Op het onheilspad

Part 2

Chapter 24,139 wordsPublic domain

Hij schonk zich een laatste kopje in en toen hij de oogen weer ophief, merkte hij tot zijn verbazing, dat zij naar hem keek. Even was haar blik vast en helder; maar al gauw werd de blos op haar wangen dieper en toen het koude grijs van Howland's oogen de hare onverschrokken uitdaagden, sloeg zij de lange wimpers neer en maakte zij zich weer druk met haar thee. Hij zag hoe de hand, die het kleine Japansche potje optilde, lichtelijk beefde. Hij boog zich voorover en als aangetrokken door die beweging, keerde het meisje hem opnieuw haar gelaat toe, terwijl zij den trekpot boven het kopje hield. In haar donkere oogen las hij een uitdrukking, die hem bijkans deed opspringen,—een veelbeteekenende gloed,—een pathetisch en tegelijkertijd half angstig beroep op zijn persoon. Hij stond op met vragenden blik; haar lippen plooiden zich tot een roode, ronde O en zij wees op den stoel tegenover haar.

„Ik hoop, dat u het mij niet ten kwade duidt,” zei Howland, terwijl hij ging zitten, „maar mag ik u mijn kaartje geven?”

Hij had het gevoel alsof hij iets zeer vrijpostigs had gedaan en die gewaarwording joeg hem een oogenblik het bloed naar de wangen. Het meisje las zijn naam en noodigde hem met een glimlach en een vriendelijk gebaar om verder de thee met haar te gebruiken. Hij ging even terug naar zijn eigen tafeltje en toen hij met zijn kopje in de hand weer bij haar kwam, schoof zij hem het leitje toe, waarop zij deze woorden had geschreven:

„Gij zult me wel willen excuseeren, als ik niet spreek. Ik ben, helaas, stom.”

Howland kon een zachten uitroep van verbazing en medelijden niet weerhouden en toen zijn gezellin tegelijkertijd naar hem opkeek, las hij op haar gelaat weer de uitdrukking, die hem zoozeer had getroffen, toen hij in het hotel voor het venster stond. Alledaagsche flirtations waren hem vreemd; hij miste de noodige gevatheid daarvoor en ook nu klonk zijn stem koel en zakelijk, terwijl hij haar met zijn grijze oogen eerlijk en oprecht aankeek.

„Ik zag u vanavond door het raam van het Hotel Windsor,” begon hij, „en iets op uw gelaat gaf mij het vermoeden, dat ge in verlegenheid waart. Het is daarom, dat ik de stoute schoenen heb aangetrokken. Ik ben de ingenieur, belast met den bouw van de Hudsonbaai-lijn en op mijn weg van Chicago naar Le Pas. Ik ben hier geheel vreemd. Ik was nooit eer in dit—etablissement. Het is een aardige theesalon,—en een kostelijk masker voor de opium-banken achter die gordijnen.”

Met die enkele woorden maakte hij haar, als gold het een gewoon en zakelijk geval, de situatie op eens duidelijk. Zij wist nu wie en wat hij was en tevens de reden van zijn belangstelling voor haar persoon, terwijl hij haar terzelfder tijd te verstaan had gegeven, welke vermoedens hij koesterde, ten opzichte van hun oogenblikkelijke omgeving. Hij lette naijverig op de uitwerking van zijn woorden en een seconde later speet het hem, dat hij zoo bruusk was geweest. Het meisje toch keek om zich heen; hij zag hoe haar boezem hijgde, hoe de blos op haar wangen kwam en ging en hoe er angst uit haar oogen sprak, toen zij die groot en vragend op hem vestigde.

„Ik wist dat niet,” schreef zij schielijk. Haar gelaat was nu even bleek als toen Howland het voor het eerst zag. Haar hand trilde zenuwachtig en één oogenblik beefden haar lippen zóó, dat zijn hart luider begon te kloppen. „Ook ik ben hier vreemd,” voegde zij er aan toe. „Ik ben hier nooit eer geweest—ik kwam—”

Zij wachtte even en het was hem alsof hij een zachten snik hoorde, toen zij hem aankeek. Hij begreep, hoeveel moeite het haar kostte, om verder te schrijven.

