Part 5
Howland deed als ging hij gehoorzamen en dadelijk was het meisje aan zijn zijde.
„Ge hebt nog niet beloofd,” smeekte zij. „Zult ge vertrekken—morgen?”—In den glans van de oogen, die tot hem werden opgeheven, las hij weer dezelfde, wondere kracht, die sinds kort zijn ziel had vermeesterd. Het kwam niet bij hem op, dat hij dit meisje eerst sedert een paar dagen had ontmoet, dat hij vóór dezen avond haar stem zelfs niet had gehoord. Hij was er zich alleen van bewust, dat er in die luttele uren iets in zijn leven was gekomen, dat hij vroeger nooit had gekend; dat hij diep in zich een verlangen gevoelde om haar dit te zeggen,—om haar lief gelaat tusschen zijn handen te nemen en haar te vertellen, dat zij hem meer was dan een voorbijgaand visioen in een vreemde wildernis. Hij vergat de lessen, die hij zichzelf jaren lang had voorgehouden: succes, eerzucht, voldoening over het bereiken van een doel,—dat alles zonk in het niet tegenover haar bezielende tegenwoordigheid; en ook vergat hij, toen hij haar in het angstig smeekende gelaat keek, wat die vrouw had gedaan en wat zij had kunnen worden. Voor hem bestond alleen het feit, dat zij een nieuwe wereld voor hem had ontsloten,—een wereld vol beloften, die als vurige wijn zijn bloed in beroering brachten. Weer drukte hij haar handen tegen zijn borst, zooals hij dit op het Groote Pad naar het Noorden had gedaan;—weer trok hij haar zóó dicht tegen zich aan, dat hij haar hart voelde kloppen. Hij sprak geen woord en steeds smeekte haar blik hem om heen te gaan. Plotseling bevrijdde hij een van zijn handen en streek daarmee het zware haar van haar voorhoofd, tegelijkertijd haar gelaat zacht omwendend, totdat het licht van de sterren zich in haar oogen weerspiegelde. En in dat oogenblik las zij in de zijne, wat zijn lippen niet hadden durven zeggen—en hoorde hij een zachten snik.
„Neen, ik heb niet beloofd en ik wil niet beloven,” zei hij, haar gelaat zóó houdend, dat zij dit niet meer kon afwenden. „Vergeef mij, wat ik gedaan heb—” En eer zij zich kon verroeren, sloot hij haar een oogenblik vast in zijn armen. „_Nu_ weet je, waarom ik niet wil weggaan,” fluisterde hij zacht. „Het is omdat ik je liefheb,—o zoo lief!”
Hij herstelde zich, de verdere woorden terugdringend, die hem op de lippen lagen. Maar toen zij haar blik afwendde, lichtte er in haar oogen een glorie, die hem opnieuw de armen naar haar deed uitstrekken.
„Vergeef mij,” smeekte hij. „Mijn bedoelingen zijn goed. Maar ik wil, dat je weet, waarom ik niet naar het Zuiden terugga.”
Zij stond nu op korten afstand van hem en toen zij sprak, klonk haar stem zacht, zóó zacht, dat hij nauwelijks de woorden kon verstaan, al doortrilde het lieve geluid zijn ontvankelijke ziel.
„Als je me werkelijk liefhebt, dan doe je het om mijnentwil. Je moet morgen vertrekken.”
„En jij?”
„Ik?” Hij hoorde het beven van haar stem. „Je zult heel gauw vergeten, dat je me ooit gezien hebt.”
Daar liet zich opeens langs het pad het geluid van gesmoorde stemmen hooren. Ontsteld kwam het meisje naar Howland toe en trachtte zij hem met haar handen terug te dringen.
„Ga—ga toch!” riep zij. „Ga gauw terug naar je hut! Sluit je deur en kom er vannacht niet meer uit. O—als je me werkelijk liefhebt, ga—ga!”
De stemmen kwamen nader; Howland meende donkere schaduwen te onderscheiden tusschen de boomen. Hij lachte zacht.
