Part 8
„Best, M'sieur, maar bij de geringste poging om te ontsnappen, schiet ik u dood. Stel u rechts van de honden, op één lijn met mij. Ik neem dezen kant.”
Van dat oogenblik af, totdat Croisset op den middag weer halt hield, bleef Howland telkens uitkijken of hij de tweede slee niet ontdekte; maar steeds tevergeefs. Ook waagde hij nog één keer om het verboden onderwerp aan te roeren; als eenig antwoord haalde Croisset de schouders op en gaf hij den ingenieur een blik, die genoeg was om dezen verder te doen zwijgen. Toen de reis na den tweeden maaltijd werd voortgezet, bemerkte Howland, die af en toe op zijn kompas keek, dat het Pad zich langzamerhand een weinig naar het Oosten wendde. Lang vóór de schemering viel, zag hij zich door volslagen uitputting gedwongen om weer op de slee te gaan liggen. Croisset daarentegen leek onvermoeid; hij leidde bij het schijnsel van de eerste sterren en van een nog rood getinte maan zijn vermoeid span steeds verder, totdat zij ten laatste stilhielden op den top van een heuvel. Van hier af strekte een onmetelijke vlakte zich, zoo ver het oog in de witte duisternis reikte, in noordoostelijke richting uit.
„We gaan maar een klein eindje verder, M'sieur,” zei de half-ras. „Ik moet het leer weer op uw mond leggen en den riem weer om uw handen doen. Het spijt me—maar ik zal uw beenen vrij laten.”
„Dank je,” zei Howland. „Maar het is wezenlijk overbodig, Croisset. Ik zal me maar neerleggen bij het feit, dat het noodlot besloten is om dit interessante balspel met mijn persoon tot het einde toe uit te spelen en daar ik niet langer weet, waar ik me bevind, wil ik je graag beloven, dat ik niets ergers zal doen dan mijn pijp te rooken, wanneer je me wilt toestaan om vreedzaam naast je te loopen.”
Croisset aarzelde.
„Zult ge geen poging doen om te ontvluchten—en zult ge uw mond houden?” vroeg hij.
„Ja.”
Jean trok zijn revolver en haalde kalm den haan over.
„Denk er aan, M'sieur, dat ik u doodschiet, wanneer ge uw woord breekt. Ge moogt voor mij uit loopen.”
En hij wees langs de helling van den berg naar omlaag.
HOOFDSTUK XI.
Het Huis van den Rooden Dood.
Halfweg den heuvel deed een zachte uitroep van Croisset den ingenieur stilstaan. Jean had zijn honden met lange, sterke strengen op den top vastgebonden en hij keek juist naar hen om, toen Howland zich tot hem wendde. De scherpe bovenrand van dat deel van den bergrug teekende zich helder en duidelijk af tegen de lucht en op dien rand zaten de zes honden van het span stil en roerloos op hun hurken, als wonderlijke gargouilles, daar geplaatst om de onmetelijke vlakte in de laagte te bewaken. Howland nam zijn pijp uit den mond, toen hij de steeds aangroeiende belangstelling van Croisset bemerkte. Hij keek van den man weer omhoog naar de honden. Er was iets in hun sphinxachtige houding, in het strakke uitstrekken van hun snuiten, in het wonderschoone mysterie van den stillen nacht, dat hem vervulde met een onbestemd gevoel van eerbied en angst. En toen bereikte het geluid, dat Croisset had doen stilstaan, ook zijn oor—een diep, smartelijk gejammer, zonder begin of einde, dat tot hem kwam als maakte het deel uit van de zachte beweging der lucht, die hij inademde—een toon van ongekende droefheid, die hem, evenals Croisset, schrik aanjoeg en roerloos maakte. En juist toen hij meende, dat het was weggestorven, begon dat gejammer opnieuw, al hooger en hooger stijgend, totdat het ten slotte één langgerekte huilkreet werd, die het merg in zijn beenderen deed verstijven. Het was een geluid als dat van den wolf dien eersten avond in de wildernis en toch weer anders. Toen was het de kreet van het roofdier, van den honger, van de eindelooze verlatenheid geweest, die hem doortrilde. Dit was de dood. Hij huiverde, toen Croisset weer bij hem kwam, het magere gelaat doodsbleek in het licht van de sterren. Er was geen ander geluid hoorbaar dan het opgewonden kloppen van hun eigen hart, toen Jean begon te spreken.
