Op Hoop van Zegen: Spel van de Zee in 4 Bedrijven

Part 5

Chapter 53,957 wordsPublic domain

KNIERTJE. Ben je weze kijke?...

JO (angstig). Ik kon niet tegen de wind op – de halve wering is weggeslage... de pier staat onder (een stilte. Kniertje bidt)... O! O! ’k Ben kapot van die smerige verhale!

KNIERTJE. Ik herken jou niet van avond – Ben je ooit zoo geweest toen Geert bij de marine voer? Ga na je bed – en bid – bidde is de éénige troost – ’n zeemansvrouw mot niet zwak weze – Over ’n paar maande stormt ’t weer, tellekes weer – en d’r zijn meer visschers op zee dan onze jonges (haar praten gaat in zacht prevelen over – de ouwe vingers betasten den rozenkrans).

JO. Barend hebbe we haast weggejaagd – tot ’t laatst heb ’k ’m gesard... (ziende dat Kniertje bidt, loopt zij handenwringend naar het raam, trekt het gordijn aarzelend op, staart door het glas. Dan, voorzichtig opent zij een der vensterdeuren. De wind buldert het gordijn omhoog – de lamp danst – ploft uit. Snel trekt zij het raam dicht.)

KNIERTJE (driftig van angst). Da’s toch gekkewerk! Blijf met je poote van ’t raam!...

JO (kermend). O! O! O!...

KNIERTJE (hevig-beangst). Hou je bèk! Zoek dan de lucifers! Haast je dan wat! – Naast ’t zeepbakkie! (een stilte) Heb-ie ze?... (Jo steekt huilend-angstig de lamp aan) ’k Ben gewoon koud geworde (tot Jo, die snikkend bij ’t vuur hurkt)... Wat zit je nou?...

JO (drensend). ’k Ben bang...

KNIERTJE (angstig). Mot je niet weze...

JO. As ’r iets gebeurt – dan – dan – ...

KNIERTJE. Wees nou verstandig en klee je uit...

JO. Nee, ’k blijf hier de heele nacht.

KNIERTJE. ’k Vraag je – hoe ’t dan mot – as jullie getrouwd – as je zellef moeder...

JO (hartstochtelijk). Je weet niet wat je zegt – je weet niet wat je zegt, tante Knier! – As Geert (stokt hijgend) – ’k Heb ’t je niet durve zegge...

KNIERTJE. Is ’t tusschen jou en Geert... – (Jo snikt hevig) Da’s niet mooi van je – niet mooi om geheime te hebbe – jouw jongen – jouw màn, is mijn zoon. (een stilte – de wind giert) Kijk niet zoo in ’t vuur – huil niemeer. ’k Zal geen harde woorde zegge – al was ’t verkeerd – van jou en van hem. – Kom, ga over me zitte – dan zulle we samen (legt haar gebedenboek op tafel).

JO (wanhopig). Ik wil niet bidde...

KNIERTJE. ... Niet bidde?

JO (gejaagd). As ’r iets gebeurt...

KNIERTJE (heftig) ... ’r Gebeurt niks!

JO (woest) ... As ’r iets – iets – iets – dan bid ’k nooit meer, nooit meer – dan is ’r geen God en geen moeder Maria – dan bestaat ’r niks, niks...

KNIERTJE (angstig). Praat zoo niet...

JO. Wat heb je an ’n kind zonder man...

KNIERTJE. Mag jij dat zegge?

JO (met het hoofd op de tafel bonzend). ...Die wind maakt me gek, tante!...

KNIERTJE (slaat het gebedenboek open, tikt Jo op den arm. Jo kijkt hartstochtelijk-snikkend op, ziet het gebedenboek, schudt heftig neen, valt weer met het hoofd, jammerend, op tafel. Angstig klinkt Kniertje’s bevende stem) O barmhartige God, ik hoop met een vast vertrouwen... (De wind joelt met wilde zwiepingen om het huis.)

EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

VIERDE BEDRIJF.

