Op het onheilspad

Part 7

Chapter 74,254 wordsPublic domain

Zij week terug, als deed hij haar pijn en nam haar handen uit de zijne.

„Ik hoorde—wat er een uur geleden—gebeurd is,” zei zij met half verstikte stem. „Ik stond te luisteren en ik hoorde hoe er over gesproken werd.”—Zij trachtte klaarblijkelijk zichzelf te beheerschen. „Je moet vannacht nog het kamp verlaten.”

Howland toonde niet den minsten angst; integendeel, hij glimlachte, toen hij haar gelaat weer tusschen zijn handen nam.

„Meleese, ik moet de belofte terugnemen, die ik je gisteravond deed. Ik wil je gelegenheid geven om allen te waarschuwen, die je waarschuwen wilt—maar ik keer niet naar het Zuiden terug. Van dit oogenblik af begin ik een drijfjacht op de laffe duivels, die naar mijn leven staan. Vóór het dag is, zal elke man aan de Wekusko met mij zoeken en als wij hen vinden, zal er geen genade zijn. Wilt gij mij helpen—of—”

Zij duwde zijn handen weg van haar gelaat en sprong terug, nog vóór hij had uitgesproken. Hij zag een plotselinge verandering in haar trekken; haar lippen werden strak en vastberaden; de smeekende blik en de uitdrukking van angst stierven weg op het bleeke gelaat. Er klonk iets vreemds uit haar stem, toen zij weer sprak—iets van dezelfde vastberadenheid, die Howland in de zijne had gelegd—maar haar toon miste zijn zachtheid en zijn liefde.

„Wil je me alsjeblieft zeggen, hoe laat het is?”

Die vraag was wel heel zonderling. Howland haalde zijn horloge te voorschijn en keek er op bij het licht van de sterren.

„Het is kwart over twaalf.”

Er gleed een licht glimlachje over de lippen van het jonge meisje.

„Weet je zeker, dat je horloge niet vóór is,” vroeg zij.

In sprakelooze verwondering staarde Howland haar aan.

„Want het zou voor jou en voor mij van veel gewicht zijn, wanneer het nog niet kwart over twaalf was,” ging Meleese voort met steeds meer ijver. Op eens kwam zij naar hem toe en legde zij haar warme handen op zijn gelaat, daarbij zijn armen in bedwang houdend.

„Luister,” fluisterde zij, „is er dan niets, niets dat je van je voornemen kan afbrengen—niets, dat je naar het Zuiden kan terugdrijven—vannacht nog?”

De nabijheid van haar lief gelaat, de teere aanraking van haar handen, de zachte adem, die van haar lippen kwam, dat alles deed bij Howland den lust ontstaan om toe te geven. Eén oogenblik wankelde hij.

„Er is misschien maar één—en ook maar één enkele kans om mij vannacht nog te doen vertrekken,” antwoordde hij, zijn stem trillend van de groote liefde, die hem vervulde. „Voor jou, Meleese, geef ik alles op—eerzucht, fortuin, roem en den bouw van dezen spoorweg. Als ik zeg, dat ik vannacht vertrek, ga je dan met me mee? Wil je mij beloven om mijn vrouw te worden, zoodra wij te Le Pas zijn?”

Er lichtte onuitwischbare teederheid uit de mooie oogen, zoo dicht bij de zijne.

„Dat is onmogelijk. Je zou me niet langer liefhebben als je wist, wie ik ben—en wat ik deed—”

Hij greep haar hand.

„Heb je dan kwaad gedaan—groot kwaad?”

Een oogenblik scheen zij te aarzelen en daarop kwam hortend en stootend over haar lippen: „Ik—weet niet. Ik geloof van wel—Maar—het is niet dàt!—neen, niet _dat_!”

„Meen je, dat ik je niet mag zeggen hoe lief ik je heb?” vroeg hij. „Bedoel je, dat je niet naar me _moogt_ luisteren? Ik—ik—nam aan, dat je ongetrouwd waart—dat—”

„Neen, neen, dat is het niet,” riep zij haastig. „Je begaat geen zonde door mij lief te hebben.” En weer vroeg zij plotseling: „Wil je me alsjeblieft zeggen hoe laat het is—nu—op dit moment?”

