint nu kippen te verorberen en wordt de schrik van den landbouw."
De weg van Lorrain naar La Trinité is zeer schilderachtig en loopt aan dezen kant van 't eiland langs de altijd fel bewogen zee. Vaak is Marigot het eenige punt aan deze kust, waar men aan land kan gaan. Toen ik er passeerde wendde zich een schoener naar de baai; maar de vlag, juist door een beambte aan de haven geheschen, geeft aan, dat ze moet terugkeeren. Mijn koetsier vertelt mij, dat men dikwijls, om fusten rhum te kunnen inschepen, ze in zee moet werpen en ze dan met een boot al duwend naar het schip moet brengen, waar ze aan boord worden genomen. Na de verwoesting van Saint-Pierre hebben verscheidene in deze streken gevestigde planters van suikerriet het plan opgevat, een nieuwe stad in 't leven te roepen op de oostkust of ten minste de inrichting van een groote haven te La Trinité te ondernemen. Ik heb echter ter plaatse vernomen, dat men hiervoor weinig steun vindt bij de autoriteiten. Maar wat zou een spoorweg, die Fort de France met de oostkust verbond, groote diensten bewijzen en wat zou hij een zegen zijn voor de ontwikkeling der kolonie! Helaas! De spoorwegen worden, naar het schijnt, op dit arme Martinique nog ad calendas graecas verschoven.
Ik word te Sainte-Marie verwacht door een vriendelijken planter, die mij te déjeûneeren heeft gevraagd, en die vóór den eten mij zijn groote bezitting rond leidt. Hier zie ik ten minste wijde velden suikerriet en word er vervoerd in een klein wagentje op rails met smal spoor, dat "truc" heet en door een muilezel wordt getrokken. In dit gastvrij huis ben ik in gezelschap met een eerbiedwaardig grijsaard, die met zijn vrouw en twee dochters bij zijn schoonzoon inwoont, eigenaar van de suikerplantage. Hij is wel echt een slachtoffer van de uitbarsting van den vulkaan, een door de ramp getroffene, zooals ik er verscheiden in de laatste weken heb ontmoet, volkomen geruïneerd door het gebeurde, vóór de catastrophe een welvarend man, thans tot den bedelstaf gebracht. Zijn bezitting te Prêcheur is geheel verwoest, en de ongelukkige lijdt alleen geen gebrek, omdat de familie zich over hem heeft ontfermd.
Weldadigheid is hier op schitterende wijze aan den dag gelegd, zoodra de berichten van de ramp de harten luider hebben doen kloppen door de gansche wereld, en millioenen zijn gegeven, om de ongelukkigen te helpen. Wie zijn echter de werkelijk door de ramp getroffenen, en welke sommen heeft men aan hen uitgekeerd? En daarentegen, wie hebben 't meest geprofiteerd van de algemeene edelmoedigheid?
Een zeer sectarische geest heeft bij de uitdeelingen den toon aangegeven. Vóór zij hulp verleenden, onderzochten de ambtenaren niet, hoe de gesteldheid van het slachtoffer, maar welke zijn politieke overtuiging was, want alles is politiek in dit arme land, en de blanke bevolking, die gestadig in aantal teruggaat, wordt overstemd door de meer en meer veldwinnende negerklasse. Die menschen zijn kiezers vanaf den man, die eenig onderwijs genoten heeft, tot den eersten den besten straatslijper, die u onbeschaamd aanstaart, die allerlei gebreken heeft, niets liever wil dan stelen en wiens traagheid en onverschilligheid aan het ongeloofelijke grenzen. De uitbarstingen van den Mont-Pelé zijn een bron van inkomsten geworden voor die bende leegloopers, die maar al te blij zou zijn, als zoo'n ramp zich herhaalde.