„M'sieur, zoo huilen onze honden alleen maar, wanneer er iemand gestorven is of gauw zal sterven,” fluisterde hij. „Het was Woonga, die zoo jankte. Hij is al elf jaar en hij heeft zich nog nooit vergist.”
Uit zijn blik sprak hevige angst.
„Ik moet uw handen binden, M'sieur.”
„En ik heb je mijn woord gegeven, Jean—”
„Uw handen, M'sieur. De dood is al daar ginds op de vlakte—of hij zal er gauw komen. Ik moet u binden.”
Howland legde zijn handen op den rug en Jean bond die met een sterk touw.
„Ik geloof, dat ik je begrijp,” zei de ingenieur zacht, opnieuw luisterend naar het angstige gehuil, dat van den bergtop kwam. „Je bent bang, dat ik je zal doodmaken.”
„Het is in elk geval een waarschuwing, M'sieur. Ge zoudt het kunnen probeeren. Maar waarschijnlijk zou ik meer kans hebben om u te dooden. Zooals de zaken op het oogenblik staan, zou het, denk ik, niet Jean Croisset zijn, die aan gindsche roepstem gehoor gaf,” en hij haalde de schouders op, terwijl hij langs de helling afdaalde.
„Mogen al je Heiligen me behoeden, Jean—ik moet zeggen, het is hier een vroolijke boel!” gromde Howland, half lachend zichzelf ten spijt. „Wie anders dan ik kan tot sterven gedoemd zijn, nu je me weer gebonden hebt?”
„Die vraag is moeilijk te beantwoorden, M'sieur,” antwoordde de half-ras met grimmigen ernst. „Misschien is het werkelijk uw beurt. Half en half geloof ik het ook.”
Nauwelijks waren die woorden hem over de lippen gekomen, of het klagende gehuil liet zich opnieuw hooren.
„Je maakt me zenuwachtig, Jean—jij en die vervl..kte hond!”
„Hou uw mond, M'sieur.”
Uit de witte woestenij aan den voet van den heuvel doemde een schaduw op, die Howland eerst voor een groote rotsmassa hield. Een paar stappen verder en hij ontdekte, dat het een vrij groot gebouw was. Croisset pakte hem stevig bij den arm.
„Blijf hier staan,” ordonneerde hij. „Ik kom gauw terug.”
Een kwartier lang wachtte Howland. Tweemaal in dat tijdsverloop huilde de hond boven hem. Hij was blij, toen Croisset weer uit de duisternis te voorschijn kwam.
„Het is zooals ik dacht, M'sieur—de dood is er al. Kom maar mee.”
De schaduw van het groote gebouw nam hen op, toen zij dichterbij kwamen. Howland merkte al gauw, dat het was opgetrokken uit groote houtblokken en dat er aan hun kant ramen noch deuren waren te bespeuren. En toch voelde hij, dat zij zich bij den ingang bevonden, toen Jean een oogenblik aarzelde bij een plek, nog donkerder dan de rest. Voorzichtig ging de half-ras voorwaarts, met zijn dunne neusvleugels als het ware achterdochtig de lucht opsnuivend en aldoor luisterend—met Howland zóó dicht bij zich, dat hun schouders elkaar aanraakten. Van den heuveltop klonk weer de sombere doodenzang van den ouden Woonga—en Jean huiverde. Howland staarde voortdurend in de zwarte massa en al starend, volgde hij Croisset; zij traden binnen en verloren zich in een diepe duisternis. Om hen heen heerschte een doodsche stilte in een atmosfeer van vochtigheid en verlatenheid. Geen enkel teeken van leven, geen ademtocht, geen andere beweging dan die, welke van hen zelf uitging. Howland bemerkte hoe geagiteerd Croisset was, toen deze hem bij den arm greep en zij samen voet voor voet het zwijgende mysterie betraden. Hij hoorde al gauw hoe de hand van den half-ras op den tast naar een klink zocht. Zij gingen door een tweede deur en eerst nu streek Jean een lucifer af.
Een pas of zes van hen af stond een tafel en op de tafel een lamp. Croisset stak die aan en keek met een glimlach naar den ingenieur. Zij bevonden zich in een lange, lage, kerkerachtige kamer, zonder venster en met slechts één deur—die waardoor zij waren binnengekomen. De tafel, twee stoelen, een kachel en een slaapbank tegen een van de houten wanden aangebracht, waren de eenige meubels, die Howland zag. Maar het was niet het troosteloos ledige van wat hij meende, dat zijn gevangenis zou zijn, wat hem een vragenden blik op Croisset deed vestigen. Dat was de uitdrukking op het gelaat van zijn metgezel, de vaal-gele tint van den angst, van den doodsschrik, die zich daarop afteekende. De half-ras sloot en grendelde de deur en ging toen bij de tafel zitten met zijn mager gelaat in het zwakke schijnsel van de lamp naar den ingenieur gekeerd.
