Op het onheilspad

Part 4

Chapter 44,185 wordsPublic domain

Hij sprak zacht en brak af, toen de Indiaan naderbij kwam. Howland zette zich midden op de zes voet breede toboggan en wuifde met de hand naar Gregson. Met een wild hallo en een luid klappen van zijn lange zweep van kariboe-darmen, zette Jackpine de honden aan tot een drafje, terwijl hij zelf ter zijde van de slee bleef loopen. Howland had intusschen een sigaar opgestoken en begon, tegen een zachten stapel bont geleund, zijn nieuwe ondervinding naar hartelust te genieten. De dag brak aan boven de wouden, toen zij dat deel van het Pad insloegen, dat van Le Pas door meer dan honderd mijlen wildernis naar het kamp aan de Wekusko voerde en al keihard was geworden onder het vele verkeer van sleden. De honden begonnen nu harder aan te trekken en Jackpine's zweep krulde en klapte boven hun ruggen, totdat zij pijlsnel en met volkomen regelmaat voortholden. De Cree haalde daarop zijn zweep in om verder naast den eersten hond te blijven voortloopen;—zijn voeten, in mocassins gestoken, namen den korten, vluggen, lichten tred aan van den woudlooper van beroep; hij zette de borst uit, terwijl zijn blik zich vestigde op het kronkelende Pad vóór zich. Het was een glorieuse rit en Howland genoot dien zóózeer, dat hij de sigaar vergat, die hij tusschen de vingers hield. Hij had pret in het onvermoeide draven van het prachtige geel-grijze span; hij lette op de beweging van de spieren in ruggen en pooten, op het vurige snuiven van de breede neuzen, op de half-geopende muilen en de wolfachtige koppen en keek dan weer van de dieren naar Jackpine. Het draven scheen hem geen moeite te kosten. Zijn zwart haar kwam onder zijn grijze muts uit; evenals bij de honden, was er ook harmonie in zijn bewegingen; het was de schoonheid van kracht, van volharding, van een mannelijke natuur geboren in het oerwoud,—en toen de honden ten laatste, hijgend en uitgeput, een oogenblik stilhielden aan den voet van een hoogen heuvelkam, sprong Howland snel uit de slee en knoopte hij een gesprek aan met den Indiaan.

„Dat was heerlijk, Jackpine,” riep hij. „Maar, goeje God, man! Je zult de honden nog dood maken!”

Jackpine grinnikte.

„Zij—op die manier—kunnen wel zestig mijl in één dag maken,” lachte hij in zijn kinderlijk gebroken Engelsch.

„Zestig mijlen!”

Vol bewondering voor het span, dat hem zoo snel door de wildernis trok, strekte Howland de hand uit om een van de honden te streelen. Met een waarschuwenden kreet trok de Indiaan hem weg, juist toen het woedende dier al naar de uitgestoken hand hapte.

„Geen huskie aanraken!” riep hij. „Hij half wolf, half hond—werkt hard, maar wil niet aangeraakt worden!”

„Wou!”, zei Howland. „En als zij klein zijn, zijn zij zoo lief.—Ik doe in dit land wel rare ondervindingen op!”

Hij was doodmoe, toen de nacht viel. En toch had hij nog nooit van zijn leven een dag zóó genoten als dezen. Telkens weer had hij zich bij Jackpine gevoegd, terwijl deze naast de slee liep. In hun rustpoozen had hij zelfs geleerd om den dertig voet langen slag van de hondenzweep te laten klappen. Hij had honderd vragen gedaan, had er op aangedrongen, dat Jackpine af en toe een sigaar rookte en was aldoor zoo opgewekt geweest en zoo vertrouwelijk, dat de Cree zijn aangeboren terughoudendheid had laten varen tegenover zooveel geestdrift. Hij hielp om de hut van takkenbossen te bouwen voor den nacht—hij at een zwaren maaltijd van rendiervleesch, warme biscuits, boonen en koffie en toen, juist terwijl hij zich op zijn vachten uitstrekte om te gaan slapen, herinnerde hij zich de waarschuwing van Gregson. Hij richtte zich op en riep Jackpine, die bezig was met het stapelen van nieuwe blokken op het groote vuur vóór de hut.