Wat hebben zij, met uitzondering van een klein aantal van hen, verloren? In 't geheel niets, omdat zij niets bezaten dan de enkele vodden, die zij om zich hadden hangen en omdat hun behoeften zeer beperkt waren; zij zijn plotseling welvarend geworden doordien zij gratis voedsel, woning en kleeding kregen. Een schip, dat van Fort de France kwam, heeft geen arbeiders kunnen krijgen, om de lading te lossen, want de door de ramp getroffenen weigerden te werken, zelfs voor vier francs per dag. Een boot, uit Amerika gekomen met levensmiddelen, verkeerde in hetzelfde geval; de bemanning heeft toen zelve het werk moeten verrichten. Daarentegen vonden de toeristen altijd gidsen gereed, zooveel ze maar verlangden, om hen te vergezellen naar de ruïnen van Saint-Pierre; dat was een middel om op de verboden terreinen te komen en daar ongemerkt hun slag te slaan.
De politiek, de verkiezingen, ziedaar de spil, waar alles om draait. Er moesten den 9den Mei verkiezingen te Saint-Pierre plaats hebben; men wilde niet, dat de bevolking de stad zou verlaten ondanks het dreigende gevaar. De commissie van geleerden(!) stelde haar gerust en beweerde, dat er niets te vreezen was. De verwoesting van de fabriek Guérin, de hevige overstroomingen van de Rivière Blanche, de ontploffingen in den vulkaan, al die onrustbarende voorteekenen, die het een na het ander zich voordeden, waren onbeteekenende incidenten. En den volgenden dag waren tweeduizend blanken, kooplieden met hun gezin, zij die tezamen het crediet en de traditie in de stad vertegenwoordigden, de slachtoffers der gruwelijke ramp geworden.
Bij mijn vraag aan verschillende blanken en creolen, hoeveel zij ontvangen hadden van de weldadigheidsmillioenen, was het antwoord steeds precies hetzelfde: niets, volstrekt niets. Ik heb te Fort de France een ouden planter gesproken, dien ik op een vorige reis had ontmoet, en die nu geheel geruïneerd was. Hij mocht zich gelukkig rekenen, omdat hij een bescheiden plaats als employé in een handelshuis had gekregen, terwijl een neger, die vroeger bij hem in dienst was geweest en die nooit een stuiver had bezeten, thans in omstandigheden verkeerde, die hij zich nooit had kunnen droomen, in zijn soort een renteniertje met een huis en twee hectaren gronds. En hoeveel van de millioenen is er gebruikt voor de verkiezingspropaganda? Zelfs gedurende de ramp en daarna waren de autoriteiten vol van dit eene: de verkiezingen.
Alleen de inboorlingen hebben van het vette hapje geprofiteerd; beheerders van de fondsen hebben een deel van den buit weten te bemachtigen. Een dorpsburgemeester, verkiezingsagent, die op den voorgrond trad, had de opdracht gekregen, zorg te dragen voor het onderhoud van twee duizend slachtoffers der ramp; hem werden zeventig centimes per hoofd en per dag verstrekt. Die weldoener tegen contante betaling wist het zoo in te richten, dat hij ze in 't leven hield met twee of drie stuiver per dag en aldus vergaarde hij een aardig spaarpotje voor zijn ouden dag.
De tegenwoordige gouverneur, de heer Lemaire, van wien het alle eerlijke menschen spijt, dat hij niet vroeger is gekomen, om den Augiasstal te reinigen, heeft een zware taak, en hoewel hij de goedkeuring wint van allen, die belangstellen in den vooruitgang der kolonie, staat hij bloot aan de aanvallen der pers, die hem heftige beleedigingen toevoegt. Ook komt hij natuurlijk in botsing met de leegloopers, die bij de anarchie van eenige maanden zijde hebben gesponnen. Zijn plaats daar is geen sinecure, dat heb ik kunnen waarnemen gedurende de maand, toen ik op het eiland vertoefde.
Het is mij dikwijls gebeurd, dat ik aangesproken werd door een neger of een negerin, die een aalmoes vroeg. Die lastige wezens zeggen dan met huilerige stem, dat ze tot de verongelukten behooren, en hebben mogelijk gewoond ergens heel ver van het tooneel der ramp verwijderd. Men zou meenen in het Oosten te zijn, waar altijd "baschish" wordt gevraagd.