„M'sieur, het valt u zeker moeilijk om te raden waar gij zijt.”
Howland wachtte.
„Als ge lang in dit land hadt gewoond, M'sieur, dan zoudt ge te eeniger tijd gehoord hebben van _la Maison de la Mort Rouge_—Het is daar, dat we ons bevinden en wel in de kerkerkamer. Het is hier een nederzetting van de Hudsonbaai-compagnie, die al jaren en jaren verlaten is. Toen ik nog een kind was, kwamen de pestpokken dezen kant uit en bijna alle lui, die hier woonden, stierven er aan. Negentien jaar geleden verscheen die roode pest opnieuw en hier in den _Poste de la Mort Rouge_ ontkwam niemand. Sedert is het gebouw overgelaten aan wezels en uilen. Elke levende ziel tusschen de Athabasca en de baai schuwt het.—En juist daarom zijt ge hier volkomen veilig.”
„Groote God!” riep Howland. „Is er nog meer, Croisset? Veilig voor wat, man? Veilig voor wat?”
„Voor hen, die u willen dooden, M'sieur. Ge wilt niet naar het Zuiden en daarom heeft _la belle_ Meleese u gedwongen het Noorden in te gaan. _Vous comprenez?_”
Een oogenblik zat Howland als versteend.
„Begrijpt ge het, M'sieur?” hield Croisset aan, glimlachend.
„Ik—ik geloof van ja,” antwoordde Howland ernstig. „Je wilt zeggen, dat Meleese—”
Maar Jean viel hem in de rede. „Ik wil zeggen, dat ge gisteravond al zoudt zijn gestorven, als Meleese er niet was geweest. Ge zijt ontkomen uit de coyote, maar ge zoudt niet ontkomen zijn aan het andere. Meer kan ik u niet vertellen. Maar hier zijt gij veilig. Zij, die u naar het leven staan, zullen gauw gelooven, dat ge dood zijt—en als het eenmaal zoo ver is, laten we u terugkeeren naar het Zuiden. Is dat niet een heerlijk lot voor iemand, die verdient om in stukjes gehakt en door de raven opgegeten te worden?”
„En meer wil je me niet vertellen, Jean?” vroeg de ingenieur.
„Neen, M'sieur—behalve nog dit, dat ik sympathie voor u voel, al zou ik u graag willen dooden. Dat komt misschien omdat ik zelf vroeger ook in het Zuiden ben geweest. Ik was zes jaar lang bij de Compagnie te Montreal en daar heb ik school gegaan.”
Hij stond op om den overslag van zijn buis van kariboeleer dicht te knoopen. Daarop schoof hij den grendel van de deur en opende hij die. Zwak en als van heel ver weg kwam het gejammer van Woonga tot hen.
„Je zei, dat de dood al hier was,” fluisterde Howland, dicht tegen Jean's schouder geleund.
„Er was hier na de laatste pest nog één mensch overgebleven,” antwoordde Croisset, nauw hoorbaar. „Dat was een man, die vrouw en kinderen had verloren en wien het ongeluk krankzinnig had gemaakt. Het was daarom, dat ik zoo heel stil met u naar beneden sloop. Hij woonde daar ginds aan den zoom van de open ruimte en toen ik er daar straks heenging, stond er een dennetak met een rood vlagje op de kleine hut. Waar een pestgeval is, hangen we zoo'n vlag uit om anderen te waarschuwen. Dat is bij ons een wet. De vlag is al door den wind aan flarden gescheurd. De man is dood.”
Howland huiverde.
„Aan pokken?”
„Ja.”
Enkele oogenblikken bleven zij zwijgend staan. Toen voegde Croisset er aan toe: „Ge moet hier blijven, tot ik terugkom, M'sieur.”
Hij ging weg, de deur aan de buitenzijde sluitend en grendelend en Howland liet zich neervallen op een stoel bij de tafel. Vijftien minuten later kwam de half-ras terug met een groot pak en een flinke kruik.