„Gregson heeft me gezegd, dat er 's nachts in het kamp gewaakt moet worden, Jackpine. Wat denk jij daarvan?”

De Indiaan wendde zich om met een vreemd lachje, heel zijn leerachtig gelaat verwrongen tot een grijns.

„Gregson, hij heel bang,” antwoordde hij. „Geen slechte menschen hier—allemaal daarginder in kamp—wij wacht houden elken nacht.—Hij bang, denk ik—misschien.”

„Bang voor wat?”

Een oogenblik bleef Jackpine, zich over het vuur buigend, zwijgen. Daarop stak hij de linkerhand zóó uit, dat de pink niet zichtbaar was en wees er op met de andere hand.

„Misschien vinger ongeluk—misschien niet,” zei hij.

Een dozijn vragen was niet in staat om Jackpine tot meer uitlatingen te verlokken. Het speet hem klaarblijkelijk, dat zelfs die enkele woorden hem ontvallen waren. Maar hoe weinig hij ook gezegd had, het versterkte de meening, die langzamerhand bij Howland had post gevat. Hij was verbaasd geweest over het vreemde optreden van Gregson, over diens duidelijk verlangen om uit die streek weg te komen en laatstelijk over diens besluit om niet mee terug te gaan naar het kamp aan de Wekusko. Hier was maar één verklaring mogelijk: Gregson was op eenigerlei wijze gemengd in het mysterie, dat hem—Howland—omgaf, en 's mans agitatie, gevoegd bij de beteekenis van Jackpine's woorden, gaven den ingenieur de overtuiging, dat de weggeschoten vinger mede een factor was in het raadselachtige probleem. Hoe zou hij Thorne aantreffen? Zou die hem een nadere verklaring geven of zouden zij hem zonder meer overlaten aan toestanden, waarvoor zij zelf de vlucht namen?

Hij ging slapen zonder verder over de bewaking van het kamp te tobben. Toen Jackpine hem den volgenden morgen wakker maakte, stond er een lekker warm ontbijt klaar en opnieuw drong de blijde opwinding van den snellen rit door het woud den zwaren geestelijken druk, waaronder hij begon te lijden, op den achtergrond. Dien heelen dag zette Jackpine zijn honden tot het uiterste aan en in den namiddag stond het al vast, dat zij tegen den avond de Wekusko zouden bereiken. Het was al donker, toen zij uit het woud bij een groote open plek kwamen, waar de boomen waren gekapt en aan welker zoom hier en daar lichtjes schitterden. Aan de overzijde van die ruimte bracht de Cree zijn honden tot staan, dicht bij een groote, uit houtblokken opgetrokken hut, die half onder de beschutting van de boomen stond. Van hier tot aan de lichten was het nog wel een honderd meter en de ongerepte sneeuw aan alle zijden er omheen, verried, dat de woning langen tijd had leeggestaan. Jackpine haalde een sleutel uit zijn zak, stak dien in het slot en wierp de zware deur wijd open.

Het was een vochtige, koude atmosfeer, die den twee mannen tegemoet kwam, toen zij daar zoo een oogenblik in het donker bleven staan. Howland hoorde den eigenaardigen grijnslach van den Cree, die een lucifer aanstreek en zich, zoodra de groote hanglamp brandde, tot den ingenieur wendde.

„Gregson en Thorne—zij gemaakt deze hut, toen zij eerst in kamp kwamen,” zei hij zacht. „Zij niet graag bij veel leven zijn—een goede plaats is het woud, waar nachten stil zijn. Hebben hier een tijd gewoond—daarna Gregson en Thorne weer naar kamp. Zeiden, dat het te ver van menschen was. Maar dat niet waar—Gregson bang—Thorne bang—”

Hij haalde de schouders weer op en opende nu de deur van de groote, gesloten kachel, die deel uitmaakte van het meubilair der kamer.