(Een ouderwetsch kantoor. Links, eerste plan, deur vàn het kantoor door houten ballustrade gescheiden. Tusschen deur en ballustrade twee banken. Links, derde plan, een oude kast. Achtergrond: drie ramen met uitzicht op de zon-beschenen zee. Voor ’t middenraam een lessenaar. Rechts, eerste plan, schrijfbureau met telefoon, – tweede plan, brandkast, – derde plan, binnendeur. Aan de wanden biljetten van strandvonderij, veilingen, landkaart. In het midden een potkachel.)

EERSTE TOONEEL.

Bos. Mathilde. De Boekhouder.

MATHILDE. Clémens...

DE BOEKHOUDER (lezend met pijp in den mond) ... de navolgende strandgoederen, als 2447 ribben, gemerkt Kusta, 10 schooten gemerkt M. S. G. ...

MATHILDE. Hou effen je mond, Kaps...

DE BOEKHOUDER. ... 4 dekbalke, 2 spiere, 6 brailtjes...

MATHILDE (hem aanstootend). Lees strakkies maar verder.

DE BOEKHOUDER. Jawel, mevrouw.

BOS (ongeduldig). ’k Heb nou geen tijd.

MATHILDE. Dan máak je maar tijd. ’k Heb de circulaire van de torenklok opgesteld. Toe schel de burgemeester is op.

BOS (ongeduldig-schellend). Vlug dan! Ansluite met de burgemeester! Ja! – Dat gedonder terwijl ’k ’t druk heb – ’k zit tot over de oore – (lief) Is u daar? M’n vrouwtje...

MATHILDE. ... Of mevrouw effen an de telefoon kan komme voor de circulaire.

BOS (kribbig). Jawel! Jawel! Niet zoo lang. – (lief) Of mevrouw ’n oogenblik voor de toestel... Precies burgemeester – de dames niewaar, hahaha! – Die is héél goed. – (kribbig) Nou? Wat mot ’k zegge. Maak ’t kort!

MATHILDE. Hier, lees de circulaire is voor. Dan kan die na de drukkerij.

BOS (kwaadaardig). Die heele lap! Ben je dol! Denk je da’k niks an me kop heb! Die verdomde...

MATHILDE. Hou ’n beetje je fatsoen – Kàps...

BOS. ... Loop naar de hel! – (lief) Jawel, mevrouw. Morgen mevrouw. M’n vrouwtje. – Nee, ze kan niet zelf an de telefoon komme – weet ’r niet mee om te gaan. – (kribbig) Waar is ’t vod? Schiet op! – Me vrouwtje het de circulaire voor de torenklok opgesteld, luister u?... Datum postmerk. M. M.... – Wat zeg u? – Heb u liever L. S.? – Ja. Ja. – Heel juist. – Luister u? – De Nieuwe Kerk is u zeker niet onbekend. – Nee, zegt ze, de stommeling! – ’k Ben al an ’t leze, mevrouw. – Nog is: de Nieuwe Kerk is u zeker niet onbekend. Die kerk heeft, gij weet het, een hooge toren. Die hooge toren wijst naar boven, en dat is goed, dat is gelukkig en waarlijk niet overbodig voor vele kinderen van ons geslacht...

MATHILDE. Lees toch wat duidelijker...

BOS. Hou je snater! – Pardon – dat was tegen me boekhouer – ja, ja, ha ha ha! – ... Maar die toren kon toch iets meer doen, dat ook goed is, ja zeer nuttig. Hij kan ons, kinderen des tijds, ook bij den tijd bepalen. Dat doet hij niet. Hij staat daar sinds 1882 en gaf nog nooit antwoord op de vraag. „Hoe laat is ’t?” Dat kon hij wèl doen. Hij is ’r zelfs op gemaakt. Er zijn vier plaatsen zichtbaar, die gereserveerd zijn voor wijzerplaten. Op allerlei wijze is sinds jaren – zeg u wat? – Nee? – sinds jaren door de bevolking uit den omtrek van dien toren den wensch uitgesproken, dat hij een klok mocht krijgen. Circa ƒ 3000 zijn noodig. Wie helpt nu mee? De commissie. – Mevrouw... Wat zeg u? – Ja, de namen ken u natuurlijk. – Ja, héél aardig, heél aardig opgesteld. – Ja, ja, al de dames van de Commissie teekene natuurlijk in voor ’t zèlfde bedrag. – Honderd gulden, ieder? – Ja – ja. – Héel goed. – M’n vrouw blijft thuis. – Mevrouw! (schelt nijdig af) Verdomde nonsens! Honderd gulden na de weerlicht! Wat raakt ’t joù of ’r ’n klok op dat ding staat!