De gouverneur is met allen mogelijken ijver zich gaan toeleggen op het stichten van nieuwe dorpen en centra van landbouw voor wie werken willen en zich weer een positie willen veroveren. Er zijn daarvan reeds zes of zeven, en ik heb aan de voornaamste een bezoek gebracht. In het begin was het aantal zwarten van goeden wille heel klein; ze gaven de voorkeur aan een bedeeling in geld, waarbij ze in luiheid hun dagen konden slijten. Maar toen ze zagen, dat de tijd van giften en gaven voorbij was, heeft een zeker aantal van hen besloten, de spade ter hand te nemen en onder goed ingericht toezicht het huis, de gereedschappen en het hoekje grond te aanvaarden, die hun gratis worden verstrekt. Te Tivoli, op den weg naar Balata, ga ik door een gloednieuw dorp, van ongeveer 150 H.A. oppervlakte, waar een duizendtal inwoners over 170 zindelijke huisjes zijn verdeeld.
Daar ik het Zuiden van Martinique niet ken, neem ik met ingenomenheid de uitnoodiging aan van den heer Lemaire, om hem te vergezellen op een inspectiereis, die hij heeft te maken. Aan boord van de Jouffroy begeven wij ons naar Trois-Ilets en naar Anse d'Arlet. Het eerste is de geboorteplaats van Joséphine de Beauharnais; op eenigen afstand van het dorp wijst men u nog het nu geheel vervallen huis, waar zij het eerste levenslicht aanschouwde, terwijl de oude dorpskerk het graf van haar moeder bevat. De streek is weinig bewoond en ik ontdek slechts schaarsche sporen van landbouw, ofschoon men kan zien, dat de grond overal vruchtbaar is. Als ik het laatste jaarverslag van de kolonie opsla, vind ik slechts een opbrengst van 40 millioen kilo suiker, 14 1/2 millioen liters tafia en rhum en bijna 1/2 millioen kilo cacao. Anders niets. Dit diepe verval staat niet met economische toestanden in verband, maar met traagheid en gebrek aan geest van initiatief bij de bewoners.
Te Trois-Ilets stelt de maire aan den gouverneur de eenige vrouw voor, die de ramp van Saint-Pierre heeft overleefd. Aan den buitenkant der stad wonend en verschrikt door de nadering der wolk, heeft zij zich in haar huis gebarricadeerd en is onder een tafel flauw gevallen. Tot bewustzijn gekomen, zag ze alle leden van haar gezin dood om haar heen liggen. Ofschoon ze hevig gebrand was, is ze door de zorgen, die men aan haar heeft besteed, ten slotte behouden gebleven. In zulk een ongelukkige kan men belang stellen; zij is wat anders dan die lastige individuen, die mij vervolgden met hun eeuwig: "Een kleine gave! Door de ramp getroffen! enz."
Te Anse d'Arlet heb ik, terwijl de gouverneur een onderhoud heeft met de dorpsautoriteiten, nog een mooie gelegenheid voor zedestudiën. Op drie verschillende plaatsen passeer ik groepjes, die in levendig gesprek zijn. Het onderwerp der discussie is niet moeilijk te raden, 't is altijd politiek, hun eenig stokpaardje, waarop zij van 's morgens tot 's avonds draven. Als ik dan, bij het aanhooren van de verhandeling van een ouden neger, niet nalaten kan te glimlachen, werpt de man mij een woedenden blik toe en voegt erbij: "Ik zeg, wat ik wil; ik ben even goed kiezer als jij." Wanneer zal men in regeeringskringen eens begrijpen, dat het stemrecht, aan al die zwarten geschonken, een anomalie, een dwaasheid is, en dat de politiek de kanker is, die knaagt aan de ontwikkeling en de welvaart der arme koloniën?
Als de neger van Martinique nog alleen maar de geïncarneerde luiheid vertegenwoordigde, zou men hem kunnen beschouwen als een drukfout in het boek van de natuur, maar dit treurige product meent, dat hij onze gelijke is en de wetten stijven hem in die opvatting, want zij erkennen hem als zoodanig. Hij is kiezer, dit wezen zonder opvoeding en onderwijs, verstoken van zedelijkheidsgevoel en van wat niet al meer! Wat doen de Engelschen en Nederlanders er toch goed aan, dat zij hen op hun rechte waarde schatten, dat ze in de rechtbanken slechts europeesche magistraatspersonen plaatsen, aan de inboorlingen geen stemrecht verleenen en 't stellen zonder Eerste en Tweede Kamerleden uit de koloniën!