„Neen, meisjelief, ik ga niet aan den loop!” fluisterde hij. „Kijk!”—en hij haalde zijn revolver uit, die in het sterrenlicht glinsterde.
Met een beweging van schrik trok zij hem mee tot diep in de struiken, op een pas of twaalf afstands van het pad, waarlangs de anderen naderden. Alles was stil, toen Howland zijn wapen weer in den holster liet glijden. Maar al heel spoedig lieten de stemmen zich opnieuw hooren en nu van dichtbij;—ook zijn gezellin week terug, haar handen grepen zijn arm en smeekend hief zij het bleeke, verschrikte gelaat tot hem op. Het bloed kookte hem in de aderen; hij begreep, dat het meisje de stemmen herkend had,—dat zij, die op het punt stonden van daar voorbij te gaan, de geheimzinnige vijanden waren, tegen wie zij hem gewaarschuwd had. Wie weet, misschien waren het dezelfde twee individuen, die hem op het Groote Pad naar het Noorden hadden aangevallen. Het meisje voelde hoe de spieren van zijn arm zich strekten onder haar greep. Weer tastte zijn hand naar de revolver; hij deed een schrede voorwaarts, zijn oogen schitterden, zijn gelaat werd als staal. Bijkans snikkend drukte zij zich tegen hem aan en trachtte zij hem terug te dringen.
„Doe het niet!” fluisterde zij—„doe het niet!”
Reeds hoorden zij de takken kraken onder de naderende voetstappen, toen het geluid op minder dan twintig pas afstands plotseling ophield. De hand van het meisje ging langzaam en liefkoozend van zijn arm naar zijn schouder en naar zijn gelaat; haar mooie oogen gloeiden, half angstig, half smeekend.
„Doe het niet!” fluisterde zij opnieuw en nu zóó dicht aan zijn oor, dat haar warme adem hem langs de wangen streek; „doe het niet, als je me liefhebt!”
Zacht trok hij haar naar zich toe en nam hij haar in zijn armen, haar gelaat tegen zijn borst drukkend en daarop mond, oogen en haar kussend. „Ik heb je lief!—Ik heb je lief!” fluisterde hij telkens opnieuw.
Weer lieten de voetstappen zich hooren, maar de stemmen stierven weg. Hij voelde een drukken tegen zijn borst, een lichten tegenstand en hij opende de armen om haar vrij te laten. Zij schonk hem een glimlach en in dien glimlach lag tegelijkertijd een zachte aanklacht en een zoete vrijspraak; hij zag, hoe de blos weer op haar wangen en de gloed weer in haar oogen verscheen.
„Zij zijn weg,” zei zij, nog bevend.
„Ja, zij zijn weg.” Een oogenblik staarde hij naar het stralende gelaat van het jonge meisje en ging toen voort: „Zij zijn weg,—maar het waren dezelfde mannen, die te Prince Albert een poging deden om mij te dooden. Ik liet hen gaan, terwille van jou. Wil je me nu je naam zeggen?”
„Ja, maar ook niet meer dan dat. Ik heet Meleese.”
„Meleese!”
Hij sprak den naam op scherpen toon uit; op eens toch kwam alles hem weer in den zin, wat Croisset had gezegd en zweefden de woorden van den half-ras, die zich diep in zijn memorie hadden gegrift, hem op de lippen. „Misschien zult ge het begrijpen, wanneer ik u zeg, dat het de kleine Meleese is, die u deze waarschuwing doet toekomen.” Wat had Croisset daarmee bedoeld?
„Meleese!” herhaalde hij, het jonge meisje vreemd aanziend.
„Ja,—Meleese—”
Langzaam week zij terug; de blos verliet haar gelaat en toen zij den blik van zijn oogen opving, uitte zij een korten, gesmoorden kreet.