MATHILDE. ’k Zal je maar in je eigen vet late gaarsmoore.

BOS. Ze komt over ’n kwartier hier met d’r rijtuig. – Nou, bejour!

MATHILDE. Bejour! Bejour! As je ’s avonds wat minder groccies dronk, zou je ’s morges niet zoo’n beroerd humeur hebben – geef effen vijf gulden.

BOS. Nee. Nee! Je heb vanmorgen pas ’n rijksdaalder uit me beurs genomen, terwijl ’k sliep. ’k Kan an de gang blijve!...

MATHILDE. Heb ik ’n rijksdaalder? Wat ’n infame lengen! Net één gulden! Bah, wat ’n man, om z’n cente te telle voor-ie na bed gaat.

BOS. Bejour! Bejour!

MATHILDE. Geef ’t niet! Dan kan ’k strakkies de burgemeestersvrouw op ’n glaasje jenever trakteere – drie kruike ouwe snik en geen enkele flesch port of sherry!... (Bos smijt driftig twee rijksdaalders neer)... Zeg ben ’k je meid? Zonder mij zou jij niet met rijksdaalders smijte! – Bah! (nijdig af)

TWEEDE TOONEEL.

De Boekhouder. Bos.

DE BOEKHOUDER (lezend). IJmuiden, 24 December – Heden ware an de markt vijf sloepe met 800 à 800 levende en 1500 à 2100 dooie schelvisch èn enkele levende kabeljauwe. De levende kabeljauw het zeven en ’n kwart gedaan – de dooie...

BOS. ... Heb-ie niks ànders te doen?

DE BOEKHOUDER. ... Dooie schelvisch bracht dertien en ’n halve gulden de mand op – poontjes en rog...

BOS (het bureau bekloppend). ’k Weet ’r àlles van! Hier pak an! Boek in! – Sla is op de staat van uitbetaling van De Verwachting...

DE BOEKHOUDER (zoekend) – de Jacoba, née – de Koningin Wilhelmina, ook née – de Mathilde, née – de Hoop van Zegen – da’s voor goed fluite – dé Verwachting...

BOS. Hoe groot was de bruto-besomming?

DE BOEKHOUDER. ... ƒ 1443.47.

BOS. Dacht ’k wel – hoe kan je dan zoo góddeloos stom zijn, om vièr gulden acht en tachtig voor ’t Weduwen-en-Weezenfonds uit te trekke?

DE BOEKHOUDER (cijferend). Laat ’s zien. – Veertien honderd drie en veertig – drie percent ’r af – da’s veertien honderd – da’s an gage bruto drie honderd zeven en tachtig gulden – ja, dan mot ’t drie gulden acht en tachtig en nièt vier gulden acht en tachtig weze...

BOS (opstaand). As je van plan ben héelemaal suf te worde – ezelskop! – dan staat ’t gat van de deur voor je open. Jullie vergisse je, goddoome altijd an de verkeerde kant!...

DE BOEKHOUDER (vertrouwelijk-lachend). Daar zou wel wat tegen te zegge zijn, meneer – ik heb toch geen uitbrander gekregen, toen, toen...

BOS. Nou, genoeg, genoeg!...

DE BOEKHOUDER. ... En dat was ’n vergissing met ’n paar gróóte nulle ’r achter. (Bos gaat ongeduldig rechts af) Hèhèhè! Vandaar ’t spreekwoord nul! (kijkt om, ziet dat Bos weg is, port de kachel op, stopt z’n pijp uit Bos’ tabakspot, gapt voorzichtig een paar sigaren uit het sigarenkistje).