Hij keek opnieuw op zijn horloge. „Twintig minuten over twaalf.”

„Laten we wat meer naar het pad gaan,” fluisterde zij. „Ik ben hier zoo bang.” Zij liep vooruit, snel het wegje overstekend, dat naar zijn hut voerde. Een paar honderd meter verder lag een boomstam ter zijde van het pad; Meleese ging er op zitten en gaf hem een teeken om haar voorbeeld te volgen. Howland zat met den rug naar het lage hout achter hen. Hij keek naar het jonge meisje, maar zij hield het gelaat afgewend. Op eens sprong zij op en plaatste zij zich recht vóór hem.

„Nu!” riep zij. „Nu!” Howland voelde hoe hij van achteren werd aangegrepen; een oogenblik worstelde hij met een paar sterke armen, die zich als ijzeren kabels om hem heen hadden geslagen, terwijl een hand op zijn mond den kreet verstikte, hem door den schrik ontlokt. Even nog kreeg hij een glimp te zien van het witte gelaat van het meisje, zooals zij daar vóór hem op het pad stond; toen trokken sterke handen hem achterover, terwijl anderen zijn vuisten bonden en nog anderen zijn beenen vastmaakten. Er was voor dit alles maar een paar seconden noodig geweest. Hulpeloos en met een prop in den mond lag hij in de sneeuw, luisterend naar het zachte gemompel, dat uit de struiken tot hem doordrong. Hij kon niets verstaan, maar hij meende de stem van Meleese te onderscheiden.

De geluiden werden zwakker; hij hoorde nu voetstappen, die zich verwijderden en eindelijk wegstierven. Door een opening in de boomen recht boven hem blikten de koude, witte sterren van den winternacht op hem neer en hij staarde die aan tot het hem leek, alsof zij langs den hemel dansten en sprongen. Hij wou vloeken—schreeuwen—worstelen. In die oogenblikken, terwijl hij daar in de bevroren sneeuw terneerlag, werden er millioenen duivels in hem geboren. Het meisje had hem weer bedrogen! Dezen keer kon hij geen verontschuldiging voor haar vinden. Zij had zijn liefde aangenomen—hij had haar mogen kussen, haar in zijn armen mogen houden—en al dien tijd was zij bezig om voor de tweede maal tegen hem te complotteeren. Zij zelve was het geweest, die na rijp beraad het sein tot den overval had gegeven en nu—

Weer hoorde hij den vluggen, snellen tred, dien hij onmiddellijk herkende. De struiken achter hem openden zich en bij het witte licht der sterren viel Meleese naast hem op de knieën, het lieve gelaat over hem buigend in een smart, zóó diep als hij nog nooit had aanschouwd en haar oogen hem aanziend met ongekende liefde. Zonder te spreken legde zij zijn hoofd in de holte van haar arm en drukte zij het hare er tegen aan, hem aldoor kussend en aldoor zijn naam fluisterend.

„Vaarwel!” hoorde hij haar zeggen—„Vaarwel! Vaarwel!”

Hij trachtte te roepen, toen zij zijn hoofd weer op de sneeuw legde; hij trachtte zijn handen te bevrijden om haar vast te houden—maar hij zag nog slechts even het gelaat, dat zich over hem boog. Hij voelde den warmen druk van haar lippen op zijn voorhoofd en vernam daarna alleen nog maar de lichte voetstappen, die zich snel door het woud verwijderden.

HOOFDSTUK X.

Een sledevaart het Noorden in.