„Begrijp je me nu—nu? Weet je nu waarom je naar het Zuiden moet terugkeeren?” snikte zij zacht. „O ik deed verkeerd met je mijn naam te zeggen! Maar je gaat weg, niet waar? Je gaat om mijnentwil—”
„Voor jou ga ik naar het einde van de wereld!” viel Howland haar in de rede, zijn doodsbleek gelaat dicht bij het hare. „Maar vertel mij dan ook waarom dit alles. Ik begrijp je niet. Ik weet niet waarom die mannen mij wilden doodmaken te Prince Albert. Ik weet niet waarom mijn leven hier in gevaar verkeert. Croisset vertelde me, dat de waarschuwing, die ik daar ginds kreeg, van een meisje kwam, dat Meleese heette. Ik begreep hem niet. En ik begrijp jou niet. Het is alles een mysterie voor me. Voor zoover ik weet, heb ik nooit vijanden gehad. Ik heb je naam nooit gehoord eer Croisset dien uitsprak. Wat bedoelde hij? Wat bedoel jij? Waarom tracht je me weg te houden van de Wekusko? Waarom is mijn leven in gevaar? Het staat aan jou om mij dat alles te zeggen. Ik ben eerlijk met je geweest. Ik heb je lief. Ik wil zoo noodig voor je vechten; maar dan moet je me ook vertellen—vertellen—”
Zij voelde zijn heeten adem op haar gelaat en zij zag hem aan met een blik, alsof dat wat zij hoorde, haar de spraak benam.
„Wil je het me niet vertellen?” fluisterde hij nog zachter. „Meleese—” Zij deed geen poging om hem tegen te gaan, toen hij haar opnieuw naar zich toe trok en zijn lippen op de hare drukte. „Meleese, waarom wil je het me niet vertellen?”
Plotseling legde zij haar handen tegen zijn gelaat en stiet zij zijn hoofd terug, hem vrij en open aanziend.
„Als ik het je vertel en op die wijze verraad pleeg tegen hen, die ik liefheb,” zei ze zacht, „wil je me dan beloven, dat je geen van hen kwaad zult doen en dat je naar het Zuiden zult terugkeeren?”
„En jou achterlaten?”
„Ja—en mij achterlaten.”
Er klonk een flauw, een heel flauw zuchtje uit de stem, die zij trachtte te beheerschen. Zijn armen sloten zich nauwer om haar heen.
„Ik ben bereid om een eed af te leggen, dat ik zal doen wat het beste is voor jou—en voor mij,” antwoordde hij. „Ik wil een eed afleggen, dat ik niemand zal benadeelen, dien jij wenscht te beschermen. Maar ik wil niet beloven om je te verlaten.”
Er kwam een zachte glans in de oogen van het jonge meisje, toen zij zich uit zijn armen losmaakte en een weinig terugweek.
„Ik moet eerst denken—denken—” fluisterde zij snel. „Misschien kan ik je morgenavond uitsluitsel geven,—hier op deze plek—wanneer je je woord wilt houden en doen wat goed is voor jou—en voor mij!”
„Ik zweer het je!”
„Ik kom hier dan weer op denzelfden tijd,—als de anderen slapen. Maar dan moet je morgen oppassen—erg oppassen! Beloof me dat je morgen voorzichtig zult zijn.”
„Dat beloof ik je.”
Als onwillekeurig strekte zij nog eenmaal de armen naar hem uit en gleed daarop weg als een schim. Hij hoorde haar vlugge schreden op het pad, hij zag haar gestalte, zooals die in het duistere woud verdween. Nauwelijks ademhalend, bleef hij staan luisteren tot hij niets meer hoorde om zich daarna langs het voetpad snel terug te begeven naar zijn hut.
HOOFDSTUK VII.
Het opblazen van de coyote.