„Er ligt hout achter de kachel, M'sieur. Hier is eten en drinken voor een en ik heb ook warme huiden voor uw bed. Nu zal ik uw handen vrij maken.”
„Je wilt dus zeggen, dat je me hier alleen achterlaat—in deze ellendige omgeving?” riep Howland.
„_Mon Dieu_, M'sieur, is die niet te prefereeren boven het graf? Tegen het einde van de week ziet ge me weer verschijnen.”
De deur was nog niet heelemaal gesloten en voor het laatst drong het droevige gejank van den ouden hond tot Howland door. Bijna dreigend greep hij den arm van Croisset.
„Jean, wat zal er gebeuren, als je niet terugkomt?”
Hij hoorde den half-ras grinniken.
„Dan zult ge sterven, M'sieur—maar kalm en gelaten en op uw eigen tijd—en dat is toch heel wat beter dan op een kist met dynamiet de lucht in te vliegen. Maar ik kom zeker terug, M'sieur. _Adieu!_”
Nu werd de deur gesloten en gegrendeld en stierf het geluid van Croisset's voetstappen snel weg buiten de houten wanden. Er gingen vele minuten voorbij eer Howland aan zijn pijp of aan een vuur dacht. Maar ten laatste ging hij, hoewel huiverend, toch zoeken naar het hout, dat—zooals Jean gezegd had—achter den haard moest liggen. Al gauw brandde er een flink vuur in de groote kachel en toen de kalmeerende rookwolken van zijn pijp de vochtige atmosfeer met hun aroma vervulden, kreeg Howland een gevoel van comfort, dat een wonderlijk contrast vormde met de opwindende ondervindingen van de laatste dagen.
Eindelijk dan was hij alleen en had hij een week lang niets te doen dan te eten, te slapen en te rooken. Hij had ruim tabak en het pak, dat Croisset hem liet, bleek bij onderzoek overvloed van voedsel te bevatten. Met zijn stoel achterovergewipt en zijn voeten op de tafel, genoot hij van de opwekkende kachelwarmte, daarbij wolken van rook opzendend en zichzelf afvragend of de half-ras alweer zuidwaarts zou zijn getrokken. Wat zou MacDonald wel gezegd hebben, toen Jackpine terugkwam met het bericht, dat hij—Howland—was uitgegleden en zijn dood had gevonden in den waterval? Mac's eerste beweging zou zeker zijn om van de Wekusko uit een flink span honden achter Gregson en Thorne aan te zenden en hen tot terugkeer te dwingen.
Hij lachte luid en begon nu heen en weer te loopen over den rotten vloer van zijn gevangenis, zich aldoor de consternatie voorstellend van zijn twee oudere collega's. En daarop kwam er een blos op zijn gelaat en begonnen zijn oogen te schitteren—want hij dacht aan Meleese. Hem zelf ten spijt had zij hem gered van zijn vijanden en hij zegende Croisset, omdat deze hem het doel van hun reis naar het Noorden had medegedeeld. Opnieuw had zij hem bedrogen, maar dezen keer was het om zijn leven te redden en zijn hart sprong op van vreugde in blij vertrouwen op dit bewijs van haar liefde. Hij meende, dat hij heel den opzet nu doorzag. Zijn vijanden waanden hem dood. Zij zouden de Wekusko verlaten en na een poos, wanneer hij veilig kon terugkeeren, zou hij zijn vrijheid herkrijgen.
Naarmate de uren voortschreden, begonnen meer sombere gedachten een schaduw te werpen op zijn blijmoedige opvatting. Meleese toch was op geheimzinnige wijze verbonden met de lieden, die hem naar het leven stonden en als die verdwenen, zou zij allicht met hen verdwijnen. En hoe zou hij haar dan ooit terugvinden? Zou zij naar het Zuiden trekken—naar de beschaafde wereld—of zou zij nog dieper de onbekende wildernissen van het Noorden ingaan?—Als antwoord op die vragen, schoten hem de woorden van Jean Croisset te binnen: „M'sieur, ik weet van wel honderd mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen dooden om wat gij gezegd hebt.”—Ja, hij moest naar het Noorden, wilde hij haar vinden. Ergens in die onherbergzame eenzaamheid, waarvan Jean hem zooveel had verteld, zou hij haar tegenkomen—al moest hij de helft van zijn leven geven aan dat zoeken!
