Op het onheilspad

Part 3

Chapter 34,072 wordsPublic domain

„Meleese—Meleese—Meleese—” herhaalde de hotelier, met de hand door het haar strijkend. „De naam komt me bekend voor en toch kan ik mij niet herinneren—” Maar opeens riep hij triomfeerend: „Ik heb het! ik heb het! Een paar jaar geleden had ik een kookvrouw, die Meleese heette?”

Howland haalde de schouders op.

„De Meleese, die ik bedoelde, is een jong meisje,” zei hij.

„En de Meleese, die wij hadden, is dood,” verzekerde de man opgeruimd en opstaand om heen te gaan. „Over een half uurtje zal ik iemand sturen om het blad te halen, Mr. Howland.”

Een uur of wat later kroop Howland uit zijn bed. Hij doopte zijn hoofd in koud water, voelde zich daarna veel beter, kleedde zich aan en ging naar beneden. Zijn nek deed hem nog wel wat pijn, maar behalve dat en een licht gevoel van misselijkheid scheen hij geen letsel te hebben bekomen. Hij verscheen aan tafel en voelde zich op den middag zóó wel, dat hij een sigaar opstak en uitging voor een korte wandeling. Zijn eerste ingeving was om bij den houder van het Chineesche restaurant te informeeren naar de identiteit van het meisje, dat hij daar had ontmoet; maar dat voornemen liet hij bij nader inzien varen. Hij begaf zich, de rivier overstekend, regelrecht naar het Pad, dat zij den vorigen avond hadden ingeslagen. Hij toefde een oogenblik bij de sporen van den strijd in de sneeuw. Daar waar hij het eerst den half-ras had gezien, vond hij bloedvlekken op de ijskorst. „Bravo, Croisset!” mompelde hij, „je schijnt een mes gebruikt te hebben!”

Hij kon nagaan tot hoe ver de gewonde was voortgekropen, eer hij weer op zijn beenen stond en ging met een omzichtigheid, die hij een uur of wat geleden zou hebben versmaad, langzaam verder voort tusschen de dichte wanden van het woud, één hand steeds op de revolver in zijn jaszak. Daar waar het Pad zich met een scherpe bocht naar het Noorden wendde, vond hij op een open plek de verkoolde overblijfselen van een kampvuur en dicht daarbij een aantal dunne berkestammen, die klaarblijkelijk voor tentstaken hadden gediend. Toen hij met de punt van zijn laars in de asch en tusschen het half verbrande hout roerde, was er geen spoor van rook meer; geen vonkje verried, dat enkele uren geleden hier menschen hadden gekampeerd. Hij kon slechts één gevolgtrekking maken: zijn onbekende belagers moesten al gauw na den mislukten aanslag hun kamp opgebroken en de vlucht genomen hebben. Het meisje met de zachte oogen en het lieve gelaat, dat hem binnen hun bereik had gelokt, was naar alle waarschijnlijkheid met hen meegegaan.

Maar waarheen waren zij getrokken?

Hij doorzocht het verlaten kamp met de grootste nauwkeurigheid. De harde ijskorst op den bodem vertoonde hier en daar den indruk van hondeklauwen en op enkele plaatsen was het breede spoor van een toboggan duidelijk zichtbaar. Dit alles was genoeg om de snelle verdwijning van zijn vijanden te verklaren. Zij waren dienzelfden nacht nog met hondensleden naar het Noorden gevlucht.

In het hotel teruggekeerd, voelde Howland zich erg vermoeid en het was dan ook met meer teleurstelling dan blijdschap, dat hij vernam, hoe er dien avond laat nog een werktrein naar Le Pas zou vertrekken. Intusschen—na een uurtje van rust in zijn kamer, herkreeg hij al gauw zijn oude energie. Hij begon nu zelfs met koortsachtig ongeduld uit te zien naar Le Pas en naar het kampement aan de Wekusko. Het was of Croisset's aanmaning om naar het Zuiden terug te keeren, hem eer aanzette dan tegenhield. Ondernemend van aard had hij al strijdend sport voor sport de ladder van het succes beklommen. En nu gaf de gedachte, dat zijn leven gevaar liep, dat in de diepte van de wildernis hem misschien het een of ander onheil wachtte, slechts een nieuwe, een opwindende bekoring aan de reuzentaak, die vóór hem lag. Hij had graag willen weten of ditzelfde gevaar ook Gregson en Thorne boven het hoofd had gehangen en of dit de reden was van hun moedeloosheid en van hun verlangen om naar de beschaafde wereld terug te keeren. Hij twijfelde geen oogenblik of hij zou dat hooren, zoodra hij hen in Le Pas ontmoette. En in het kamp aan de Wekusko zou hij nog meer te weten kunnen komen; altijd wanneer de waarschuwing van den half-ras, die hem niet heelemaal onverschillig liet, werkelijk iets te beteekenen had. Hoe dan ook,—hij moest voorbereid zijn op ongewone toestanden. Hij ging daarom naar een wapenwinkel, kocht een lang pistool met zes loopen en een holster en voegde daar nog een jachtmes bij van de soort, zooals Croisset er een had.