In de nieuwe opwinding, die al zijn zenuwen doortrilde, vergat Howland het gevaar, waarin hij verkeerde, vergat hij zijn vroegere voorzichtigheid en den angst, waaruit die ontstond, vergat hij alles—behalve Meleese en zijn eigen groot geluk. Want gelukkig was hij; gelukkiger dan hij nog ooit van zijn leven was geweest, gelukkiger dan hij ooit had gedacht te zullen worden. Hij bleef zichzelf gelijk, ook in de nieuwe, vreemde vreugde, die hem doortintelde; hij gunde zich geen tijd om al de dwaze gedachten te ontleden, die in hem opkwamen. Hij had Meleese in zijn armen gesloten, hij had haar zijn liefde bekend en hoewel zij slechts met zachte berusting naar hem had geluisterd, was hij toch verrukt zoo vaak hij terugdacht aan haar laatsten blik, die van zooveel geloof en vertrouwen in hem en wie weet van wat nog meer getuigde. Zijn geloof in haar was onbegrensd als het blauwe uitspansel boven hem. Hij kende haar nog maar heel kort, maar het leek hem alsof hij in dat tijdsverloop langer had geleefd dan in alle voorafgaande jaren te zamen genomen. Zij had hem voorgelogen, zij had hem maar ten deele haar naam toevertrouwd,—maar hij voelde als bij ingeving, dat daarvoor geldige redenen bestonden.
Morgenavond zou hij haar weerzien en dan—wat zou zij hem dan vertellen? Het moest en zou een belooning zijn voor zijn liefde. Dat verried het angstige beven in haar stem, de snikkende ademhaling, de zachte gloed in haar oogen. Zou zij—door liefde gedrongen—vertrouwen in hem stellen—en zou hij dan naar het Zuiden terugkeeren?
Hij lachte zacht en vroolijk.
Ja zeker,—hij zou naar het Zuiden teruggaan,—hij zou naar het einde van de wereld willen trekken,—als zij maar meeging. Wat beteekende de bouw van een spoorlijn tegenover dat andere groote, dat er in zijn leven gekomen was? Hij zag het begrip van plicht nu onder een licht, dat veel van het vroegere verschilde. Er waren lui genoeg, die een weg konden aanleggen; succes, fortuin, eerzucht—van de soort zooals hij tot nu toe had gekend,—zij werden geheel overschaduwd door zijn liefde voor dit jonge meisje.
Hij bleef staan om een pijpje te stoppen. De lekkere lucht van de tabak, de geurige rook in zijn mond, dat alles hielp om hem weer in zijn fatsoen te zetten en zijn verhit brein te bekoelen. Maar daarmee kwam ook de oude strijdlust weer boven. Naar het Zuiden gaan? Nog eenmaal stelde hij zichzelf die vraag en weer klonk er een lachje door het stille woud, toen hij, de vuisten ballend, dacht aan wat hem wachtte. Neen,—hij _wilde_ dien spoorweg bouwen. En al bouwend, zou hij het meisje veroveren, wanneer zij werkelijk voor hem was weggelegd.
Met die kalmere gedachten keerde ook zijn voorzichtigheid terug; hij liep nu langzamer, zich in de schaduw houdend en af en toe stilstaand om te luisteren. Aan den rand van de open ruimte gekomen, hield hij in. Alles was doodstil rondom de hut; waarschijnlijk waren de twee mannen, die hij daar even in het bosch had gehoord, langs een anderen weg naar het kamp teruggekeerd. Zich steeds zooveel mogelijk in de schaduw houdend, liep hij naar de deur en trad hij binnen.
Met zijn voeten tegen de groote kachel zat daar Jackpine. Hij stond op, toen hij Howland zag en er was iets in de sombere uitdrukking van zijn gelaat, dat den jongen ingenieur aanleiding gaf om hem onderzoekend op te nemen.
„Iemand hier geweest, Jackpine?”
De oude Indiaan maakte een ontkennend gebaar en haalde de schouders op, tegelijkertijd wijzend naar een zorgvuldig opgevouwen papier, dat op de tafel lag.
„Thorne,” gromde hij.