„Ik kwam hier om u.”

„Maar waarom?” vroeg hij op zachten en geruststellenden toon. „Zeg mij dan toch waarom!”

En in zijn ongeduld leunde hij halfweg over de tafel om de woorden te lezen, terwijl zij die schreef.

„Ik ben hier vreemd,” herhaalde zij. „Ik heb iemand noodig om mij te helpen. Ik hoorde bij toeval wie ge waart en ik was van plan u in uw hotel op te zoeken. Maar daar gekomen, durfde ik niet. Het was toen, dat ik u aan het raam zag. Even later kwaamt ge buiten en zag ik u hier binnen gaan. Onbekend met den aard van het huis, volgde ik u. Zoudt ge met mij mee willen gaan naar de plaats—waar ik verblijf houd?—Ik zal u dan mededeelen—”

Zij voltooide den volzin niet, maar haar blik was genoeg. Howland stond zwijgend op en greep naar zijn hoed.

„Ik ga met u mee, Miss—” zei hij eenvoudig, als daagde hij haar uit om haar naam neer te schrijven. Zij glimlachte en een nieuwe blos kleurde haar wangen. Maar tegelijkertijd wendde zij zich om en liep zij snel de trap af.

Buiten gekomen bood Howland haar zijn arm. Omhoog kijkend, zag hij opnieuw het vurige spel van de _Aurora Borealis_. Hij wierp zijn schouders naar achteren, dronk gretig de frissche lucht in en voelde zich kennelijk blij en gelukkig in het nieuwe leven om hem heen.

„Welk een schitterende avond!” riep hij.

Het meisje knikte en keek naar hem op. Haar gelaat reikte tot aan zijn schouder en het was alsof het in het witte licht van de sterren nog aan schoonheid won.

Zij zagen niet om. Geen van beiden hoorde den sluipenden tred van de mocassins, die hen op korten afstand volgden. Zij zagen niet de glinsterende oogen, niet het magere, donkere gelaat van Jean Croisset, den half-ras, toen zij voortsnelden in de richting van de Saskatchewan.

HOOFDSTUK III.

De Geheimzinnige Overval.

Howland was blij, dat hij voor het oogenblik niet hoefde te praten. Hij begon in te zien, dat dit avontuur wel een beetje heel kras was voor den man op wiens schouders de verantwoordelijkheid rustte voor een der grootste ondernemingen van zijn tijd. Hij wist, dat hij den volgenden morgen den trein van acht uur zou moeten halen, wilde hij dien dag doorreizen naar het terrein der werkzaamheden. Innerlijk was hij niet rustig en voelde hij vreemde gewaarwordingen, maar toch moest hij lachen als hij dacht aan wat Van Horn wel zou zeggen, wanneer die van dit alles hoorde. Hij keek naar zijn gezellin; hij zag den glans van de lokken, die onder het pelsmutsje uitkwamen, hij bestudeerde den zachten omtrek van wang en kin en hij merkte als terloops op, dat het bovengedeelte van haar hoofd zich juist op één lijn bevond met zijn sigaar. Hij vroeg zichzelf herhaaldelijk af of hij zich niet mal aanstelde. Zoo ja, dan troostte hij zich met de gedachte, dat hij er ten minste voor beloond werd. Deze avond in Prince Albert zou niet zoo oninteressant zijn, als hij eerst had gevreesd.

Op de plek, waar de rivierpont half tegen den oever lag opgetrokken met de bevroren punt in het ijs, bleven zij staan en keek hij het meisje kalm verbaasd aan. Zij knikte lachend en wees naar de overzijde.