Het was middernacht eer hij in den werktrein stapte en de dag begon aan te breken boven de wildernis, toen men te Etomani stopte. Van hier uit zou hij de eerste zestig mijlen van den nieuwen weg tot aan Le Pas op een lorrie afleggen. Die lorrie had al drie dagen op hem gewacht,—maar Gregson en Thorne waren er niet.

„Mr. Gregson wacht u te Le Pas,” zei een van de mannen. „Mr. Thorne is nog te Wekusko.”

Het was voor het eerst van zijn leven, dat Howland zich in het hartje van de wildernis bevond en naar gelang zij mijl op mijl achter zich lieten en zich steeds dieper voortspoedden in het eenzame gebied van ijs en sneeuw en oerwoud, voelde hij zijn hart sneller kloppen van blijde opwinding; hij verheugde zich bij voorbaat in het nieuwe leven, dat hem hier onder den verren noordelijken hemel wachtte. Vóór op de lorrie gezeten, met de vier mannen, die den wagen in beweging hielden achter zich, dronk hij de woeste schoonheid in van de wouden en de moerassen waar doorheen zij snelden,—al door uitkijkend naar het grove wild dat—zooals zijn begeleiders hem vertelden,—zich aan alle kanten om hen heen moest ophouden.

Overal strekte de witte winter zich uit. De rotsen, de boomen en de groote heuvelkammen,—die hier in het Noorden bergen worden genoemd,—lagen onder vier voet sneeuw, waar de zon met duizelingwekkende schittering op scheen. Maar het was niet vóórdat een lange stijging hen op den top van een dier kammen had gebracht, dat Howland—den blik naar het Noorden gericht,—de wildernis aanschouwde in al haar grootschheid. Toen de lorrie stilhield, sprong hij met een luiden juichkreet op de hard bevroren sneeuw, zijn gelaat stralend van opgewondenheid over het heerlijke tafereel, dat zich voor zijn oog ontrolde. Daar toch lag het onmetelijke, witte veld vóór hem, dat zich honderden mijlen ver tot aan de Hudsonbaai uitstrekte. In sprakelooze bewondering staarde hij naar de ongerepte wouden,—naar vlakten en heuvels, die duidelijker zichtbaar werden, naarmate zijn gezichtskring zich uitbreidde; hij kon de bochten van een bevroren rivier volgen, tot waar zij zich in het verre verschiet verloor en zijn oog rustte hier en daar op de glinsterende oppervlakte van meren, met sneeuw bedekt en ingesloten tusschen wanden van donkere wouden. Dit was niet de wildernis, die hij had verwacht,—niet de wildernis waarvan hij had gelezen. En evenmin was het de wildernis, door Gregson en Thorne in hun brieven beschreven. Neen, dit was mooi,—dit was prachtig! Zijn hart bonsde van vreugde, toen hij er op neerkeek; de blos op zijn gelaat werd dieper en het was of hij—geheel opgaand in zijn vurige belangstelling,—nauwelijks meer ademde.

Een van de vier mannen op de lorrie was een oude Indiaan,—en vreemd genoeg was het juist deze, die het eerst het stilzwijgen verbrak. Hij had de uitdrukking op het gelaat van den nieuwen chef gezien en in zijn gebroken taaltje fluisterde hij zacht aan diens oor: „Twintig duizend rendieren daar—twintig duizend kariboes!—geen mensch—geen huis—twintig duizend mijlen!”

En Howland keek, nog bevend van aandoening in de oogen van den ouden Indiaan, die vol waren van den vreemden gloed der gevoelens, thans ook in hem zelf ontwaakt. Daarop weer starend in het verre verschiet, trachtte hij met zijn blik door te dringen tot voorbij dat woeste gebied en tot aan de Hudsonbaai en terwijl hij dat deed, besefte hij, dat er op dat oogenblik een nieuwe geest in hem werd wakker geroepen,—een nieuw wezen; dat hij niet langer de oude Jack Howland was, wiens wereld werd begrensd door de muren van zijn kantoor en wiens levensopvatting alles buitensloot wat niet onmiddellijk in verband stond met de bevrediging van zijn eerzucht.