Howland spreidde den brief uit en las bij het licht van de lamp:
„Waarde Howland,
„Ik vergat om je te zeggen, dat de mail-slede naar Le Pas morgenmiddag om twaalf uur vertrekt en aangezien het mijn voornemen is om de reis daarmee te maken, verzoek ik je dringend om zoo vroeg mogelijk bij mij te komen. Tusschen acht en twaalf kan ik je gemakkelijk de noodige inlichtingen geven omtrent het kamp.
THORNE.”
Howland gaf uiting aan zijn verbazing in een zacht fluiten.
„Waar slaap jij, Jackpine?” vroeg hij op eens.
„In een hut aan den zoom van het woud,” antwoordde de Cree.
„En hoe doen we dan met het ontbijt? Thorne heeft me nog niets verteld à propos van de maaltijden.”
„Thorne hij zegt, gij morgenochtend eten bij hem. Ik kom vroeg—u wakker maken. Als hij morgen weg, wij hier eten.”
„Je hoeft me niet wakker te maken,” zei Howland, zijn jas uittrekkend. „Ik zal Thorne wel vinden—waarschijnlijk nog vóór hij op is. Goedennacht!”
Jackpine had de deur al half geopend en één oogenblik kreeg de ingenieur een glimp te zien van het donkere, grijnzende gelaat, dat hem over den schouder nog aankeek. De Indiaan aarzelde even, als was hij op het punt van te spreken, maar in het volgende oogenblik ging hij, stil bij zichzelf lachend, naar buiten.
Howland schoof nu den grendel op de deur, stak een klein tafellampje aan en begaf zich daarmee naar zijn slaapkamer.
„Een beetje rust komt mij toch toe, al zou er nog zoo'n knaleffect op volgen,” mompelde hij bij zichzelf, zich in de dekens rollend.
Hoewel gewend om uit zichzelf en met den dageraad op te staan, moest hij dezen keer toch door Jackpine gewekt worden. Het kamp was nog maar nauwelijks ontwaakt, toen hij den Indiaan tusschen de houten huizen door naar Thorne's kwartier volgde. Deze was al op en in de kleeren.
„Het spijt me, dat ik je moest haasten, Howland,” begon hij, „maar ik moet weg met de mail. Onder ons gezegd—ik stel niet veel vertrouwen in onzen dokter. Mijn schouder is er miserabel aan toe—en mijn arm is nog ellendiger—en ik maak, dat ik zoo gauw mogelijk bij een goed chirurgijn kom.”
„Hebben ze je dan Weston niet meegegeven?” vroeg Howland. Hij wist, dat juist dr. Weston bij hun maatschappij de groote man was voor chirurgicale hulp.
„Ja, juist Weston,” antwoordde zijn collega, hem scherp aanziend. „Ik wil daarmee allerminst zeggen, dat hij niet goed is, Howland,” verbeterde hij zich snel. „Maar hij schijnt nu eenmaal geen oog te hebben voor mijn mankement.—Vóór ik het vergeet—ik heb de lijst van onze menschen nagegaan en er is geen enkele Croisset bij.”
Na het ontbijt verdiepten beide mannen zich een uur lang in kaarten, bescheiden en teekeningen, betrekking hebbend op de aangelegenheden van het kamp. Van Chicago uit had Howland steeds voeling gehouden met het werk en toen zij eenmaal zoo ver waren, dat zij konden overgaan tot de buiteninspectie, leek hij al genoegzaam meester van den toestand om den persoonlijken steun van zijn collega's te kunnen ontberen. Nog meer dan tevoren was hij er van overtuigd, dat het allerminst opzien tegen technische moeilijkheden was, wat hen naar Chicago terugdreef. Had hij misschien een oogenblik gemeend, dat hij het werk in ontredderden toestand zou vinden, al heel gauw merkte hij uit de voor hem opengelegde bescheiden, dat dit in geenen deele het geval was.
