Part 6
„God nog toe, hoe is het mogelijk, dat Thorne geen lust gevoelt om het te zien,” zei hij weer. „Denk toch eens, man!—zeven duizend vijfhonderd pond buskruit en tweehonderd pond dynamiet! Eén druk op dit knopje, één schicht door dien draad en de lont brandt. Dan nog een minuut of vijf en een berg, die van den scheppingsdag af op zijn plaats heeft gestaan, gaat de lucht in! Is het niet prachtig!?” Hij ging kaarsrecht staan en nam zijn hoed af.
„Mr. Howland, zoudt ge op dezen knop willen drukken?”
Met een vreemde gewaarwording boog Howland zich over de batterij, zijn blik gericht op de doffe, zwarte rotsmassa, die op een halve mijl afstands het noodlot scheen uit te dagen. Zijn vinger trilde, toen hij op het kleine, witte knopje drukte en er kwam een diepe stilte over de menigte. Een—twee—drie—vier—vijf minuten gingen voorbij, terwijl in het binnenste van de aarde de lont tot aan het einde toe voortbrandde. Toen steeg er een lichte stofwolk op, zonder geluid en gevolgd door een vlam,—en daarna—misschien twee seconden later—kwam de eigenlijke uitbarsting. Het was een gedruisch en een gestamp, alsof de aarde onder den voet werd geloopen; er stegen dikke zwarte rookmassa's op, die den berg in een ondoordringbaar lijkkleed schenen te hullen, om na enkele oogenblikken roodgloeiend te worden; en tegelijkertijd scheurde de lucht vaneen met een knal alsof duizend kanonnen tegelijk werden afgevuurd. Zoo ver het oog reikte, schoot er een vlammenzee uit den rook; die klom al hooger en hooger met bliksemende schichten, totdat de gloeiende tongen de luchtlagen tot op een kwart mijl boven de wildernis lekten. De eene uitbarsting volgde op de andere, enkele met een onderaardsch, weerkaatsend geluid, maar de meeste met een zwaren knal. De hemelen waren vol van tegen elkaar botsende rotssteenen; vaste massa's graniet van tien voet in het vierkant vlogen door de lucht; rotsen van meer dan een ton inhoud werden weggeslingerd als ballen, door een reuzenhand geworpen; brokken, zwaar genoeg om de hoogste gebouwen in puin te doen verkeeren, kwamen een derde of een halve mijl verder neer. Drie minuten lang hield de vreeselijke stuiptrekking aan. Toen stierf het licht weg uit de lijkwade van rook en begon die wade zelf zich te leggen. Howland voelde een greep om zijn arm. Hij keek om en zag in het nu bleeke en starende gelaat van den superintendent. Zijn eigen ooren suisden en elke zenuw in hem hing slap. MacDonald's stem klonk vreemd en spookachtig toen hij sprak.
„Wat zeg je dáárvan, Howland?”
De twee mannen namen elkaar bij de hand en toen zij weer opkeken, zagen zij—door stof en rook nog moeilijk te onderscheiden—vaneengescheurde en verspreide rotsblokken liggen op de plek, waar de hooge heuvelkam had gestaan, die den nieuwen weg naar de baai versperde.
Howland sprak maar weinig bij den terugkeer naar het kamp. Het tooneel, waarvan hij getuige was geweest, had hem aangegrepen; het had in hem de oude eerzucht, de oude geestdrift wakker geschud, maar geen van die twee zocht uiting in woorden. Hij was blij toen de maaltijd bij Thorne een einde nam en toen de mail-slede met zijn ouderen collega verdween, groeide die gewaarwording aan tot een gevoel van vreugde en verlichting. Nu was _hij_ toch de verantwoordelijke persoon; van dit oogenblik af was het _zijn_ lijn, _zijn_ werk. En bij het afscheidnemen gaf hij MacDonald een handdruk, die meer zei dan woorden.