DERDE TOONEEL.

Simon. De Boekhouder.

SIMON. Is Bòs d’r niet?

DE BOEKHOUDER. Ménéer Bos, hè? – Nee.

SIMON. Is-die uit?

DE BOEKHOUDER. Kan je mijn de boodschap niet doen?

SIMON. Ik vraag of die uit is?

DE BOEKHOUDER. Ja.

SIMON. Niks geen tijding?

DE BOEKHOUDER. Néé. Begint dat geloop nou weer? Meneer het toch gezeid dat às-die bericht kreeg...

SIMON. ’t Wordt morrege nègen weke.

DE BOEKHOUDER. De Jacoba is wel na 59 dage met 190 kantjes binnengeloope.

SIMON. Jij staat te lulle! Jij weet meer.

DE BOEKHOUDER. Heb je ’m nòu al om?

SIMON. Nee – geen druppel.

DE BOEKHOUDER. Dan wordt ’t tijd. – Ik ’r meer van wete! ’k Hou de schepe an lijne vast!

SIMON. ’k Heb jullie gewaarschouwd toen die op de helling lei. – Wat zijn me woorde geweest?

DE BOEKHOUDER (schouder-schokkend). Allemaal klespraatjes van jou om ’n borrel!...

SIMON. Dat lieg-je! Waar jij bij was en waar de juffrouw bij was – heb ’k gezeid dat ’t schip ròt was, dat kallefatere geen bliksem meer hielp – dat zoo’n drijvende doodkist...

DE BOEKHOUDER. Goed. Dàt heb-ie gezeid. Daar strij ’k niet tegen. En wat zou dat nou? Ben jij zoo’n pièt dat as jij hallef bezopen...

SIMON (driftig). Da’s verdomme gelogen...

DE BOEKHOUDER. ... Dan nièt bezopen. – ben jij zóó’n godje dat as jij, as scheepmakersknècht nèe zeit – en je patroon en de assurantie zegge jà – dat dan mijn patroon z’n schip op de veiling mot brenge?

SIMON. Dat dondert niet! Ik héb gewaargeschouwd. – En nou zeg ik – nou zeg ìk – dat as Mees, de anstaande van me dochter – om van de andere niet te spreke – as Mées ... dan komt ’r móord van!...

DE BOEKHOUDER. Laat je uitlache! Ga ’n borrel pakke en praat verstandige taal.

VIERDE TOONEEL.

De vorigen. Marietje.

SIMON. Had maar buiten gebleven. – Niks geen tijding.

MARIETJE (záchtjes-snikkend). Niks geen tijding...

SIMON. ... Dan komt ’r moord van... (af).

VIJFDE TOONEEL.

Bos. De Boekhouder.

BOS. Wie ware daar?

DE BOEKHOUDER. Simon en z’n dochter. Dreigemente! – Ga u uit?

BOS. Dreigemente? Is die kerel krankzinnig? – ’k Ben in tien minute terug. Wie komt mot wachte.

DE BOEKHOUDER. Hij sprak van...

BOS. ’k Ben niks nieuwsgierig!... (af).

ZESDE TOONEEL.

De Boekhouder. Saart.

DE BOEKHOUDER (krabbelt naar zijn lessenaar terug. De telefoonschel gaat over. Gewichtig luistert hij aan de gehoorbuis). – Kan niks verstaan. – Ik ben ’t de boekhouer. – Over tien minute is meneer terug – mot je nòg maar is schelle.

SAART. Dag hartje!

DE BOEKHOUDER. Wat mot jìj nou weer?

SAART. Ik mot jóu. Jessis wat ’n koue wind. Mag ’k effen me hande warme?

DE BOEKHOUDER. Blijf maar àchter ’t hekkie.

SAART. Lekker dier, ’k heb maling an je! – Meneer Bos slaat zoo net ’t hoekie om (warmt zich) – ’k Zal maar niet vrage na de Hoop – Jessis, zèven gezinne. – Wat ’n geluk, dat ’r behalve de kindere drie òngetrouwde jonges an boord zijn. Nèrges ies angespoeld?