Howland vroeg niets, maar staarde om zich heen. Overal zag hij bewijzen van den goeden smaak der twee oudere ingenieurs en teekenen van hun vroeger verblijf. Op den planken vloer lagen zware berenhuiden; de houtblokken, waaruit de muren bestonden, waren zoo glad geschaafd, dat zij gepolijst leken en hier en daar hingen platen; in één hoek stond een goed gevulde boekenkast en in een anderen een rustbank met pelsdekens; een deur op den achtergrond gaf klaarblijkelijk toegang tot een slaapvertrek. Vóór hij nog klaar was met zijn inspectie, brandde er al een lekker vuurtje in de groote kachel en zijn huiverigen rug naar de warmte keerend, haalde hij zijn pijp uit en keek hij Jackpine vroolijk aan.

„Bang dus? En intusschen moet ik maar hier blijven!”

„Gregson en Thorne zeggen van ja.”

„Nu, Jackpine, loop jij dan eens gauw naar het kamp en vertel aan Thorne, dat ik hier ben,—wil je?”

Eén oogenblik scheen de Indiaan te aarzelen, maar ten slotte ging hij, de deur achter zich sluitend.

„Bang!” riep Howland, toen de ander weg was. „Maar waar duivel waren zij dan bang voor? Het is op zijn minst allerzotst van je, Gregson en dito aan jouw adres, Thorne! Maar—tenzij jelui zulke lafaards bent, als ik half en half begin te vermoeden!—zul je me toch wel niet blindelings achterlaten bij iets, waarvoor je zelf aan den loop gaat!”

Hij stak een lampje aan en deed de deur open, die naar de andere kamer leidde. Het was zooals hij al gedacht had, de slaapkamer en het meubilair bestond uit een bed, een enkelen stoel en een staanden spiegel.

In het grootere vertrek teruggekeerd, ontdeed hij zich van hoed en jas en zette hij zich op zijn gemak bij het vuur. Tien minuten later werd de deur geopend en trad Jackpine weer binnen. Hij hield een tweeden persoon bij den arm vast en toen Howland het doodsbleeke gelaat van dien man zag, kon hij een uitroep van verbazing niet weerhouden. Het was drie maanden geleden sedert hij in Chicago Thorne voor het laatst had gezien,—een man in de kracht van het leven, flink gebouwd, recht als een kaars, den knapsten en hoogst gesalieerden ambtenaar van hun maatschappij. Wat had hij Thorne vaak benijd! Hoe had hij jaren lang in hem het ideaal gezien van een groot ingenieur!—En nu—

Hij stond verstomd. Langzaam als deed de beweging hem pijn, liet Thorne de groote pelsjas van zijn schouders glijden. Hij droeg één arm in een lichter. Zijn breede schouders waren gebogen, zijn oogen stonden vreemd en verwilderd. De glimlach, die op zijn lippen kwam, toen hij Howland de hand reikte, gaf aan zijn bleek gelaat een nog droevere uitdrukking.

„Hallo, Jack! Wat heb je, kerel? Zie ik er zoo ber..rd uit?” luidde zijn groet.

„Wat is hier toch gaande, Thorne?—Ik vond Gregson half dood in Le Pas—en nu jou—”

„Ja, het is werkelijk een wonder, dat je mijn naam niet op een houten kruis vindt, in plaats van je dienstwilligen dienaar hier in levenden lijve vóór je te zien, Jack,” zei Thorne met een zenuwachtig lachje.

„Ik heb een ton rotssteen op me gehad, kerel, een ton rotssteen!”

Howland zag over Thorne's schouder een stukje van het gelaat van den Cree. Er was een donker licht in Jackpine's oogen gekomen. Zijn tanden glinsterden tusschen de strakke lippen, die zich tot een grijns vormden.

Thorne ging voor het vuur zitten en wreef zijn handen.