„Ik ben vanavond al eens daar geweest,” zei Howland. „Ik zag er geen woningen en ik hoorde alleen wolven. Moeten we daarheen?”

Hij zag haar witte tanden glinsteren en voelde een warm drukje tegen zijn arm, als wilde zij hem te kennen geven, dat zij de rivier moesten oversteken. Zijn verlegenheid nam voortdurend toe. Op den anderen oever toch reikte het woud met zijn breeden zoom van grove sparren en struiken tot aan de Saskatchewan. Onmogelijk was het niet, dat de een of andere squatter in die omgeving zijn hut had,—maar gesteld, dat zij daarheen wilde, waarom was zij dan juist tot hem gekomen, waarom had zij juist zijn hulp ingeroepen in plaats van bijstand te zoeken bij menschen, die zij kende?

Hij stelde zichzelf die vragen, zonder ze in woorden te brengen en eerst toen zij tegen den anderen oever opklauterden, met de steeds diepere schaduwen van het oerwoud om zich heen, begon hij opnieuw te spreken.

„Gij hebt mij daareven gezegd, dat gij hier vreemd waart,” zei hij, haar staande houdend, waar het licht van de sterren op haar gelaat viel, dat zij hem toekeerde. Zij glimlachte en knikte toestemmend.

„Maar gij schijnt hier toch vrij wel thuis te zijn,” ging hij voort. „Waar gaan wij heen?”

Dezen keer antwoordde zij met een heftig, ontkennend hoofdschudden en tegelijkertijd wees zij met haar vrije hand naar het duidelijk zichtbare spoor, dat van de landingsplaats het bosch in leidde. Dien morgen al had men Howland verteld, dat dit het Groote Pad was naar het Noorden, voerend naar de onmetelijke wildernis aan die zijde van de Saskatchewan. Twee dagen te voren waren de agent van Lac Bain, de Cree's en de Chippewayans langs dat Pad binnengekomen. Op de harde sneeuwkorst was het spoor nog zichtbaar der sleden van Jean Croisset en de mannen van Lac La Ronge. Sedert den hevigen sneeuwval van een dag of tien geleden, die wel vier voet diep lag, was nu en dan misschien een enkele woud-bewoner langs het Pad naar deze uiterste grens der beschaving gekomen, maar uit Prince Albert had niemand er in tegenovergestelde richting gebruik van gemaakt. Dat alles had Howland al in het hotel vernomen en het was dan ook met ongeveinsde verbazing, dat hij het meisje aankeek. Het was of zij zijn gedachtengang begreep en weer rondde haar mond zich tot een bekoorlijke O en kwam er in haar blik een teeder smeekende uitdrukking, die scheen te getuigen van haar verdriet over het feit, dat haar lippen niet in staat waren woorden te vormen. Opeens echter deed zij een stap ter zijde en schreef zij met de punt van haar voet een woord in de oppervlakte van de sneeuw. Haar hand leunde zacht op Howland's schouder, toen hij zich boog om bij het geheimzinnige licht van de sterren te lezen.

„Kamp!” riep hij zich weer oprichtend. „Ge meent toch niet, dat ge hier buiten kampeert?”

Blij nu zij begrepen werd, knikte zij een herhaald ja. Er lag zoo iets zachts op haar gelaat, er lag zooveel vreugde in haar blik, dat Howland haar zijn beide handen toestak en luid begon te lachen.