Het was over twaalf, toen hij de huiden op zijn legerstede uitspreidde en zich gereed maakte om te gaan slapen. Hij liet de kacheldeur open en lag nog lang te kijken naar het schijnsel van het wegstervende vuur op de houten wanden. Even vóór de slaap zijn oogen sloot, was hij zich nog bewust van een zwak geluid—hetzelfde hongerige, jammerende gehuil, dat hij dien eersten avond buiten Prince Albert had gehoord. Dat moest een wolf zijn en slaperig vroeg hij zichzelf af, hoe de dikke wanden van zijn gevangenis dien kreet konden doorlaten. Maar, toen hij een uur of wat later de oogen opende, was het raadsel opgelost. Er viel een bleek zonlicht in het vertrek en hij zag, dat dit door een nauwe opening dicht bij de zoldering kwam. Niet zoodra had hij zijn ontbijt genuttigd, of hij schoof de tafel tot onder de spleet en ging er op staan; hij kon nu naar buiten kijken en zag allereerst, dat de zwarte zoom van een groot dennenwoud zich op een honderd yards van het huis bevond. Tusschen dat en het woud, half begraven onder de diepe sneeuw, stond een hut en hij huiverde, toen hij daarboven het roode signaal van den dood zag wapperen, waaromtrent Croisset hem den vorigen avond had verteld.
De morgenuren leken hem eindeloos; een tijdlang amuseerde hij zich met de inspectie van alle hoeken en gaten in zijn kerker, maar hij vond niets belangrijks, behalve wat hij reeds wist. Hij onderzocht de buitendeur, die Croisset had gesloten en liet alle hoop op een ontsnappen in die richting varen. Door de opening bij de zoldering vermocht hij nauwelijks een arm te wringen. Voor het eerst sedert het opwindende begin van zijn avonturen te Prince Albert, werd hij overweldigd door een gevoel van eigen onmacht. Hij was een gevangen man, opgesloten in een ellendig verblijf te midden van de wildernis. En hij, Jack Howland, die altijd trotsch was geweest op zijn physieke kracht, had zich door een half-ras hierheen laten brengen.
Zijn bloed begon te koken, zoo vaak hij er aan dacht. Nu, dat hij tijd en gelegenheid had om stil te staan bij wat er gebeurd was, maakte hij zich woedend over de tooneelen, die achtereenvolgens aan zijn geest voorbijgingen. Hij had goed gevonden om in een vreemd en zeer geheimzinnig spel als niet meer dan een pion gebruikt te worden. Het was niet persoonlijke moed geweest, die hem had gered in het gevecht op het Pad bij de Saskatchewan. Bij de coyote was hij blindelings in de val geloopen. Nog dommer was hij geweest, toen hij zich liet leiden naar de hinderlaag bij het kamp van de Wekusko.
Hij stapte nijdig heen en weer door het vertrek, heftig rookend en het gelaat rood van opwinding bij de ergerlijke gedachten, die in zijn brein opkwamen. Hij trachtte zich niet te verschuilen achter de omstandigheden; hij had geen enkel excuus voor zichzelf. Nooit was hij een lafaard geweest en nooit had hij vrees gekend. Zijn moed en zijn durf hadden zelfs Meleese beangstigd en Croisset verbaasd. En toch—wat had hij gedaan? Van het oogenblik af, dat hij een voet had gezet in het Chineesche restaurant, waren zijn vijanden hem de baas geweest. Men had hem gedwongen om een lijdende rol te spelen. Tot aan de hinderlaag op het Pad bij de Wekusko had hij altijd nog verzachtende omstandigheden voor zichzelf kunnen aanvoeren. Maar deze geschiedenis met Jean Croisset!—Nu, dat hij zich alleen bevond en er kalm over kon nadenken, was het bijkans genoeg om hem dol te maken! Waarom had hij Jean niet ingerekend, zooals deze en Jackpine het hem hadden gedaan?
Hij zag nu wat hij had kunnen doen. Ergens, niet zoo heel ver terug, was de slee met Meleese en Jackpine het onbekende ingegaan. Zij tweeën waren dus alleen geweest. Waarom had hij Croisset niet tot zijn gevangene gemaakt, in plaats van zichzelf als een zwakkeling te laten inpikken? Hij vloekte luid, toen het hem meer en meer duidelijk werd, dat hij een kostelijke gelegenheid had laten voorbijgaan. Met het pistool op de borst had hij Croisset kunnen dwingen om de andere slee te volgen en die in te halen. Hij had Jackpine kunnen overvallen, zooals zij hem—Howland—op het Pad hadden overvallen. En dan? Hij glimlachte, maar er school geen humor in dien lach. Dan zou hij tenminste de baas zijn geweest. En wat zou Meleese in dat geval wel hebben gedaan?