„We zijn ongelukkig geweest, Jack,” zei hij langzaam. „Gregson en ik, we hebben al door tegenspoed gehad van den dag af, dat we in dit kamp kwamen en we zijn niet langer bestand tegen onze taak. Het zal een half jaar duren, eer we weer goed en wel op dreef zijn. Maar—intusschen zul je hier alles in goede conditie vinden. De lijn is afgebakend tot aan de baai; we hebben driehonderd flinke werklui en ruime voorraden van alles. Ik geloof niet, dat je aan de Wekusko één ontevreden element zult tegenkomen. Misschien, dat Gregson en ik tegen het voorjaar het Le Pas-einde van de lijn weer opvatten. Jij hebt genoeg aan den bouw van den weg van hier tot aan de baai.”

„Het spijt me, dat je zooveel tegenslag hebt gehad,” zei Howland. Hij leunde voorover met het gelaat dicht bij dat van zijn vriend. „Thorne, is er hier ergens een man, die Croisset of een meisje, dat Meleese heet?”

Hij keek den ander oplettend aan, maar op Thorne's gelaat viel niets te lezen, dat zijn vermoedens kon bevestigen; hij leek alleen verbaasd over den toon van Howland's stem.

„Voor zoover ik weet niet, Jack. Maar allicht kan er onder onze driehonderd werklui een man van dien naam zijn. Je kunt dat dadelijk op de lijst nagaan. Er zijn een vijftien of twintig getrouwde mannen bij en die hebben huisgezinnen. Gregson is beter op de hoogte van de vrouwen dan ik. Is er iets bizonders met die twee lui?”

„Neen, ik heb alleen maar een boodschap voor hen, als zij hier zijn,” antwoordde Howland luchtig. „Is dit mijn aangewezen kwartier?”

„Ja,—tenminste als het je bevalt. Na mijn accident zouden wij wat dichter bij de anderen komen. Het bracht ons in nauwer aanraking met de werklui,—dat vat je.”

„Gregson en jij, je moet—dunkt me,—zoo wat op denzelfden tijd invalide zijn geworden,” zei de jongere ingenieur. „Het is zeker een heel pijnlijke wonde geweest, die van Gregson. Maar wie ter wereld kan op hem hebben geschoten? Hoe kan een man als hij er een vijand op na houden?”

Bij het vernemen van die woorden richtte Thorne zich snel op, terwijl zich bij de kachel een geratel van metalen pannen liet hooren. Howland wendde het hoofd om en zag, dat Jackpine hem aankeek met een gezicht, als was er een mijn onder hun voeten ontploft.

„Wie op hem schoot?!” hijgde de oudere ingenieur. „Maar—er—heeft Gregson je dan niet gezegd, dat het een ongeluk is geweest?”

„Waarom zou hij liegen, Thorne?”

Er vloog een zwakke blos over het gelaat van den ander. Eén oogenblik zag hij Howland doordringend aan. Jackpine stond zwijgend en onbeweeglijk naast de kachel.

„Hij vertelde mij, dat het een ongeluk was geweest,” zei Thorne eindelijk.

„Gek,” was het eenige wat Howland antwoordde, terwijl hij zich naar den Indiaan wendde, als gold het een zaak van geen belang.

„Ziezoo, Jackpine, ik ben blij, dat de koffiepot op het vuur staat. Ik heb een kistje van de donkerste en zachtste Porto Ricans bij me, waar ik je ooit op getracteerd heb, Thorne en we zullen het open maken voor een lekker haaltje na het avondeten. Hallo, waarom heb je planken over dat raam gespijkerd?”

Eerst nu had Howland opgemerkt, dat het dunne mousselinen gordijn niet een raam verborg, maar wel een solide barricade van planken. Hij voelde inwendig een schok en stond op om er naar te kijken. Met den rug naar Thorne gekeerd, zei hij half lachend:

„Misschien was Gregson bang, dat de vent, die zijn pink meenam, hem door het venster heelemaal te pakken zou krijgen!”