In zijn eigen hut teruggekeerd, wierp hij jas en hoed weg, stak hij een pijp op en trachtte hij de beteekenis te beredeneeren, die dit alles voor hem had. Hij was de verantwoordelijke chef bij den bouw van een der meest grootsche spoorwegen op het heele wereldrond—hij—Jack Howland—de jongen, die nog geen twintig jaar geleden uitgehongerd en blootsvoets kranten had verkocht in dezelfde straten, waar nu zijn roem luid werd verkondigd. Wat beteekende toch die zwarte vlek, die scheen opgekomen om zijn kansen te bedreigen, juist nu hij zeker meende te zijn van de overwinning? Hij balde de vuisten bij de gedachte aan wat er al gebeurd was,—aan den laaghartigen aanslag op zijn leven en aan de waarschuwingen—en zijn bloed steeg tot koortshitte. Dien avond, als hij Meleese weer had gezien, zou hij weten waar hij aan toe was. Maar intusschen stond één ding vast: hij zou zich niet laten verdrijven, zooals Gregson en Thorne.
Het duister van den nacht valt vroeg in den noordelijken winter en het werd al schemer, toen hij buiten een stem hoorde, weldra gevolgd door een luid kloppen op de deur. Howland deed open en zag het hoofd en de schouders van een man.
„Er is iets niet goed met de noordelijke coyote, Sir, en Mr. MacDonald vraagt of ge zoo gauw mogelijk wilt komen,” sprak de nieuw aangekomene. „Hij heeft mij daarom met een sleê hierheen gezonden.”
„En MacDonald meende daar straks, dat alles gereed was voor het opblazen,” zei Howland, naar jas en hoed grijpend. „Wat mankeert er aan?”
„Niet goed gestuwd, denk ik. Ik hoorde hem vloeken en tieren. Hij heeft geen rust vóór ge daar zijt.”
Een half uur later hield de sleê stil dicht bij de plek, waar Howland vroeger op den dag een twintigtal werklui bezig had gezien met het afladen en rangeeren van zakken buskruit en dynamiet. Er stonden tusschen de rotsen een stuk of zes lantaarns te branden, maar nergens was er eenig spoor van leven of beweging, totdat de voerman plotseling de lange zweep liet klappen en zich als antwoord een dof hallo uit de verte liet hooren.
„Dat is MacDonald, Sir. Ge zult hem daar ginds bij de tweede lantaarn vinden—daar is de opening van de coyote. Hij staat te razen tegen een half dozijn mannen, die het dynamiet op in plaats van onder het kruit hadden gestuwd.”
„All right,” riep Howland, zich tegen de rotssteenen opwerkend. Nauwelijks echter had hij een stap of wat gedaan, of achter hem schoot iets tusschen de rotssteenen uit, dat met een verpletterenden slag op zijn hoofd neerkwam. Hij viel kreunend voorover op zijn gelaat. Gedurende enkele oogenblikken hoorde hij nog stemmen om zich heen; hij voelde ook, dat mannenarmen hem optilden en wegdroegen, zóó, dat zijn beenen langs den grond sleepten. Daarna werd het hem als zonk hij weg—diep—diep—steeds dieper, totdat ten laatste elk gevoel van bestaan zich oploste in een chaos van pikzwarte duisternis.
HOOFDSTUK VIII.
De Ure des Doods.