Meleese had hem lief—Meleese had zijn hoofd in haar armen genomen en hem gekust—dat was de eenige, de verterende gedachte, die Howland's brein vervulde, toen zij hem gebonden en met een prop in den mond in de sneeuw achterliet. In den beginne bevreemdde het hem, dat zij geen poging had gedaan om hem te bevrijden. Hij voelde nog de teedere aanraking van haar lippen, den druk van haar armen, de zachte warmte van haar lokken. Het was eerst toen er opnieuw geluiden naderden, dat hij tot het volle besef kwam van het geheimzinnige in heel dit gebeuren. Hij vernam allereerst het knarsen van een toboggan op de harde ijskorst, vervolgens een druk getrappel van hondepooten en ten slotte ook menschenstemmen. Een pas of twaalf van hem af, hielden die geluiden op. Het was met een vreemde gewaarwording, dat hij de stem van Croisset herkende.

„Pas op, dat je je niet vergist,” hoorde hij den half-ras zeggen. „Je gaat naar den waterval aan de bovenzijde van het meer en gooit daar een rotsblok naar omlaag op een punt, waar het water open is en woest opspuit. Je maakt een spoor in de sneeuw met de hooge laarzen van M'sieur Howland en je hangt zijn hoed aan de takken van de struiken boven den afgrond. Dan vertel je den superintendent, dat M'sieur waarschijnlijk op dat rotsblok is gestapt, dat het onder hem uit zal zijn gegleden en hem waarschijnlijk zal hebben meegesleurd in de diepte. Zijn lichaam wordt nooit gevonden en het kamp vraagt om een nieuwen ingenieur in plaats van M'sieur, die verdwenen is.”

Buiten zichzelf van afgrijzen, spande Howland zijn ooren in om nog meer op te vangen van het wreede plan, maar de stemmen werden zachter en hij kon niet langer verstaan wat er gezegd werd, totdat Croisset naderbij komend, weer zei:

„Vóór je weggaat, moet je me helpen met den M'sieur, Jackpine. Hij is erg zwaar met al die riemen en touwen.”

Croisset en de Indiaan kwamen nu uit de struiken en namen—onverschillig als gold het een boomstronk—Howland bij het hoofd en de voeten om hem naar het pad te dragen, waar zij hem languit op een slee legden.

„Ik hoop, dat ge geen koû hebt gevat, M'sieur, terwijl ge daar in de sneeuw laagt,” zei Croisset, hoofd en schouders van den ingenieur goed instoppend en een massa pelswerk over hem heen schikkend. „We hadden al eerder terug moeten zijn, maar dat lukte niet. Hup-la, Woonga!” riep hij zacht tegen den voorsten hond. „Sta toch op, halve wolf, die je bent!”

Toen de slee afreed met Croisset dravend naast den eersten hond van zijn span, hoorde Howland achter zich een zwak zweepgeklap en ook een andere stem, die andere honden aanzette. Met een poging waarbij hij zich bijkans den hals verdraaide, wist hij zich zóó ver om te werken, dat hij achter zich kon zien. Op een honderd yards afstand bemerkte hij een tweede slede, die hun spoor volgde; hij zag heel flauw een gedaante aan het hoofd van de honden loopen, maar wat of wie er in de slede zat en wat die beteekende—daarvan had hij zelfs geen vermoeden. Gedurende vele mijlen ging het nu zonder ophouden voort. Croisset keek niet om; er kwam geen syllabe over zijn lippen, behalve af en toe een aansporing aan het adres van de honden. Het Pad ging lijnrecht het Noorden in; aldra kon Howland het niet meer volgen, maar hij merkte op, dat zij door de minst dichte gedeelten van het oerwoud kwamen en dat de poolster nooit rechts of links van hem, maar altijd vóór hem stond.

Zij hadden op die wijze al uren lang voortgereisd, toen Croisset op eens een luiden schreeuw uitte tegen de slee, die achter hen aankwam en tegelijkertijd de zijne inhield. Als één hijgende massa vielen de honden in de sneeuw en terwijl de vermoeide dieren uitrustten, nam de half-ras zijn gevangene het stuk geitenhuid uit den mond, dat als prop had gediend.

„Ge moogt nu vrij spreken, M'sieur en schreeuwen zooveel ge maar wilt,” zei hij. „Als ik uw zakken heb geïnspecteerd, zal ik uw handen vrij maken en dan kunt ge rooken. Ligt ge gemakkelijk?”