„Gij?” riep hij—„gij zoudt hier kampeeren?!” Eveneens lachend met lippen en oogen—kwam zij snel naar hem toe en gedurende enkele seconden rustten hun handen ineen. Haar schoon gelaat was nu gevaarlijk dicht bij het zijne. Hij voelde haar adem en hij rook den zachten geur van haar lokken. Nog nooit had hij oogen gezien als die, welke nu tot hem opkeken, uitstralend het zachte licht van de sterren; nooit had hij ook maar gedroomd van zoo iets schoons en haar nabijheid bracht hem in beroering. Steeds vaster drukte hij haar handen en toen dit haar nog dichter bij hem bracht, voelde hij voor een ondeelbaar oogenblik haar hoofd tegen zijn borst. Die gewaarwording deed hem tijd en plaats vergeten; deed hem zijn vroeger ik—Jack Howland,—den bij uitstek practischen en on-romantischen meester-bouwer van spoorlijnen, vergeten; deed hem alles vergeten, behalve de tegenwoordigheid van dat meisje, haar warmen druk tegen zijn borst en de betoovering dier groote, bruine oogen, die zoo onverwacht in zijn leven waren gekomen. Maar een oogenblik later had hij zich hersteld. Hij week een schrede terug en liet haar handen los.

„Vergeef mij,” zei hij zacht. Hij schaamde zich over zijn optreden en zich kortweg omdraaiend, liep hij het Pad op. Hij was nog geen twaalf passen gevorderd, toen hij op eenigen afstand vóór zich uit den rooden gloed van een vuur zag. Tegelijkertijd werd zijn arm gegrepen door een hand, die er zich bijna woest aan vastklemde en zich omwendend, zag hij het gelaat van het meisje ten prooi aan een vreemde ontroering.

„Wat is er?” riep hij. „Zeg mij—”

Beangstigd door haar blik, wilde hij opnieuw haar handen in de zijne nemen. Maar zij trok die snel terug. Er begon zich op eenigen afstand achter haar iets te bewegen in de diepe schaduwen van het woud; het nam een vorm aan en een oogenblik later zag Howland een forsche gestalte uit de duisternis te voorschijn springen en meteen het flikkeren van een mes. Hij had geen tijd om uit te wijken of de revolver te trekken, die hij altijd bij zich droeg. In een crisis zijn iemands daden meestal onwillekeurig en machinaal; het is alsof het leven, wanneer het aan een zijden draad hangt, zichzelf moet redden op zijn eigen wijze zonder overleg en zonder redeneering van den persoon, die door dat leven bezield wordt.

En één oogenblik dacht en redeneerde ook Howland niet. Had hij dat gedaan, dan zou hij waarschijnlijk zijn geheimzinnigen belager te lijf zijn gegaan en zijn bloote vuist in het mes hebben gestooten. De drang van lijfsbehoud maakte, dat hij wat anders deed. Zonder zich tijd te gunnen om een kreet van schrik te uiten, wierp hij zich voorover in de sneeuw. Die manoeuvre redde hem en toen de ander, over zijn lichaam struikelend, languit op het Pad viel, had hij gelegenheid om zijn revolver te trekken. Maar nog eer er een schot viel, hoorde hij achter zich een vreeselijk gebrul, gelijk aan dat van een wild dier en kreeg hij een zwaren slag op zijn hoofd. Het gewicht van den tweeden aanvaller drukte hem diep in de sneeuw, het pistool gleed hem uit de hand en twee zware knuisten verstikten een laatsten wanhoopskreet in zijn keel. Hij zag boven zich een gelaat, verwrongen van hartstocht, een breeden nek en oogen fonkelend als granaten. Hij worstelde om zijn armen te bevrijden, maar zijn pogingen waren als die van een kind tegenover een reus. Hij nam zijn toevlucht tot een laatste redmiddel, zijn eenige kans en zijn eenige hoop. Juist toen hij de vingers, die als gloeiend staal in zijn vleesch drongen, om zijn keel voelde en de adem hem scheen te begeven, herinnerde hij zich den moorddadigen kniestoot, dien de kampvechters van de binnenzeeën hem hadden geleerd; duim voor duim trok hij zijn knieën op onder het gewicht van zijn belager tot hij met de laatste kracht, die in hem was, een geweldigen stoot tegen diens buik kon richten. Het duurde even eer hij wist of hij gered was, eer het waas voor zijn oogen optrok en eer hij zijn vijand in de sneeuw zag spartelen. Hij stond op, duizelig en nog wankelend door den zwaren slag op zijn hoofd en den greep naar zijn keel. Op eenigen afstand zag hij een vaag druk doen van donkere gedaanten en terwijl hij daarnaar keek, kwam een van die lieden op hem af.