Hij stelde zichzelf vraag op vraag om die snel en beslist nog in denzelfden adem te beantwoorden. Meleese had hem lief. Daar durfde hij zijn leven onder verwedden. Hij raakte in vervoering als hij dacht aan de kussen, die zij hem had gegeven, toen zij bij hem was gekomen, terwijl hij gebonden en met een prop in den mond naast het Pad lag. Zij had zijn hoofd in haar armen genomen en door de droefheid op haar gelaat heen had hij het licht zien schijnen van de groote liefde, die haar trekken in alle komende tijden voor hem zou verheerlijken. Zij had hem lief! En hij had haar laten gaan, hij had als een zwakkeling zichzelf overgeleverd op het oogenblik, waarin hij alles, waarvan hij gedroomd had, in zijn bezit had kunnen krijgen! Met Jackpine en Croisset in zijn macht—
Verder ging hij niet. Was het te laat om dat alles nog te doen? Croisset zou terugkomen. Met een zekere voldoening bedacht hij, dat zijn houding de achterdocht van den half-ras had ontwapend. Hij meende, dat Croisset gemakkelijk te overmeesteren zou zijn, dat hij hem zou kunnen dwingen om het spoor van Meleese en Jackpine te volgen. En dat spoor? Het zou waarschijnlijk leiden naar het hoofdkwartier van zijn vijanden. Maar wat maakte dat uit? Hij stopte een nieuwe pijp en blies rookwolken uit tot de heele kamer er mee gevuld was. Dat spoor zou hem naar Meleese brengen, wààr zij zich ook bevond. Tot nu toe waren zijn vijanden bij hem gekomen; nu zou hij hen opzoeken. Had hij Croisset eenmaal in zijn macht en waren zijn vijanden onkundig van zijn tegenwoordigheid, dan zou alles verder in zijn voordeel zijn. Hij lachte luid, want plotseling kreeg hij een inval: in laatste instantie kon hij Croisset nog als lokvogel gebruiken!
Hij begreep, dat het gemakkelijk zou zijn om Meleese in een val te lokken, wanneer zij in den waan verkeerde, dat zij alleen Croisset zou vinden. Zijn eigen tegenwoordigheid zou zijn als het inslaan van een bom aan haar voeten. En zou zij op zulk een moment, wanneer zij zag hoeveel hij voor haar waagde, hoezeer hij besloten was haar te bezitten, niet toegeven aan het smeekgebed van zijn liefde? Zoo niet, dan moest hij zijn toevlucht nemen tot iets anders—tot iets, dat hem al weer een vroolijken lach op de lippen bracht. In den oorlog en in de liefde is alles gepermitteerd—en hun spel was een spel van liefde. Door liefde gedreven, had Meleese hem weggesleurd van zijn post en hem opgesloten in de wildernis. De liefde sprak haar vrij. En diezelfde liefde zou ook hem vrijspreken. Hij wilde haar tot zijn gevangene maken en dan zou Jean hem terugbrengen naar de Wekusko. Meleese had het voorbeeld gegeven en hij zou haar navolgen. Welke vrouw zou, als zij den man liefhad, zich daarna niet naar zijn wensch schikken? Op hun sleereis zou hij haar heelemaal voor zich hebben, niet voor een uur of wat, maar dagen achtereen. Hij wist zeker, dat hij in dien tijd zijn pleidooi zou winnen. Misschien zouden zijn vijanden hen vervolgen; misschien zou hij moeten vechten; maar daartoe was hij niet ongenegen; hij begon zelfs een beetje naar vechten te verlangen.
Hij ging dien avond naar bed met het plan om te droomen van de dingen, die komen zouden. Een tweede dag, een derde nacht, een derde dag kwam en ging. Met elk uur steeg zijn verlangen naar Jean's terugkomst; soms voelde hij een koortsachtig ongeduld opkomen en wenschte hij, dat alles al gebeurd was. Hij was vol vertrouwen op een goeden uitslag en toch dacht hij niet te licht over de krachten van Croisset. Hij wist, dat de half-ras was als levend staal en ijzer, vlug als een kat en meer dan zijn evenknie in een open gevecht, niettegenstaande zijn eigen meerdere lichaamskracht en forschheid.