„Naar de hel—met je gemakkelijk!” waren de eerste woorden, die Howland over de lippen kwamen en zijn bloed kookte om de vriendschappelijke manier, waarop Croisset tegen hem grinnikte. „Zoo—dus je hoort er ook bij—hè? net als dat meisje met al haar leugens!”

De glimlach verdween van Croisset's gelaat.

„Meent ge, Meleese, M'sieur Howland?”

„Ja.”

Croisset boog zich en zijn zwarte oogen glinsterden als vurige kolen.

„Weet ge wat ik zou doen, als ik in haar plaats was, M'sieur?” zei hij met een stem, die zacht klonk, maar die tegelijkertijd zóó dreigend was, dat de ingenieur de hartstochtelijke woorden, die hem op de lippen lagen, liever maar vóór zich hield. „Weet ge wat ik zou doen? Ik zou u dood maken—u duim voor duim dood maken—ik zou u dood martelen. Dat zou ik!”

„Maar om Gods wil, Croisset, zeg mij dan toch waarom—waarom—”

Intusschen had Croisset het pistool van Howland gevonden en weggenomen en diens handen bevrijd; de ingenieur hief die smeekend op.

„Ik zou mijn leven willen geven voor dat meisje, Croisset. Ik heb het haar daar ginds al gezegd en zij is bij mij gekomen, toen ik in de sneeuw lag en toen—” Hij hield zich in en voegde er alleen nog aan toe: „Er moet hier een misverstand in het spel zijn, Croisset. Ik ben niet de man, dien zij willen dooden.”

Croisset keek hem weer aan met een glimlach.

„Rook maar, M'sieur—en denk eens goed na. Het is me onmogelijk te zeggen, waarom ge dood moet—maar zelf zult ge dat allicht weten, tenzij uw geheugen nog minder is dan dat van een pasgeboren kind.”

Hij ging nu naar de honden en bracht die door zweepgeklap weer op de been. Toen Howland van die gelegenheid gebruik maakte om nog eens achter zich te kijken, zag hij op de plek waar de tweede slee had halt gehouden, het schijnsel van een helder vuur en kwam er van ver weg uit de duisternis een mannestem, die Croisset in het Fransch iets toeriep.

„Hij zegt, dat ik maar alleen verder met u moet doorgaan,” zei Croisset, nadat hij op de enkele woorden, die gesproken werden, had geantwoord in een patois, waarvan Howland niet het minste begreep. „Zij komen later weer bij ons.”

„Zij!” riep Howland. „Hoeveel mannen zijn er dan noodig om mij dood te maken, mijn beste Croisset?”

De half-ras boog zich glimlachend over hem heen.

„Ik zou liever de Heilige Maagd danken voor hun bijzijn,” zei hij zacht. „Zoo ge behalve op den hemel nog op iets anders hoopt, laat het dan zijn op wat in de slee daar achter ons zit!”

Daarop weer naar zijn honden gaand, verschikte hij iets aan het tuig van den voorsten en intusschen keek Howland nog eens om naar de plek in het donkere woud, die door het vuur werd verlicht. Hij zag duidelijk een man, die hout in den gloed wierp en iets verder op, verscholen in de diepe schaduw van de boomen, een vage opeenhooping van honden om een slee. Hij spande zich in om nog meer te ontdekken en nu zag hij eenige beweging achter den man bij het vuur. Zijn hart sprong op met een plotselinge opwelling van vreugde. Maar tegelijkertijd hoorde hij achter zich een luiden uitroep in het Fransch van Croisset—klaarblijkelijk een waarschuwingskreet, want dadelijk trok die tweede gedaante zich nog verder terug. Intusschen—Howland had haar herkend en het bijna bevrozen bloed in zijn aderen herkreeg nieuwe levenskracht, nu hij de zekerheid had, dat het Meleese was, die op de tweede slee achter hen aankwam.