Het eerste wat Howland zag, toen hij weer tot bewustzijn kwam, was een onbeweeglijk rood oog, dat hem uit de ondoordringbare duisternis strak aanstaarde,—een venijnig glinsterend ding, dat hem met angst vervulde en hem tegelijkertijd tot het leven terugriep. Het stond tegenover hem, op één lijn met zijn gelaat,—een bol van geel-rood vuur, die hem tot in de ziel scheen te branden. Hij trachtte te schreeuwen, maar er kwam geen geluid over zijn lippen; hij beproefde zich om te wenden, zich terug te trekken, maar het was of zijn leden alle beweegkracht misten. Het oog groeide aan; hij zag nu, dat het een stralenkrans afwierp en die krans werd grooter, tot het leek alsof de dikke duisternis er omheen wegsmolt. Eerst toen begreep hij. Het was een lantaarn, die daar vóór hem stond op niet meer dan tien voet afstands. Hij was nu ten volle tot bewustzijn gekomen en deed opnieuw een poging om te roepen, om zijn armen uit een onzichtbaren greep te bevrijden. Hij meende eerst, dat het menschenhanden waren, die hem vasthielden, maar toen het schijnsel van de lantaarn de dingen om hem heen en ook zijn eigen persoon beter verlichtte, merkte hij al gauw, dat het een riem was, en dat hij niet kon roepen, omdat er iets hards en stijfs om zijn mond zat.
En op eens werd alles hem duidelijk. Hij was op die slede naar de coyote gekomen. Daar had men hem een slag op het hoofd gegeven. Hij herinnerde zich, hoe mannen hem over de rotsen hadden gesleept en diezelfde mannen hadden hem gebonden en hem een prop in den mond geduwd om hem vervolgens te laten liggen bij die lantaarn, die hem aldoor aanstaarde. Maar waar was hij? Hij trachtte naar de andere zijde te kijken en de duisternis te doorboren. Vóór zich, achter het licht, zag hij een zwarten wand; hij kon het hoofd niet geheel omdraaien, maar toch eenigszins nagaan, waar diezelfde zwarte wand aan den linkerkant ophield. Hij keek omhoog en zijn blik stuitte andermaal op hetzelfde onverbiddelijke rotsgesteente. Hij keek omlaag en de kreet van afgrijzen, die in zijn keel opkwam, verstierf in een gesmoord kreunen. Het schemerachtige licht toch viel op een zak—op twee zakken,—op drie,—op vier,—op een stevig opeengestapelden muur van zakken.
Nu wist hij ten volle wat er gebeurd was. Hij zat opgesloten in de coyote en die zakken om hem heen waren gevuld met buskruit! Hij zat op iets hards—op een kist—en die kist was gevuld met dynamiet! Het koude zweet parelde op zijn gelaat, dat glinsterde in het schijnsel van de lantaarn. Aan zijn voeten lag een dunne, witte, spookachtige draad, die zich verderop verloor in de duisternis. Dat was de lont, die naar de kist met dynamiet leidde, waarop hij zat!
Half waanzinnig van angst vocht hij met de touwen, die hem vasthielden, totdat hij eindelijk uitgeput achterover tegen den wand van zakken aanviel. Als vurige woorden klonk de laatste waarschuwing van Meleese hem in het oor: „Je moet weggaan—morgen—morgen—of zij zullen je doodmaken!” Het was dus op deze wijze, dat zij hem wilden laten sterven. Hij zag opnieuw het vreeselijke schouwspel, waarvan hij een paar uur vroeger getuige was geweest—een brandoffer van vuur en rook en donder, dat een berg vaneen had gescheurd,—een chaos van strijdende, kronkelende furiën,—en het was of zijn hart een oogenblik stokte. Was het mogelijk, dat er menschen bestonden, duivelsch genoeg, om hem tot zulk een uiteinde te veroordeelen? Waarom hadden zijn vijanden hem niet op slag daar tusschen de rotsen gedood? Dat zou gemakkelijker zijn geweest—en sneller—en eenvoudiger. Waarom wilden ze hem martelen? Wat voor vreeselijks had hij bedreven? Was hij gek—stapelgek—en dit alles slechts een ontzettende nachtmerrie,—een waanzinnige, onwezenlijke verdraaiing van feiten in zijn brein? Al die vragen raasden hem door het hoofd, zonder dat hij ook maar een enkele er van trachtte te beantwoorden. Een korte poos zat hij stil, nauwelijks ademhalend. Hij hoorde niets dan het kloppen van zijn eigen hart. Maar toen kwam er een ander geluid, eerst bijna onmerkbaar en zacht, daarop scherp en haastig—een geluid, genoeg om hem dol te maken.