„Dit alles is het resultaat van een goed half jaar,” zei Thorne, toen zij klaar waren met hun inspectie. „Goeje God, man, toen we hier pas kwamen, had een konijn nog niet kunnen doordringen tot de plek, waarop je nu zit,—en kijk thans eens rond! Vijftig hutten, vier loodsen voor de maaltijden, twee van de grootste opslagplaatsen noordelijk van Winnipeg, een postkantoor, een ziekenhuis, drie smederijen en—een scheepswerf!”
„Een scheepswerf?” riep Howland ten zeerste verbaasd.
„Ja, zeker—en met een half afgewerkt schip van vijftig ton, dat nu in het ijs zit vastgevroren. Als je het in het volgende voorjaar afmaakt, zal het je van veel dienst kunnen zijn voor het aanbrengen van voorraden over de Wekusko. Nu gaat het nog langs het ijs en gebruiken we daarvoor paarden. Het kostte duivelsche moeite om er een vijftig van Le Pas hierheen te krijgen.—En buiten en behalve dit alles hebben we zuidelijk al zes mijlen van den onderbouw voor de nieuwe lijn gereed en noordelijk drie. Aan het uiteinde van elk stuk, waaraan gewerkt wordt, is een sub-kamp, maar de meeste lui geven er de voorkeur aan, om 's avonds naar hier terug te keeren.” Er werd nu geklopt en Thorne stond langzaam en moeilijk op. „Dat zal MacDonald zijn, de superintendent van het kamp,” legde hij uit. „Ik had hem om acht uur hier besteld—een handige kerel!”
Toen Thorne de deur opende, stapte een klein mannetje met rood haar naar binnen. Zijn oog viel niet zoodra op Howland of hij kwam met uitgestoken hand op den nieuwen chef af, glimlachend en vriendelijk met het hoofd knikkend.
„Howland natuurlijk!” riep hij. „Het doet me plezier u te zien! Ik ben tot mijn spijt wat laat, maar ze hebben zoo duivels veel moeite met een rotspartij, die ze vanmorgen willen laten springen en dat heeft me opgehouden.”
Van Howland keerde hij zich met de schichtige beweeglijkheid van een veldmuis naar diens ouderen collega.
„Hoe staat het met je arm, Thorne? En als je nog een greintje medegevoel in je corpus hebt, vertel me dan gauw of Jackpine sigaretten voor me heeft meegebracht uit Le Pas. Als hij, net als de laatste mail, ze vergeten heeft, dan sta ik niet voor zijn leven in.”
„Hij heeft ze meegebracht,” zei Thorne. „Maar à propos van die rotsen—ik dacht, dat alles klaar was om ze te laten springen.”
„Dat is het ook—nu! De zuidkant staat ten doode opgeschreven; die wordt om tien uur opgeblazen. De groote noordelijke rotsen moeten er vanavond aan gelooven. Het zal een schitterend vuurwerk worden—honderd vijf en twintig vaatjes buskruit en vier kisten, elk van vijftig ton dynamiet. Als je niet zoo ver kunt loopen, Thorne, dan nemen ze je wel op een slee mee er heen. Het zou jammer zijn, als je het niet zag!”
„Het spijt me, Mac, maar ik zal er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Ik vertrek met de mail naar het Zuiden. Het is juist daarom, dat ik je vroeg om vanmorgen hier te komen. Het is nu verder jouw taak om Howland bekend te maken met alle onderdeelen van het kamp.”
„Kostelijk!” riep de kleine Schot, met spontane geestdrift de handen wrijvend. „Greggy en Thorne hebben hier merkwaardige dingen gedaan, Mr. Howland. Je zult oogen opzetten, als je het ziet! Praat me van spoorwegbouw! We hebben elk record geslagen, we hebben ons door wouden, door moerassen en door die vervloekte bergketens heengewerkt—en hier zijn we nu vrij wel bij het uiteinde van de aarde. De nieuwe Trans-continental is er kinderwerk bij! De—”
„Afbellen, Mac!” riep Thorne en Howland zag hoe zijn collega nu lachend neerkeek op het roode gelaat vol zomersproeten van den superintendent. De man had van het eerste oogenblik af ook op hem een gunstigen indruk gemaakt.