„Als je weer van plan bent om zoo te gillen, verzoek ik je om me vooruit te waarschuwen, Jean,” zei hij koeltjes, als had hij de gestalte niet herkend, die een oogenblik in het licht van het vuur was verschenen. „Het is genoeg om iemand een schrik op het lijf te jagen!”

„Dat is onze manier van afscheid nemen, M'sieur,” antwoordde Croisset met een geweldigen klap van zijn zweep. „Hup-la, vooruit jelui!” riep hij tegen de honden en een oogenblik later was heel het vuur uit hun gezicht verdwenen.

In den noordelijken winter breekt de dageraad omstreeks acht uur aan en hier boven den vijftigsten breedtegraad begint het eerste rosse schijnsel van de zon tegen negen uur den zuid-oostelijken hemel te verwarmen. Die gloed scheen al geruimen tijd op de wouden vóór Croisset zijn span opnieuw tot stilstaan bracht. Twee uur lang had hij geen woord tegen den gevangene gesproken en na verscheidene vergeefsche pogingen om het zwijgen van zijn metgezel te verbreken, had ook Howland zich in stilte gehuld. Eerst toen hij zijn vermoeide honden verzorgd had, begon Croisset te spreken.

„We zullen hier een paar uur halt houden,” legde hij uit. „Als ge me op uw woord van eer belooft, dat ge geen moeite zult doen om te ontsnappen, dan zal ik u het gebruik van uw beenen toestaan tot na ons ontbijt, M'sieur. Wat zegt ge daarvan?”

„Hou je er een bijbel op na, Croisset?”

„Neen, M'sieur, maar ik heb een kruis van de Heilige Moeder Gods, dat de zendeling te York Factory me gegeven heeft.”

„Dan zal ik daarop zweren, wat ik op alle kruisen en alle bijbels van de wereld wil zweren—namelijk, dat ik geen enkele poging zal doen om te ontsnappen. Ik ben letterlijk lam, Croisset. Ik zou nog in geen week kunnen loopen!”

Croisset zocht in zijn zakken.

„_Mon Dieu!_” riep hij, „zou ik het verloren hebben?—O neen, daar bedenk ik me, M'sieur, dat ik het kruisje aan mijn Mariane heb gegeven, vóórdat ik naar het Zuiden trok. Uw woord is mij genoeg.”

„En wie is die Mariane, Jean? En zal zij ook tegenwoordig zijn bij het „halali!””

„Mariane is mijn vrouw, M'sieur. _Ah, ma belle Mariane, ma chérie!_—Zij is de dochter van een Indiaansche prinses en de kleindochter van een _chef de bataillon_, M'sieur! Wat zou ik meer kunnen wenschen?—en mooi, M'sieur?!—Zij heeft haar als de bovenzijde van een ravenvleugel, die door de zon wordt beschenen en—”

„Je houdt veel van haar, Jean?”

„Ja, ik houd veel van haar en ook veel van de Heilige Moeder Gods—maar toch altijd nog een beetje meer van haar.”

Croisset had intusschen het touw om de beenen van den ingenieur losgewikkeld en toen hij de oogen ophief, zag hij hoe deze de handen naar hem uitstak en die op zijn schouders legde.

„En op juist diezelfde wijze houd ik van Meleese,” zei Howland zacht. „Jean, wil je mijn vriend zijn? Ik zal geen moeite doen om te vluchten. Ik ben geen lafaard. Denk eens wat Mariane zou doen. Wil je mijn vriend zijn? Jij zou, zoo noodig, voor Mariane willen sterven. En ik zou in den dood willen gaan voor het meisje daar achter ons op die slede.”

Hij was met moeite op zijn voeten gestrompeld en wees naar de wouden, waar doorheen zij gekomen waren.

„Ik zag haar bij het schijnsel van het vuur, Jean. Waarom volgt zij ons? Waarom toch willen zij mij doodmaken? Als je me maar in de gelegenheid stelde om te bewijzen, dat het een vergissing is—dat ik—”

Croisset greep zijn hand.