De korte dag van het Noorden liep ten einde,—toen zij in de vlakte onder hen opnieuw de breede Saskatchewan aanschouwden met op den zuidelijken oever de enkele uit houtblokken opgetrokken woonhuizen van Le Pas, aan drie zijden ingesloten door donkere pijnbosschen. Er brandden enkele lichtjes in de hutten en in de store van de Hudsonbaai-nederzetting, toen de lorrie stilhield op een vijftig pas afstands van een laag houten gebouw, dat wat beter verlicht leek dan de andere.

„Dat is het hotel,” zei een van de mannen, „en daar is Mr. Gregson.”

Een lange, in pels gehulde gedaante kwam naar buiten om Howland te begroeten, toen deze snel de open ruimte vóór het gebouw overstak. Het was Gregson en zij drukten elkaar de hand, maar de jongere ingenieur keek zijn ouderen collega verbaasd aan. Dat was niet de Gregson met een rond gelaat en vol leven en beweging, dien Howland op het kantoor in Chicago had gekend.

„Ik was nog nooit van mijn leven zóó blij om een oud vriend te zien, Howland!” riep hij den nieuw aangekomene toe, hem telkens weer bij de hand grijpend. „Als het nog een maand langer had geduurd, zou ik het er niet levend hebben afgebracht. Het is hier een helsch land!”

„En ik ga juist met elke minuut meer van dat land houden, Gregson; wat scheelt er aan? Ben je ziek geweest?”

„Ziek?—ja, ziek van dit ellendige karwei! Als de ouwe ons niet eindelijk had afgelost, dan zouden Thorne en ik binnen een maand zijn gaan drossen. Ik sta er je borg voor, dat je eer het lente is, meer dan genoeg zult hebben van blokhuizen, half-rassen en rendiervleesch en ook van die helsche sneeuw en dat duivelsche ijs. Maar ik wil je den moed niet benemen!”

„Je kunt me den moed niet benemen,” lachte Howland. „Je weet wel, dat ik nooit veel om comedies of om meisjes heb gegeven. Hoe staat dat hier?” voegde hij er aan toe, zijn makker een goedig ribbestootje gevend.

„Niets—minder dan niets!” zei Gregson, maar opeens lichtten zijn oogen op. „Ja toch,—bij George, Howland! ik heb juist vandaag het mooiste meisje gezien, dat ik ooit aanschouwde. Ik zou er een kistje met echte Havanna's voor overhebben—en in maanden hebben wij er geen geproefd!—als ik te weten kon komen wie zij is!”

Zij waren nu de lage deur van het hotel binnengegaan en Gregson ontdeed zich van zijn zware jas.

„Een lang meisje met een muts en een mof?” vroeg Howland haastig.

„Neen,—eerder een echt type van het Noorden,—kaarsrecht, met een muts en een buis van bont, een korten rok van kariboe-huid en mocassins en op haar rug hing een lange vlecht, zoo dik als mijn arm. Goede God, wat was zij mooi!”

„Is er ergens in of bij ons kamp een meisje, dat Meleese heet?” vroeg Howland als terloops.

„Niet, dat ik weet,” zei Gregson.

„Of een man, Croisset genaamd?”

„Nooit van gehoord.”

„Ik moet zeggen, dat je niet veel weet,” lachte Howland, met welbehagen den geur van het aanstaande souper opsnuivend. „Ik heb een honger als een wolf.”

Daar klonk opeens buiten het scherpe zweepgeknal van een sledebestuurder en Gregson ging naar een van de kleine ramen om uit te kijken. Een oogenblik later holde hij naar de deur en riep hij Howland toe: „Zoo waar er een God van de Liefde is, daar heb je haar, kerel! Gauw—als je nog iets van haar wilt zien!”

Snel trok hij de deur open en Howland haastte zich om hem te volgen. Weer klonk een forsche zweepslag, dezen keer vergezeld van een luiden kreet en tegelijkertijd schoot een slee, door zes honden getrokken, in het schemerachtige licht van den vóórnacht langs hem heen.