DE BOEKHOUDER. Nee. Nee!

SAART. Nou vreet me niet op!

DE BOEKHOUDER. ’k Wou dat je àchter ’t hekkie bleef. Wat mot je nou?

SAART. (in zijn zak kijkend). Pas op – breek meneer z’n sigare niet, ouwe dief! (hij glimlachert). Kaps – wil jij ’n gulden an me verdiene?

DE BOEKHOUDER. Dat leit ’r an.

SAART. ’k Ben an ’t verkeere met Bol, de binnenschipper.

DE BOEKHOUDER. ’k Feliciteer je!

SAART. Hij leit hier met ’n lading mest – voor de stád. – En hoe mot ’k nou trouwe?

DE BOEKHOUDER. Hoe je mot...

SAART. ... ’k Mág toch niet omdat ze niet wéte of me man dood is.

DE BOEKHOUDER. De wettelijke termijn die is – die is –

SAART. Zóó wijs ben ’k ook.

DE BOEKHOUDER. Je mot driemaal pro Deo in de krante oproèpe en as die dan niet komt – en dat zal die niet – de spoke benne de wereld uit – dan mág-ie...

SAART. As jij dat zaak-ie nou is beredderde, – dan blijve Bol en ik je dankbaar...

DE BOEKHOUDER. Advocate-zaken. Daar mot je voor na de stad.

SAART. Jessis wat ’n bereddering! As je verstand je ingeeft: ’k heb Jacob in geen driè jaar gezièn – en de Wisselvalligheid...

ZEVENDE TOONEEL.

De vorigen. Cobus.

COBUS (beverig-gejaagd). D’r is bericht!... D’r is bericht!...

DE BOEKHOUDER. Bericht? Wát vertelt-ie?

COBUS (op huilen af). D’r mòt bericht zijn van de jonges – van – van De Hoop...

DE BOEKHOUDER. Niemendal! (vrindelijker) Of jullie hier nou dag an dag ’t kantoor plat loope – ik kan je geen goed en geen kwaad nieuws zegge – ’t kwaje weet je: twée en zestig dage...

COBUS. ... De waterschout het ’n telegram gekregen... Ach, ach, ach, meneer Kaps, help ons toch uit de onzekerheid – me zuster – en me nichie – (hevig bevend) die zijn gewoon gèk van verdriet...

DE BOEKHOUDER. ... Op me woord van waarachtig... Loop-je weer vort?...

COBUS. Me nichie zit alleen thuis – me zuster is uit schoonmake bij de pastoor – d’r mòt ies weze... d’r mòt ies weze.

DE BOEKHOUDER. Wie maakt je de praatjes wijs?

COBUS. De klerk van de waterschout zeit – zeit. – Ach lieve God... (af).

ACHTSTE TOONEEL.

De Boekhouder. Saart.

SAART. Misschien het-ie gelijk.

DE BOEKHOUDER. Alles kan.

SAART. Het meneer Bos nog hoop?...

DE BOEKHOUDER. Hoop? Négen weke – zoo’n kreng van ’n schip – na diè storm. Alles kan. Néé – ik geef ’r geen cent voor. Zès weke proviand. As ze ’n Engelsche haven ware binnengevalle, hàd je bericht.

NEGENDE TOONEEL.

De vorigen. Clémentine.

CLÉMENTINE. Dag Saart. Kaps is ’r binnen visite?

DE BOEKHOUDER (door het raam kijkend). ’t Rijtuig van de burgemeester. Commissie-vergadering voor de klok. Wéer ’n ander spannetje. ’k Wou dat ik de cente had.

CLÉMENTINE (haar schetsboek op Bos’ lessenaar leggend). ’k Zag Cobus daar loopen. Stakker. Wat is diè oud geworden. Je zou ’m haast niet herkennen. (’t schetsboek opnemend) Kijk. Zóo was-ie drie maanden gelejen – kras – vroolijk. Je mag oòk wel kijken, Kaps.

DE BOEKHOUDER. Nee, juffrouw, ik heb geen tijd.