„Hij is één bundel van dubbel geladen draden,” zei Thorne zacht, toen MacDonald voor hen uit liep. „En zoo is hij altijd—meestal kinderlijk gelukkig en de lieveling van het werkvolk—maar een lastige duivel, als hij het land aan je heeft. Ik weet niet wat we in het kamp zonder hem zouden moeten beginnen.”
Diezelfde gedachte kwam gedurende de eerstvolgende twee uren telkens en telkens weer bij Howland op. MacDonald scheen in werkelijkheid de ziel en de baas van het kamp te zijn, terwijl Thorne's houding den jongen ingenieur meer en meer een raadsel werd. De hoofdlieden van het kamp en de opzichters, die zij tegenkwamen, schenen bang te zijn voor den ouderen ingenieur, maar als zij de vroolijke stem van den kleinen, rooden Schot hoorden, glinsterden hun oogen van geestdrift. Neen, dat was niet langer de Thorne, die tien jaar lang oog, oor en stem was geweest van de grootste ondernemingen der vennootschap en wiens onbegrensd enthusiasme en werklust hem gestempeld hadden tot een man van meer dan nationale reputatie. Thorne leek niet op zijn gemak onder het werkvolk; er lag achterdocht in zijn blik, als zocht hij onder al die aangezichten naar één bepaald gelaat. De slimme oogen van MacDonald merkten Howland's verwondering op en eenmaal profiteerde hij zelfs van een gelegenheid om hem toe te fluisteren:
„Het wordt meer dan tijd, dat Thorne naar de beschaafde wereld terugkeert. Er is iets niet in den haak met hem. Weston vertelde me gisteren nog, dat het met zijn kneuzingen heel goed staat. Ik begrijp er niets van.”
Even later gingen zij met Thorne terug naar diens woning.
„Ik zou zoo graag willen, dat Howland het opblazen van dien zuidelijken rotswand zag,” zei MacDonald. „Kun je hem missen, Thorne? Vóór twaalf zijn we terug.”
„Zeker. Kom dan bij mij eten. Ik zal in dien tusschentijd een lijst maken van de dingen, die ik misschien vergeten heb.”
Howland meende, dat er opluchting klonk uit de stem van zijn ouderen collega, maar hij zei dat niet tegen den superintendent, toen zij samen zich naar het tooneel van de „opblazing” haastten. Alles was gereed om de mijn te laten springen. Die „coyote” zelf,—een tunnel van vijftig voet lengte, uitgehouwen in het zware rotsgesteente van den berg en eindigend in een kamer gevuld met springstoffen—was afgesloten door dicht opeengepakte massa's rotsgruis, MacDonald wees zijn metgezel den electrischen draad, die naar de lont in de kamer liep.
„Het is me voor den duivel een raadsel, waarom Thorne niet wil komen kijken!” riep hij na afloop van een laatste inspectie. „We zijn drie maanden lang bezig geweest met het boren van deze coyote en van de grootere naar het Noorden. Hier moeten we vier duizend vierkante meter rots laten springen en daar zes duizend. Het kan je misschien je leven lang niet meer overkomen, dat je zoo'n schot ziet en we krijgen geen tweede zóó tusschen hier en de baai. Wat heeft Thorne toch?”
En zonder op een antwoord te wachten liep MacDonald snel naar een heuvel rechts van hen. Er waren in den omtrek al overal wachten geplaatst en de schrille kreet van: „vuur!—vuur!—vuur!”, ter waarschuwing voortgeplant door spreekbuizen van berkebast vervaardigd, klonk dubbel dreigend door de stille wildernis, waar voor het oogenblik alle werk had opgehouden. Op den top van den heuvel stonden een vijftig arbeiders, die toen Howland en de superintendent zich bij hen voegden, terugweken van een grooten, platten steen, waarop een electrische batterij was geplaatst. MacDonald's gelaat zag rood en zijn oogen knipten, toen hij op het kleine knopje wees.