II
Nadat ik alle ellende en alle gruwelen van de ongeëvenaarde natuurramp met de gruwelijk vele sterfgevallen heb gezien, rust ik drie dagen uit op een ideaal eiland, Trinidad, dat een zeer gunstige tegenstelling vormt met het pas verlaten oord. Ik vind er een zeer comfortabel hôtel, goede rijtuigen, electrische trams, een politie op zijn europeesch, die den neger in bedwang weet te houden. Een uitstekende boot, annex aan de Royal Mail, brengt mij vervolgens naar Tabago, daarna naar Grenada en ten slotte naar Sint-Vincent, waar een ramp, gelijk aan die van Martinique, bijna de helft van het eiland heeft verwoest.
Sint-Vincent is een der kleinste eilanden van de Antillen; het is slechts 27 K.M. lang van 't Noorden naar het Zuiden en de gemiddelde breedte bedraagt maar 17 K.M. Na van Grenada te zijn vertrokken, vaart men langs een geheele reeks van kleine, slechts zeer schaars bewoonde eilandjes. De hoofdstad van Sint-Vincent, Kingstown, ligt op het zuidelijk uiteinde; het is een onbeteekenend stadje. Buiten Château-Belair op de westkust en Georgetown op de oostkust, heeft het eiland enkel nog een paar kleine dorpjes; de totale bevolking blijft nog een weinig beneden vijftig duizend zielen.
In vroegeren tijd waren de suikerplantages er betrekkelijk bloeiend; nu beteekenen ze weinig. De planters doen in hoofdzaak aan den verbouw van arrowroot; het zetmeel van den wortel wordt gebruikt bij de bereiding van cacao en chocolade en doet in de apotheken dienst; wat het eiland aan maniok, cacao en vruchten oplevert, is van weinig belang. Nauwelijks een derde van den grond is in cultuur, ook al doordien een groot gedeelte van het eiland ingenomen wordt door een vulkanenketen, waar op vele plaatsen de natuur een woestijnkarakter draagt. Verscheiden toppen reiken tot een hoogte van 600 à 1000 M; de voornaamste, de Soufrière, in het Noorden, juist op dezelfde plek als de Mont-Pelé op Martinique, bereikt 1130 M.
De eilanden Grenada en Sint-Vincent hebben denzelfden gouverneur, die om beurten op het eene en het andere eiland verblijf houdt, het meest op Grenada. Tijdens zijn afwezigheid wordt de leiding der staatszaken toevertrouwd aan een administrateur, die in het gouvernementshuis woont. Ik haast mij, den heer Cameron een visite te brengen, want de gouverneur, Sir Robert Llewellen is op het oogenblik op Grenada geïnstalleerd, en hem den brief ter hand te stellen van het ministerie van koloniën te Londen, mij in zijn welwillendheid aanbevelend. De heer Cameron stelt zich op de hoffelijkste manier te mijner beschikking en biedt mij in het regeeringsgebouw gastvrijheid aan.
Om in het verwoeste gebied te komen, zal ik mij in een boot naar de westkust hebben te begeven tot Château-Belair, en later per rijtuig moeten gaan naar Georgetown op de oostkust, waarbij ik het eiland op het breedste gedeelte doortrek, van de kust die onder den wind is tot de windkust toe. Ik zal dezen keer reizen, niet met den beminnelijken heer Lacroix, maar met een geleerden Duitscher, den heer Sapper, [1] dien ik reeds op Martinique had ontmoet en die op een studiereis naar de beide eilanden is uitgezonden, nadat hij de vulkanen van Guatemala heeft bezocht. Wij hebben het noodige proviand meegenomen, en wij vertrekken vroeg in den morgen uit Kingstown in een roeiboot met krachtige mannen aan de riemen.
Terwijl we dicht langs de kust voeren, kreeg ik een indruk van de geweldige schokken en woelingen, waarvan Sint-Vincent het tooneel moet zijn geweest in ver achter ons liggende eeuwen. Het eiland is eerst in 1498 door Columbus ontdekt, en de geschiedenis gewaagt slechts van één hevige uitbarsting in 1812. Hier heeft men mij evenals op Martinique boeken laten zien en geschriften, die van den Soufrière en den Mont-Pelé spreken als van uitgedoofde vulkanen!