Tik—tik—tik!
Het was het tikken van zijn horloge. En een nieuwe angst greep hem aan.
Hoe laat was het?
De coyote zou om negen uur worden opgeblazen. Het was vier uur geweest, toen hij van huis ging. Hoe lang had hij bewusteloos gelegen? Was het oogenblik al gekomen—was het nu? Stak MacDonald den vinger al uit naar dien kleinen witten knop, die hem—Howland—de eeuwigheid in zou slingeren?
Weer worstelde hij en beet hij in zijn woede op het ding, dat zijn mond bedekt hield, zich het vleesch van de polsen scheurend in zijn pogingen om de touwen af te schuiven, die hem gebonden hielden; en zichzelf bijna worgend in zijn strijd om den riem los te maken, waarmee zijn nek aan den wand was bevestigd. Uitgeput en al half dood, viel hij terug. Maar terwijl hij zoo met gesloten oogen terneerlag, deed zijn gezond verstand zich nog eenmaal gelden. Zou hij laf genoeg zijn om gek te worden?
Tik—tik—tik!
Het horloge liep nu met een razende haast. Mankeerde er iets aan? Ging het te gauw? Hij trachtte de seconden te tellen, maar die holden voorbij. Toen hij weer opkeek, viel zijn blik op het kleine, gele vlammetje in de lantaarn. Het was nu niet langer het starre oog van een minuut of wat geleden. Het sputterde flauwtjes en terwijl hij er naar staarde, werd het zwakker en zwakker. Nog een paar minuten en het zou om hem heen donker zijn. In den beginne besefte hij nog niet ten volle de beteekenis van dat feit; maar op eens richtte hij zich op en wel met een vaart, die den riem om zijn nek nog nauwer aanhaalde en hem bijkans deed stikken. Er moesten uren voorbij zijn gegaan sedert die lantaarn op die steenen werd geplaatst, anders zou de olie nog niet opgebrand zijn!
Hij merkte nu ook, dat zijn ademhaling al door moeilijker werd. Dat stijve ding om zijn nek kneep meer en meer,—het was als een band van gloeiend ijzer. Opnieuw worstelde hij en nu zakte de lap, die zijn mond bedekt hield, op eens een duim of wat af en kon hij weer geluid geven!
„Die duivelsche riem van ongelooide huid schroeft mijn keel dicht,”—waren zijn eerste woorden.
Zijn stem klonk hol en dof door de ruimte en hij trachtte te schreeuwen, hoezeer ook overtuigd van het nuttelooze van zulk een poging, die zijn lijden slechts kon verzwaren. Zijn rug deed hem folterende pijn; het was hem als voeren er gloeiende naalden door zijn leden en als werd zijn schedel gekloofd. Alle kracht scheen van hem geweken. Hij had geen gevoel meer in de eerst door kramp geteisterde voeten. Hij berekende de vorderingen van de verlamming die duim voor duim opklom in zijn beenen,—folterende pijnen vooruitzendend,—en op eens kwam er een ontzettende kreet over zijn lippen.
Het licht was uitgegaan!
En alsof het wegsterven van dat gele vlammetje de voorbode was geweest van zijn eigen dood,—hij hoorde terzelfdertijd een scherp gesis, er sprong een vonk over door de duisternis en een seconde later begon een gloeiend puntje, op hem afkomend, langzaam voort te kruipen over de rotssteenen aan zijn voeten.
Het uur, de minuut, de seconde was daar. MacDonald had op het witte knopje gedrukt, dat hem de eeuwigheid in ging zenden! Hij gaf geen geluid meer. Hij wist, dat het einde nu heel nabij was en juist dat gaf hem kracht. Hij had eenmaal een executie bijgewoond en zich verbaasd toen de veroordeelde, met den strop om den hals, nog met heldere stem en onbevreesd een woord van afscheid had gesproken.