„Schiet niet, M'sieur Howland,” hoorde hij een stem zeggen in gebroken Engelsch, vermengd met Fransch. „Ik ben het—Jean Croisset—een vriend! Bij alle Heiligen, dat was—hoe zegt ge ook weer?—lukraak!”

Het magere, donkere gelaat van den half-ras dook glimlachend op uit de witte duisternis. Howland bemerkte hem nauwelijks; hij zocht al door om zich heen naar het meisje. Maar zij was weg.

„Ik kwam hier toevallig langs—met mijn knuppel,” ging Croisset voort. „Kom, we moeten terug naar de stad.”

De glimlach was van zijn gelaat verdwenen, toen hij den arm van den ingenieur stevig onder den zijnen nam. Het was Howland alsof alles met hem draaide; hij voelde een vreemde zwakte door al zijn leden. Met moeite bracht hij de hand aan het hoofd; hij had het kunnen uitschreeuwen van de pijn.

„Dat meisje—” begon hij.

Croisset legde een arm vast om hem heen.

„Zij is weg,” hoorde Howland hem zeggen en er was iets in de stem van den half-ras, dat den ander terughield van verdere vragen. Hij strompelde gedwee mee in de richting van Prince Albert, steeds zwaarder leunend op zijn geleider.

En toch—hoewel half bedwelmd en versuft, wist hij heel goed, dat het niet alleen de verdwijning van het meisje was, waarvoor hij een verklaring zocht. Toen die slag op zijn hoofd neerkwam, had hij den angstkreet van een vrouw gehoord; toen hij half bewusteloos in de sneeuw terneer lag en zijn laatste krachten inspande om zijn leven te redden, was diezelfde vrouwenstem weer tot hem doorgedrongen,—schijnbaar van heel ver—en nu hij zijn arm hoofd op Croisset's schouder liet vallen, waren het haar woorden, die nog in zijn gefolterd brein naklonken.

„_Mon Dieu!_ Gij zult hem vermoorden—gij zult hem vermoorden!”

Hij trachtte dat gezegde overluid te herhalen, maar hij vermocht slechts een onsamenhangend gemompel uit te brengen. Daar waar het woud den oever bereikte, bleef de half-ras staan.

„Ik moet u dragen, M'sieur Howland,” zei hij en toen hij met zijn bewusteloozen last het ijs overstrompelde, voegde hij er bij zichzelf aan toe: „Wat zou de lieve Meleese wel zeggen, als zij wist, dat Jean Croisset op een haar na M'sieur _l'ingénieur_ het leven had uitgeblazen?! _Ce monde est plein de fous!_”

HOOFDSTUK IV.

De Waarschuwing.

Howland verkeerde den heelen nacht in een soort van bedwelming. Toen hij eindelijk ten volle tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn bed in het hotel. Er stond een lamp op de tafel en met één blik zag hij, dat de kamer leeg was. Hij lichtte het hoofd en de schouders op van de kussens en die beweging alleen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij gewond was. Hij voelde een doffe, folterende pijn in nek en hoofd en toen hij nieuwsgierig met de hand naar de plek tastte, kwam hij in aanraking met een stevig verband. Hij vroeg zichzelf af, of hij zwaar gewond was; hij zonk weer terug in de kussens en hij bleef liggen staren naar het flauwe schijnsel van de lamp. Even later liet zich bij de deur eenig geluid hooren; hij wendde het hoofd om, vol ergernis over de pijn, die de beweging hem gaf. Het was Jean, die naar hem kwam kijken.