Hij deed als zag hij de uitwerking van die woorden niet op Thorne. Zij zetten zich nu aan hun avondeten, om nog wel een uur na afloop daarvan al rookende te blijven praten over de aangelegenheden van het kampement. Het was over tienen, toen Thorne en Jackpine de hut verlieten.

Niet zoodra waren zij weg of Howland sloot de deur met den grendel, stak een nieuwe sigaar op en begon snel in de kamer heen en weer te loopen. Er waren dus al complicaties. Gregson had hem voorgelogen à propos van dien pink; Thorne had hem voorgelogen à propos van zijn eigen letsel, wàt dat dan ook mocht zijn. Van die twee feiten was hij zeker—en van nog veel meer. Zijn twee collega's verlieten de Wekusko niet alleen omdat zij onvoldaan waren over het werk en over de omgeving. Zij vluchtten. En om de een of andere reden verborgen zij voor hem de werkelijke aanleiding tot hun vlucht. Was het mogelijk, dat zij hem koelbloedig opofferden om zichzelf met eere te redden? Zelfs tegenover de stelligste bewijzen kon hij dat niet aannemen. Beiden waren mannen van onbesproken naam en karakter. Vooral Thorne bezat in hooge mate persoonlijken moed; hij zou de laatste zijn om vriend of collega verraderlijk in den steek te laten. Neen, noch hij, noch Gregson wist iets af van Croisset of van het mooie meisje. Maar even onomstootelijk stond het bij Howland vast, dat er nog anderen betrokken waren in het complot, waarvan hij op het Groote Pad naar het Noorden het slachtoffer was geworden. Hij onderzocht opnieuw het gebarricadeerde raam en hield zich overtuigd, dat zijn schot in de lucht doel had getroffen.

Hoewel vermoeid na de lange reis, voelde hij geen lust om te gaan slapen; hij legde zich op de rustbank met het hoofd en de schouders diep in de huiden en ging voort met rooken en denken. Hij schrikte, toen het elf uur sloeg. Hij had dat klokje niet eerder opgemerkt. Al luisterend naar dat zwakke, eentonige getik boven zijn hoofd, voelde hij ten laatste een onweerstaanbare dommeligheid in zich opkomen; zijn oogen sloten zich. Hij was bijna in slaap, toen de klok opnieuw sloeg, zacht, maar toch luid genoeg, om hem te wekken. Dezen keer was het twaalf uur.

Hij deed moeite om zijn doezeligheid af te schudden en ging overeind zitten; hij wilde zich uitkleeden en naar bed gaan. De lamp brandde nog helder en hij maakte zich gereed om de pit in te draaien. Maar plotseling bleef hij staan; hoe slaperig ook, hij hoorde een duidelijk tikken op de deur. Zwijgend en roerloos bleef hij een oogenblik wachten. Na een kort tijdsverloop herhaalde het kloppen zich, luider dan te voren, maar toch heel behoedzaam. Dat kon niet het kloppen zijn van iemand, die hem voor zaken trachtte wakker te maken.

Wie kon die middernachtelijke bezoeker zijn? Zacht liep Howland naar zijn zware jas en stak hij de kleine revolver in een zijzak. Weer werd er geklopt. Hij liep nu naar de deur, schoof den grendel weg en wierp haar wijd open, met de rechterhand het pistool ontklemmend.

Eén oogenblik bleef hij als versteend staan, sprakeloos starend in een bleek en angstig gelaat, waar het schijnsel van de olielamp op viel. Stom van verbazing, week hij langzaam terug, steeds de deur open houdend en nu trad zij binnen, die hij van heel de wereld het liefst wilde zien, zij die sedert dien avond in Prince Albert op zoo wondere wijze een deel van zijn leven was geworden en wier lief gelaat van uur tot uur een diepere beteekenis voor hem kreeg. Hij sloot de deur en wendde zich om, steeds nog zwijgend. Een plotselinge opwelling dreef hem het bloed onstuimig door de aderen en hij stak beide handen uit naar de vrouw, voor wie hij alle gevaren, die hem tusschen de beschaafde wereld en de baai wachtten, zou willen trotseeren.