Ook over Howland's lippen kwam een kreet: want in een van de twee gezichten, die zich gedurende een oogenblik naar zijn kant wendden, herkende hij, dat van Croisset en het andere, wit en starend zooals hij het dien avond in Prince Albert had gezien, was het gelaat van het mooie meisje, dat hem had gelokt naar de hinderlaag op het Groote Pad van het Noorden!

HOOFDSTUK V.

Een Middernachtelijk Bezoek.

Toen de slee voorbijschoot, lag één oogenblik Croisset's naam op Howland's lippen. Gregson op zij duwend, sprong hij den nacht in, gedreven door de begeerte om de twee wezens, die in de laatste acht en veertig uren zoo nauw en op zoo geheimzinnige wijze met zijn eigen bestaan verbonden waren geweest en die dreigden hem weer te ontsnappen, nog in te halen.

Het was Gregson, die hem tot bezinning bracht.

„Ik dacht, dat comedies en meisjes je niet konden schelen!” riep hij spottend, Howland's woorden van daareven herhalend. „Hier in het Noorden doet een aardig snuitje je heel anders aan dan in Chicago, niet waar? Nu, als je eens een week of wat hier aan den zelfkant van de wereld gezeten hebt, zul je merken—”

Howland viel hem met eenige scherpte in de rede:

„Ben je die twee menschen ooit eerder tegengekomen, Gregson?”

„Nooit vóór vandaag, kerel. Maar er is hoop. We zullen stellig wel iemand vinden, die hen kent. Zou het niet kostelijk zijn, als Jack Howland Esq., de man die nooit eenige belangstelling heeft getoond voor comedies of voor meisjes, hier naar deze door God en de menschen verlaten streek moest komen om op slag te verlieven? Bij het Groote Pad van het Noorden, ik geloof, dat het voor jou hier wel eens interessanter zou kunnen worden dan het voor Thorne en voor mij is geweest!—Als ik haar maar eerder gezien had—”

„Hou je mond!” gromde Howland, zich prikkelbaar toonend. „Laten we liever gaan eten.”

„Goed; dan kunnen we er later onder onze avondsigaar nog eens nader over spreken. Dat zal ons helpen om den tijd te korten.”

„Ik moet zeggen, dat je een goeden smaak hebt, Gregson,” zei Howland, nu weer goed gehumeurd, toen zij zich aan een van de ruwe houten tafels in de eetkamer zetten. Hij hield er zich innerlijk van overtuigd, dat het beter was om de ondervindingen van de twee laatste dagen maar voor zichzelf te houden. „Het was een heel mooi gezichtje.”

„En dan die oogen!” voegde Gregson er aan toe, terwijl de zijne van geestdrift schitterden. „Zij keek mij vanmiddag, toen zij hier met dien donkeren vent voorbijkwam, open en vrij aan en ik zweer je, dat het de mooiste oogen zijn, die ik ooit heb gezien. En dan dat haar—”

„Denk je, dat zij weet wie je bent?” vroeg Howland kalm.

Gregson haalde de schouders op.

„Hoe ter wereld zou ze me kennen?”

„Waarom keek ze je dan zoo „open en vrij” aan? Dacht je misschien, dat zij probeerde te flirten?”

Gregson scheen verbaasd.

„Om den drommel niet,—neen!” riep hij. „Daar wil ik mijn leven onder verwedden. Geen man ving ooit een reineren, een meer onschuldigen blik op en toch—voor den duivel, zij _staarde_ me aan! Haar heb ik daarna niet meer gezien, maar die donkere vent heeft hier den heelen middag rondgeloopen en nu dat ik er over denk, het was of ook hij bizondere belangstelling voor me aan den dag legde. Maar waarom vraag je er zoo naar?”

„Alleen uit nieuwsgierigheid,” antwoordde Howland. „Ik hou niet van flirts.”

„Ik ook niet,” zei Gregson, kalm en nadenkend. Hun avondeten werd nu opgediend en zij praatten maar weinig meer vóór het was afgeloopen. Howland kreeg daardoor gelegenheid om zijn collega van ter zijde gade te slaan en al spoedig hield hij zich overtuigd, dat deze niets van het meisje afwist en evenmin van Croisset. Intusschen werd het hem steeds meer een raadsel hoe Gregson en Thorne, twee van de beste krachten in hun vak, vrijwillig een werk als den bouw van de Hudsonbaai-lijn konden opgeven, alleen omdat zij „genoeg hadden van de streek.”

Het was eerst toen zij op het punt waren om van tafel op te staan, dat Howland's blik toevallig op de linkerhand van Gregson viel. Hij deed een uitroep van verbazing, toen hij zag, dat de pink daaraan ontbrak. Gregson trok de hand haastig weg.