SAART. De dood van Daantje het-ie zich erreg angetrokke... Die twee zag je altijd samen, altijd an ’t redeneere – nou het-ie in de Diakenie niet één vrind – dat scheelt ’n boel...

CLÉMENTINE. – Herken je die?

SAART. Nou! Da’s Knièr – da’s Barend met ’n mand op z’n nek – en da’s... (de telefoonschel gaat over. Clémentine slaat het boek dicht)...

DE BOEKHOUDER. Meneer is uit. D’r wier strakkies al gescheld.

CLÉMENTINE (luisterend). Ja? – Papa is ’r niet – Hoe lang zou ’t duren Kaps?

DE BOEKHOUDER. ’n Minuut of twee, drie...

CLÉMENTINE (verschrikt). Wat zeg u? – ’n Luik gemerkt 47 – en (bevend) – ik versta u niet – (geeft een schreeuw, laat de gehoorbuis vallen).

DE BOEKHOUDER. Wat is dat? Wat is dat!

CLÉMENTINE (smartelijk-verschrikt)... Ik durf niet meer luisteren.. O. O!

DE BOEKHOUDER. Was dat de waterschout?

CLÉMENTINE (hartstochtelijk)... Barend is angespoeld. O God, nou is ’t gedaan!

SAART. Barend?... Bàrend...

CLÉMENTINE. ’n Telegram uit Nieuwediep – ’n luik – en ’n lijk...

TIENDE TOONEEL.

Bos. De vorigen.

BOS. Wat gebeurt hier? – Waarom huil jij?

DE BOEKHOUDER. Bericht van de Hoop van Zegen.

BOS. Bericht?

DE BOEKHOUDER. De waterschout is an de telefoon.

BOS. De waterschout? – Ga op zij. – Ruk uit jij: wat sta je te gape!

SAART. Ik – ik – (schuw af).

BOS (schellend). Hallo! Wie is daar? – De waterschout? – ’n Telegram uit Nieuwediep – benoorden de Haaks – ik versta geen woord! Hou op met je gehuil! – ’n Luik, zegt u? – Zèven en veertig... – Wel da’s vervloekt beroerd – das – ’t Lijk – in staat van ontbinding – van Barend, as oudste gemonsterd... – Herkend door wie? – Dóór? – O – is de Verwachting met averij in Nieuwediep binnengevallen en het schipper Maatsuiker ’m herkend? – Oorringe, ja, ja, zilveren oorringe – dat doet ’r verder niet toe. – Dus is ’t nièt noodig dat ’r hier vandaan mensche gezonden worde voor de identiteit? – Ja, verdomd beroerd! – Onze plaats wordt geteisterd. – Ja – ja – Enfijn – tegen Gods wil staan wij machteloos. – Ja. ja. – Ik twijfelde al niemeer – Dank u. – Ja. – ’t Officieel rapport krijg ’k graag zoo spoedig mogelijk. ’k Zal de assuradeur waarschouwe. Bejour! (hangt heftig de gehoorbuis in den haak). Daar ben ’k gewoon kapot van – twáalef man.

DE BOEKHOUDER. Barend – de zoon van Kniertje angespoeld – da’s – da’s ’n wònder. – Ik dacht dat we nooit meer iets van ’t schip zoue hoore. Toen met de Clémentine...

BOS (driftig) Ja – ja – ja – ja!... (tot Clémentine) Ga asjeblief naar binnen bij je moeder! De stommiteit om daalijk waar die vróuw bij was – over te kletse wat je hoorde. Nou duurt ’t geen vijf minute of ’t halve dorp is hier! Versta je me niet? Je zit je, god beter, an te stelle asof je liefie an boord was...

CLÉMENTINE. Wáarom heb u niet geluisterd? (snikt zachtjes).

BOS. Geluisterd!

CLÉMENTINE. Toen Simon, de scheepmakersknecht...

BOS. Die vent was dronken!

CLÉMENTINE (heftig). Dat was-ie nièt!

BOS. Dat was-ie wel! En al was-ie ’t niet geweest – met welk recht steek jij je neus in zake waarvan je geen benul heb?