HOOFDSTUK VI.

De Liefde van een Man.

Een oogenblik aarzelde het meisje, haar handen tegen de borst gedrukt en het doodsbleeke gelaat verwrongen in vreemde smart, toen zij de uitgestoken armen zag van den man, wien haar verraad bijkans in den dood had gevoerd. Daarop naderde zij langzaam; Howland greep haar handen en keek haar vragend in de verwilderde oogen, die naar de zijne staarden.

„Waarom zijt gij van mij weggeloopen?” waren zijn eerste woorden. Zijn stem was zacht, als had hij haar al lang gekend. Er klonk geen bitterheid uit en in zijn warmen, grijzen blik lag niet het verwijt, dat zij had kunnen verwachten. Hij herhaalde zijn vraag, daarbij het hoofd buigend, totdat hij de zachte aanraking van haar haar tegen zijn lippen voelde. „Waarom zijt ge weggeloopen?”

Zij trok zich een weinig terug en haar blik zocht zijn gelaat. „Ik heb u voorgelogen,” fluisterde zij,—„ik heb gelogen—”

De woorden bleven steken in haar keel. Hij zag hoe zij trachtte zichzelf te beheerschen, hoe zij moeite deed om het trillen van haar lippen en het beven van haar stem te onderdrukken. Maar een oogenblik later moest zij het opgeven en zonk zij, luid snikkend, op een stoel bij de tafel neer, het hoofd op haar armen leggend. Toen Howland dat stuipachtige trekken van haar schouders zag, voelde hij in zich een groote vreugde, niet uit leedvermaak, maar omdat hij begreep hoe diep haar verdriet was over wat zij had gedaan. Zacht naderde hij haar. De pelsmuts was afgegleden en de lange glanzige vlecht half los geraakt; de zijden lokken vielen over haar schouders en glinsterden in het lamplicht. Howland's hand aarzelde en viel ten laatste zacht op haar gebogen hoofd.

„Er zijn gevallen waarin de vriend, die liegt, de eenige ware vriend is,” zei hij. „Ik geloof, dat gij verplicht waart, om—te liegen.”

Eenmaal slechts streek zijn hand over haar lokken; daarop, zichzelf beheerschend, liep hij naar de overzijde van de smalle tafel en zette hij zich. Toen het meisje opkeek, lag er een diepe blos op haar wangen, die nog vochtig waren van de tranen; in haar oogen was daar geen spoor meer van te bekennen, het was als zochten die in zijn blik de waarheid van de woorden, een oogenblik te voren door hem geuit.

„Meent gij dat?” vroeg zij gretig. „Meent ge, dat ik verplicht was om—te liegen?” Zij leunde een weinig naar hem over en wachtte, zenuwachtig met haar vingers draaiend, op zijn antwoord.

„Ja,” zei Howland. Hij uitte dat enkele woord op een toon van beslistheid, die blijdschap bracht in de zachte, bruine oogen tegenover hem. „Ik geloof, dat gij verplicht waart om te liegen.”

Zijn diepe stem getuigde van een onbegrensd vertrouwen. Er lagen hem nog meer woorden op de lippen, maar hij dreef die met geweld terug. Een deel echter van wat hij had willen zeggen,—van het vreemde, blijde tumult in zijn hart, verried zich op zijn gelaat en langzaam deinsde het meisje daarvoor terug, terwijl de kleur van haar wangen verdween.

„En ik geloof ook, dat ge me niet opnieuw zult voorliegen,” vervolgde hij.

Zij stond op en wierp haar lokken terug, hem beschouwend als had zij nooit te voren een man als hij ontmoet en als wist zij niet wat van hem te denken.

„Neen, ik zal u niet meer voorliegen,” hernam zij op vasteren toon. „Gelooft gij mij nu?”

„Ja.”