„M'sieur, ik zou u graag willen helpen,” viel hij den ingenieur in de rede. „Ik ben dadelijk van u gaan houden op den avond, toen wij samen terugkwamen van dat gevecht op het Pad. En sedert ben ik van u blijven houden. En toch—als ik in hun plaats was, zou ik u dooden, hoeveel ik ook van u houd. Het is hun dure plicht om u te dooden. Zij begingen geen onrecht, toen zij u in de coyote opsloten. Zij begingen geen onrecht, toen zij beproefden u op het Pad te dooden. Maar ik heb plechtig gezworen, dat ik u niets zal vertellen; niets—behalve dit: zoo lang ik bij u ben en zoo lang die slee achter ons is, loopt uw leven geen gevaar. Meer zeg ik niet.—Hebt ge honger, M'sieur?”

„Wolvenhonger!” luidde het antwoord van Howland.

Hij trachtte een pas of wat voorwaarts te doen in de sneeuw, maar de verdooving in zijn beenen noodzaakte hem om zich vast te houden aan boomen en struiken, wilde hij niet vallen. Hij was verbaasd over Croisset's woorden en nog meer over diens verzekering, dat zijn leven zich niet langer in onmiddellijk gevaar bevond. Meleese had hem dus niet alleen gewaarschuwd, zij werkte zelfs mee om hem te beschermen. Die gevolgtrekking vermeerderde nog zijn verwarring. Wie toch was het jonge meisje, dat hem enkele uren te voren in de macht van zijn vijanden had gelokt en dat nu voor hem streed? Die vraag had thans voor hem een nog zooveel diepere beteekenis dan een paar dagen geleden te Prince Albert en toen Croisset hem riep om bij het kampvuur te komen ontbijten, kon hij zich niet weerhouden om het verboden onderwerp nog eenmaal aan te roeren.

„Jean, ik wil het je niet moeilijk maken,” zei hij, zich op de slee neerzettend, „maar er zijn een paar dingen, waar ik het mijne van moet hebben. Ik geloof, dat die Meleese van jou een slechte vrouw is!”

Croisset liep onmiddellijk in de val, die Howland hem stelde. Hij boog zich iets voorover, zijn hand trilde op het mes, zijn oogen schoten vuur. Onwillekeurig week de ingenieur terug voor die half-dierlijke houding en voor den zwaren toorn, die met elk oogenblik duidelijker te lezen viel op het gelaat van den half-ras. Intusschen bleven Croisset's woorden zacht en kalm—ook terwijl schouders en armen zich strekten als de woudkat, wanneer zij op het punt staat om haar sprong te nemen.

„M'sieur, dat mag niemand ter wereld van mijn Mariane zeggen en evenmin van Meleese. Daar ginds”—en hij wees naar het Noorden—„ken ik wel honderd mannen tusschen de Athabasca en de baai, die u zouden willen dooden, alleen om wat gij daareven gezegd hebt. En hier is het Jean Croisset, die het niet verdraagt. Ik maak u dood, als ge het niet terugneemt.”

„Groote God!” riep Howland, Croisset recht in de oogen ziend—„ik ben blij, dat het zoo is, Jean.—Begrijp je me dan niet, kerel? Ik heb haar lief en natuurlijk meende ik allerminst wat ik daareven zei: Ook ik zou voor haar willen dood maken, Jean. Ik zei het alleen maar om te weten te komen, wat jij zou doen—”

Langzaam kwam Croisset weer tot zichzelf en een zwakke glimlach teekende zich om zijn dunne lippen.

„Als het een grap is geweest, dan was het een leelijke, M'sieur.”

„Het was geen grap!” riep Howland. „Het was een ernstige poging van mijn kant om je zóó ver te krijgen, dat je me wat van Meleese vertelde. Luister eens, Jean,—zij zei mij daar ginds, dat er niets was, wat mijn liefde voor haar in den weg stond en toen ik gebonden en met een prop in den mond in de sneeuw lag, is zij bij mij gekomen en heeft zij mij gekust. Ik begrijp niet—”

Haastig viel Croisset hem in de rede.