Nu begreep hij dien toestand. De lont brandde langzaam voort in zijn richting,—een vijfde—een vierde—een derde van de lengte was al verteerd. Toen werd het de helft en naderde zij tot bijna onder zijn voeten. Nog twee minuten levens. Hij verzamelde al zijn krachten voor een laatste poging om zijn handen te bevrijden—en dezen keer, met den dood op enkele seconden afstands, was die poging kalm, vast, meesterlijk. Het was of het hart hem in de keel klopte, toen hij merkte, dat er speling in de banden kwam. Nog één ruk en door het aan alle kanten ingesloten gewelf klonk een luide, doordringende triomfkreet! Zijn handen waren vrij! Hij reikte naar de lont, maar tegelijkertijd kwam er over zijn lippen een angstig gekreun en een zachte snik, die het vreeselijkste bevatte, wat de menschelijke ziel in één zwakken toon vermag te leggen. De riem van ongelooide koehuid, waarmee hij aan den achterwand was vastgeklonken, belette hem om de lont te bereiken.
Hij tastte naar zijn mes. Hij had het thuis gelaten.—Nog zestig seconden, nog veertig, nog dertig! Hij zag het gloeiende uiteinde van de lont bijkans aan zijn voeten. Daar opeens kwamen zijn tastende vingers in aanraking met het staal van zijn revolver; met een laatste opwelling van hoop haalde hij het wapen te voorschijn en richtte hij het op de verraderlijke vonk. Het eerste schot deed die verspringen zonder haar te dooven, maar na het tweede schot was het glinsterende puntje verdwenen en zat Howland, het hoofd tegen de kruitzakken gedrukt, minuten lang, als was de dood over hem gekomen in het uur van zijn redding. Na eenigen tijd gelukte het hem om, zij het ook langzaam en met moeite, een hand in zijn broekzak te werken en daar een pennemes uit te halen. Maar het duurde geruimen tijd eer hij daarmee den riem had doorgezaagd, die zijn nek omklemd hield. Ten slotte sneed hij ook nog het touw door, waarmee zijn enkels gebonden waren.
Hij deed nu een eerste poging om zich op te heffen, maar niet zoodra stond hij op zijn voeten of zijn half verlamde ledematen weigerden hem te dragen en hij zakte ineen. Eerst heel langzaam zocht het bloed opnieuw zijn weg door de verstopte aderen en met dien omkeer in zijn physieken toestand kwam er een gevoel van zalige rust over hem. Hij ging op den grond liggen, het gelaat gekeerd naar den zwarten wand en dacht alleen aan het feit, dat hij gered was, dat hij zijn geheimzinnige vijanden opnieuw te slim af was geweest en dat hij het nu goed had. Hij deed geen poging om te redeneeren, om plannen voor een algeheele bevrijding te beramen. Hij lag naast kruit en dynamiet, maar dat kruit en dat dynamiet kon niet ontbranden, vóórdat menschenhanden een nieuwe lont hadden aangebracht. Daar zou MacDonald zeker wel gauw voor zorgen en—Howland viel in een sluimering, die bijkans een geruste slaap was. Toen hij uit zijn halve bedwelming ontwaakte, hoorde hij opnieuw het tikken van zijn horloge. Het leek hem of hij daar al uren naar had geluisterd, toen een ander en een even regelmatig geluid zich begon hoorbaar te maken. Verbaasd richtte hij zich op om een oogenblik later vroolijk te lachen; dat toch was het geklop van houweelen op den buitenkant van de rotsen. MacDonald's mannen waren dus al bezig om den ingang van de coyote open te hakken. Over een half uur zou hij—Jack Howland—weer in de groote wereld zijn.