CLÉMENTINE. Lieve God – nou heb ìk óok schuld...

BOS (driftig). Schuld? Schuld! Zijn de romannetjes die je leest, je in je hoofd geslagen? – Schuld! – Ben je bezeten om zùlke woorde te gebruike na zoo’n ongeluk!...

CLÉMENTINE. Hij zei, dat ’t schip ’n drijvende doodkist was – toen heb ’k ù hooren zeggen, dat ’t in alle gevallen de láátste teelt zou wezen waaran de Hoop...

BOS (eerst driftig – dan redeneerend). Die verdomde kostschool, die verdomde kostschoolkure! Loop voor mijn part as ’n zottin door ’t dorp en teeken de eerste de beste schooier of bedelaar! Maar flap ’r geen dinge uit die je niet verantwoorde kan. ’n Drijvende doodkist! Zeg liever ’n dronken autoriteit! – Eerst ik! – De Noord van Pieterse en de Nooit gedacht en de Willem III en de Jonge Jan. – ’k kan wel an ’t noeme blijve, de halve visschersvloot en de halve handelsvloot zijn drijvende doodkiste! – Heb je dat gehoord, Kaps?

DE BOEKHOUDER (schuw). Nee, meneer, ik hoor niks.

BOS. ... As je me zou vrage: vader, hoe zit dat – dan zou ’k je uitleg geve. Maar jullie over ’t paard getilde jonge mensche bemoeit je met alles en nog wat! Is ’r ’n sterker bewijs, dat de assurantie èlk jaar ’n schip laat kéúre. Denk je, dat as ’k straks de assuradeur opschel en ’m zeg: meneer, jij kan veertien duuzend gulden neertelle, dat-ie dat doet op losse gronde? Je most ’n kop as ’n boei krijge, om de ondoordachtheid, waarmee je ’r nonsens uitflapt...! – Nonsens zeg ik! – Nonsens, die me goeie naam zou kunne bederve, as niet iedereen me kende!

CLÉMENTINE (triestig). Als ik reeder was... en ’k hoorde...

BOS. God beware de visscherij voor ’n reeder, die teekeningetjes maakt en huilt bij mooie versies. Ik sta as ’n vàder an ’t hoofd van over de honderd gezinne. Zaken zijn zaken. As je gevoelig wordt, buitel je over je kop. Wat Kaps? (Kaps gebaart dat-ie ’t niet verstaat). – Nou, ga na je moeder. De burgemeestersvrouw is op visite.

DE BOEKHOUDER. Hier heb ’k de monsterrol. (lezend) Willem Hengst, oud 37 jaar, gehuwd, 4 kinderen...

BOS. ... Wacht effen tot me dochter...

CLÉMENTINE. ... ’k Zal geen woord meer spreken.

DE BOEKHOUDER (voortlezend). Jacob Zwart, oud 35 jaar, gehuwd, 3 kindere. – Gerrit Plas, oud 25 jaar, gehuwd, 1 kind. – Geert Vermeer, ongehuwd, oud 26 jaar. – Nelis Boom, oud 35 jaar, gehuwd, 7 kindere. – Klaas Steen, oud 24 jaar, gehuwd. – Salomon Bergen, oud 25 jaar, gehuwd, 1 kind. – Mari Stad, oud 45 jaar, gehuwd. – Mees, oud 19 jaar. – Jacob Boom, oud 20 jaar. – Barend Vermeer, oud 19 jaar – en Pietje Stappers, oud 12 jaar.

BOS. ... (terneergeslagen). Zéven gezinne.

CLÉMENTINE. ... Zestien kinderen.

ELFDE TOONEEL.

Bos. Clémentine. De Boekhouder. Truus. Marietje.

TRUUS (hijgend). ... Is ’r tijding?... Tijding van me zoontje? (woest-wanhopig) Ach God! Ach God, maak me niet ongelukkig, meneer!...

BOS. ’t Spijt me, vrouw Stappers...

MARIETJE (gillend). Dat kan niet – dat kàn niet – dat lieg je!... ’t Is niet mogelijk!...