„Ah! M'sieur is wakker!” riep de half-ras bij het zien van de wijd geopende oogen en heel zacht trad hij binnen, de deur achter zich sluitend. „_Mon Dieu!_ Als die slag een greintje zwaarder was aangekomen, dan zoudt ge nu al in het zalige hiernamaals zijn,” zei hij glimlachend en met geluidloozen tred naderbijkomend, bracht hij een glas water aan Howland's lippen.

„Is het erg, Croisset?”

„Zóó erg, M'sieur, dat ge een dag in bed zult moeten blijven. _Voilà tout!_”

„Maar dat is onmogelijk!” riep de ingenieur. „Ik moet morgenochtend weg met den trein van acht uur. Ik moet naar Le Pas—”

„Het is nu vijf,” viel Jean hem zacht in de rede. „Gevoelt ge u wèl genoeg om te vertrekken?”

Howland hief zich op, maar alleen om zich dadelijk weer te laten vallen met een luiden schreeuw.

„Alle duivels!” riep hij en een oogenblik later ging hij voort: „In de twee eerstvolgende dagen gaat er geen trein.” Hij legde één hand op zijn pijnlijk hoofd en sloot de andere vast om de dunne, bruine vingers van Jean. „Ik heb behoefte om je te danken voor wat je deedt, Croisset; wàt er eigenlijk gebeurd is, snap ik nog niet recht. Ik weet niet wie het waren en evenmin waarom zij mij dood wilden maken.—Maar—er was daar ook een meisje—ik was met haar gekomen—”

Hij nam de hand van zijn voorhoofd op het juiste moment om het vreemde licht te zien, dat bij die woorden in Croisset's oogen oplaaide. Vol verbazing richtte de gewonde zich halverwegen op, met wit gelaat en vragenden blik den half-ras aanstarend.

„Weet jij er meer van?” vroeg hij haastig. „Wie was zij? Waarom bracht zij mij naar die hinderlaag? Waarom trachtten zij mij te vermoorden?”

Howland uitte die vragen in groote opgewondenheid; hij zag op het gelaat van Croisset, dat deze zeer zeker in staat zou zijn om hem uitsluitsel te geven. Maar er kwam geen antwoord over de dunne, gesloten lippen daar boven hem. Met een snelle beweging trok de half-ras zijn hand terug om vervolgens naar de deur te gaan. Halverwegen bleef hij staan en keerde hij zich om.

„M'sieur, ik ben hier gekomen om u te waarschuwen. Ga niet naar Le Pas. Ga niet naar het groote spoorwegkamp aan de Wekusko. Keer naar het Zuiden terug.” Eén oogenblik boog hij zich voorover, zijn zwarte oogen schitterden en hij balde de vuisten in zijn zijden. „Misschien zult gij mij begrijpen,” zei hij met nadruk, „wanneer ik u zeg, dat de waarschuwing komt—van de kleine Meleese!”

Vóór Howland nog kon bekomen van zijn verbazing, was Croisset al verdwenen. De ingenieur riep hem nog bij zijn naam, maar hij hoorde slechts het geluid van voetstappen, die zich snel verwijderden. Met een uitroep van teleurstelling viel de gewonde in zijn kussens terug. De herhaalde opwinding had hem weer duizelig gemaakt en er kwam een koortsachtig rood op zijn wangen. Hij lag lang met gesloten oogen, trachtend voor zich zelf het mysterie van den vorigen avond op te lossen. De natuurlijkste verklaring was, dat men hem in een val had gelokt. Zijn mooi kennisje had hem met haar lieven glimlach en haar innemend mondje ingepakt en hij knarsetandde, toen hij bedacht hoe gemakkelijk hij zich had laten overhalen. Zij had hem met opzet in de hinderlaag gelokt, die hem noodlottig had kunnen worden, wanneer niet Jean Croisset tusschenbeide was gekomen. En toch was het haar stem geweest, die hij gehoord had en haar angstkreet: „_Mon Dieu_, ge zult hem vermoorden!” dien hij vernomen had, toen de vreeselijke knuist zijn keel bijkans dichtschroefde.