„Een accident,” zei hij. „Zoo wat zal jou hier ook wel eens overkomen.”

Maar nog eer hij zich kon omwenden, had Howland zijn arm gegrepen om de hand meer van nabij te bekijken.

„Een vreemde wond,” merkte hij op zonder zijn vriend aan te zien. „Gek, dat ik het niet eerder merkte. De vinger is letterlijk in de lengte afgerukt en het litteeken gaat tot halfweg den pols. Hoe ben je daaraan gekomen?”

Toen hij de hand liet vallen, zag hij, dat een diepe blos Gregson's gelaat kleurde.

„Och,—die pink werd me een week of wat geleden afgeschoten, Howland; natuurlijk bij ongeluk,—” luidde het antwoord en al over zijn schouder voortpratend, liep Gregson snel naar de deur. „En nu onze after-supper sigaar en een gemoedelijk praatje!”

Toen zij uit de eetkamer in dat deel van het hotel kwamen, dat tegelijkertijd bar en zitkamer was,—en al gevuld met den rook van een dozijn der schilderachtige inwoners van Le Pas, gaf de ruwe hotelier Howland een teeken en reikte hij dezen een brief.

„Mr. Howland, dit is voor u gekomen, terwijl ge aan tafel waart,” legde hij uit.

De ingenieur voelde innerlijk een schok, toen hij het handschrift op de enveloppe herkende en vóór hij die opende, keerde hij zich zóó ver om, dat Gregson noch zijn gelaat, noch het stukje papier kon zien, dat die bevatte. Er stond geen naam onder het geschrevene, maar dat was ook niet noodig; één blik was voor Howland voldoende. Het was het handschrift van het meisje, dat hij dien avond opnieuw had aanschouwd en al lezende vergat hij in zóóverre zijn omzichtigheid, dat hij even floot.

„Vergeef mij wat ik deed,” luidden de weinige regels. „Schenk mij nu geloof. Uw leven is in gevaar en gij moet morgen teruggaan naar Etomani. Als ge voortreist naar het kamp aan de Wekusko, zult gij nooit van daar terugkeeren.”

„Duivels!” riep hij.

„Wat is er?” vroeg Gregson, die nieuwsgierig om hem heen draaide.

Howland verkreukelde het briefje met zijn hand en stopte het in een van zijn zakken.

„Een kleine private aangelegenheid,” lachte hij. „Kom, Gregson, laten we liever eens probeeren of we wat te weten kunnen komen.”

Hij stak, in de duisternis buiten gekomen, een hand onder zijn jas en legde die om zijn revolver. Tot tien uur verkeerden zij onder de bewoners van Le Pas. Tal van menschen hadden Croisset en zijn mooie gezellin gezien, maar niemand kende hen. Zij waren dien morgen in een slede gekomen, hadden hun middagmaal en hun avondeten gebruikt in de hut van een opzichter, MacDonald geheeten, en waren daarna, eveneens weer op een slee, vertrokken.

„Zij is het liefste persoontje, dat ik ooit heb gezien,” riep Mrs. MacDonald in verrukking; „maar zij kan niet spreken. Twee- of driemaal schreef zij iets voor mij op een stukje papier.”

„Niet spreken!” herhaalde Gregson, terwijl zij langzaam naar het hotel terugliepen. „Voor den duivel, Jack, wat denk jij daarvan?”

„Ik denk niets!” herhaalde Howland onverschillig. „We hebben ons deel gehad van het aardige gezichtje, Gregson. Ik ga naar bed. Hoe laat vertrekken we morgenochtend?”

„Dadelijk na het ontbijt, als je er erg naar verlangt.”

„Zeker doe ik dat. Goedennacht.”