„Keer dan ook terug naar het Zuiden. Ik ben vannacht hierheen gekomen, alleen om het u opnieuw te zeggen,—om te maken, dat gij mij gelooven _moet_. Waarom keert ge niet naar Le Pas terug? Als ge dat morgen niet doet—”

Het was alsof haar stem stokte en alsof zij aan hem overliet om al of niet te begrijpen, wat zij had willen zeggen. In minder dan geen tijd was Howland aan haar zijde. In hem bruiste opnieuw de oude taaie strijdlust. Hij greep haar handen en dwong haar met zijn blik om hem aan te zien.

„Als ik morgen niet ga, dan zullen zij mij vermoorden,” zei hij, de woorden van haar briefje herhalend. „Maar als ge nu werkelijk eerlijk en oprecht tegenover mij wilt zijn, vertel mij dan _wie_ mij wil vermoorden—en _waarom_?”

Hij voelde, dat er een siddering door haar leden voer, toen zij antwoordde:

„Ik zei alleen, dat ik u niet opnieuw zal voorliegen. Kan ik u niet de waarheid zeggen, dan zeg ik niets. Het is mij niet mogelijk u te zeggen, waarom uw leven in gevaar verkeert.”

„En weet ge dat wel?”

„Ja.”

Hij bracht haar weer naar den stoel bij de tafel en zette zich opnieuw tegenover haar.

„Wilt ge me dan zeggen wie gij zijt?”

Zij aarzelde en draaide een langen haarlok om haar vinger.

„Wilt ge?”

„Als ik u zeg, wie ik ben,” zei zij ten laatste, „dan weet ge ook wie uw vijanden zijn.”

Hij staarde haar verbaasd aan.

„Duivels!” Het woord ontviel hem, eer hij het kon tegenhouden. Voor de tweede maal stond het meisje op van haar stoel.

„Zult gij gaan?” smeekte zij. „Zult gij morgen terugkeeren naar Le Pas?”

Haar hand lag op de klink van de deur. „Zult gij gaan?”

Hij was opgestaan om een sigaar aan te steken boven het glas van de lamp. Lachend kwam hij daarop naar haar toe.

„Of ik zal gaan?—Zeker—ik ga u veilig naar huis geleiden.” En zich snel naar de rustbank begevend, gespte hij den holster met het pistool om. Maar toen hij weer bij haar kwam, versperde zij hem den weg door met haar rug tegen de deur te gaan staan.

„Dat moogt ge niet.”

„En waarom niet?”

„Omdat—” Weer klonk er angst uit haar stem. „Omdat zij u zullen doodmaken.”

Het gesmoorde lachje, dat hij over haar lokken ademde, getuigde eer van vreugde dan van vrees.

„Ik ben blij, dat gij zorg voor mij koestert,” fluisterde hij zacht.

„Gij moet gaan!” bleef zij aandringen.

„Met u—graag!” antwoordde hij.

„Neen, neen—ik bedoel morgen. Ge moet teruggaan naar Le Pas, naar het Zuiden. Wilt gij mij dat beloven?”

„Misschien,” zei hij. „Ik zal het u spoedig zeggen.”

Zij eindigde met zich te onderwerpen aan zijn vasten wil; hij ging mee naar buiten. Haastig leidde zij hem langs een smal paadje door de dichte schaduwen van het pijnbosch. Maar opeens bleef zij staan; het was hem als hoorde hij het kloppen van haar hart in de versnelde ademhaling; met een angstig gebaar greep zij hem bij den arm.

„Het is hier dicht bij,” fluisterde zij. „Gij moogt niet verder meegaan. Als zij u met mij zagen op dit uur—” Hij voelde hoe zij sidderde.

„Nog een eindje,” smeekte hij.

Weer gaf zij toe, zij het dan ook aarzelend en zij liepen nu voort, langzamer dan in den beginne, totdat zij aan een punt kwamen, waar recht voor hen uit de flauwe lichtjes van het kamp zichtbaar werden.

„Nu—nu moet ge heengaan!”