Zijn adem ging sneller nu hij die woorden fluisterend voor zichzelf herhaalde. Eerst thans realiseerde hij de ware beteekenis. Hij voelde eerst nu, hoezeer die kreet van werkelijken angst getuigde en terwijl hij zoo met gesloten oogen terneer lag, was het hem als hoorde hij in haar stem het geluid van de wanhoop. Hoe meer hij nadacht, des te onbegrijpelijker leek hem het heele gebeuren. Waarom had het meisje, nadat zij hem eerst met voorbedachten rade in de hinderlaag had gelokt, ter elfder ure—juist toen haar dubbelhartigheid met succes zou worden beloond—opeens als in doodsangst dien wanhoopskreet geuit? Howland zag in zijn verhit brein haar beeld, zooals zij naast hem had gestaan in de sneeuw op het Pad; hij voelde weer de aanraking van haar handen, het leunen gedurende enkele oogenblikken van haar hoofd tegen zijn borst; hij zag weer den zachten blik, die uit de diepe, reine oogen sprak; het gevoelige beven van de lippen, die moeite schenen te doen om te spreken. Was het mogelijk, dat zulk een gelaat, dat zulke oogen hem in een doodelijke val hadden gelokt? Niettegenstaande de overtuigende bewijzen, koesterde hij twijfel. En toch—zij had gelogen, want zij was niet stom.

Kreunend keerde hij zich met het gelaat naar de deur. Als Croisset terugkwam, wilde hij bij hem aandringen op meer licht in de heele zaak; hij was er zeker van, dat de half-ras het mysterie ten minste voor een deel zou kunnen opklaren. En intusschen pijnigde hij, wakend en wachtend, zijn arme hersens met het bedenken van mogelijke redenen voor dien aanslag op zijn leven. Wie toch was „de kleine Meleese”, die—zooals Croisset zei,—hem de waarschuwing had gezonden? Hij had, voor zoover hij zich herinnerde, nooit iemand van dien naam gekend. En toch had de half-ras dien geuit op een wijze als had die voor hem—Howland—een diepere beteekenis. „Misschien zult ge het begrijpen,” had hij gezegd en Howland deed zijn best om te begrijpen, totdat zijn brein tobde en hij een zieke walging voelde opkomen.

Het eerste licht van den dag kwam flauw naar binnen, toen er buiten de deur opnieuw voetstappen klonken. Dezen keer was het niet Croisset, die verscheen, maar de eigenaar van het hotel; de man bracht een blad met geroosterd brood en een pot dampende koffie mee. Hij knikte en lachte, toen hij zag, hoe Howland half opzat.

„Dat was een leelijke val,” begon hij, een tafeltje bij het bed schuivend. „Ja, de sneeuw is en blijft verraderlijk in de rotsspleten. Als die op een helling onder je wegzakt, dan kun je een flinken smak doen. Gelukkig dat ge Croisset bij u hadt.”

Een oogenblik was Howland sprakeloos.

„Zeker—het was—een leelijke val,” bracht hij ten laatste met moeite uit, den ander scherp opnemend. „Waar is Croisset?”

„Weg. Hij is een uur geleden al vertrokken met zijn honden en zijn slee. Gekke vent, die Croisset! Daar komt hij gisteren binnen van Lac La Ronge, wel honderd mijl noordelijk en vandaag gaat hij er al weer van door! En voor zoover ik kan nagaan, was er even weinig reden voor zijn verschijnen als voor zijn verdwijnen.”

„Weet ge meer van hem?” vroeg Howland geïnteresseerd.

„Neen, hij komt maar eens of tweemaal per jaar hierheen.”

Gedurende enkele minuten bewaarde de ingenieur het stilzwijgen. Hij knabbelde aan het geroosterde brood en dronk een paar slokjes koffie. Daarop zei hij als terloops:

„Hebt ge wel eens gehoord van een vrouw, die Meleese heette?”