Howland begaf zich naar zijn kamer, maar niet om te slapen. Uren lang zat hij, de eene sigaar na de andere rookend, klaar wakker te denken. Hij ging één voor één de zonderlinge gebeurtenissen na van de twee laatste dagen. Die waren tot op zekere hoogte een soort van opwekking voor hem geweest,—een dosis opwinding, die heelemaal niet onaangenaam was; maar bij die opwinding kwam nu een soort van beklemming. De aanslag op zijn leven, gevoegd bij de herhaalde aanmaningen om naar het Zuiden terug te keeren, begon invloed te krijgen. Intusschen—Howland was er de man niet naar om toe te geven aan vrees—zoo het al vrees genoemd kon worden. Hij was er van overtuigd, dat een geheimzinnig gevaar—van welken aard dan ook,—hem in het kamp aan de Wekusko wachtte, maar hij gaf het op om langer naar een mogelijke aanleiding te zoeken, aannemend, dat dit gevaar nu eenmaal bestond en dat het zich vroeg of laat wel vanzelf zou verklaren. Alleen kon hij zich het meisje niet uit het hoofd zetten. Haar lief gelaat vervolgde hem. Hij zag het overal. Nu eens zooals zij tegenover hem zat in het Chineesche restaurant, dan weer in het witte licht der sterren op het Pad naar het Noorden, of wel zooals het hem nu weer, een oogenblik geleden, uit de slede had aangestaard. Tevergeefs trachtte hij voor zich onedele drijfveeren op te zoeken in de heldere oogen, die een beroep schenen te doen op zijn vriendschap—ook al hadden de zachte lippen hem voorgelogen door te zwijgen. „Vergeef mij wat ik deed!”—Hij vouwde het verkreukelde briefje open en las en herlas die woorden. „Schenk mij nu geloof.”—Zij begreep dus, dat hij wist, hoe zij hem voorgelogen had, dat hij wist, hoe zij hem had gelokt naar het gevaar, waarvan zij hem nu wilde redden. Zijn wangen brandden. Al dreigden hem daar ginds aan de Wekusko duizend gevaren—gaan zou hij! Hij moest haar weerzien. Hoeveel moeite hij ook deed, hij kon het visioen van haar liefelijk gelaat niet afschudden. Die zacht smeekende oogen, die roode mond bevend en met half geopende lippen als ging hij spreken, dat hoofdje met den stralenkrans van glanzig haar, waarop hij had neergezien,—dat alles had zich te diep in zijn ziel geprent om uitgewischt te kunnen worden. Had de wildernis hem van den beginne af aan interessant geleken, nu was zij dit dubbel, omdat haar gelaat er deel van uitmaakte, omdat het geheim van haar leven, van de wanhoop hem ten deele geopenbaard, ergens vèr weg in het duistere mysterie van gindsche pijnbosschen verborgen lag.

Hij ging naar bed, maar het duurde lang eer hij den slaap vatte. Het leek hem, dat hij nauwelijks de oogen gesloten had, toen hij werd gewekt door een kloppen op zijn deur. Hij zag, dat het licht van den dageraad door het smalle venster van zijn kamer naar binnen viel en kort daarop voegde hij zich bij Gregson, die al met het ontbijt op hem wachtte.

„De slee en de honden staan klaar,” zei hij. En terwijl zij zich aan tafel zetten, voegde hij er aan toe: „Ik heb mijn plannen sedert gisteravond veranderd, Howland. Ik ga niet mee terug naar de Wekusko. Het is nergens voor noodig; Thorne kan je daar voldoende inlichten omtrent alles in en om het kamp en ik geef liever een half jaar van mijn salaris cadeau dan dat ik dien sleerit opnieuw maak. Het kan je zeker niet schelen, wel?”

Howland haalde de schouders op.

„Eerlijk gezegd, Gregson,—ik geloof niet, dat je opgewekt gezelschap zou zijn. Wat voor element is de voerman?”

„We noemen hem Jackpine; hij is een Cree-Indiaan—en de vertrouwde lijfslaaf van Thorne en mij te Wekusko. Hij jaagt voor ons, kookt voor ons en zorgt voor ons in alle opzichten. Je zult stellig van hem gaan houden.”

En dat deed Howland dan ook al heel gauw. Toen zij na hun ontbijt naar de slee gingen, reikte hij Jackpine vriendschappelijk de hand en het donkere gelaat van den Cree glom van vreugde, zoodra hij de geestdrift van den nieuwen chef opmerkte. Toen het oogenblik van scheiden kwam, trok Gregson zijn collega ter zijde. Hij scheen geagiteerd, zijn blik gleed onrustig rond en Howland zag, dat hij zich moeite gaf om een onverschilligheid te veinzen, die allerminst in zijn karakter lag.

„Nog een enkel woord, Howland,” zei hij. „Je weet, dit is een ruw en onontgonnen land vol stoere lui, die er geen bezwaar in zouden zien om iemand den hals af te snijden of hem een kogel door het hoofd te jagen, ter wille van een goed span honden of een geweer. Ik zeg je dit alleen maar om te maken, dat je op je hoede bent. Laat Jackpine waken, als je 's nachts kampeert.”