Wij gaan voorbij lagen lava van vele meters hoogte, in twee verdiepingen liggend, waartusschen een laag plantengroei duidelijk aantoont, dat er waarschijnlijk eeuwen zijn verloopen tusschen de vorming van het eerste plateau en die van het tweede.
Op enkele plaatsen bevat de compacte massa tufgesteenten en groote steenen, hoopen asch, tot een vaste substantie geworden, zelfs zoogenaamde bommen, gloeiende kogels, als de vulkaan ook verleden jaar heeft uitgeworpen. Het is gemakkelijk te zien, dat die vroegere uitbarstingen gepaard zijn gegaan met sterke lavastroomen, 't geen in 1902 noch hier, noch op Martinique het geval is geweest.
Wij komen te Château-Belair. Er is geen hôtel, maar toch een woning voor vreemdelingen, een rest-house, als de Engelschen zeggen. Het ziet er zeer zindelijk uit en dient tot verblijfplaats voor de weinige vreemdelingen, die aankomen, alsook tot politiebureau, post- en telegraafkantoor. Een vriendelijke bediende brengt mij in een behoorlijke kamer, pakt mijn voorraad uit en voltooit het menu van mijn maaltijd met versche eieren en thee. De duitsche geoloog geniet gastvrijheid bij een wesleyaanschen geestelijke, die in de plaats woont en brengt den avond met zijn gastheer door, waarbij zij samen toebereidselen maken voor de bestijging van den Soufrière op den volgenden dag. Daar ik de volharding en het uithoudingsvermogen van den echten Alpenbeklimmer mis en noch den moed, noch den wensch heb, mij te wagen aan een zoo gevaarlijke expeditie, zal ik slechts tot een zeker punt met hen meegaan. Ik ben bij 't eerste aanbreken van den dageraad al bij den steiger, waar het bootje ons wacht.
Weer een lavakust met veel bazalt; iets verder doen zich plateaux voor, vol asch, waarop de resten van een paar fabrieken zijn te zien, verwoest bij de uitbarsting van 7 Mei. De roeiers zetten ons af in een bocht, en wij beklimmen een wand, uit min of meer vast geworden asch bestaande, en waarin wij treden uithouwen met onze houweelen, steunend op onze stokken. De top van den vulkaan is in dampen verscholen, en de hellingen zijn verlengd in een dikke laag asch, die buitendien de geheele vlakte overdekt.
De asch is over 't algemeen van een grijze kleur, hier en daar vrij donker van tint en is afkomstig van de laatste uitbarstingen. Die van 7 Mei had juist de parelgrijze kleur der asch van den Mont-Pelé, ook bij latere uitbarstingen steeds die tint vertoonend, en voelt bij aanraking verrassend zacht aan, zoo iets als poudre de riz. Veel asch van den Soufrière uit de maanden Juni, September en October is korrelig; ik heb er in de buurt van Georgetown wel opgeraapt, die den indruk maakte van jachthagel. Sedert ik in Europa ben teruggekeerd, is er nog op Sint-Vincent een vrij hevige uitbarsting geweest, namelijk den 22sten Maart. De gouverneur heeft mij een staaltje gestuurd van de toen in de stad Kingstown zelve gevallen asch; die was heel fijn, bijna zwart en vertoonde een lichten metaalglans.
Ik ben één en al verbazing over de woestijn, die zich naar alle kanten uitstrekt, en een paar uur lang loop ik in verschillende richtingen, voorzichtig om de spleten, die de grond vertoont. De hevige regens van zomer en herfst hebben de enorme laag asch gescheurd en gespleten en in die massa, die daar zich uitbreidt, zoo ver het oog reikt, hebben ze op sommige plaatsen echte kloven doen ontstaan. Mijn metgezellen zijn al lang weggegaan met een zak op den schouder en den met ijzer beslagen stok in de hand. Ik bereik weer het strand, en mijn roeiers krijgen, nadat ze mij naar Château-Belair hebben teruggebracht, de opdracht, naar de baai terug te keeren en de terugkomst van de bergbestijgers af te wachten.