Die gedachte deed hem opspringen. De verdooving was uit zijn ledematen verdwenen en hij kon zich bewegen en rondloopen. Zijn eerste daad was om een lucifer af te strijken en op zijn horloge te kijken.
„Halfelf!”
Hij sprak die woorden overluid, denkend aan zijn afspraak met Meleese. Over anderhalf uur dus zou hij haar ontmoeten op dezelfde plek als gisteravond, tenminste wanneer hij vroeg genoeg bevrijd werd om zijn afspraak na te komen. Maar hoe zou hij zijn tegenwoordigheid in de coyote verklaren, zonder zich al te lang met MacDonald op te houden? Het was of zijn brein sneller begon te werken, naarmate het kloppen van de houweelen duidelijker werd. Als hij maar kans zag om de explicatie uit te stellen tot den volgenden morgen, dan zou hij heel den verraderlijken aanslag voor MacDonald blootleggen. Dan zou het nog vroeg genoeg zijn om de lage boosdoeners uit te vinden en intusschen zou hij zijn samenkomst met Meleese gehad hebben.
Al gauw had hij zijn plannen gemaakt. Hij zocht alle touwen en riemen bijeen en verborg die tusschen de kruitzakken, zoodat zij, die de coyote binnengingen, geen spoor zouden vinden van zijn vreeselijke ervaring. Dicht bij den mond bevond zich een rotsblok met een diepe spleet—waarschijnlijk een gevolg van een vroegere ontlading; daarin zou hij zich verbergen. Als de mannen bezig waren met het onderzoek van de lont, zou hij uit de spleet komen en zich ongemerkt bij hen voegen. Het zou dan den schijn hebben, alsof hij achter hen aan de coyote was binnengekropen.
Een half uur later vielen er steenen voor zijn voeten en zag hij na enkele minuten een menschelijke gedaante als een schim door de ontstane opening naar binnen zakken. Er volgde een tweede en toen een derde, maar het eerste geluid, dat hij hoorde, was de stem van MacDonald.
„Geef mij de lantaarn, Bucky,” riep deze den man toe, die achter hem liep. Er gleed een lichtstraal door de donkere ruimte. De werklieden begaven zich voorzichtig naar de lont en Howland zag hoe de kleine superintendent er, op zijn knieën liggend, naar keek.
„Wel vervl..kt!” hoorde hij hem zeggen en daarop volgde een diepe stilte. Geruischloos als een kat werkte Howland zich uit de spleet en klauterde hij een eindweegs omhoog tusschen de rotsen. Hij was het, die den uitroep beantwoordde.
„Wat is er, MacDonald?”
Kalm voegde hij zich nu bij de kleine groep. MacDonald keek op en toen hij zag, dat het de nieuwe chef in eigen persoon was, die zich over hem heenboog, staarde hij dezen in grenzenlooze en angstige verbazing aan.
„Howland!” bracht hij met moeite uit en dat eene woord, gevoegd bij zijn klaarblijkelijke agitatie, was den ingenieur genoeg. Hij keerde zich snel naar de mannen en gaf hun zijn eerste bevel als chef van den Hudsonbaai-spoorweg.
„Verlaat de coyote, jongens!” riep hij. „We zullen alles tot morgen laten rusten.”
Maar tegen den superintendent zei hij zacht, terwijl de mannen voor hem uitliepen:
„MacDonald, je moet den ingang van de mijn vannacht laten bewaken door een half dozijn van de beste mannen. Ik weet van dingen, die maken, dat ik deze heele kwestie morgen nader moet onderzoeken. Ik verlaat je, zoodra we buiten zijn. Zeg aan iedereen, dat het alleen een gebrek aan de lont is geweest. Begrepen?”
Hij kroop vóór MacDonald uit de opening en was nog eer deze de coyote had verlaten, al verdwenen in den helder door sterren verlichten nacht, op weg naar het mooie meisje, dat—zooals hij hoopte—in staat zou zijn om geheel of gedeeltelijk een van de vreemdste en meest diabolische complotten op te helderen, ooit in een menschelijk brein uitgedacht.