BOS (zacht). De burgemeester-strandvonder van Nieuwediep het de waterschout getelegrafeerd. – Barend Vermeer is angespoeld – jullie weet wat dat zegge wil – èn ’n luik van de 47...

TRUUS (heftig). O, moeder Maria – mot ’k dat kind nou ook misse – dat schaap van twaalf jaar! – (drensend-huilend) Oóóóó! Oòòòò! – Pietje... Pietje...

MARIETJE (verwilderd). Dan... Dan... (barst in hysterisch gelach los) Hahaha!... Hahaha!...

BOS. Geef ’r ’n glas water!

MARIETJE (het glas uit Clémentine’s handen slaand). ... Weg! Weg!... (op de knieën vallend, de handen om het hekje klemmend) La me nou ook maar krepeere!... La me dood gaan asjeblief, lieve God, lieve God!...

CLÉMENTINE (snikkend). Toe Marietje, bedaar. Sta op...

TRUUS. ... Op z’n éerste reis – en zoo dapper as-die stond te wuive toen ’t schip... (snikt heftig).

BOS. ’t Kan niet verholpen worde, Truus. ’t Is ’n bezoeking. Zoo’n storm is ’r in geen jare geweest... Denk an Hengst met vier kindere, an Jacob, an Gerrit... En al geeft ’t je geen troost: de gage van je zoontje zal ’k je uitbetale – as je wil vandaag nog. Ga jullie nou na huis – en schik je in ’t onvermijdelijke – Neem háár mee – zij lijkt...

MARIETJE (beverig-snikkend). Ik wil niet na huis – ik wil dood, dood...

CLÉMENTINE (haar ondersteunend). Huil maar, Marietje, huil maar arm schaap...

TWAALFDE TOONEEL.

Bos. De Boekhouder. Mathilde.

BOS (driftig op en neer loopend). ... Wat suf jij nou? – Ben je te lui om ’n pen op papier te zette, vandaag?... ’k Vraag je geen antwoord! Heb-je ’t Weduwen en Weezenfonds bij de hand? – Nou!

DE BOEKHOUDER (op de brandkast toeschuifelend). ’t Bovenste loket is nog op slot. (Bos smijt hem de sleutels toe). O, dank u (opent de kast, schuifelt met het boek naar Bos’ bureau). Asjeblief, meneer.

BOS. ... Vijf en negentig weduwe – veertien ouwe zeelui en visschers...

DE BOEKHOUDER. Ja, ’t fonds komt al lang te kort. – Maar weer is ’n advertentietje plaatse...

MATHILDE. – Clémens, wat ’n ongeluk! De burgemeestersvrouw vraagt of je niet effen binnen kan kom me – ze zit gewoon te huile.

BOS. Nee! Gehuil genoeg hier. En geen tijd!

MATHILDE. Ach! Ach! – Kaps, hier is de copy voor de circulaire. – Spoed, hoor!...

BOS. Mathilde! – Praat ’r met mevrouw is over – om ’n oproeping te doen voor de verongelukten.

MATHILDE. Ja maar, Clémens – is dat niet te veel – twéé bedelpartijen?

BOS. Laat mijn ’t dan maar... (af).

DERTIENDE TOONEEL.

Clémentine. De Boekhouder.

CLÉMENTINE (zachtjes-huilend). Kaps! Kaps!... (gaat over hem aan den lessenaar zitten). Ik voel me zoo ellendig...

DE BOEKHOUDER. Héel onverstandig, juffrouw. D’r vergaan méer schepe. De Hoop van Zegen telt haast niet mee. – Hier heb ’k – waar leit ’t – waar leit ’t? – de opgave van Veritas over October – ènkel van October – vergaan 105 zeilschepen en 30 Stoomschepen – da’s wéinig gerekend: in één maand bij de vijftien honderd dooien, (op de zee wijzend) Ja, as je ’m ziet zoo as vandaag – zoo glad en met al die drijvende meeuwe – dan zou je niet geloove dat-ie zooveel mensche vermoordt...

VEERTIENDE TOONEEL.