„Deed zij dat werkelijk, M'sieur?”

„Ik zweer het.”

„Dan zijt ge wel heel gelukkig!” zei Jean zacht, „want ik verzeker u bij mijn hoop op een zalig hiernamaals, dat zij dat nooit eer voor een man heeft gedaan, M'sieur. Maar het zal ook nooit weer gebeuren.”

„Ik geloof integendeel, dat dit wèl het geval zal zijn, Jean, tenzij jelui me dood maakt.”

„En ik zal niet aarzelen om u dood te maken, wanneer gij meent, dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. En ook zijn er anderen, die u zouden willen dooden, alleen al omdat het één keer gebeurd is. Maar ge moet er niet meer over praten, M'sieur. Als ge er mee voortgaat, zal ik u het leer weer op den mond moeten leggen.”

„En als ik me daartegen verzet—en vecht?”

„Ge hebt me uw eerewoord gegeven. Hier in de diepe sneeuw van het Noorden geldt woord houden voor de eerste wet. Komt ge die niet na, dan maak ik u dood.”

„Groote God! ik moet zeggen, je bent een jolige reismakker!” riep Howland, onwillekeurig lachend. „Weet je wel, Croisset, dat deze heele toestand evenveel van een comedie als van een tragedie heeft? Ik moet een uiterst gewichtig personage zijn, wie dan ook. Vraag me eens wie ik eigenlijk ben, Croisset.”

„Wie zijt ge, M'sieur?”

„Dat weet ik niet, Jean. Neen, ik weet het waarachtig niet. Ik dacht, dat ik een heel eerzuchtig broekje was, lid van een groote technische vennootschap te Chicago. Maar dat heb ik waarschijnlijk gedroomd. Een gekke droom, nietwaar? Ik dacht, dat ik hier was gekomen om een spoorweg te bouwen door deze vervl..kte—neen, ik meen prachtige sneeuwvelden—maar mijn geest was zeker beneveld. Heb je wel eens van krankzinnigengestichten gehoord, Croisset? Bevind ik me misschien in een groot steenen gebouw met ijzeren tralies voor de ramen en ben jij mijn oppasser, die gekomen is om me wat bezig te houden? Het is heel vriendelijk van je, Croisset en ik hoop, dat ik te eeniger tijd mijn geestvermogens tenminste in zóóverre terug zal krijgen, dat ik je fatsoenlijk zal kunnen bedanken. Misschien word jij op een goeden dag ook nog gek, Jean en ga jij ook droomen van jonge meisjes en spoorwegen en wouden en sneeuwvelden—en dan zal ik jouw oppasser zijn.—Wil je een sigaar? Ik heb er net nog twee.”

„_Mon Dieu!_” hijgde Jean. „Ja, M'sieur, ik wil wel graag rooken. Is het rendiergebraad zoo naar uw zin?”

„En òf! Ik heb geen hap gegeten, sedert ik jaren geleden droomde, dat ik op een kist met dynamiet zat, die op het punt was van in de lucht te vliegen. Heb jij ooit op een kist met dynamiet gezeten, Jean, die op het punt was in de lucht te vliegen?”

„Neen, M'sieur, maar dat moet wel heel naar zijn!”

„Dat was de droom, die mijn haar wit maakte, Jean. Zie eens hoe wit het is! Witter dan de sneeuw—”

Onder het eten bleef Croisset zijn gevangene met angstigen blik opnemen, totdat Howland, het bemerkend, in een luid gelach uitbarstte.

„Wees maar niet bang, Jean,” zei hij kalmeerend. „Ik ben onschadelijk. Maar ik verzeker je, dat ik wild zal worden, tenzij er gauw iets heel rationeels gebeurt.—Hallo! denk je al zóó gauw weer verder te gaan?”

„Onmiddellijk, M'sieur!” antwoordde Croisset, de honden al aanzettend. „Wilt ge loopen en draven of rijden?”

„Liever loopen en draven, als je er niet op tegen hebt.”