HOOFDSTUK IX.
De Samenkomst.
Het was nog bijna een uur vóór den bepaalden tijd, toen Howland bij de eenzame plek kwam, waar hij Meleese zou ontmoeten. Hij ging, verborgen in de schaduw van het lage hout, op den stam van een gevelden den zitten en stak een pijp op, zorg dragend om den brandenden lucifer in de holte van zijn handen te houden. Voor het eerst sedert zijn vreeselijke ondervinding in de coyote, voelde hij zich vrij om te denken en meer dan ooit begreep hij, dat kalmte en een bezadigd optreden eerste vereischten waren bij wat hij verder dacht te doen. Hij herwon zijn vroeger vertrouwen in Meleese, maar zijn bloed kookte van verlangen om zich te wreken, om de menschelijke duivels te straffen, die getracht hadden hem tot gruizelementen op te blazen. Hij hield er zich van overtuigd, dat het jonge meisje slechts een onvrijwillige factor was in het verraderlijke complot en dat zij zelfs alles deed wat in haar macht stond om hem te redden. Maar tegelijkertijd besloot hij om zich niet langer te laten beïnvloeden door haar pleiten. Hij had, als belooning voor het in hem gestelde vertrouwen, beloofd, dat hij niemand zou straffen, dien zij wenschte te beschermen. Die belofte zou hij terugnemen. Vóór zij hem nog iets kon mededeelen, zou hij haar waarschuwen, dat hij vast besloten was om de misdadigers op te sporen, die tot tweemaal toe naar zijn leven hadden gestaan.
Het was bijna middernacht, toen hij weer op zijn horloge keek. Zou Meleese niet verschijnen? Hij kon niet gelooven, dat zij van zijn opsluiting in de coyote wist—van dien tweeden, ellendigen aanslag op zijn leven. En toch—als dit wèl het geval was—
Hij stond op van zijn boomstronk en begon heen en weer te loopen in de duisternis, zijn brein opnieuw vervuld van sombere gedachten en steeds toenemenden angst. Zij, die hem hadden opgesloten, wisten sedert een uur van zijn ontkoming. In dat tijdsverloop had er veel kunnen gebeuren. Misschien waren zij het kamp al ontvlucht. Verschrikt door het mislukken van hun plan en vreezend voor de straf, die hun deel zou zijn, wanneer zij ontdekt werden, hadden zij zich misschien naar de noordelijke wildernissen begeven en waren zij nu al mijlen ver weg van de Wekusko. En dan zou Meleese zeker bij hen zijn!
Maar plotseling hoorde hij een stap—een lichten, snellen tred—en met een blijden, herkennenden groet, sprong hij in het licht der sterren om de slanke, witte gedaante te zien, die uit de schaduw van de zware woudboomen op hem afkwam.
„Meleese!” riep hij zacht.
Hij strekte de armen uit en het meisje wierp er zich in, haar handen tegen zijn borst leggend en het hoofd achterover buigend, zoodat zij met haar groote, starende, verschrikte oogen opkeek naar zijn gelaat.
„Wil je nu—nu—weggaan?”
Zij nam haar handen weg en legde die op zijn schouders en toen Howland haar zwijgend, steeds vaster tegen zich aan drukte, uitte zij een kreet van wanhoop en liet zij haar hoofd tegen zijn borst vallen, heel haar gestalte schokkend in een uiting van angst en smart, die hem verschrikte.
„Je gaat toch?” snikte zij. „Je gaat, nietwaar?”
Hij liet zijn vingers door haar zachte lokken glijden en drukte zijn gelaat nog dichter tegen het hare.
„Neen, liefste, ik ga niet,” antwoordde hij met diepe, vaste stem. „Na wat er vanavond gebeurd is, ga ik stellig niet.”